id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.704 Rolnummer: A. 195898/VII-37714 Zaak: Arrest 205704 - Milieuvergunningen - 24/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-29 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-30 04:57 Fiche Arrest nr 205.704 van 24 juni 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 205.704 van 24 juni 2010 in de zaak A. 195.898/VII-37.
- In zake:
- Rudy VAN DEN PLAS
- de NV VAN DEN PLAS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Dael kantoor houdend te Antwerpen Amerikalei 122, bus 14 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Frank JANSSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Van Wesemael kantoor houdend te Brussel Louizalaan 137, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 18 maart 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur van 20 januari 2010 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Antwerpen van 11 juni 2009 houdende, eensdeels, het verlenen aan Frank Janssen van de vergunning voor het exploiteren van een vleesvarkensbedrijf, gelegen aan de Oude Tramweg te Hoogstraten (Meerle) en, anderdeels, aktename van de in klasse 3 ingedeelde onderdelen van de inrichting, gedeeltelijk gegrond worden verklaard, de beroepen beslissing wordt gewijzigd door VII-37.714-1/13 toevoeging van een aantal bijkomende bijzondere voorwaarden en de overige bepalingen van de beroepen beslissing worden bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 juni
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Yves Sacreas, die loco advocaat Christophe Dael verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Mathieu Malfait, die loco advocaat Philippe Van Wesemael verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Frank Janssen, thans tussenkomende partij, wil aan de Oude Tramweg te Hoogstraten (Meerle) een varkensbedrijf exploiteren. De verzoekende partijen exploiteren een varkensbedrijf op het perceel gelegen naast het perceel waarop de thans in het geding zijnde inrichting zal worden opgericht. 3.
- Op 16 februari 2009 dient de tussenkomende partij een aanvraag in tot het verkrijgen van een milieuvergunning voor de exploitatie van een varkensbedrijf met 2.990 vleesvarkens, de opslag van 7.280 kg zwavelzuur in een bovengrondse tank en een grondwaterwinning. VII-37.714-2/13 3.
- Tijdens het openbaar onderzoek wordt één bezwaarschrift ingediend, met name door de verzoekende partijen. Zij voeren kort samengevat aan dat voor de aanvraag een milieueffectenrapport (hierna : MER) moet worden opgemaakt, vermits de nieuwe varkenshouderij een milieutechnische eenheid vormt met hun varkenshouderij. Zij wijzen er voorts op dat de nieuwe stal dicht bij hun quarantainestal zal zijn gelegen, waardoor de infectiedruk en de kans op ziekte- insleep zullen toenemen. De aanvraag bevat geen afdoende maatregelen om dit te vermijden of tot een aanvaardbaar minimum te beperken. 3.
- Bij besluit van 11 juni 2009 verleent de deputatie van de provincie Antwerpen de gevraagde milieuvergunning. 3.
- Tegen voormeld besluit stellen de verzoekende partijen bestuurlijk beroep in bij de Vlaamse regering. In het beroepschrift wijzen zij andermaal op de MER-plicht, de infectiedruk en de risico's op ziekte-insleep. Daarenboven wijzen de verzoekende partijen op enkele andere hinderaspecten en risico's. 3.
- In het raam van de beroepsprocedure worden een aantal adviezen uitgebracht : - de waterbeheerder "Watering De Beneden Mark" verleent een voorwaardelijk gunstig subadvies; - de afdeling Operationeel Waterbeheer van de Vlaamse Milieumaatschappij is van oordeel dat zij geen advies dient te verlenen; - de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid van het departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed adviseert gunstig; - de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig maar stelt voor een aantal bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden op te leggen; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie brengt een gunstig advies uit maar is eveneens van oordeel dat een aantal bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden moeten worden opgelegd. 3.
- Op 20 januari 2010 neemt de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur het thans bestreden besluit waarbij de ingediende beroepen slechts gedeeltelijk gegrond worden verklaard. De in eerste aanleg verleende milieuvergunning wordt in dier voege gewijzigd dat de hiernavolgende bijzondere voorwaarden worden toegevoegd : VII-37.714-3/13 "- het chemische luchtwassysteem (S-2) moet geïmplementeerd worden; de uitvoering en het gebruik van het luchtwassysteem moet volledig conform het ministerieel besluit van 19 maart 2004 houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissie-arme stalsystemen gebeuren (met ondermeer een urenteller, een watermeter, een halfjaarlijkse monstername van het spui- water, een logboek waarin metingen, onderhoud, analyseresultaten van het waswater en storingen bijgehouden worden, een onderhoudscontract en een adviescontract); - het chemische luchtwassysteem moet een ammoniakverwijderingsrendement hebben van minimaal 70%; er moet een rendementsmeting uitgevoerd worden ten laatste 6 maanden na de ingebruikname van de installatie; de resultaten van deze metingen moeten ter kennisgeving worden overgemaakt aan de afdelingen Milieuvergunningen en Milieu-inspectie; - het logboek en een beoordeling van het jaarlijks technisch onderhoud moeten ter inzage liggen voor de toezichthoudende overheid; - het attest, zoals bedoeld in artikel 5.9.2.1.bis, §2, moet zijn afgeleverd vooraleer er varkens in de stal worden gehouden; - spuiwater afkomstig van het chemische luchtwassysteem wordt apart opgevangen en afgevoerd voor verdere verwerking; - er moet een buffervoorziening aangelegd worden van minstens 80 m³ voor de opvang van hemelwater afkomstig van het dak van de varkensstal; - er moet een volledig groenscherm aangelegd worden; - het laden van varkens mag niet gebeuren tussen 22 uur 's avonds en 6 uur 's morgens". Het bestreden ministerieel besluit van 20 januari 2010 is als volgt gemotiveerd : "Gelet op de ligging van de inrichting in landschappelijk waardevol agrarisch gebied volgens het gewestplan 'Turnhout', vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 september 1977; Overwegende dat de inrichting is gelegen op een afstand van ongeveer: - > 850 m van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter; - 440 m van een woongebied met landelijk karakter; - > 850 m van een woonuitbreidingsgebied; - 840 m van een parkgebied; - 870 m van een bosgebied; - 820 m van een habitatrichtlijngebied; - 1.150 m van een natuurreservaat; Overwegende dat de exploitatie van de inrichting vanuit stedenbouwkundig en ruimtelijk oogpunt verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de beroepen, ingediend door twee omwonenden, betrekking hebben op het verlenen van de milieuvergunning voor het exploite- ren van een nieuwe varkenshouderij voor 2.990 mestvarkens, de opslag van 7.280 kg zwavelzuur in een bovengrondse tank en een grondwaterwinning met een maximaal opgepompt debiet van 20 m³/dag en 7.000 m³/jaar; Overwegende dat het de exploitatie van een nieuwe varkenshouderij betreft; dat de mestvarkens zullen ondergebracht worden in één nieuw te bouwen stal; dat de verbods- en afstandsregels hierbij van toepassing zijn; dat de stalvloer zal bestaan uit een roosteroppervlakte van meer dan 50% en de opslag van de mest zal gebeuren onder de rooster zonder geurafsnijder; dat de stal ammoniakemissie-arm zal worden uitgevoerd met een chemisch luchtwassys- VII-37.714-4/13 teem met 70% of meer emissiereductie (S-2); dat aan de hand van bovenver- melde uitvoering 150 waarderingspunten kunnen toegekend worden aan de nieuwe stal; dat met 2.990 varkenseenheden en 150 waarderingspunten een afstandsregel geldt van 350 m tot hindergevoelig gebied; dat hieraan wordt voldaan; Overwegende dat één van de beroepers, namelijk het zeugenbedrijf Van Den Plas NV met 766 varkensplaatsen (190 vleesvarkens, 1 beer, 162 jonge zeugen en 413 zeugen), gelegen is op ongeveer 55 meter van de nieuw te bouwen stal; dat de beroeper stelt dat het aangevraagde project M.E.R.-plichtig is omdat er een verband bestaat tussen één van de vennoten van het zeugenbedrijf Van Den Plas NV en de aanvrager van de nieuwe varkenshouderij; dat één van de vennoten van het zeugenbedrijf eveneens eigenaar is van het perceel waarop onderhavige aanvraag van Frank Janssen betrekking heeft; dat volgens de beroeper beide inrichtingen als één geheel moeten beschouwd worden; dat, indien men beide inrichtingen samen beschouwd, de drempelwaarde voor het opstellen van een MER (3.000 plaatsen voor mestvarkens) overschreden wordt waardoor er een MER in het aanvraagdossier moest opgenomen zijn; dat aangezien dit niet gebeurde het dossier onvolledig is en de vergunning geweigerd moet worden; Overwegende dat de aanvrager een verkoopovereenkomst heeft gesloten met de huidige eigenaar van het perceel om het perceel te kopen; dat de milieuver- gunningsaanvraag enkel gedaan wordt op naam van de heer Frank Janssen; dat beide inrichtingen duidelijk een verschillend eigendomsstatuut hebben; dat er wel sprake is van een onderlinge geografische samenhang wegens de kleine onderlinge afstand van ongeveer 55 m; dat de bedrijven echter zullen beschikken over aparte toegangswegen en van elkaar zullen gescheiden worden door een groenscherm; dat er geen materiële samenhang, zoals bijvoorbeeld het gemeenschappelijk gebruik van materialen en grondstoffen, tussen beide inrichtingen zal zijn; dat er eveneens geen operationele samenhang zal zijn omdat de biggen van het zeugenbedrijf Van Den Plas NV niet zullen overge- bracht worden naar de mestvarkensstal van Frank Janssen; dat Frank Janssen biggen van een ander bedrijf zal aanvoeren; dat er geen relatieve afscheiding is van het geheel van deze twee inrichtingen ten opzichte van andere inrichting- en; dat de 2 inrichtingen bijgevolg niet als één inrichting moeten beschouwd worden; dat voorliggend project niet M.E.R.-plichtig is; Overwegende dat beroeper vreest voor ziekte-insleep omwille van de korte onderlinge afstand tussen de twee varkensbedrijven; dat doeltreffende bestrijdingsmaatregelen ter voorkoming van ongedierte zoals ratten, muizen en insecten zullen worden genomen; dat krengen onmiddellijk zullen worden afgezonderd van de gezonde dieren en op een gemakkelijk te reinigen en te ontsmetten plaats zullen bewaard worden; dat de stallen enkel toegankelijk zullen zijn voor personen de noodzakelijk moeten aanwezig zijn en dat contact met derden hier vermeden wordt; dat de exploitant zal proberen om alle biggen uit één bedrijf te betrekken, waardoor het besmettingsrisico tot een minimum zal beperkt worden; dat Frank Janssen er alle belang bij heeft om ziekte-insleep in zijn eigen bedrijf tot een minimum te beperken; dat, mits het bedrijf in goede hygiënische toestand wordt gehouden, de risico's voor ziekte-insleep naar het naburige zeugenbedrijf beperkt zijn; Overwegende dat de bij het zeugenbedrijf Van Den Plas NV behorende woning gelegen is op ongeveer 25 meter van de nieuw te bouwen stal; dat de woning van een tweede beroeper op een afstand van ongeveer 425 meter ligt; dat de beroepers vrezen voor geuroverlast; Overwegende dat de nieuwe stal zal uitgerust worden met een zure luchtwasser (S-2); dat hiermee een ammoniakemissiereductie van 70% en een geurreductie tot 30% kan bekomen worden; dat met dit systeem de aangezogen stallucht passeert langs zwavelzuurrijk waswater waardoor ammoniak wordt VII-37.714-5/13 geabsorbeerd in de wasvloeistof waarna de gezuiverde lucht geloosd wordt in de omgeving; dat deze zure wasser en het lozingspunt zich achteraan de varkensstal bevinden op ongeveer 110 meter van de nabijgelegen woning; Overwegende dat het ministerieel besluit van 19 maart 2004 houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissie-arme stalsystemen bepaalde eisen stelt aan de uitvoering en het gebruik van het chemisch luchtwassysteem; dat dit ondermeer inhoudt dat een urenteller voor het registreren van de draaiuren van de circulatiepomp moet geïnstalleerd worden; dat een watermeter de hoeveelheid spuiwater registreert; dat elk half jaar een monstername van het spuiwater moet genomen worden; dat het luchtwassysteem jaarlijks moet gereinigd worden; dat een ammoniakverwijderingsrendement van minimaal 70% moet gehaald worden; dat in een logboek metingen, onderhoud, analysere- sultaten van het waswater en storingen bijgehouden moeten worden; dat er een onderhoudscontract en een adviescontract moet afgesloten worden met de leverancier; Overwegende dat het noodzakelijk is dat ten laatste 6 maanden nadat het chemisch luchtwassysteem is geïnstalleerd een rendementsmeting wordt uitgevoerd; dat de wijze waarop de rendementsmeting moet worden uitgevoerd beschreven is in het ministerieel besluit van 19 maart 2004; dat de resultaten van deze rendementsmeting ter kennisgeving moeten worden overgemaakt aan de afdelingen Milieuvergunningen en Milieu-inspectie; Overwegende dat overeenkomstig artikel 5.9.2.1.bis, §2, van titel II van het VLAREM na afwerking van de bouw van een ammoniakemissie-arme stal een attest moet worden afgeleverd dat aantoont dat de bouwwerken werden uitgevoerd conform de ammoniakemissie-arme staltechnieken; dat dit attest moet worden afgeleverd vooraleer er varkens in de stal worden gehouden en ter inzage worden gelegd van de toezichthoudende overheid; Overwegende dat beide woningen evenals voorliggend project gelegen zijn in landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat agrarische gebieden omdat ze voor landbouw bestemd zijn, minder gevoelig zijn voor hinder voortvloeiend uit dergelijke exploitatie; dat binnen dit gebied een hogere tolerantiedrempel kan worden verwacht ten opzichte van de ongemakken die voortkomen uit agrarische activiteiten; Overwegende dat de beroepers vrezen voor geluidsoverlast van de ventilatoren en de nachtelijke transporten; dat de ventilatoren zich achteraan de varkensstal bevinden op ongeveer 110 meter van de nabijgelegen woning; dat gebruik zal gemaakt worden van nieuwe, geluidsarme ventilatoren; dat het wel aangewezen is om in de bijzondere voorwaarden op te nemen dat het laden van varkens niet gebeurt tussen 22 uur 's avonds en 6 uur 's morgens; Overwegende dat er een opslag van 7.280 kg zwavelzuur wordt voorzien voor de chemische luchtwasser; dat deze opslag zal gebeuren in een dubbel- wandige bovengrondse tank; dat deze tank bovendien moet voorzien zijn van een permanent lekdetectiesysteem en een overvulbeveiliging en geplaatst moet worden op een vloeistofdichte vloer conform titel II van het VLAREM; dat bijgevolg alle maatregelen worden genomen om milieuverontreiniging te voorkomen; Overwegende dat voorliggend project gelegen is in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat de nieuw te bouwen stal aansluit bij de reeds bestaande bebouwing; dat hierdoor de insnijding van het landschap tot een minimum beperkt wordt; dat het echter aangewezen is om een volledig groenscherm te voorzien; Overwegende dat het aantal transporten geschat wordt op ongeveer 245 per jaar of ongeveer 1 transport per werkdag; dat dit aantal aanvaardbaar is; Overwegende dat het perceel afwatert naar waterloop nr. 4.05 'Blauwputten en Leiloop behorende tot het Maasbekken'; dat de inrichting in een mogelijk VII-37.714-6/13 overstromingsgevoelig gebied gelegen is maar niet in recent overstroomd gebied; Overwegende dat in het subadvies van de waterbeheerder, zijnde 'De Beneden Mark' van 27 juli 2009, wordt gesteld dat de bijkomende verharding van het terrein schadelijke effecten kan hebben op oppervlaktewater en grondwater indien er geen bijkomende maatregelen worden genomen; Overwegende dat de waterbeheerder voorstelt om zoveel mogelijk hemelwater afkomstig van het dak te hergebruiken; dat er ongeveer 1.196 m³ hemelwater zal gebruikt worden voor de chemische luchtwasser; dat een infiltratie- of buffervoorziening moet aangelegd worden met een buffervolume van minimaal 200 m³ per hectare verharde oppervlakte en dat het hemelwater vertraagd moet afgevoerd worden aan maximaal 5 liter/seconde/hectare; dat er een hemelwaterput van 80 m³ (voor 2.947,58 m² verharde staloppervlakte) zal voorzien worden met overloop naar een infiltratiekom waardoor wordt voldaan aan de voorwaarde gesteld door de waterbeheerder; Overwegende dat er evenwel van kan worden uitgegaan dat de vergunnings- plichtige activiteit geen schadelijke effecten veroorzaakt op het watersysteem mits naleving van de opgelegde voorwaarde; dat er bijgevolg voldaan wordt aan artikel 8 van het decreet betreffende het integraal waterbeleid, meer bepaald de watertoets; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie tot een aanvaardbaar niveau beperkt kunnen worden". IV. Tussenkomst
- Met een op 8 april 2010 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt Frank Janssen om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om dat verzoek in te willigen, wat betreft het administratief kort geding. V. Ontvankelijkheid van de vordering
- De tussenkomende partij werpt op dat geen stuk werd neergelegd waaruit blijkt dat het bevoegd orgaan van de tweede verzoekende partij rechtsgeldig heeft beslist om in rechte te treden en dat de geldende statuten evenmin werden neergelegd, zodat voorbehoud wordt gemaakt ten aanzien van de ontvankelijkheid van de vordering. VII-37.714-7/13 Beoordeling
- Het onderzoek van voormelde exceptie dringt zich in de huidige stand van het geding niet op omdat, zoals hierna zal blijken, de grondvoorwaarden voor de schorsing te dezen niet zijn vervuld. VI. Onderzoek van de vordering
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
- Ter adstructie van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel zetten de verzoekende partijen in hun verzoekschrift het volgende uiteen : "Zonder schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, zal de heer Frank Janssen uiteraard overgaan tot exploitatie van een varkenshouderij voor 2.990 varkens en een opslag van 7.280 kg zwavelzuur. De nieuwe exploitatie wordt zeer dicht bij de bestaande varkenshouderij van verzoekers ingeplant, namelijk op slechts 12 meter van de perceels- grens/woning en 50 meter van de stal van Van Den Plas NV. De nieuwe exploitatie heeft op de inrichting van verzoeker belangrijke risico's in, o.m. van ziekte-insleep waartegen de nodige maatregelen dienen genomen te worden. Gelet op de zeer korte afstand tussen beide inrichtingen, zullen de infectie- druk en de bijhorende gezondheidsproblemen van het mestbedrijf overgaan op het zeugenbedrijf met alle gevolgen vandien; Bovendien komen de opgezette biggen van een ander fokbedrijf met de infectiedruk die daar geldt en uiteraard volledig zal verschillen met de infectiedruk bij Van Den Plas NV. De nieuwe stal wordt o.m. veel te dicht bij de quarantainestal van Van Den Plas NV voorzien. In de huidige zeugenhouderij zijn de gezondheidsstatus en de mogelijke insleep van ziektes op een bedrijf van levensbelang. Bij de opstart van het zeugenbedrijf werd dan ook maximaal rekening gehouden met manieren om die gezondheidsstatus te verhogen en de ziekte-insleep te minimaliseren. Van Den Plas NV is tot op vandaag een bedrijf met zeer beperkt gevaar voor ziekte-insleep net omwille van de gunstige ligging aan de Oude Tramweg (in de onmiddellijke omgeving zijn geen varkenshouderijen gevestigd). Om de hoge gezondheidsstatus van de zeugenstapel te kunnen vrijwaren werd bewust gekozen om de gekweekte biggen niet af te mesten op het eigen bedrijf maar om deze te vermarkten. De gezondheidsrisico's die mestvarkens op een veel te nabij gelegen bedrijf met zich meebrengen zullen nefast zijn voor de aanwezige zeugen. Vanuit VII-37.714-8/13 landbouweconomisch standpunt is deze beslissing niet altijd de meest rendabele gezien de lamentabele biggenprijs de laatste jaren. Niettemin wordt omwille van de gezondheidsrisico's voor dit scenario gekozen. Naast de strenge sanitaire maatregelen voor werknemers en adviseurs wordt de aanvoer van nieuw fokmateriaal uiterst streng opgevolgd. Enkel jonge fokgelten, met eveneens een hoge gezondheidsstatus, worden alvorens binnen in het bedrijf gebracht te worden opgevangen in een speciaal daarvoor voorziene quarantainestal. Samen met veearts en subfokker wordt het entschema voor de fokgelten bepaald zodat het risico op ziekte-insleep geminimaliseerd wordt. Van Den Plas NV wil deze gekozen weg in de toekomst verder kunnen bewandelen om zo biggen met een hoge gezondheidsstatus te kunnen blijven vermarkten, een garantie voor veilig vlees, een consumenteneis die meer en meer aan belang wint. De gevraagde inplanting van een stal voor 2.990 mestvarkens op zeer korte afstand van de stallen van Van Den Plas NV is onaanvaardbaar en zou de geleverde inspanningen van jaren van Van Den Plas NV teniet doen. De gezondheidstechnische maatregelen en de absolute beperking van ziekte-insleep bij Van Den Plas NV worden dan een maat voor niets. De thans voorziene inplanting op minder dan 50 meter van Van Den Plas NV zou tot gevolg hebben dat deze al de nadelige gevolgen van een gesloten bedrijf zou hebben zonder het te zijn: de zeugen zijn gevoeliger aan ziektes, hogere veeartsenkosten, enz. Dit alles te meer daar de wind steeds ongunstig zit in de richting van Van Den Plas NV. De veel te dichte inplanting van de nieuwe mega exploitatie zou wel eens dodelijk kunnen zijn voor Van Den Plas NV, mede gelet op het feit dat deze al twee jaren te maken heeft met zeer slechte opbrengstprijzen. Daarnaast is er het aspect van de verkeershinder en de geurhinder. Eerste verzoekende partij en zijn echtgenote wonen vlak naast de nieuwe inrichting van de heer Jansen. Van rust zal er omwille van de nieuwe inplanting geen sprake meer zijn door de te verwachten geluidsoverlast van de ventilatoren en een massale toename van transport. Mestvarkens worden namelijk 's nachts geladen om 's morgens in het slachthuis te zijn, de buurtwegen zijn absoluut niet voorzien op deze transport- toename met grote vrachtwagens. De door de Minister opgelegde voorwaarden om de transporten enkel overdag te (laten) plaatsvinden, zijn absoluut onvoldoende om deze verkeersoverlast in te dijken. De transporten zullen hoedanook plaatsvinden op daartoe niet aangepaste wegen. Het feit dat de Minister deze extra voorwaarden oplegt, geeft enkel aan dat er daadwerkelijk een probleem van verkeersoverlast zal ontstaan, door de geplande exploitatie. De geurhinder die versterkt wordt omwille van de ongunstige wind die bijna steeds waait in de richting van de woning van eerste verzoekende partij; een chemische luchtwasser (zoals voorzien in de nieuwe exploitatie) is aanzienlijk goedkoper dan emissie-arm bouwen - het is geen publiek geheim dat dergelijke luchtwassers in de praktijk zelden of nooit aanstaan - van ammoniakreductie en reductie van fijn stof zal geen sprake zijn - zelfs een moderne luchtwasser laat nog 10 tot 40% van de schadelijke stoffen en stank door. De gezondheidsrisico's/veiligheid: ongedierte en vliegen zullen toenemen in de nabije omgeving van de woning. Vanzelfsprekend verzet eerste verzoeker er zich tegen dat een zeer grote hoeveelheid zwavelzuur vlakbij de woning zal opgeslagen worden in een bovengrondse tank. Dit laatste is zeker geen product om zo nabij een woning te stockeren. VII-37.714-9/13 Daarnaast dient ook gewezen te worden op de opmars van de MRSA-bacterie. Een studie van voormalige minister van volksgezondheid Demotte toonde aan dat bij 68% van de varkenshouderijen in ons land een MRSA-stam aanwezig is bij de dieren. Bij varkenshouders en hun familieleden komt de resistente bacterie in 37,6% van de gevallen voor. Bij de 'open' bedrijven die biggen aankopen om ze vet te mesten (zoals in casu in de geplande exploitatie) werd zelfs in 94% van de gevallen MRSA teruggevonden! Het is geen geheim dat de opmars van de MRSA-bacterie voornamelijk te wijten is aan de intensieve industriële varkenshouderij zoals deze in casu (het houden van dieren in tegennatuurlijke omstandigheden verhoogt de stress waardoor de varkens meer vatbaar zijn voor ziekten - door het massaal toedienen van preventieve antibiotica ontstaan resistente bacteriën zoals MRSA). Omdat de bacterie zich waarschijnlijk ook via de lucht verspreidt vormen frequente varkenstransporten (zoals in casu gepland) een extra risico. In Nederland schrijft men nu al voor aan de provincies en gemeenten dat zij er goed aan doen om bij het verlenen van vergunningen voor intensieve varkens- houderijen rekening te houden met de gevolgen voor de volksgezondheid. Daarnaast wensen verzoekende partijen ook nog te wijzen op de visuele hinder. De stal wordt gepland in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Er dient aldus voldoende rekening te worden gehouden met de schoonheids- waarde van het gebied. Het feit dat er reeds bebouwing aanwezig is, doet hieraan geen afbreuk. De aanleg van een groenscherm mag niet zomaar als lapmiddel gebruikt worden (schaamgroen). De aanleg van dergelijk groen- scherm alleen al wordt door de Raad van State in bepaalde dossiers aangegre- pen als erkenning dat het landschap zal geschonden worden en dat deze schending onaanvaardbaar is. Er mag aldus niet lichtzinnig mee omgesprongen worden. Er dient zeer uitgebreid gemotiveerd te worden waarom het landschap niet zou aangetast worden door de nieuwe stal. Dergelijke motivering vinden we niet terug in het aanvraagdossier, noch in de bestreden beslissing. Waar is het landschapsbedrijfsplan? Het weze duidelijk dat de inplanting zowel voor verzoekende partijen als voor andere buurtbewoners een aantasting van de schoonheidswaarde van het gebied betekent. Visuele hinder en aantasting van de landschappelijke waarden zijn onvermijdelijk. De hinder die de gevraagde exploitatie met zich zal meebrengen, treft de verzoekende partij dan ook persoonlijk en rechtstreeks en is onaanvaardbaar. In geen geval kan zij achteraf na een nietigverklaring worden hersteld zodat aan alle voorwaarden is voldaan om tot schorsing van de tenuitvoerlegging over te gaan". Beoordeling
- De nieuw op te richten varkensstallen zijn gelegen in landschappe- lijk waardevol agrarisch gebied. In dat agrarisch gebied exploiteren de verzoekende partijen zelf een varkenshouderij. Van bewoners van een agrarisch gebied mag een grotere tolerantie worden verwacht ten aanzien van geurhinder, overlast door insecten en ongedierte, en andere ongemakken die typisch zijn voor een veeteeltin- richting, juist omdat dergelijk gebied precies bestemd is voor de uitoefening van agrarische activiteiten. Aangezien de verzoekende partijen ter plaatse zelf een VII-37.714-10/13 landbouwbedrijf exploiteren dat soortgelijke hinder teweegbrengt in de onmiddellij- ke omgeving, geldt bovendien een wederkerige tolerantiedrempel. In dat verband maken de verzoekende partijen geenszins aannemelijk dat de exploitatie van de eigen inrichting geen nadelige weerslag heeft op hun huidige woon- en leefklimaat. Net zomin tonen zij aan dat de soortgelijke hinder van het geplande naburige bedrijf wel een ernstige aantasting van hun woon- en leefomgeving zou betekenen. Wat betreft het beweerde risico op ziekte-insleep wordt in de bestreden beslissing overwogen dat "doeltreffende bestrijdingsmaatregelen ter voorkoming van ongedierte zoals ratten, muizen en insecten zullen worden genomen; dat krengen onmiddellijk zullen worden afgezonderd van de gezonde dieren en op een gemakkelijk te reinigen en te ontsmetten plaats zullen bewaard worden; dat de stallen enkel toegankelijk zullen zijn voor personen die noodzakelijk moeten aanwezig zijn en dat contact met derden hier vermeden wordt; dat de exploitant zal proberen om alle biggen uit één bedrijf te betrekken, waardoor het besmettingsrisico tot een minimum zal beperkt worden; dat Frank Janssen er alle belang bij heeft om ziekte-insleep in zijn eigen bedrijf tot een minimum te beperken; dat, mits het bedrijf in goede hygiënische toestand wordt gehouden, de risico's voor ziekte-insleep naar het naburige zeugenbedrijf beperkt zijn". Uit voorgaande overwegingen, die steun vinden in de adviezen van de afdeling Milieuvergunningen en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, blijkt dat het besmettingsrisico van de dieren via het nemen van preventieve maatregelen tot een minimum kan worden beperkt. Bovendien maken de verzoekende partijen niet aannemelijk dat het risico op ziekte-insleep via het nieuwe bedrijf van de tussenkomende partij merkelijk groter is dan het risico waaraan zij thans reeds zijn blootgesteld als exploitanten van een varkenshouderij. Hetzelfde geldt voor de beweerde opmars van de MRSA-bacterie in het midden van varkenshouders en hun familieleden. Bij de beoordeling van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dient te worden uitgegaan van een vergunningsconforme exploitatie. Derhalve kunnen de verzoekende partijen niet op goede gronden aanvoeren dat de chemische luchtwasser door de exploitant niet in werking zal worden gehouden. Overigens baseren de verzoekende partijen zich terzake op een "publiek geheim" dat geen directe relevantie heeft voor de individuele situatie van de tussenkomende partij. Wat betreft de vrees voor geluidshinder door de werking van de ventilatoren, stelt het bestreden besluit vast dat deze achteraan de varkensstal VII-37.714-11/13 geplaatst zullen worden op een afstand van ongeveer 110 meter van de nabijgelegen woning en dat gebruik gemaakt zal worden van nieuwe, geluidsarme toestellen. De verzoekende partijen betwisten voormelde feitelijke gegevens niet. Er is reden de beweerde "massale toename" van vrachtwagenver- keer ernstig te relativeren aangezien in het bestreden besluit sprake is van ongeveer 245 transporten per jaar, hetgeen concreet neerkomt op ongeveer 1 transport per werkdag. De verzoekende partijen voeren geen betwisting omtrent het verwachte aantal transportbewegingen. Voor nachtelijke laadactiviteiten valt evenmin te vrezen nu de bestreden milieuvergunning als bijzondere voorwaarde oplegt dat het laden van varkens niet mag gebeuren tussen 22.00 uur 's avonds en 6.00 uur 's morgens. Zoals reeds werd gesteld moet er worden van uitgegaan dat de exploitant de vergunningsvoorwaarden zal naleven. De opslag van 7.280 kg zwavelzuur gebeurt conform de geldende milieuvoorwaarden van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II) in een dubbelwandige bovengrondse tank, voorzien van een permanent lekdetectiesysteem en een overvulbeveiliging, op een vloeistofdichte vloer. Daarenboven is de exploitant luidens het algemeen voorschrift van artikel 4.1.3.2 van Vlarem II verplicht alle nodige maatregelen te nemen om de buurt te beschermen tegen de risico's voor en de gevolgen van accidentele gebeurtenissen. De naleving van voormelde voorwaarden moet redelijkerwijze volstaan om de risico's van de zwavelzuuropslag tot een aanvaardbaar niveau te beperken. De beweerde aantasting van de schoonheidswaarde van het betrokken landschappelijk waardevol agrarisch gebied, vloeit ten slotte niet voort uit de bestreden milieuvergunning, maar uit de gebouwen van het nieuw op te richten varkensbedrijf en dus uit de desgevallend nog te verlenen stedenbouwkundige vergunning.
- Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. VII-37.714-12/13 BESLISSING
- Het verzoek van Frank Janssen tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig juni tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-37.714-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.704 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.213.767 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div