← België

Arrest 205693 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 24/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.693 Rolnummer: A. 183514/X-13303 Zaak: Arrest 205693 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 24/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-05 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:56 Fiche Arrest nr 205.693 van 24 juni 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 205.693 van 24 juni 2010 in de zaak A. 183.514/X-13.303. In zake: Werner VAN HOECKE wonend te 9860 OOSTERZELE Roosbloemstraat 23 waar woonplaats wordt gekozen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Godfried De Smedt kantoor houdend te 9160 LOKEREN Roomstraat 40 tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 GENT Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 23 mei 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 20 maart 2007 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende inwilliging van het beroep van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar en vernietiging van het besluit van 14 december 2006 van de deputatie van de provincieraad van Oost- Vlaanderen waarbij het beroep van de verzoeker ingesteld tegen het besluit van 12 september 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Oosterzele tot weigering van de vergunning voor het inrichten van een sandwichbar op percelen gelegen aan de Lange Ambachtstraat 2 te Oosterzele, kadastraal bekend sectie A, nr. 393/k, ingewilligd wordt. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. X-13.303-1/19 Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 maart 2010. Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Nele De Reuse, die loco advocaat Godfried De Smedt verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Elsbeth De Vylder, die loco advocaat Veerle Tollenaere verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 20 maart 2006 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Oosterzele een aanvraag in tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning voor het inrichten van een sandwichbar van 72 m², op een perceel gelegen aan de Lange Ambachtstraat 2 te Oosterzele, kadastraal bekend sectie A, nr. 393/k. 3.2. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan Gentse en Kanaalzone is het betrokken perceel gelegen in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en voor kleine en middelgrote ondernemingen. X-13.303-2/19 Het is tevens gelegen binnen het gebied van het bijzonder plan van aanleg (BPA) nr. 7 “Ambachtelijke Zone”, goedgekeurd bij besluit van 6 april 1987 van de Gemeenschapsminister van Binnenlandse Aangelegenheden en Ruimtelijke Ordening. De stedenbouwkundige voorschriften luiden, wat “de aard van de bebouwing” betreft, als volgt: “1) aard van de (...) bouwing : Per verkochte kavel mag maar één nijverheidsgebouw worden opgericht. Er is slechts één woongelegenheid per bedrijf toegelaten, die qua plan, ligging en uiterlijk voorkomen, geïntegreerd en in harmonie moet zijn met de bedrijfsgebouwen en maximum honderdvijftig vierkante meter (150 m²) bewoonbare oppervlakte mag hebben. De woongelegenheid dient samen met het bedrijfsgebouw onder één zelfde dak te worden opgericht. De kopers erkennen uitdrukkelijk dat de bedrijfsgebouwen en de al dan niet ingebouwde woning één geheel uitmaken en nooit afzonderlijk voor uitbating of bewoning zullen kunnen verkocht of verhuurd worden. Het nijverheidsgebouw mag slechts dienstig zijn voor een ambachtelijke bedrijvigheid, met inbegrip van stapelplaatsen, toonzalen en burelen. Ieder bedrijf is verplicht op eigen terrein voldoende parkeerruimte aan te leggen voor alle wagens van het bedrijf, het personeel en de bezoekers. Ook het laden en lossen moet op eigen terreinen kunnen gebeuren”. 3.3. Bij besluit van 25 april 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen de gevraagde stedenbouwkundige vergunning, zonder voorafgaandelijk een openbaar onderzoek te hebben georganiseerd en evenmin het advies van de gemachtigde ambtenaar te hebben ingewonnen. 3.4. Nadat dit besluit door de gemachtigde ambtenaar wordt geschorst, wordt het door het college van burgemeester en schepenen bij besluit van 23 mei 2006 ingetrokken. 3.5. Bij besluit van 12 september 2006 weigert het college van burgemeester en schepenen de gevraagde stedenbouwkundige vergunning op grond van het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. 3.6. Bij besluit van 14 december 2006 willigt de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen het beroep van de verzoeker tegen het voormelde weigeringsbesluit, in. 3.7. Op 25 januari 2007 stelt de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar beroep in bij de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening tegen het voormelde besluit van de deputatie. Dit beroep is gemotiveerd als volgt: X-13.303-3/19 “Op 14.12.2006 nam de Bestendige Deputatie van Oost-Vlaanderen in beroep een beslissing omtrent bovenvermelde aanvraag. Ik heb deze beslissing ontvangen op 8.1.2007. Tegen die beslissing ga ik in beroep (overeenkomstig artikel 53, §2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996) om volgende redenen: Het perceel in aanvraag is gelegen binnen het bij MB dd. 6.4.1987 goedgekeurde BPA-artikel 17 ‘Zone voor ambachtelijke bedrijven’. In het besluit van de Bestendige Deputatie wordt de sandwichbar voorgesteld als een complementair bedrijf, in hoofdzaak gericht op de in deze ambachtelijke zone aanwezige bedrijven, naar analogie met collectieve restaurants, welke in industriegebieden toegelaten zijn. Mijn bestuur is van mening dat, gezien de beperktheid van de ambachtelijke zone, een dergelijke argumentatie niet realistisch is en niet kan bijgetreden worden. De sandwichbar is tevens niet vergunbaar in toepassing van het besluit van 28.11.2003 van de Vlaamse regering tot bepaling van de toelaatbare functiewijzigingen voor gebouwen gelegen buiten de geëigende bestemmingszone om reden dat aan de volgende voorwaarden niet is voldaan: artikel 2-§4: geen enkel element in het dossier wijst erop dat het gebouw niet meer geschikt is voor de huidige vergunde functie. artikel 6-3/: minstens 50% van de bedrijven van het industriegebied moet reeds een vergunde hoofdfunctie ‘handel, horeca, kantoorfunctie of diensten’ hebben. Deze functies zijn in deze ambachtelijke zone overwegend aanwezig als nevenfunctie en niet als hoofdfunctie”. 3.8. Bij het thans bestreden besluit van 20 maart 2007 willigt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening het beroep van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, in, en vernietigt hij het besluit van 14 december 2006 van de deputatie. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. Een eerste middel is afgeleid uit de “schending van de wet”. De verzoeker zet dit middel uiteen als volgt: “1. De administratieve overheid begaat een schending van de wet in haar motieven in rechte in geval haar beslissing niet gegrond is op een wettelijke juridische basis of in het geval zij het bestaan, de draagwijdte of de uitvoeringsmodaliteiten van haar eigen bevoegdheden miskent. Het behoort daarbij tot de taak van de Raad van State om na te gaan of de administratieve overheid in alle redelijkheid tot de door haar gedane vaststellingen van de feiten is kunnen komen of er in het dossier geen gegevens zijn die onverenigbaar zijn met die vaststellingen. X-13.303-4/19 Luidens de artikelen 24 en 31 van het Ruimtelijk Ordeningsdecreet moeten de provinciale en de gemeentelijke structuurplannen zich steeds naar de hogere plannen richten. Zij kunnen er slechts van afwijken om te voldoen aan onvoorziene ontwikkelingen van ruimtelijke behoeften of ter wille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen. Er bestaat een duidelijke interne hiëra(r)chie tussen de plannen, waarbij de lagere plannen in principe niet strijdig mogen zijn met de hogere. In casu behoort de te vergunnen grond tot het gewestplan Gentse en Kanaalzone, vastgesteld bij KB van 14 september 1977, zijnde een gebied bestemd voor ambachtelijke, kleine en middelgrote ondernemingen. Het KB van 28 december 1972 bepaalt verder dat ook complementaire dienstverlenende bedrijven, waaronder collectieve restaurants toegelaten zijn. Het bestreden besluit verwijst thans naar het geldende BPA, dat zou afwijken van het voormelde gewestplan. De Raad van State heeft in het verleden het standpunt gehanteerd dat een BPA een gewestplan zowel op details als op essentiële punten zou kunnen wijzigen, op voorwaarde echter dat de overheid aantoont dat de te wijzigen bestemming van het hogere plan achterhaald is en niet meer beantwoord aan de huidige planologische noden. In casu geldt het tegenovergestelde. In het bestreden Besluit word uitdrukkelijk erkend dat de huidige strikte bestemmingsvoorschriften van het BPA niet meer voldoet aan de door de gemeente gewenste ruimtelijke ordening in kwestieuze ambachtelijke zone. Ook het College van Burgemeester en Schepenen heeft aanvankelijk in de afgeleverde vergunning dd. 25 april 2006 geoordeeld dat de aanvraag in overeenstemming was met de goede ruimtelijke ordening, m.a.w. zowel het College van Burgemeester en Schepenen aanvankelijk, als de Bestendige Deputatie en ook de Minister bevestigen dus dat de bepalingen van het BPA achterhaald zijn, ergo strijdig zijn met het gewestplan. Immers de voorwaarden waaronder een BPA kan afwijken van een gewestplan zijn niet meer voldaan. Door ondanks voormelde bevestiging en erkenning te blijven verwijzen naar het BPA, schendt het bestreden Besluit de wet. 2. Dat in het bestreden Besluit het Besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2003 niet van toepassing verklaard wordt op de aanvraag is eveneens strijdig met de geest van de wet. Waar de Vlaamse Regering een oplossing wou bieden voor zonevreemde gebouwen gelegen binnen gewestplannen of algemene plannen van aanleg, is het duidelijk dat het ook de bedoeling van de wetgever was om dezelfde afwijkingsmogelijkheden te bieden voor aanvragen welke gelegen waren in een gebied waarvoor een BPA gold. Zowel het College van Burgemeester en Schepenen (...), als de gemachtigde ambtenaar (...), als de bestendige deputatie (...), als nogmaals de gemachtigde ambtenaar in zijn beroep dd. 25 januari 2007 (...) waren eenzelfde mening toegedaan, allen verwijzende naar het Besluit van de Vlaamse Regering dd. 28 november 2003. Oordelen dat het kwestieus besluit dd. 28 november 2003 in casu niet van toepassing verklaard kan worden, is strijdig met de wet en strijdig met de eigen beleidslijn van de overheid. Los van het voorgaande en los van inhoudelijke discussie omtrent de feitelijkheden en de schendingen van de beginselen van behoorlijk bestuur, vastgesteld dient te worden dat het besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2003, door te verwijzen naar artikel 145bis, § 2 van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, de artikelen 10 en 11 G.W. schendt. Gebieden welke enkel beheers(

  1. t)worden door een gewestplan of een algemeen plan van aanleg zouden komen op basis van het besluit van 28 november 2003 in aanmerking voor een afwijkingsregeling, terwijl dit niet zo zou zijn voor gebieden onderworpen aan een bijzonder plan van aanleg. X-13.303-5/19 Voor kwestieus onderscheid bestaat geen gefundeerd motief. Anders oordelen zou strijdig zijn met de artikel(
  2. en)10 en 11 van de Grondwet 3. Ondergeschikt, indien dan al geoordeeld zou worden dat het Besluit van de Vlaamse Regering dd. 28 november 2003 daadwerkelijk niet toepasselijk verklaard kan worden op onderhavige casus, wordt ook een schending vastgesteld van artikel 49 van het Decreet met betrekking tot de ruimtelijke ordening, zoals gecoördineerd op 22 oktober 1996. In het bestreden Besluit wordt gesteld dat van kwestieus artikel geen toepassing gemaakt zou kunnen worden. Verzoeker is van oordeel dat dit wel het geval is. De grond waarop de aanvraag betrekking heeft valt onder het gewestplan Gentse en Kanaalzone vastgesteld bij KB van 14 september 1977, zijnde een gebied bestemd voor ambachtelijke, kleine en middelgrote ondernemingen. Het KB van 28 december 1972 bepaalt verder dat ook complementaire dienstverlenende bedrijven, waaronder collectieve restaurants toegelaten zijn. In casu richt verzoeker zich voornamelijk tot de 36 bedrijven in de onmiddellijke omgeving zodat de broodjeszaak zeker en vast beschouwd kan worden als zijnde een complementair dienstverlenend bedrijf, waardoor de aanvraag van verzoeker valt onder de omschrijving gegeven in het gewestplan. Komt daarbij dat het gebouw voor het overgrote deel zijn functie als opslagplaats van hout behouden. De interne verbouwingswerken voor de inrichting van de broodjeszaak zijn bijzonder beperkt en uitwendig wijzigt er qua volume en bouwtechnische wijziging niets. De niet-toepassing van artikel 49 van het Decreet met betrekking tot de ruimtelijke ordening, zoals gecoördineerd op 22 oktober 1996 is een schending van de wet”. Beoordeling 5. Het bestreden besluit is gemotiveerd als volgt: “Overwegende dat de voor deze aanvraag relevante beschouwingen als volgt kunnen worden samengevat: 1/ De aanvraag strekt tot de inrichting van een sandwichbar van 72 m² in een bestaand magazijn. In de linkerkant van dit magazijn wordt een stuk met een breedte van 4,6 m bij een diepte van 13,18 m ingericht als broodjeszaak. Deze ruimte omvat een inkom, een toonbank, een koeltoonbank met afhalingsmogelijkheid en een beperkte eetgelegenheid voor degustatie ter plekke (totale oppervlakte: 60,63 m²). In het verlengde van deze eetruimte wordt voorzien in sanitaire gelegenheid voor dames en heren met een gezamelijke oppervlakte van 7,84 m². Rechts van de eetruimte wordt een berging gemaakt van 1,8 m op 2 m en aldus met een oppervlakte van 3,6 m². De interne verbouwingswerken zijn gering en uitwendig zouden er wat betreft volume en bouwtechnische wijzigingen aan het vergunde gebouw geen wijzigingen gebeuren. Het rechtse deel van het magazijn, dat momenteel gebruikt wordt voor de opslag van hout, zou zijn huidige functie behouden; 2/ Op 30 september 1991 werd een stedenbouwkundige vergunning verleend voor een loods voor de opslag van antiquiteiten en op 2 december 1991 voor de regularisatie van een loods voor de opslag en herstelling van antiquiteiten met een woning; 3/ Het perceel is gesitueerd op circa 900 m ten noordoosten van het centrum van de gemeente, binnen de ambachtelijke zone van Oosterzele, gelegen tussen twee gewestwegen, namelijk de N465 Geraardsbergsesteenweg en de N42 Lange Ambachtstraat. Blijkens informatie aangereikt door de gemeente X-13.303-6/19 Oosterzele is deze ambachtelijke zone quasi volledig ontwikkeld en bebouwd en bestaat de onmiddellijke omgeving in deze zone uit 36 bedrijven; 4/ De linkerbuur betreft een loods voor de opslag en installatie van sauna’s en wijnverkoop terwijl de rechterbuur een autoschadebedrijf is; 5/ Gezien enerzijds de specifieke ligging van de aanvraag binnen de ‘Ambachtelijke Zone’ van de gemeente Oosterzele, op circa 900 m ten noordoosten van het centrum en minimaal een tweehonderdtal meter in vogelvlucht verwijderd van het westzuidelijk gelegen woonlint en op ongeveer een honder(d)tal meter in vogelvlucht van het noordoostelijk gelegen woongebied met landelijk karakter (waarvan de aanvraag gescheiden is door een (drukke) gewestweg en een stukje agrarisch gebied) én gezien anderzijds de directe omgeving met 36 bedrijven is het in de feitelijke ruimtelijke context aannemelijk dat de beoogde broodjeszaak haar afzetmarkt in hoofdzaak richt op de 36 bedrijven in de onmiddellijke omgeving. Artikel 7 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen stelt dat in industriegebieden complementaire dienstverlenende bedrijven zijn toegelaten zoals collectieve restaurants. Naar analogie zou kunnen gesteld worden dat een broodjeszaak met benuttingsruimte die in hoofdzaak gericht is op de plaatselijke afzetmarkt van bedrijven, een complementaire functie vervult ten opzichte van de bedrijven; 6/ Het probleem is aldus niet het gewestplan maar wel het vigerende bijzonder plan van aanleg. In artikel 1 van de voorschriften van het bijzonder plan van aanleg ‘Ambachtelijke Zone’, goedgekeurd bij ministerieel besluit dd 6 april 1987, wordt immers gesteld: ‘Het nijverheidsgebouw mag slechts dienstig zijn voor een ambachtelijke bedrijvigheid, met inbegrip van stapelplaatsen, toonzalen en burelen.’. Het is duidelijk dat een broodjeszaak hieronder niet ressorteert; 7/ Artikel 145 bis, §2 van het Decreet dd 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en zoals later gewijzigd, voorziet enkel in een afwijkingsmogelijkheid met betrekking tot de functie van een onroerend bebouwd goed als het gaat om een afwijking van het gewestplan of van een algemeen plan van aanleg. In dit dossier gaat het echter om een afwijking van een bijzonder plan van aanleg. Aldus is ook geen toepassing mogelijk van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2003 tot bepaling van de toelaatbare functiewijzigingen voor gebouwen, gelegen buiten de geëigende bestemmingszone vermits dit besluit als basis juist voornoemd artikel 145 bis, §2 heeft; 8/ Ook artikel 49 van het Decreet met betrekking tot de ruimtelijke ordening, zoals gecoördineerd op 22 oktober 1996 en zoals later gewijzigd, kan hier geen oplossing bieden. Dit artikel laat immers geen afwijkingen toe van een bijzonder plan van aanleg met betrekking tot de functie van een gebouw. Enkel wat de perceelsafmetingen, de afmetingen en de plaatsing van bouwwerken, alsmede de voorschriften in verband met hun uiterlijk betreft, kan er op gemotiveerd voorstel van het college van burgemeester en schepenen worden afgeweken van de voorschriften van een bijzonder plan van aanleg; 9/ Aangezien enerzijds uit informatie aangereikt door de gemeente Oosterzele blijkt dat ruim 20 bedrijven van de 36 aan gehele of gedeeltelijke particuliere verkoop doen met winkel en/of toonzaal waaronder een koffiebranderij met bijhorende verkoop van koffiesoorten en mattentaarten in een winkel, die achteraan aan het perceel van de voorliggende aanvraag grenst én gelet anderzijds op het gunstige standpunt van de gemeente is het aangewezen dat het huidige bijzonder plan van aanleg wordt gewijzigd. De huidige strikte bestemmingsvoorschriften van het bijzonder plan van aanleg blijken immers niet meer te voldoen aan de door de gemeente gewenste ruimtelijke ordening aldaar in de ambachtelijke zone; X-13.303-7/19 Overwegende dat om voornoemde redenen hedentendage voor huidige aanvraag geen stedenbouwkundige vergunning kan worden verleend; dat dienvolgens het beroep van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar wordt ingewilligd”. 6. In een eerste onderdeel van het eerste middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 24 en 31 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), doordat het bestreden besluit verwijst naar het geldende BPA, dat “zou afwijken” van het gewestplan, terwijl “een BPA een gewestplan zowel op details als op essentiële punten zou kunnen wijzigen, op voorwaarde echter dat de overheid aantoont dat de te wijzigen bestemming van het hogere plan achterhaald is en niet meer beantwoordt aan de huidige planologische noden”, en in het bestreden besluit uitdrukkelijk wordt erkend “dat de huidige strikte bestemmingsvoorschriften van het BPA niet meer voldoen aan de door de gemeente gewenste ruimtelijke ordening in (
  3. de)kwestieuze ambachtelijke zone”, zodat de voorwaarden waaronder een BPA van een gewestplan kan afwijken niet meer vervuld zijn. 7. Luidens het toentertijd geldende artikel 2, § 1 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), hebben alle voorschriften van de plannen van aanleg verordenende en dezelfde bindende kracht, ongeacht of zij grafische zijn voorgesteld of niet, blijven zij gelden totdat zij door andere plannen kunnen worden vervangen na een herziening, en mag er alleen van worden afgeweken in de gevallen en in de vormen door dit decreet bepaald. In tegenstelling tot hetgeen de verzoeker voorhoudt, wordt in het bestreden besluit niet gesteld dat het geldende BPA afwijkt van het gewestplan. Er wordt enkel verwezen naar de stedenbouwkundige voorschriften van dat BPA die bepalen dat “(h)et nijverheidsgebouw (...) slechts dienstig (mag) zijn voor een ambachtelijke bedrijvigheid, met inbegrip van stapelplaatsen, toonzalen en burelen”. Het toentertijd geldende artikel 14, vierde lid van het gecoördineerde decreet bepaalt: “Wanneer een streek- , gewest- of algemeen plan bestaat, richt het bijzonder plan zich naar de aanwijzingen en bepalingen ervan, en vult ze aan. Het kan er desnoods van afwijken”. Uit het enkele feit dat de minister uit de bestaande feitelijke toestand afleidt dat “het aangewezen (
  4. is)dat het huidige bijzonder plan van aanleg wordt gewijzigd” aangezien “(d)e huidige strikte bestemmingsvoorschriften van het X-13.303-8/19 bijzonder plan van aanleg (...) immers niet meer (blijken) te voldoen aan de door de gemeente gewenste ruimtelijke ordening aldaar in de ambachtelijke zone” kan niet zonder meer worden afgeleid dat de stedenbouwkundige voorschriften van dat plan zich niet richten “naar de aanwijzingen en bepalingen” van het gewestplan en deze “aanvullen”, maar er integendeel van zouden “afwijken”. Geen bepaling van het gecoördineerde decreet laat de overheid toe om de voorschriften van een bijzonder plan van aanleg buiten toepassing te laten omdat deze “achterhaald” zouden zijn. De artikelen 24 en 31 DRO waarnaar de verzoeker verwijst, hebben betrekking op respectievelijk provinciale en gemeentelijke ruimtelijke structuurplannen en zijn terzake niet relevant. In de mate dat de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nog aanvoert dat het betrokken BPA “enkel de aanleg van een industriegebied (regelt) en (...) beperkt (
  5. is)tot het aangeven van de bestaande toestand en van de grenzen van het gebied zodat in casu toepassing gemaakt dient te worden van artikel 15 van het Decreet Ruimtelijke Ordening en stedenbouw dd. 22/10/1996”, en dat het BPA “geen enkel stedenbouwkundig voorschrift (bevat), zodat de beoordeling dient te gebeuren op basis van de voorschriften van het nog steeds geldend gewestplan, waardoor toepassing gemaakt kan worden van het KB van 28 december 1972” geeft hij aan het middel een nieuwe en als zodanig niet ontvankelijke grondslag. Om dezelfde reden is ook de voor het eerst in de laatste memorie aangevoerde argumentatie van de verzoeker dat elke verstrenging van de gewestplanvoorschriften een afwijking van deze voorschrift inhoudt, niet ontvankelijk. Het eerste onderdeel van het middel wordt verworpen. 8. In een tweede onderdeel van het middel voert de verzoeker aan dat in het bestreden besluit ten onrechte wordt gesteld dat het op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen geldende besluit van de Vlaamse regering van 28 november 2003 tot bepaling van de toelaatbare functiewijzigingen voor gebouwen, gelegen buiten de geëigende bestemmingszone, op grond van artikel 145bis, § 2 DRO niet van toepassing is. Het toentertijd geldende artikel 145bis, § 2 DRO bepaalt dat de vergunningverlenende overheid bij het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning die betrekking heeft op een vergunningsplichtige wijziging van de hoofdfunctie van een onroerend bebouwd goed met het oog op een nieuwe functie X-13.303-9/19 in de zin van artikel 99, §1, eerste lid, 6/, alleen mag afwijken van de voorschriften van een gewestplan of een algemeen plan van aanleg. Deze bepaling is duidelijk en laat geen afwijking toe van de voorschriften van een bijzonder plan van aanleg. Het middel komt neer op kritiek op de voormelde decretale bepaling. De Raad van State is niet bevoegd om hierover uitspraak te doen. Het tweede onderdeel van het middel is niet ontvankelijk. 9. In een derde onderdeel van het middel voert de verzoeker aan dat in het bestreden besluit ten onrechte wordt gesteld dat artikel 49 van het gecoördineerde decreet niet kan worden toegepast. 10. Het toentertijd geldende artikel 49 van het gecoördineerde decreet bepaalt: “Op met redenen omkleed voorstel van het college van burgemeester en schepenen kan de Vlaamse regering of de gemachtigde ambtenaar afwijkingen toestaan van de voorschriften van een door de Vlaamse regering goedgekeurd bijzonder plan van aanleg en van de voorschriften van een verkavelingsvergunning, enkel wat de perceelsafmetingen, de afmetingen en de plaatsing van de bouwwerken, alsmede de voorschriften in verband met hun uiterlijk betreft”. De afwijkingsmogelijkheid vervat in voormeld artikel 49 van het gecoördineerde decreet is een uitzonderingsbepaling en moet dus restrictief worden geïnterpreteerd. Deze bepaling laat geen afwijking toe met betrekking tot de functie van een gebouw. Het derde onderdeel van het middel is niet gegrond. 11. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 12. Een tweede middel is afgeleid uit de “schending van het redelijkheidsbeginsel”. De verzoeker zet dit middel uiteen als volgt: X-13.303-10/19 “Om dezelfde reden als beschreven in het eerste middel punt 1 wordt ook het redelijkheidsbeginsel geschonden Bij het nemen van elke beslissing moet de overheid alle betrokken belangen vooraf op redelijke wijze afwegen. Een administratieve beslissing is slechts verenigbaar met het redelijkheidsbeginsel indien deze beslissing voor iedereen als aanvaardbaar kan beschouwd worden, rekening houdend met de concrete omstandigheden, de betrokken belangen en de heersende gedragslijn van de overheid. Wanneer een BPA bestaat moeten de principes van een goede plaatselijke ordening in dat plan zijn aangegeven, waardoor de overheid over een leidraad beschikt bij de beoordeling van een aanvraag wat betreft de verenigbaarheid met de goede plaatselijke ordening. Dat de overheid over een leidraad beschikt betekent ook dat zij over een zekere discretionaire bevoegdheid beschikt om een vergunningsaanvraag in concreto te beoordelen, gelet op de op dat moment heersende beleidslijn. In casu maakt de aanvraag deel uit van het BPA Ambachtelijke zone 1 (artikel 15), hetgeen betekent dat het BPA enkel de grenzen vastlegt van het BPA, doch geen verdere detaillering. De overheid beschikt m.a.w. wel degelijk over een zekere autonomie en discretionaire bevoegdheid in de beoordeling van de aanvraag. Dat besloten wordt tot inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar en dus weigering van de aanvraag, niettegenstaande de overheid op afdoende wijze geïnformeerd was over de feitelijke omstandigheden, de (principiële) verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening en het achterhaald zijn van het BPA, betekent een enorme discrep(a)ntie de realiteit en de eigen gedragslijn van de overheid. In de onmiddellijke omgeving zijn er immers meer dan 20 bedrijven met winkel en toonzaal bestemd voor particuliere verkoop, hetgeen door het College van Burgemeester en Schepenen erkende in de afgeleverde vergunning dd. 25 april 2006. Het bestreden Besluit is dan ook strijdig met het redelijkheidsbeginsel. De redelijkheid vereist immers dat de overheid zich baseert op de feiten zoals die voorliggen wanneer zij haar beslissing neemt over de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening. Het bestreden Besluit doet dit niet”. Beoordeling 13. Een schending van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur veronderstelt dat de overheid bij het nemen van haar beslissing kennelijk onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij manifest een onjuist gebruik van haar beleidsvrijheid heeft gemaakt. 14. Krachtens het toentertijd geldende artikel 14 van het gecoördineerde decreet geeft het bijzonder plan van aanleg voor het deel van het gemeentelijk grondgebied onder meer de “gedetailleerde bestemming” aan van de in sub 2/ van artikel 13 bedoelde gebiedsdelen, evenals de voorschriften betreffende de plaatsing, de grootte en de welstand van de gebouw en afsluitingen, alsmede die betreffende de binnenplaatsen en tuinen. X-13.303-11/19 15. Uit de beoordeling van het eerste middel is gebleken dat de vergunningverlenende overheid niet onterecht heeft geoordeeld dat de aanvraag niet verenigbaar is met de bestemmingsvoorschriften van het geldende bijzonder plan van aanleg, die bindende en verordenende kracht bezitten, dat geen uitzonderingsbepalingen kunnen worden toegepast en dat de gevraagde vergunning om die reden moet worden geweigerd. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te dezen het ingeroepen redelijkheidsbeginsel, noch de omstandigheid dat er in de omgeving meer dan 20 bedrijven zouden zijn met winkel en toonzaal bestemd voor particuliere verkoop, laten de vergunningverlenende overheid toe in strijd met de wet te beslissen. De vraag of de vergunningen waarnaar de verzoeker verwijst al dan niet in overeenstemming met de geldende reglementering werden verkregen, is ter zake niet relevant. 16. Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 17. Een derde middel is afgeleid uit de “schending van het gelijkheidsbeginsel”. De verzoeker zet dit middel uiteen als volgt: “1. De aanvraag van verzoeker wordt in het bestreden Besluit geweigerd omdat er geen mogelijkheden zouden bestaan om een afwijking toe te staan op het geldende BPA. Nochtans moet verzoeker vaststellen dat er in kwestieuze ambachtelijke zone andere bedrijven gevestigd zijn met soortgelijke activiteiten, hetgeen ook door het College van Burgemeester en Schepenen werd bevestigd ter zitting dd. 25 april 2006 (...): ‘Gelet dat uit het dossier blijkt dat het hier niet gaat om een zuivere handelsinplanting/winkel; dat in onderhavige KMO-zone nog andere bedrijven met vergelijkbare activiteiten voorkomen; Gelet dat de vermelde activiteit als verenigbaar met de omgeving en met de volgens het gewestplan geldende bestemming kan worden beschouwd;’ Door de gemeente OOSTERZELE werd aan het administratief dossier zelf een lijst toegevoegd waaruit het voo(r)melde blijkt (...). Ten bewijze van de aanwezigheid van soortgelijke commerciële activiteiten heeft verzoeker deze lijst aangevuld met de adresgegevens en bijhorende foto’s van de bedrijven. Zo zijn ondermeer in het bedrijventerrein gevestigd: - een bloemen en fruitwinkel bestemd voor particuliere verkoop (...); X-13.303-12/19 - koffiebranderij en verkoop van mattetaarten bestemd voor particuliere verkoop (...); - verkoop van wijnen en likeuren bestemd voor particuliere verkoop (...); Deze winkels oefenen manifest gelijkaardige activiteiten uit en hebben blijkbaar wel een vergunning verkregen of werden wel een afwijking toegestaan. Daarnaast zijn er nog een twintigtal andere bedrijven die zich richten op de particuliere verkoop. Het Gecoördineerde Decreet inzake ruimtelijke ordening verplicht de bevoegde overheid zich een opvatting te vormen omtrent de bestemming van het perceel en dat van de buurt waarin het perceel is gelegen. Dat deze opvatting, op straffe van willekeur en miskenning van het gelijkheidsbeginsel, een zekere continuïteit moet vertonen. In casu kan niet anders dan vastgesteld worden dat de bestuurlijke overheden voor zichzelf een bepaalde gedragslijn aangenomen hebben en dat deze gedragslijn niet doorgetrokken wordt in dit dossier. De eerder gegeven vergunningen of toegestane afwijkingen mogen niet voor onbestaande beschouwd worden, maar moeten integendeel in de beoordeling betrokken worden. Dat dit dus een feitelijke vaststelling inhoudt van een ongelijke behandeling, hetgeen een schending uitmaakt van het gelijkheidsbeginsel en tegelijk(er)tijd ook een schending van het vertrouwensbeginsel”. Beoordeling 18. Het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden indien in rechte en in feite gelijke situaties ongelijk behandeld zijn zonder dat er hiervoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. De verzoeker die de schending van het gelijkheidsbeginsel inroept moet dit met concrete en precieze gegevens in zijn verzoekschrift aantonen. De aanspraak op een gelijke en niet-discriminerende behandeling vermag evenwel niet neer te komen op een aanspraak op gelijkheid in een onwettige toepassing of overtreding van de geldende regelgeving. 19. Uit de beoordeling van het eerste onderdeel van het eerste middel is gebleken dat de vergunningverlenende overheid niet onterecht heeft geoordeeld dat de aanvraag niet verenigbaar is met de bestemmingsvoorschriften van het geldende bijzonder plan van aanleg, die bindende en verordenende kracht bezitten, dat geen uitzonderingsbepalingen kunnen worden toegepast en dat de gevraagde vergunning om die reden moet worden geweigerd. De verzoeker kan zich dan ook niet beroepen op een schending van het gelijkheidsbeginsel in strijd met de wet. Hetzelfde geldt voor de door hem ingeroepen schending van het vertrouwensbeginsel. 20. Het derde middel is niet gegrond. X-13.303-13/19 D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 21. Een vierde middel is afgeleid uit de “schending van het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel”. De verzoeker zet dit middel uiteen als volgt: “1. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet verzoeker er op kunnen vertrouwen op wat voor hem niet anders kan worden opgevat dan een vaste gedrags-of beleidsregel van de overheid of op toezeggingen die de overheid reeds eerder heeft gedaan, anders gezegd de overheid dient de rechtmatig bij de burger gewekte verwachtingen te honoreren. De vergunnende overheid kan daarbij niet zonder gegronde reden aan de ene toestaan wat ze aan de andere weigert. Dat de overheid in casu rechtmatige verwachtingen had geschept bij verzoeker blijkt uit het dossier en de naar voor gebrachte stukken: - in de onmiddellijke omgeving zijn nog bedrijven met gelijkaardige activiteiten (...); - de gemeente OOSTERZELE heeft zelf een lijst met de in de ambachtelijke zone gelegen bedrijven toegevoegd aan het administratief dossier; (...) - op de zitting dd. 25 april 2006 heeft het College van Burgemeester en Schepenen een vergunning afgeleverd waarbij werd geoordeeld dat de aanvraag in overeenstemming was met de goede ruimtelijke ordening én met het van kracht zijnde BPA; (...) - ... De beoordeling van de specifieke situatie van verzoeker is m.a.w. in strijd met de rechtmatige verwekte verwachtingen. 2. Komt daarbij dat de overheid zelf rechtmatige verwachtingen had gewekt aangaande de mogelijkheid tot toepassing van het Besluit van de Vlaamse Regering dd. 28 november 2003. Zowel het College van Burgemeester en Schepenen (...), als de gemachtigde ambtenaar (...), als de bestendige deputatie (...), als nogmaals de gemachtigde ambtenaar in zijn beroep dd. 25 januari 2007 (...) waren eenzelfde mening toegedaan, allen verwijzende naar het Besluit van de Vlaamse Regering dd. 28 november 2003. Oordelen dat het kwestieus besluit dd. 28 november 2003 in casu niet van toepassing verklaard kan worden, is strijdig met de eigen beleidslijn van de overheid en dus met rechtmatig gewekte verwachtingen. Ook het vertrouwensbeginsel is geschonden. 3. Verzoeker weerhoudt tevens een schending van het rechtszekerheidsbeginsel, een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat nauw aanleunt bij het vertrouwensbeginsel. Verzoeker moet als rechtsonderhorige zeker kunnen zijn van zijn rechtspositie, m.a.w. het besluit mag niet vaag zijn omtrent zijn rechten en plichten. Op 25 april 2006 oordeelde het College van Burgemeester en Schepenen nog als volgt (...): ‘Overeenstemming met dit plan: De aanvraag is in overeenstemming met het van kracht zijnde plan. ... X-13.303-14/19 Gelet dat uit het dossier blijkt dat het hier niet gaat om een zuivere handelsinplanting/winkel; dat in onderhavige KMO-zone nog andere bedrijven met vergelijkbare activiteiten voorkomen.’ Zonder enige motivering wijzigde het College van Burgemeester en Schepenen haar eerdere visie ter zitting dd. 12 september 2006 (...): ‘Overeenstemming met dit plan: De aanvraag is principieel in strijd met het van kracht zijnde plan. ... Overwegende dat de aanvraag een louter commerciële activiteit betreft en als dusdanig niet verenigbaar is met de bestemmingsvoorschriften volgens het gewestplan.’ Eerst wordt geoordeeld dat het geen zuivere handelsactiviteit zou zijn en dat er nog andere soortgelijke activiteiten in de bedrijvenzone, terwijl een paar maanden later laconiek wordt geoordeeld het er strijdigheid zou zijn met het gewestplan aangezien het een louter commerciële activiteit zou betreffen. Dergelijke ongemotiveerde wijziging is strijdig met het rechtzekerheidsbeginsel. Van een behoorlijk bestuur mag toch verwacht worden dat minstens een behoorlijke motivering wordt gegeven voor dergelijk belangrijke ommekeer in houding en visie. Ook in het bestreden Besluit wordt hierover in alle talen gezwegen, hetgeen bovendien een schending uitmaakt van de motiveringsverplichting, zoals hierna bepaald”. Beoordeling 22. Het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel kunnen, als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, niet in strijd met de wet worden ingeroepen. 23. Uit de beoordeling van het eerste middel is gebleken dat de vergunningverlenende overheid niet onterecht heeft geoordeeld dat de aanvraag niet verenigbaar is met de bestemmingsvoorschriften van het geldende bijzonder plan van aanleg, die bindende en verordenende kracht bezitten, dat geen uitzonderingsbepalingen kunnen worden toegepast en dat de gevraagde vergunning om die reden moet worden geweigerd. 24. Daarenboven en ten overvloede dient te worden vastgesteld dat ingevolge de devolutieve werking van het georganiseerd administratief beroep de overheid die in beroep uitspraak doet over een aanvraag dit doet op grond van een eigen beoordeling, zowel in rechte als in feite, van de aanvraag en dat zij daarbij niet is gebonden door argumenten die werden aangewend en adviezen die werden gegeven in de daaraan voorafgaande administratieve procedure. Door de devolutieve werking van het administratief beroep is het thans bestreden besluit van de minister in de plaats gekomen van de beslissing van X-13.303-15/19 de deputatie en bij uitbreiding van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen, die daardoor uit het rechtsverkeer zijn verdwenen. De verzoeker kan zich dan ook niet dienstig beroepen op de beoordeling van de aanvraag door het college van burgemeester en schepenen, de gemachtigde ambtenaar of de deputatie. 25. Het vierde middel is niet gegrond. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel 26. Een vijfde middel is afgeleid uit de “schending van de motiveringsverplichting”. De verzoeker zet dit middel uiteen als volgt: “1. Het bestreden Besluit is eveneens nietig omdat het onvoldoende gemotiveerd is. Ingevolge de wet van 29 juli 1991 (B.S. 12.09.1991) moet elke administratieve rechtshandeling met een individuele strekking die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden - quod est in casu -

(1)gegrond zijn op motieven,
(2)die afdoende moeten zijn
(3)en die in de akte zelf op omstandige wijze staan beschreven. De kenmerken waaraan de formele motivering moet beantwoorden zijn de volgende: • de motivering impluiceert dat verwezen wordt naar de concrete feiten die ten grondslag liggen van de beslissing; • de motivering moet de toepasselijke jurisdictionele regels vermelden waarop de beslissing is gebaseerd; • de motivering moet tevens aangeven hoe en waarom de aangehaalde juridische regels tot de beslissing in kwestie hebben geleid. De verplichting om dergelijke administratieve rechtshandelingen formeel te motiveren immers beschouwd moet worden als een uitvloeisel van het fund(a)mentele recht van de burger op informatie in zijn betrekkingen met het bestuur. Van groot belang is tevens dat opdat de juridische en de feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen als ‘afdoende’ bestempeld kunnen worden, deze pertinent, correct en ter zake dienend moeten zijn. Een vage, onduidelijke, irrelevante, ongeldige, onnauwkeurige of niet-plausibele motivering volstaat niet. Anders gezegd, de motivering moet zowel juridisch als feitelijk correct zijn. Hoger heeft verzoeker aangetoond dat er verscheidene ‘buren’ in de onmiddellijke omgeving zijn die blijkbaar wel een afwijking hebben verkregen (...). Het be(s)treden Besluit verwijst zelfs naar de ruim 20 van de 36 bedrijven waar geheel of gedeeltelijk aan particuliere verkoop wordt gedaan. Er bestaat dan ook een ernstige discrepantie tussen de weigering van verzoeker en de toekenning van een vergunning aan de overige bedrijven, waardoor er van de overheid een versterkte motiveringsplicht mag worden verwacht. Hoewel toegegeven en erkend wordt dat er meer dan de helft bedrijven zijn waar ook geheel of gedeeltelijk aan particuliere verkoop wordt gedaan (oa. verkoop van mattetaarten in het naastgelegen pand en koffiebranderij met X-13.303-16/19 verkooppunt) - er wordt m.a.w. wel verwezen naar de concrete feiten - zwijgt de overheid in het bestreden Besluit over de vergunningen die de ‘buren’ in de onmiddellijke omgeving blijkbaar wel hebben verkregen en die eveneens onderworpen waren aan hetzelfde BPA, maar waarvoor ontegensprekelijk wel afwijkingen werden toegestaan. De motivering welke gegeven wordt in het bestreden Besluit, beperkt zijnde tot een verwijzing naar artikel 145 bis § 2 Decreet 18 mei 1999, is daarbij manifest onvoldoende gelet op de bestaande discrepantie. Dat in het bestreden Besluit abstractie wordt gemaakt van vorige vergunningen en toegestane afwijkingen, zonder daarvoor een behoorlijke motivering of verantwoording te geven, stoort minstens het rechtsgevoel van verzoeker, die minstens een correcte en juridisch onderbouwde uitleg en justificatie mag verwachten voor de genomen beslissing.
  1. Bovendien is het bestreden Besluit strijdig met het motiveringsbeginsel waar het, verwijzende naar de weigering van vergunning dd. 12 september 2006, in alle talen zwijgt over de fundamenteel gewijzigde houding van het College van Burgemeester en Schepenen, welke in de beslissing dd. 25 april 2006 stelde dat de aanvraag in overeenstemming was met het BPA en die deze beslissing zonder enige motivering wijzigde op 12 september
  2. Verzoeker verwijst hiervoor naar hetgeen is uiteengezet onder het vierde middel punt 3”. Beoordeling
  3. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet) bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn. Artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze “slechts van toepassing (is) op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”. Uit een en ander volgt dat wat de motiveringsverplichting betreft, de motiveringswet een wet is van suppletoire aard. Het toentertijd geldende artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet legt aan de deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting op die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de motiveringswet. Het bestreden besluit valt derhalve niet onder de toepassing van laatstgenoemde wet. Uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden te zijn afgeleid uit de schending van artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet. X-13.303-17/19
  4. Wanneer de minister over een op grond van het toentertijd geldende artikel 53, § 1 van het gecoördineerde decreet ingesteld administratief beroep uitspraak doet, treedt hij op, niet als administratief rechtscollege maar als orgaan van het actief bestuur zodat hij, om te voldoen aan de hem door artikel 53, § 3 van hetzelfde decreet opgelegde motiveringsverplichting er niet toe gehouden is alle door de partijen aangevoerde argumenten te beantwoorden maar ertoe kan volstaan in zijn besluit de feitelijke en juridische redenen te vermelden waarop zijn beslissing steunt.
  5. Uit de beoordeling van het eerste middel is gebleken dat de vergunningverlenende overheid niet onterecht heeft geoordeeld dat de aanvraag niet verenigbaar is met de bestemmingsvoorschriften van het geldende bijzonder plan van aanleg, die bindende en verordenende kracht bezitten, dat geen uitzonderingsbepalingen kunnen worden toegepast en dat de gevraagde vergunning om die reden moet worden geweigerd. Deze motieven volstaan om de weigering van de gevraagde stedenbouwkundige vergunning te verantwoorden. De opgelegde motiveringsplicht vereist niet dat de minister ook uitdrukkelijk zou aangeven waarom de bedrijven waarnaar de verzoeker verwijst, in tegenstelling tot de verzoeker, wel een vergunning zouden hebben verkregen. De reden waarom de door de verzoeker gevraagde vergunning wordt geweigerd, wordt, zoals hiervoor aangegeven, wel uitdrukkelijk vermeld.
  6. Het vijfde middel is niet gegrond. BESLISSING
  7. De Raad van State verwerpt het beroep.
  8. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. X-13.303-18/19 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig juni 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-13.303-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.693 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.