← België

Arrest 205737 - Natuurbehoud - Vergunningen - 24/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.737 Rolnummer: A. 195728/VII-37695 Zaak: Arrest 205737 - Natuurbehoud - Vergunningen - 24/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-29 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:57 Fiche Arrest nr 205.737 van 24 juni 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 205.737 van 24 juni 2010 in de zaak A. 195.728/VII-37.695. In zake: Laurent NOPPE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kris Vincke kantoor houdend te Assebroek Jan Moritoenstraat 1, bus 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 4 maart 2010, strekt tot de nietig- verklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur van 4 januari 2010 waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij van 28 april 2008, waarbij deze beslist dat Laurent Noppe niet aantoont dat hij conform de bepalingen van artikel 10, § 2, van het bodemsaneringsdecreet niet verplicht is om tot bodemsanering over te gaan, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging 2. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een verslag overeenkomstig artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 mei 2010. VII-37.695-1/11 Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ellen Eneman, die loco advocaat Kris Vincke verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Clive Rommelaere, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoeker baat aan de Hoogstraat 43a te Oedelem een bedrijf uit dat loonwerk, hoofdzakelijk in de landbouw, uitvoert. Hij heeft de grond waarop het bedrijf gevestigd is aangekocht in 1967. Na de inwerkingtreding van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering (hierna : bodemsaneringsde- creet) en het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 1996 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering (hierna : Vlarebo) geeft hij opdracht tot het uitvoeren van een oriënterend bodemonderzoek. 3.2. Dit oriënterend bodemonderzoek stelt dat in de bodem de bodemsaneringsnorm overschreden wordt voor minerale olie, naftaleen en fenantreen nabij de twee opslagtanks voor mazout. Het grondwater genomen ter hoogte van de mazouttanks vertoont eveneens sporen van minerale olie doch de gemeten concentraties blijven beneden de saneringsnorm. De deskundige is van oordeel dat de verontreiniging hoogstwaar- schijnlijk veroorzaakt is door de twee opslagtanks voor mazout die nog steeds in gebruik zijn. 3.3. De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna : OVAM), die door de verzoeker in kennis gesteld wordt van de resultaten van dat onderzoek, meldt aan de verzoeker op 8 augustus 2002 dat er ernstige aanwijzingen zijn dat het kwestieuze perceel van de verzoeker "aangetast is door een gemengde VII-37.695-2/11 bodemverontreiniging die de bodemsaneringsnormen overschrijdt of dreigt te overschrijden en/of die een ernstige bedreiging vormt". OVAM is van oordeel dat op basis van het voorgelegde verslag van het uitgevoerde bodemonderzoek geen definitieve uitspraak kan worden gedaan over de ernst van de bodemverontreiniging, omdat nog informatie ontbreekt met betrekking tot de aard, hoeveelheid, concentratie en oorsprong van de verontreini- gende stoffen, de mogelijkheid op verspreiding ervan en het gevaar op blootstelling eraan van mensen, planten en dieren en van het grond- en oppervlaktewater, evenals een prognose van de spontane evolutie van de verontreinigde bodem naar de toekomst toe. De verzoeker wordt verzocht om OVAM vóór 15 oktober 2002 in kennis te stellen van de door hem geplande acties betreffende de bodem- verontreiniging op zijn perceel. 3.4. Met een brief van 1 februari 2008 herinnert OVAM aan de brief van 8 augustus 2002, en wordt de verzoeker aangemaand om een voorstel van beschrijvend bodemonderzoek te bezorgen vóór 1 augustus 2008. De verzoeker wordt tevens gewezen op de mogelijkheid om bij toepassing van artikel 10 van het bodemsaneringsdecreet vrijstelling van saneringsplicht te vragen. 3.5. Met een brief van 29 februari 2008 vraagt de verzoeker vrijstelling van saneringsplicht, bij toepassing van artikel 10, § 2, van het bodemsanerings- decreet. Hij voert daarvoor aan dat hij de verontreiniging niet zelf heeft veroorzaakt en dat hij geen activiteiten uitgeoefend heeft die vallen onder de toepassing van artikel 3 van het bodemsaneringsdecreet en de lijst van de inrich- tingen en activiteiten die bodemverontreiniging kunnen veroorzaken. Zijn activiteiten beperkten zich tot landbouwwerken en loonwerk en hij voerde geen handel in bestrijdingsmiddelen zoals omschreven in Vlarebo. Er werden nooit pesticiden, herbiciden noch insecticiden aangekocht om het door te verkopen, zodat er volgens hem geen oriënterend bodemonderzoek moest worden uitgevoerd. Hij stelt dat hij valt onder de activiteit van loonwerker en landbouwwerken en niet onder het statuut van handelaar in meststoffen en fytostoffen. VII-37.695-3/11 De verzoeker voert ook aan dat hij niet op de hoogte was of behoorde te zijn van de verontreiniging toen hij eigenaar werd, omdat dit gebeurde op 26 mei 1967, vóór de inwerkingtreding van het bodemsaneringsdecreet. Hij stelt tevens dat sinds 1 januari 1993 er geen inrichting werd gevestigd noch activiteiten werden uitgevoerd die bodemverontreiniging zouden kunnen veroorzaken. 3.6. OVAM verwerpt de vraag tot vrijstelling met een brief van 28 april 2008 waarin zij laat weten van oordeel te zijn dat de verzoeker niet aantoont dat hij voldoet aan de drie cumulatieve voorwaarden van artikel 10, § 2, van het bodemsaneringsdecreet, aangezien niet voldaan is aan de derde voorwaarde, omdat uit het oriënterend bodemonderzoek van 2002 blijkt dat er op dat moment nog een onderzoeksplichtige activiteit plaatsvond, met name deze van rubriek 5.3.1 van bijlage 1 van Vlarebo. De aanwezigheid van de opslag van fytoproducten was de reden voor het onderzoek; de opslagcapaciteit is relevant en niet de vraag of de betreffende producten al dan niet verhandeld worden. OVAM stelt ook dat de verzoeker niet aantoont dat hij de verontreiniging niet zelf heeft veroorzaakt, omdat de vastgestelde verontreiniging geen verband houdt met de opslag van biociden, maar met de exploitatie van twee mazouttanks, die werden geplaatst nadat de verzoeker eigenaar werd van de grond, en die door hem werden geëxploiteerd. 3.7. De verzoeker dient een administratief beroep in op 23 mei 2008. 3.8. Nadat de verzoeker is uitgenodigd zijn standpunt te doen kennen met betrekking tot het inmiddels in werking getreden decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (hierna : bodemdecreet), wordt zijn beroep verworpen op 4 januari 2010. Dit is de bestreden beslissing. VII-37.695-4/11 IV. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel 4. In een enig middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Hij verwijst naar de drie cumulatieve voorwaarden voor vrijsteling van saneringsplicht, voorzien in artikel 10, § 2, van het bodemsaneringsdecreet. In een eerste onderdeel zet hij dan uiteen dat hij voldoet aan de derde voorwaarde. Hij benadrukt dat hij na 1 januari 1993 nooit meer dan 500 kg fytoproducten opgeslagen heeft en dat de omstandigheid dat er een opslagcapaciteit was van meer dan 500 kg, niet impliceert dat er daadwerkelijk meer dan 500 kg werd opgeslagen. In een tweede onderdeel stelt de verzoeker dat het tijdstip en de oorzaak van de verontreiniging geenszins bewezen is. Hij leidt uit de formulering van de bodemsaneringsdeskundige dat de verontreiniging "hoogstwaarschijnlijk" veroorzaakt werd door de twee mazouttanks af, dat er slechts een "vermoeden" bestaat. Volgens hem moet de brief van 8 augustus 2002, waarin OVAM stelt dat er "ernstige aanwijzingen zijn" dat de grond "aangetast is door een gemengde bodemverontreiniging die de bodemsaneringsnormen overschrijdt of dreigt te overschrijden en/of die een ernstige bedreiging vormt", en dat "op basis van het voorgelegde verslag van het uitgevoerde bodemonderzoek geen definitieve uitspraak kan worden gedaan over de ernst van de bodemverontreiniging" omdat "nog informatie met betrekking tot de aard, hoeveelheid, concentratie en oorsprong van de verontreinigende stoffen, de mogelijkheid op verspreiding ervan en het gevaar op blootstelling eraan van mensen, planten en dieren en van het grond- en oppervlaktewater, evenals een prognose van de spontane evolutie van de verontrei- nigde bodem naar de toekomst toe" ontbreekt, tot de conclusie leiden dat OVAM te weinig informatie heeft om te oordelen of er ernstige aanwijzingen zijn dat nieuwe of gemengde bodemverontreiniging de bodemsaneringsnorm zou overschrijden. VII-37.695-5/11 De verzoeker vervolgt dat OVAM nochtans van oordeel is dat, "in strijd met de vaststellingen van de bodemdeskundige, de oorzaak van de verontreini- ging zou bewezen zijn, terwijl de bodemdeskundige gebruik maakt van de bewoording 'hoogstwaarschijnlijk', en er dus geen algehele zekerheid is". Ook het feit dat hij mazouttanks heeft geïnstalleerd is volgens de verzoeker niet afdoende om te bewijzen dat de vervuiling afkomstig zou zijn van hemzelf. De verzoeker kon evenmin kennis hebben van enige vervuiling, aangezien deze slechts aan het licht is gekomen naar aanleiding van het oriënterend bodemonderzoek. Hij is van oordeel dat hij als dusdanig voldoet aan de voorwaarden van artikel 10, § 2, van het bodemsaneringsdecreet. Beoordeling 5. De bestreden beslissing luidt onder meer als volgt : "(...) Overwegende dat de verontreiniging een gemengde verontreiniging betreft; dat bijgevolg de bepalingen inzake nieuwe bodemverontreiniging van toepassing zijn; dat het onschuldig bezit bijgevolg beoordeeld moet worden overeenkomstig de voorwaarden van artikel 12, §2 Bodemdecreet; Overwegende dat de beroeper om zich te kunnen beroepen op artikel 12, §2 Bodemdecreet moet aantonen dat hij de bodemverontreiniging niet zelf heeft veroorzaakt, dat de bodemverontreiniging tot stand gekomen is voor het tijdstip waarop hij eigenaar werd van de grond, dat hij, op het ogenblik dat hij eigenaar werd van de grond, niet op de hoogte was en niet op de hoogte behoorde te zijn van de bodemverontreiniging, en dat er sinds 1 januari 1993 op de grond geen risico-inrichting gevestigd was; Overwegende dat aan bovenvermelde voorwaarden cumulatief voldaan moet zijn; Overwegende dat de voorwaarde dat de beroeper de verontreiniging niet zelf mag veroorzaakt hebben, als volgt wordt geëvalueerd; Overwegende dat de beroeper betoogt dat hij geen activiteiten heeft uitgeoefend die voorkomen op de lijst van de inrichtingen en activiteiten die bodemverontreiniging kunnen veroorzaken; dat beroeper zijn activiteiten zich beperkten tot landbouwwerken en loonwerk; dat de beroeper dus niet handelde in bestrijdingsmiddelen; dat nooit pesticiden, herbiciden en insecticiden werden aangekocht om te worden doorverkocht; dat de producten die werden aan- gekocht steeds onmiddellijk na ontvangst werden verbruikt; dat er geen enkele vorm van stock aanwezig was op de grond; dat enkel een handelaar met een opslagcapaciteit van 500 tot 1000 kg valt onder de rubriek 5.3.1. Vlarebo (oud); dat gezien er geen sprake was van enige vorm van fytohandel, de beroeper niet VII-37.695-6/11 verantwoordelijk gesteld kan worden voor enige vorm van vervuiling; dat de beroeper de verontreiniging dan ook niet kan veroorzaakt hebben; Overwegende dat de OVAM in haar verweernota erop wijst dat de verontreiniging afkomstig is van de twee mazouttanks, en dus niet te wijten is aan de opslag van fytoproducten; dat hoewel dit in het verslag van oriënterend bodemonderzoek niet expliciet vermeld werd, de mazouttanks hoogstwaar- schijnlijk door de beroeper werden gebruikt; dat de beroeper de grond immers aankocht op 26 mei 1967 en de tanks werden geïnstalleerd in 1967 en 1974; dat dus duidelijk is dat de verontreiniging ontstaan is na de verwerving van de grond door de beroeper; dat de beroeper ook zelf niet aantoont dat hij de verontreiniging niet heeft veroorzaakt, te meer daar noch enige argumentatie ter zake noch enige bewijsstukken hiervoor werden aangeleverd; Overwegende dat: - de bodemsaneringsdeskundige stelt dat op de grond fytoproducten opgeslagen worden; dat er een opslagcapaciteit is tussen 500 en 1000 kg; dat deze inrichting onder rubriek 5.3.1/ van de Vlarebo (oud)-activiteiten wordt gerekend; dat het bodemonderzoek werd uitgevoerd als eerste periodiek bodemonderzoek (pag. 4) oriënterend bodemonderzoek); - op de grond ook twee mazouttanks gelegen zijn van elk 50001 naast de aanwezige hangaar (pag. 6 oriënterend bodemonderzoek en figuur 3: detailplan onderzoekslocatie met situering uitgevoerde boringen en peilbuizen + risicozones bij het oriënterend bodemonderzoek); - de mazouttank ten zuiden van de hangaar dateert van 1967, en de andere mazouttank ten oosten van (

  1. de)hangaar werd geïnstalleerd in 1974 (pag. 6 oriënterend bodemonderzoek); - de mazouttanks op het moment van het opstellen van het oriënterend bodemonderzoek op 13 februari 2002 nog in gebruik waren (pag. 11 oriënte- rend bodemonderzoek); - de verontreiniging met minerale olie en naftaleen en fenantreen in het vaste deel van de aarde werd vastgesteld ter hoogte van boring B1 en peilbuis PB2, gelegen in de onmiddellijke omgeving van de mazouttanks (pag. 8 en 10 oriënterend bodemonderzoek); - de bodemsaneringsdeskundige besluit dat de verontreiniging hoogstwaar- schijnlijk veroorzaakt werd door de twee mazouttanks, die nog steeds in gebruik zijn zodat de verontreiniging als gemengd ingedeeld dient te worden (pag. 11 oriënterend bodemonderzoek); Overwegende dat de verontreiniging te wijten is aan de mazouttanks; dat de aangetroffen verontreinigende stoffen, minerale olie, fenantreen en naftaleen, immers te linken zijn aan de mazouttanks; dat de verontreinigende stoffen werden aangetroffen in de onmiddellijke omgeving van de mazouttanks; dat niet wordt aangegeven voor welk doel de mazouttanks werden gebruikt; dat echter aannemelijk is dat de mazouttanks werden/worden gebruikt door de beroeper; dat de beroeper immers eigenaar is van de grond sinds 26 mei 1967; dat de mazouttanks werden geïnstalleerd in 1967 en in 1974, dus in het jaar dat beroeper de grond verwierf en nadat de beroeper de grond heeft verworven; dat de beroeper ook zelf geen argumenten opwerpt waarbij hij betwist dat de verontreiniging het gevolg is van de mazouttanks; dat de beroeper slechts argumenten opwerpt om aan te tonen dat de verontreiniging niet het gevolg is van de mogelijke opslag van bestrijdingsmiddelen; dat de beroeper ook niet opwerpt dat hij de mazouttanks niet zelf aanwendt of heeft aangewend; dat de beroeper dan ook niet aantoont dat hij de verontreiniging niet heeft veroorzaakt; Overwegende dat aan de eerste voorwaarde van artikel 12, §2 Bodemdecreet niet voldaan is; VII-37.695-7/11 Overwegende dat de beroeper om het statuut van onschuldig bezitter te verkrijgen moet voldoen aan vier cumulatieve voorwaarden; dat aangezien aan de eerste voorwaarde niet voldaan is, de andere voorwaarden niet verder moeten worden onderzocht; Overwegende dat ook als de tweede voorwaarde van artikel 12, §2 Bodemdecreet wordt onderzocht, besloten dient te worden dat de beroeper niet voldoet aan deze voorwaarde; Overwegende dat de beroeper immers moet aantonen dat de bodemverontrei- niging tot stand kwam voor het tijdstip dat hij eigenaar werd van de grond; Overwegende dat de beroeper betoogt dat hij de grond heeft verworven op 26 mei 1967; dat de aankoop van de grond gebeurde voor de inwerkingtreding van het Bodemsaneringsdecreet, waardoor op de datum van de aankoop van de grond geen gegevens beschikbaar waren, hoewel de vervuiling al kon hebben plaatsgehad; dat er immers geen sprake was van afgifte van een bodemattest bij de overdracht van de grond; dat bovendien het principe van niet-retroactieve kracht van de wet een algemeen rechtsprincipe is dat ook van toepassing is op het Bodemdecreet; dat gelet op dit principe, de tweede voorwaarde van artikel 12, §2 Bodemdecreet thans in de huidige stand van zaken dus niet kan toegepast worden, gezien deze voorwaarde voorheen niet van toepassing was; Overwegende dat de OVAM in haar verweernota erop wijst dat er vanaf 1 juni 2008 moet getoetst worden aan de bepalingen van het Bodemdecreet, zodat ook de beoordeling van de vrijstelling van saneringsplicht geschiedt in het licht van de vrijstellingsgronden van het Bodemdecreet; dat gebleken is dat de beroeper de grond heeft verworven op 26 mei 1967; dat de mazouttanks werden geïnstalleerd in 1967 en 1974; dat dus duidelijk is dat de verontreini- ging, die te wijten is aan de twee mazouttanks, ontstaan is nadat de beroeper de grond in gebruik heeft genomen; Overwegende dat: -de beroeper eigenaar is van de grond sinds 26 mei 1967 (aankoopakte van de grond d.d. 26 mei 1967); - op de grond twee mazouttanks gelegen zijn van elk 50001 naast de aanwezige hangaar (pag. 6 oriënterend bodemonderzoek en figuur 3: detailplan onder- zoekslocatie met situering uitgevoerde boringen en peilbuizen + risicozones bij het oriënterend bodemonderzoek); - de mazouttank ten zuiden van de hangaar dateert van 1967, en de andere mazouttank ten oosten van (
  2. de)hangaar werd geïnstalleerd in 1974 (pag. 6 oriënterend bodemonderzoek); - de verontreiniging met minerale olie en naftaleen en fenantreen in het vaste deel van de aarde werd vastgesteld ter hoogte van boring B1 en peilbuis PB2, gelegen in de onmiddellijke omgeving van de mazouttanks (pag. 8 en 10 oriënterend bodemonderzoek); - de bodemsaneringsdeskundige besluit dat de verontreiniging hoogstwaar- schijnlijk veroorzaakt werd door de twee mazouttanks, die nog steeds in gebruik zijn zodat de verontreiniging als gemengd ingedeeld dient te worden (pag. 11 oriënterend bodemonderzoek); Overwegende dat overeenkomstig artikel 236 Vlarebo (nieuw) het Bodemdecreet en het Vlarebo (nieuw) op 1 juni 2008 in werking zijn getreden; dat overeenkomstig artikel 176, §1 Bodemdecreet en artikel 225 Vlarebo (nieuw) het Bodemsaneringsdecreet en het Vlarebo (oud) werden opgeheven; dat voorliggend beroepschrift en het statuut van onschuldig bezitter in het bijzonder worden beoordeeld overeenkomstig de sinds 1 juni 2008 van toepassing zijnde bepalingen van het Bodemdecreet en het Vlarebo (nieuw); dat immers noch in het Bodemdecreet, noch in het Vlarebo (nieuw) overgangsbepa- lingen werden voorzien met betrekking tot de beoordeling van het statuut van onschuldig bezitter, terwijl in het Vlarebo (nieuw) wel overgangsbepalingen werden voorzien met betrekking tot de beoordeling van bodemonderzoeken, VII-37.695-8/11 bodemsaneringsprojecten en eindevaluatieonderzoeken; dat deze overgangsbe- palingen inhouden dat het Bodemsaneringsdecreet en Vlarebo (oud) wel van toepassing blijven bij de beoordeling van bodemonderzoeken, bodemsanerings- projecten en eindevaluatieonderzoeken die werden ingediend voor de inwerkingtreding van het Bodemdecreet en Vlarebo (nieuw); dat a contrario hieruit afgeleid kan worden dat de bepalingen van het Bodemsaneringsdecreet en Vlarebo (oud) met betrekking tot de beoordeling van het statuut van onschuldig bezitter geen toepassing meer vinden, maar wel de bepalingen van het Bodemdecreet en Vlarebo (nieuw); Overwegende dat de verontreiniging te wijten is aan de mazouttanks; dat de aangetroffen verontreinigende stoffen, minerale olie, fenantreen en naftaleen, immers te linken zijn aan de mazouttanks; dat de mazouttanks werden geïnstalleerd in 1967 en 1974; dat deze tanks in 2002, op het ogenblik van het opstellen van het oriënterend bodemonderzoek, nog steeds in gebruik waren; dat het, zoals hoger reeds geoordeeld werd, om een gemengde verontreiniging gaat; dat bijgevolg aangezien de beroeper eigenaar werd van de grond op 26 mei 1967, het dan ook duidelijk is dat de verontreiniging tot stand kwam na het tijdstip dat de beroeper eigenaar werd van de grond; Overwegende dat de beroeper dan ook niet aantoont dat de bodemverontrei- niging tot stand kwam voor het tijdstip dat hij eigenaar werd van de grond; Overwegende dat bijgevolg ook niet voldaan is aan de tweede voorwaarde van artikel 12, §2 Bodemdecreet; Overwegende dat de beroeper niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 12, §2 Bodemdecreet om erkend te worden als onschuldig bezitter; dat beroeper derhalve dient over te gaan tot het opstellen van een beschrijvend bodemonder- zoek en desgevallend bodemsanering; (...)". 6. De redenering van de verzoeker steunt op de voorwaarden van artikel 10, § 2, van het bodemsaneringsdecreet. Dit decreet is bij artikel 176, § 1, van het bodemdecreet met ingang van 1 juni 2008 opgeheven zonder dat er in overgangsbepalingen was voorzien voor een eventuele verdere toepassing, in bepaalde gevallen, van artikel 10, § 2, van het opgeheven bodemsaneringsdecreet, zodat op het ogenblik dat de bestreden beslissing is genomen alleen de voorwaarden van het bodemdecreet van toepassing waren. Indien de verzoeker de schending aanvoert van genoemd artikel 10, § 2, van het bodemsaneringsdecreet kan zulks slechts tot de conclusie leiden dat de bestreden beslissing geen decretale regeling kan schenden die op het ogenblik dat zij werd genomen, reeds opgeheven was. Voorts steunen de motieven van de bestreden beslissing op de feitelijke vaststellingen uit het door de verzoeker zelf, zonder opmerkingen, aan OVAM bezorgde oriënterend bodemonderzoek. Er zijn volgens dat oriënterend bodemonderzoek stoffen aangetroffen die wijzen op verontreiniging door mazout; deze verontreiniging werd aangetroffen in de onmiddellijke nabijheid van twee VII-37.695-9/11 mazouttanks en deze mazouttanks werden geplaatst nadat de verzoeker in 1967 eigenaar was geworden van de grond. Deze mazouttanks waren ten tijde van het oriënterend bodemonderzoek nog steeds in gebruik. De verzoeker heeft noch in zijn vraag tot vrijstelling, noch in zijn administratief beroep en de aanvulling ervan, deze vaststellingen tegengesproken. Hij doet dit ook niet in huidig geding. Hij argumenteert voornamelijk dat hij geen opslag heeft van bestrijdingsmiddelen voor meer dan 0,5 ton en dat het tijdstip en de oorzaak van de vastgestelde verontreiniging niet bewezen is. De verwerende partij heeft, zoals uit de bestreden beslissing op ruimschoots afdoende wijze blijkt, naar redelijkheid uit de gedane vaststellingen kunnen afleiden dat de verontreiniging veroorzaakt is door de mazouttanks en naar behoren gemotiveerd waarom zij van oordeel is dat de verzoeker niet het bewijs heeft geleverd dat hij aan de voorwaarden voor vrijstelling van saneringsplicht voldoet. Het middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverkla- ring, begroot op 175 euro. VII-37.695-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig juni tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.695-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.737 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.