id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.739 Rolnummer: A. 184829/VII-37031 Zaak: Arrest 205739 - Milieuvergunningen - 24/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-29 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 04:57 Fiche Arrest nr 205.739 van 24 juni 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 205.739 van 24 juni 2010 in de zaak A. 184.829/VII-37.031. In zake: Eric VANDER WAERDEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gwijde Vermeire kantoor houdend te Gent Voskenslaan 301 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Hilde DE MAERTELEIRE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim De Cuyper kantoor houdend te Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 17 augustus 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 18 juni 2007 waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 14 december 2006, houdende het gedeeltelijk verlenen van de milieuvergunning aan Hilde De Maerteleire om een pluimveehouderij, gelegen aan de Mortierstraat 10 te Nevele, te veranderen, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. VII-37.031-1/24 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 9 juni 2008. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoeker en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 april 2010. Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gwijde Vermeire, die verschijnt voor de verzoeker, advocaat Saartje Callens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Erika Rentmeesters, die loco advocaat Wim De Cuyper verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. VII-37.031-2/24 III. Feiten 3.1. De betwisting betreft de exploitatie van een pluimveebedrijf, gelegen aan de Mortierstraat in Nevele. 3.2. Op 15 april 1991 neemt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nevele akte van de door Omer De Boever gedane melding van een "landbouwbedrijf met 6.000 leghennen en een opslag van 40 m3 dierlijke mest". De aktename geldt als vergunning voor een termijn tot 2 april 2020. 3.3. Begin 1995 wordt de inrichting overgenomen door Jos Taveirne, echtgenoot van de tussenkomende partij. Op 9 januari 1995 neemt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nevele akte van de melding van overname. 3.4. Op 23 februari 1995 dient Jos Taveirne bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nevele een aanvraag in voor het veranderen door uitbreiding van de inrichting. De bedoeling is voortaan 19.500 vleeskippen te houden, met de bijhorende uitbreiding van de mestopslag, en met de opslag van petroleum en mazout. Op 10 april 1995 wordt de gevraagde vergunning gedeeltelijk verleend; de uitbreiding van het aantal mestkippen wordt geweigerd. Zowel Jos Taveirne als de huidige verzoeker tekenen administratief beroep aan. Op 21 september 1995 verwerpt de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen het beroep van de verzoeker en verleent zij aan Jos Taveirne de gevraagde vergunning. 3.5. De verzoeker dient een annulatieberoep in en bij arrest van de Raad van State nr. 118.186 van 9 april 2003 wordt de vergunning vernietigd omdat, voorafgaand aan de overname door Jos Taveirne, de vergunning van rechtswege was vervallen wegens niet-exploitatie gedurende meer dan twee jaar; daardoor had de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen ten onrechte de aanvraag beoordeeld als ging het om een uitbreiding van een bestaande inrichting, terwijl het om een nieuwe inrichting ging. Na dit vernietigingsarrest beslist de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen opnieuw over de administratieve beroepen en weigert zij de vergunning. VII-37.031-3/24 3.6. Op 21 november 2003 dient Jos Taveirne een nieuwe milieuvergunningsaanvraag in. Op 26 januari 2004 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nevele de gevraagde vergunning, voor onder meer 19.500 kippen. De verzoeker en de Vlaamse Landmaatschappij (hierna : VLM) tekenen administratief beroep aan. Op 13 februari 2004 weigert de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen de vergunning. 3.7. Op 24 mei 2005 wordt een milieuvergunningsaanvraag ingediend door Alfons Van Den Buys, die een vergund rundveebedrijf exploiteert in Wuustwezel. Hij beroept zich op de mogelijkheid die artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : meststoffendecreet) biedt om een milieuvergunning te krijgen voor het verplaatsen van een ongunstig gelegen inrichting naar een betere locatie. De verplaatsing zou gepaard gaan met de omschakeling van 60 runderen naar 4.496 kippen. Uit voornoemde aanvraag blijkt dat de inrichting zal worden "overgenomen" door de tussenkomende partij. De verzoeker dient bezwaar in. 3.8. Op 18 juli 2005 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nevele een milieuvergunning voor, wat de dieren betreft, 3.691 kippen. Deze beperking van het aantal dieren stemt overeen met de vergunde mestproductie van de runderen in Wuustwezel. De verzoeker dient administratief beroep in. 3.9. Op 5 januari 2006 verleent de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen een milieuvergunning voor, wat de dieren betreft, het houden van 4.496 kippen. Omdat dit aantal een vergissing betreft, wordt de vergunning bij besluit van 9 februari 2006 ingetrokken, en vervangen door een vergunning voor, wat de dieren betreft, 3.691 kippen. Het tegen dit besluit door de verzoeker ingestelde annulatieberoep wordt verworpen bij arrest van de Raad van State nr. 197.448 van 29 oktober 2009. 3.10. Op 16 februari 2006 neemt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nevele akte van de melding van overname door de tussenkomende partij. Op 21 april 2006 dient zij een milieuvergunningsaanvraag in voor de verandering van de inrichting : de vergunde 3.691 mestkippen zouden VII-37.031-4/24 worden omgezet in 3.963 opfokpoeljen van slachtkuikenouderdieren, 34 runderen - vergund op het inrichtingsadres Halewijnkouter 130 te Drongen, recent overgenomen door de tussenkomende partij - zouden worden verplaatst en omgevormd tot opfokpoeljen, 19.678 slachtkippen - vergund op het inrichtingsadres Schreiboomstraat 79 te Rollegem, recent overgenomen door de tussenkomende partij - zouden eveneens worden verplaatst en omgevormd tot opfokpoeljen waardoor het totaal aantal opfokpoeljen van slachtkuikenouderdieren op 23.691 zou komen. De verzoeker dient bezwaar in. 3.11. Op 14 december 2006 verleent de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen de vergunning voor 21.937 opfokpoeljen. De verzoeker dient administratief beroep in. 3.12. In de administratieve beroepsprocedure worden de volgende adviezen verleend : (
- a)de VLM adviseert gunstig; (
- b)de afdeling Stedenbouwkundig Beleid adviseert gunstig; (
- c)de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig; (
- d)de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert gunstig. 3.13. Op 18 juni 2007 wordt het bestreden besluit genomen : het beroep wordt verworpen en de in eerste aanleg verleende vergunning wordt bevestigd. De motivering luidt als volgt : "Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de uit te breiden inrichting, gelegen te 9850 Nevele, Mortierstraat 10, op het ogenblik van de vergunningsaanvraag (ingediend op 21 april 2006) nog vergund is voor een termijn verstrijkend op 17 juli 2025 voor het exploiteren van een pluimveehouderij met 3.691 slachtkippen, het stallen van 6 voertuigen, de opslag van 10.000 liter petroleum, de opslag van 1.100 liter mazout met inbegrip van 1 verdeelslang, de opslag van 100 m³ vaste en 10 m³ vloeibare dierlijke mest en voor een termijn verstrijkend op 14 september 2017 voor het exploiteren van een grondwaterwinning met een maximum opgepompt debiet van 9 m³/dag en 1.045 m³/jaar uit 1 put op een diepte van 18 meter; Overwegende dat de stop te zetten inrichting, gelegen te 9031 Gent-Drongen, Halewijnkouter 130, op het ogenblik van de vergunningsaanvraag (ingediend op 21 april 2006) nog vergund is voor een termijn verstrijkend op 31 augustus 2011, voor het exploiteren van 34 runderen VII-37.031-5/24 (8 runderen stallen werden overgenomen door mevrouw Hilde De Maerteleire, zijnde 19.678 slachtkuikens; Overwegende dat er bij het openbaar onderzoek slechts 1 bezwaarschrift werd ingediend in verband met huidig exploitatieadres in de Mortierstraat 10 te 9850 Nevele, waarvoor op 9 februari 2006 de vergunning werd bekomen voor 3.691 mestkippen, terwijl volgens de bezwaarindiener de vergunning was vernietigd door de Raad van State en de daarop volgende weigering door de bestendige deputatie, de regularisatie van de pluimveestal voor 19.500 stuks die niet overeenstemt met het aantal dieren in de milieuvergunning zijnde 3.691 stuks, het gekozen staltype dat niet goed scoort op de lijst van ammoniakemissiearme stallen, het feit dat er geen enkele vorm van waterzuivering is voorzien voor het bedrijfsafvalwater, de hinder die de laatste jaren is toegenomen, de bio-industrie die in Vlaanderen verantwoordelijk is voor 30% van de totale uitstoot van fijn stof, het standstill-principe dat niet wordt gerespecteerd, het beroepschrift bij de Raad van State tegen de vergunning van 9 februari 2006 van de bestendige deputatie, de melding van overname door akteneming, zijnde een frequent toegepaste vorm van ontwijken van het openbaar onderzoek; dat de inhoud van het bezwaarschrift van eerste aanleg opnieuw het voorwerp uitmaakt van huidig beroepsschrift; dat de be- bouwing binnen een straal van 100 meter, gemeten vanaf de perceelsgrenzen, slechts één woning bedraagt behorende bij een ander landbouwbedrijf (een varkensfokkerij); dat de woning van de beroepsindiener gelegen is op minstens 500 meter afstand van de bestaande pluimveestal; dat voor woningen die gelegen zijn in het agrarisch gebied een grotere tolerantiegraad moet worden geduld ten aanzien van de aanwezige landbouw- en veeteeltinrichtingen; dat de overheersende windrichting (NWZW) gunstig is voor de exploitatie van dit bedrijf in tegenstelling tot de beweringen van de beroepsindiener aangaande mogelijke hinder afkomstig van dit bedrijf; dat door deze gunstige ligging de geluids-, geur- en stofhinder tot een minimum wordt beperkt en daarenboven is de aangevraagde inrichting op voldoende afstand van hindergevoelige gebieden gelegen; Overwegende dat het voorwerp van de milieuvergunningsaanvraag (overeenkomstig de bijlage 6 en 7 inplantings- en uitvoeringsplan en de aangevraagde indelingsrubrieken vermeld in bijlage 2 van het aanvraag- formulier), de verandering betreft van een bestaand pluimveebedrijf door omvorming van 3.691 slachtkuikens naar een opfokbedrijf voor opfokpoeljen van 3.963 slachtkuikenouderdieren en de uitbreiding tot 23.691 opfokpoeljen van slachtkuikenouderdieren (een samenvoeging van 3 bedrijven, waarvan 1 stop te zetten inrichting is gelegen te Drongen en het ander overgenomen deel te Rollegem) zodat deze pluimveehouderij voortaan zou omvatten: het lozen van maximum 150 m³/jaar huishoudelijk afvalwater in oppervlaktewater, plaatsen voor 23.691 opfokpoeljen van slachtkuikenouderdieren verdeeld over twee stallen van respectievelijk 11.846 stuks en 11.845 stuks met een ingestrooide vloer en een mestopslag op de vloerplaat (niet ingedeeld), het stallen van 6 bedrijfsvoertuigen, de opslag van 10.000 liter P3-producten in 2 bovengrondse houders van elk 5.000 liter petroleum, 1 verdeelslang gekoppeld aan de bovengrondse houder van 1.100 liter mazout, de opslag van 30 m³ vloeibare dierlijke mest in 3 cisternes van elk 10 m³, een grondwaterwinning bestaande uit 1 verbuisde boorput op een diepte van 18 meter in de Formatie van Ieper met een maximum opgepompt debiet van VII-37.031-6/24 9 m³/dag en 1.045 m³/jaar welke wordt gebruikt als drinkwater voor dieren, reinigings- en huishoudelijke doeleinden; Overwegende dat voor de uit te breiden inrichting, gelegen Mortierstraat 10 te 9850 Nevele, de definitieve bouwvergunning voor één van de stallen werd verleend vóór 1 september 1991 en volgens de gegevens van de Vlaamse Landmaatschappij de mestbankaangifte van het aanslagjaar 1993 werd ontvangen op 18 maart 1993, wat vóór 29 september 1993 is waarop dieren vermeld waren, zodanig dat deze inrichting conform de bepalingen van artikel 2, 7/ van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en de daarbij behorende uitvoeringsbesluiten kan beschouwd worden als een bestaande veeteeltinrichting; dat voor de stop te zetten inrichting, gelegen te 9031 Drongen, Halewijnkouter 130, de definitieve bouwvergunning werd verleend vóór 01 september 1991 en volgens de gegevens van de Vlaamse Landmaatschappij de mestbankaangifte van het aanslagjaar 1993 werd ontvangen op 19 maart 1993, wat vóór 29 september 1993 is, waarop dieren vermeld waren, zodanig dat deze inrichting conform de bepalingen van artikel 2, 7/ van het decreet van 23 januari 1991 kan beschouwd worden als een bestaande veeteeltinrichting; dat voor de stop te zetten inrichting, gelegen te 8510 Kortrijk, Schreiboomstraat 79, de definitieve bouwvergunning werd verleend vóór 1 september 1991 en volgens de gegevens van de Vlaamse Landmaatschappij de mestbankaangifte van het aanslagjaar 1993 werd ontvangen op 8 maart 1993, wat vóór 29 september 1993 is, waarop dieren vermeld waren, zodanig dat deze inrichting conform de bepalingen van artikel 2,7/ van het decreet van 23 januari 1991 kan beschouwd worden als een bestaande veeteeltinrichting; Overwegende dat de aangevraagde inrichting gelegen is in een agrarisch gebied en inzonderheid moet getoetst worden aan de bepalingen van artikel 5.9.5.3, §5 van titel II van het VLAREM; dat in functie van het gevraagde aantal dieren (23.691 stuks) en het aantal waarderingspunten, dat begrepen ligt tussen 75 en 150, de aangevraagde inrichting moet gelegen zijn op minstens 225 meter van hindergevoelige gebieden; dat de aangevraagde inrichting gelegen is op meer dan 1.000 meter afstand van deze gebieden en bijgevolg voldoet aan de verbods- en afstandsregels van titel II van het VLAREM; Overwegende dat voor inrichtingen waar vaste dierlijke mest wordt geproduceerd, in toepassing van artikel 5.9.2.2, §5 van titel II van het VLAREM, de inrichting dient te beschikken over één of meer mestopslagplaatsen voor vaste dierlijke mest met een totale capaciteit die voldoende is om tenminste de hoeveelheid mest te stockeren die gedurende een periode van 6 maanden wordt geproduceerd door de dieren die op basis van het aantal dierplaatsen in de stallen kunnen worden gehouden; daar de stallen volledig worden ingestrooid en de mest na elke ronde onmiddellijk wordt afgevoerd dient er geen mestopslagcapaciteit voorzien te worden en is voldaan aan de bepalingen van artikel 5.9.2.3 van titel II van het VLAREM; dat immers tussen iedere ronde de stal zorgvuldig wordt gereinigd, vooreerst wordt de aanwezige mest uit de stal verwijderd, vervolgens wordt de stal mechanisch geborsteld, daarna wordt de stal verder met water gereinigd en grondig ontsmet en wordt het reinigingswater opgevangen in de 3 cisternes van elk 10 m³, waarvan de inhoud later kan worden uitgespreid op de cultuurgronden conform de bepalingen van het decreet van 23 januari 1991; Overwegende dat de uit te breiden inrichting, gelegen te 9850 Nevele-Poesele, Mortierstraat 10, uitgaande van de mestbankaangifte van deze inrichting voor wat betreft de bezetting en standplaatsen voor de aanslagjaren 2004-2006 (productiejaren 2003-2005) en rekeninghoudend met de gekende vergunningsbeslissingen kan gesteld worden dat de gekende milieuvergunning nog geldig is voor het houden van 3.691 slachtkuikens; dat in artikel 33ter, §1, VII-37.031-7/24 1/,
- c)van het decreet van 23 januari 1991 is bepaald dat de vergunde mestproductie dient berekend te worden op basis van de forfaitaire uitscheidingsnormen (zowel voor P205 als voor N) voorzien in artikel 33bis,§2 van het decreet van 23 januari 1991; dat deze inrichting bijgevolg een vergunde mestproductie heeft van 1.070 kg P205 en 2.288 kg N; Overwegende dat voor de stop te zetten inrichting, gelegen te 9031 Drongen, Halewijnkouter 130, uitgaande van de mestbankaangifte van deze inrichting voor wat betreft de bezetting en standplaatsen voor de aanslagjaren 2004-2006 (productiejaren 2003-2005) en rekeninghoudend met de gekende vergunningsbeslissingen kan gesteld worden dat de gekende milieuvergunning nog geldig is voor het houden van 34 runderen (8 runderen runderen van 1-2 jaar, 14 melkkoeien); dat in artikel 33ter, §1, 1/,
- c)van het decreet van 23 januari 1991 is bepaald dat de vergunde mestproductie dient berekend te worden op basis van de forfaitaire uitscheidingsnormen (zowel voor P205 als voor N) voorzien in artikel 33bis, §2 van het decreet van 23 januari 1991; dat deze inrichting bijgevolg een vergunde mestproductie heeft van 764 kg P205 en 2.354 kg N; Overwegende dat voor het overgenomen gedeelte van de stop te zetten inrichting, gelegen te 8510 Kortrijk, Schreiboomstraat 79, uitgaande van de mestbankaangifte van deze inrichting voor wat betreft de bezetting en standplaatsen voor de aanslagjaren 2004-2006 (productiejaren 2003-2005) en rekeninghoudend met de gekende vergunningsbeslissingen kan gesteld worden dat de gekende milieuvergunning nog geldig is voor het houden van 19.678 slachtkuikens; dat in artikel 33ter, §1, 1/,
- c)van het decreet van 23 januari 1991 is bepaald dat de vergunde mestproductie dient berekend te worden op basis van de forfaitaire uitscheidingsnormen (zowel voor P205 als voor N) voorzien in artikel 33bis, §2 van het decreet van 23 januari 1991; dat deze inrichting bijgevolg een vergunde mestproductie heeft van 5.707 kg P205 en 12.200 kg N; Overwegende dat de vergunde mestproductie van de uit te breiden inrichting (voor de samenvoeging), 1.070 kg P205 en 2.288 kg N bedraagt; dat de vergunde mestproductie van de stop te zetten inrichtingen samen het volgende bedragen: 6.471 kg P205 en 14.554 kg N; dat slechts 75% van de maximale in aanmerking komende vergunde mestproductie van de stop te zetten inrichtingen kan bijdragen tot de uitbreiding, of maximaal 4.853 kg P205 en 10.916 kg N; dat bijgevolg de te vergunnen mestproductie van de uit te breiden inrichting - na samenvoeging maximaal 5.923 kg P205 en 13.204 kg N kan bedragen; Overwegende dat de aangevraagde gewenste vergunde mestproductie na verandering door uitbreiding (een samenvoeging van 3 bedrijven) 6.397 kg P205 en 11.135 kg N zal bedragen, overeenkomstig de mestproductie van 23.691 opfokpoeljen van slachtkuikenouderdieren; dat daardoor de aangevraagde gewenste vergunde mestproductie strijdig is met de bepalingen van artikel 33ter, §1, 1/, c), 4) van het decreet van 23 januari 1991 (de aangevraagde gewenste vergunde mestproductie is immers groter dan de maximale in aanmerking te nemen toegestane vergunde mestproductie); dat op de Provinciale Milieuvergunningscommissie de vertegenwoordiger van de exploitant heeft verklaard dat de exploitant kan akkoord gaan met het aantal gevraagde dieren te beperken tot 21.937 opfokpoeljen van slachtkuiken- ouderdieren; dat daardoor de gewenste vergunde mestproductie wordt beperkt tot 5.923 kg P205 en 10.310 kg N, waardoor alsnog wordt voldaan aan de bepalingen van artikel 33ter, §1, 1/, c), 4 van het decreet van 23 januari 1991; Overwegende dat de uit te breiden inrichting in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 33ter, §1, 1/, c), 4) van het decreet van 23 januari 1991 (het betreft een bestaande veeteeltinrichting, de drie voorafgaande kalender- jaren, zijnde de aanslagjaren 2004-2006 of productiejaren 2003-2005 werd er voldaan aan de aangifteplicht, in het verleden werd de opgegeven mestproductie gemiddeld voor meer dan 90% afgezet conform de bepalingen VII-37.031-8/24 van het decreet van 23 januari 1991 wat binnen de Vlaamse Landmaatschappij gehanteerde criteria als voldoende wordt bestempeld, de uit te breiden inrichting is niet gelegen in een ruimtelijk kwetsbaar gebied, de uitbreiding is niet groter dan 75% van de vergunning voor de stop te zetten inrichtingen, uit de aanvraag is af te leiden dat er een nieuwe pluimveestal moet gebouwd worden en aangezien er voor opfokpoeljen van slachtkuikenouderdieren nog geen of enkel onvoldoende aan de praktijk getoetste emissiearme stalsystemen op de markt zijn is voor deze dieren de traditionele stal momenteel de best beschikbare techniek en dus is dit toegestaan, waardoor aldus ook wordt voldaan aan artikel 5.9.2.1bis, §1 van titel II van het VLAREM; Overwegende dat de stop te zetten inrichtingen in overeenstemming zijn met de bepalingen van artikel 33ter, §1, 1/, c), 4) van het decreet van 23 januari 1991 (het betreft bestaande veeteeltinrichtingen, de drie voorafgaande ka- lenderjaren, zijnde de aanslagjaren 2004-2006 of productiejaren 2003-2005 werd er voldaan aan de aangifteplicht, in het verleden werd de opgegeven mestproductie gemiddeld voor meer dan 90% afgezet conform de bepalingen van het decreet van 23 januari 1991 wat binnen de Vlaamse Landmaatschappij gehanteerde criteria als voldoende wordt bestempeld, voor de stop te zetten inrichtingen werd geen stopzettingsvergoeding verkregen in het kader van het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, de aanvrager van de milieuvergunning is tevens houder van de milieuvergunningen voor de stop te zetten inrichtingen, er is een ondertekende en gedateerde verklaring bijgevoegd dat de stop te zetten inrichtingen volledig zullen stopgezet worden binnen de 12 maanden na in gebruikname van de uit te breiden inrichting, gelegen te 9850 Nevele Mortierstraat 10); Overwegende dat in de milieuvergunningsaanvraag de bestaande grondwaterwinning, met een maximum opgepompt debiet van 9 m³/dag en 1.045 m³/jaar uit 1 verbuisde put op een diepte van maximum 18 meter uit de watervoerende laag in de Formatie van Ieper (code: 30), die gebruikt wordt als drinken voor de dieren, reiniging en huishoudelijke doeleinden, niet het voorwerp uitmaakt van de verandering door uitbreiding (het vergunde debiet is nog voldoende om de uitbreiding te kunnen realiseren); dat in de bestreden beslissing onder artikel 3, §3, 11 een bijzondere milieuvoorwaarde werd opgenomen met betrekking tot de opvang van hemelwater bij de bestaande gebouwen of de nog nieuw te bouwen pluimveestal (gebruik van opgevangen hemelwater voor laagwaardige toepassingen); dat overeenkomstig artikel 5, 1/ van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid tegen uiterlijk 22 december 2015 een goede toestand van de watersystemen moet worden bereikt; Overwegende dat gelet op de aard van de aangevraagde inrichting de vergunningsplichtige activiteit mits naleving van de opgelegde voorwaarden verenigbaar is met het watersysteem en dat kan gesteld worden dat het schadelijk effect van de winning op het milieu en op het grondwatersysteem beperkt is; dat er bijgevolg wordt voldaan aan artikel 8 van het decreet betreffende het integraal waterbeleid, meer bepaald de watertoets; Overwegende dat de bezwaren aangehaald door de beroepsindiener als volgt kunnen worden geëvalueerd: • de aangevraagde activiteiten en inrichtingen zijn in overeenstemming met de bepalingen van titel II van het VLAREM en de bepalingen van het decreet van 23 januari 1991; de opgelegde milieuvoorwaarden en bijzondere voorwaarden in het bestreden besluit moeten toelaten om de hinder eigen aan de exploitatie van de inrichting tot een voor de omgeving aanvaardbaar niveau te beperken; de exploitant moet daardoor alle middelen ter beschikking stellen om de buurt niet te hinderen; voor pluimveehouderijen, zijnde opfokpoeljen van slachtkuikenouderdieren, bestaan er nog geen VII-37.031-9/24 ammoniakemissie-arme stallen; de controle op de naleving van de opgelegde milieuvoorwaarden is een aangelegenheid welke behoort tot de bevoegdheid van de afdeling Milieu-inspectie (handhavingsbeleid); de milieu- vergunningsaanvraag bevat voldoende informatie over de aangevraagde activiteiten; • de bekendmaking van de bestreden beslissing door de gemeente Nevele, via aanplakking, heeft voldoende ruchtbaarheid gekregen en de geïnteresseerden hebben voldoende de tijd gehad om bezwaar in te dienen tegen de bestreden beslissing, waardoor het openbaar onderzoek niet is geschonden; • het woongebied met landelijk karakter wordt volgens de bepalingen van titel II van het VLAREM, niet aanzien als een te beschouwen gebied voor wat betreft de afstandsregels en daarenboven ligt de woning van de beroepsindiener op minstens 500 (
- m)afstand van de bestaande pluimveestal wat hier te veel is om hinder te ondervinden van dit bedrijf (in de onmiddellijke omgeving van de beroepsindiener zijn er nog veeteelt- inrichtingen); • de akteneming van 13 februari 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nevele, houdende melding van overname van een pluimveebedrijf door mevrouw Hilde De Maerteleire, Poekestraat 35, 9850 Nevele, voor het exploiteren van een pluimveebedrijf (voorheen vergund op de heer Alfons Van Den Buys), gelegen te 9850 Nevele Mortierstraat 10, omvattende plaatsen voor 3.691 slachtkuikens werd rechtmatig verworven; dat op deze locatie immers een nieuwe milieu- vergunning werd bekomen na stopzetting van een landbouwbedrijf (een rundveebedrijf), gelegen te 2990 Wuustwezel, Loenhoutsesteenweg 28; • het weigeren van 2 milieuvergunningen in het verleden voor de uitbreiding van veeteeltbedrijven heeft met huidige vergunningsaanvraag niets te maken; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico’s voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie, mits naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden, tot een voor de omgeving aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te bevestigen". IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4. De verzoeker stelt in zijn verzoekschrift een persoonlijk belang te hebben doordat zijn gezondheid en zijn woon- en leefklimaat zal worden aangetast en doordat zijn eigendom in waarde zal verminderen. Hij gaat verder in op de concrete kenmerken van de omgeving en de ligging van zijn woning, in de zogenaamd ongunstige windrichting in een open landschap. Hij wijst er op dat de verwerende partij zijn belang reeds heeft aanvaard door zijn administratief beroep ontvankelijk te bevinden en citeert uit het arrest van de Raad van State nr. 118.186 van 9 april 2003 waar een exceptie van de exploitant werd verworpen. De verzoeker stelt voorts dat de exploitant de vergunde inrichting opnieuw zal willen uitbreiden. VII-37.031-10/24 5. De tussenkomende partij betwist het persoonlijk en rechtstreeks belang van de verzoeker. Volgens haar is in de praktijk gebleken, onder meer uit de tijdstippen van de klachten, dat de verzoeker geen hinder ondervindt. Zij stelt voorts dat tegen vergunningen verleend aan andere veeteeltbedrijven in de omgeving, door de verzoeker nooit werd geageerd. 6. In zijn laatste memorie citeert de verzoeker uit een arrest van de Raad van State nr. 197.448 van 29 oktober 2009 waar zijn belang wordt erkend en uit een attest van zijn huisarts om de verslechtering van zijn gezondheid aan te tonen ten gevolge van de aanwezigheid van de bedrijven in de omgeving. Beoordeling 7. De verzoeker woont op een afstand van 400 tot 500 meter van de vergunde inrichting en tussen zijn woning en de inrichting is er enkel open ruimte. Dat er in de omgeving nog andere hinderlijke veeteeltbedrijven worden geëxploiteerd, betekent niet dat aan de verzoeker het belang kan worden ontzegd om de milieuvergunning met een annulatieberoep te bestrijden. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 8. De verzoeker roept in een eerste middel de schending in van het wettigheidsbeginsel en van de verplichting bestuursbeslissingen te steunen op rechtmatige juridische grondslag. Hij roept de onwettigheid in van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna : inrichtingsbesluit) en van het gewestplan Gentse en Kanaalzone, vastgesteld bij koninklijk besluit van 14 september 1977. Hij voert tevens de schending aan van artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet) en van de verplichting tot het materieel feitelijk en juridisch correct en afdoende motiveren van beslissingen genomen door de administratieve overheid. VII-37.031-11/24 De verzoeker stelt dat de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw (hierna : stedenbouwwet) geen opdracht aan de Koning bevatte om het inrichtingsbesluit uit te vaardigen zodat het inrichtingsbesluit onwettig tot stand is gekomen en daarom ook het gewestplan Gentse en Kanaalzone en het bestreden besluit aantast. Voorts stelt hij dat artikel 11 van het inrichtingsbesluit discriminerend is omdat het wel een afstandsregel bevat voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt ten aanzien van "gewoon" woongebied en woonuitbreidingsgebied, maar niet ten aanzien van woongebied met landelijk karakter, alsook omdat artikel 11 van het inrichtingsbesluit geen interne bufferzone oplegt in agrarische gebieden en wel in industriegebieden. Voorts stelt de verzoeker dat artikel 11 van het inrichtingsbesluit het rechtszekerheidsbeginsel schendt doordat gebruik gemaakt wordt van termen die de burger onmogelijk kan verstaan en dat het artikel strijdig is met het evenredigheidsbeginsel en enkel rekening houdt met gebieden en niet met burgers. Volgens de verzoeker schendt artikel 11 van het inrichtingsbesluit ook het subsidiariteitsbeginsel en de bevoegdheidsregeling omdat de ruimtelijke ordening een bevoegdheid is van de gewesten. Hij stelt dat geen enkele afstandsregel geldt wanneer het gaat om uitbreiding van bestaande bedrijven en dat in artikel 11 van het inrichtingsbesluit geen beperking geldt voor de bedoelde intensieve/industriële veeteeltbedrijven ten opzichte van woningen die binnen een landelijke woonzone zijn gelegen. 9. De verwerende partij antwoordt dat een gebeurlijke onwettigheid van het inrichtingsbesluit en van het gewestplan Gentse en Kanaalzone de wettigheid van het bestreden besluit niet in de weg staat en dat het inrichtingsbesluit een wettige uitvoering is van de stedenbouwwet overeenkomstig de algemene macht om wetten uit te voeren welke de Koning ontleent aan artikel 108 van de Grondwet. Voorts antwoordt zij dat de verzoeker elk belang ontbeert bij het middelonderdeel betreffende de afstandsregel, dat het logisch is dat er geen afstandsregels gelden ten opzichte van landelijke woonzones aangezien daarin landbouwbedrijven kunnen worden ingeplant, dat van een bewoner van het agrarische gebied of landelijk woongebied een hogere tolerantiegraad wordt verwacht en dat de onderscheiden behandeling van gewone woongebieden en niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt redelijk verantwoord is omdat de evenwaardige hoofdbestemmingen van landelijke (woon)gebieden zowel wonen als landbouw zijn, terwijl de hoofdbestemming van woongebieden bewoning is. Ten slotte stelt de verwerende partij dat de regionale regelgever mag verkiezen te werken met de federale vigerende wetgeving en dat de verzoeker VII-37.031-12/24 verkeerdelijk doet voorkomen alsof het ontbreken van een afstandsregel bepaald in artikel 11 van het inrichtingsbesluit ten opzichte van landelijke woongebieden mogelijk maakt dat grote veeteeltinrichtingen kunnen worden opgericht of uitgebreid vlakbij woningen in landelijk gebied. 10. De tussenkomende partij stelt in haar verzoekschrift dat de aanvraag voor het veranderen en uitbreiden van een pluimveehouderij verenigbaar is met de gewestplanbestemming, dat de artikelen 2 en 12 van de stedenbouwwet voldoende mandaat aan de Koning verleenden om het inrichtingsbesluit uit te vaardigen, dat de verzoeker geen belang heeft om de wettigheid van het gebrek aan afstandsregels ten opzichte van woongebied met landelijk karakter in vraag te stellen, dat aan de voorwaarden niet voldaan is om te spreken van discriminatie, dat het praktisch niet mogelijk is om afstandsregels op te leggen tussen agrarische bedrijven en woongebieden met landelijk karakter, dat de verzoeker te dezen geen belang heeft bij het opwerpen van onduidelijkheid van begrippen en dat de wetgever niet in algemene termen een kwantitatieve of kwalitatieve maat, grens of nuancerend criterium met betrekking tot de mogelijkheid tot uitbreiding kan voorzien in de wetgeving voor alle bestaande bedrijven. Ten slotte stelt de tussenkomende partij dat haar bedrijf geen industrieel veeteeltbedrijf is, dat haar de aanleg van een groenscherm wordt opgelegd en dat geval per geval wordt beoordeeld of een bufferstrook wordt voorzien ten aanzien van industriële veeteeltbedrijven. 11. De verzoeker repliceert dat hij belang heeft omdat hij enkel een belang moet aantonen bij de vernietiging van het bestreden besluit en dat in geval van onwettigverklaring van het inrichtingsbesluit zijn eigendom komt te liggen in een verkaveling waarin hij zich meer kan beroepen op de bescherming van zijn woon- en leefklimaat. Voorts volhardt de verzoeker in zijn argumentatie dat het inrichtingsbesluit tot de bevoegdheid van de federale wetgever behoorde en dat er in de stedenbouwwet geen artikel is dat een uitdrukkelijk mandaat of intrinsieke oorzakelijke en logische bevoegdheid verleende om het inrichtingsbesluit uit te vaardigen. Hij argumenteert dat hij de ganse regeling van artikel 11 van het inrichtingsbesluit betwist, dat er afstanden voorzien moeten zijn tussen landbouwbedrijven en woningen binnen één en hetzelfde bestemmingsgebied, dat ook in landelijke woongebieden bewoning een hoofdbestemming is, dat het verschil tussen gewone woongebieden en landelijke woongebieden niet zo scherp is als de verwerende partij beweert, dat bij de beoordeling van de discriminatie of andere vormen van onwettigheid rekening moet worden gehouden met de regelgeving die op het moment van de beoordeling bestaat, dat andere instrumenten inzake VII-37.031-13/24 ruimtelijke afweging enkel betrekking hebben op appreciatie en dat artikel 11 van het inrichtingsbesluit niet meer voldoet aan de vereisten van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) en aan artikel 23, tweede lid, 3/ en 4/, van de Grondwet. Ten slotte stelt de verzoeker dat er ook aanleiding kan zijn om een externe bufferzone te voorzien in agrarische gebieden voor niet aan de grond gebonden bedrijven met industrieel karakter. 12. In zijn laatste memorie stelt de verzoeker dat het middel onder meer de schending van de motiveringsplicht betreft en kan leiden tot de vernietiging van het bestreden besluit en dat de vereiste van het persoonlijk belang moet worden bekeken in het licht van zijn vordering. Beoordeling 13. Het in voorkomend geval buiten toepassing laten van artikel 11 van het inrichtingsbesluit zou er niet toe leiden dat de erin voorziene afstandsregel wel zou gelden ten aanzien van een woongebied met landelijk karakter. Er zou geen verplichting totstandkomen om een bufferzone te voorzien in het agrarisch gebied. Artikel 11 van het inrichtingsbesluit is voor deze vergunningsaanvraag irrelevant. De verzoeker heeft bijgevolg geen belang bij het middel. Het middel is onontvankelijk. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 14. In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 30bis, § 1, en § 2, 4/ en 7/, en 43ter van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), van artikel 1.1.3 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna : milieubeleidsdecreet), van de artikelen 2.1.3 en 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II), van artikel 17 van het milieuvergunningsdecreet, van artikel 52, 3/, van Vlarem I, van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. VII-37.031-14/24 De verzoeker stelt dat in het bestreden besluit, noch in de bevestigde beslissing van de deputatie, concrete maatregelen worden opgelegd op het vlak van luchtbezoedeling (stof, ammoniak, geurhinder, ...). Hij noemt het een motiveringsgebrek dat artikel 30bis van Vlarem I niet wordt vermeld in het bestreden besluit terwijl hij het had aangebracht in zijn administratief beroep. Volgens de verzoeker stelt het bestreden besluit dat, voor woningen die gelegen zijn in het agrarisch gebied, een grotere tolerantie moet worden geduld, terwijl hij in een landelijke woonzone woont en stelt het bestreden besluit ten onrechte dat hij in de gunstige windrichting woont. Voorts stelt hij dat vroegere beslissingen van de deputatie aantonen dat de bevoegde minister thans ten onrechte stelt dat hij geen geurhinder kan ondervinden, dat er wel ammoniakemissiearme pluimveestallen bestaan, dat de afstand niet te groot is om hinder te kunnen ondervinden en dat de beschikbare maar niet-opgelegde technische mogelijkheden ter beperking van geurhinder en luchtvervuiling wel degelijk als Beste Beschikbare Technieken (hierna : BBT) kunnen worden beschouwd. Ten slotte voert hij de schending aan van artikel 5.9.2.1bis, § 1, vanVlarem II en stelt dat het feit dat het ministerieel besluit van 19 maart 2004 houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne een ammoniakemissiearme stal niet voorziet voor opfokpoeljen, daar geen afbreuk aan doet, omdat het ministerieel besluit niet mag afwijken van Vlarem II. 15. De verwerende partij antwoordt dat de artikelen 30bis, § 1, en § 2, 4/ en 7/, en 43ter van Vlarem I en artikel 2.1.3 van Vlarem II geen afdwingbare regels bevatten, maar enkel algemene principes op het vlak van het algemeen milieubeleid, die nadere uitwerking in direct afdwingbare normen behoeven en dat er geen artikel 1.1.3 van het milieubeleidsdecreet bestaat. Zij stelt dat wat geldt voor bewoners van agrarisch gebied, ook geldt voor bewoners van woongebied met landelijk karakter, dat in een andere passage van de motivering de woning van de verzoeker wel gesitueerd wordt in woongebied met landelijk karakter en dat de windrichting niet het enige element was waarnaar werd verwezen aangezien er ook uitdrukkelijk werd gewezen op de afstand van ongeveer 500 meter. Ten slotte antwoordt de verwerende partij dat de verzoeker het zich gemakkelijk maakt door te stellen dat er betere BBT bestaan, zonder daarover VII-37.031-15/24 meer toelichting te verschaffen, dat artikel 5.9.2.1bis van Vlarem II het bouwen van een ammoniakemissiearme stal afhankelijk maakt van het voorkomen van een techniek terzake, voor de betreffende diersoort, op een door de bevoegde Vlaamse minister vast te stellen lijst zodat er niet afgeweken wordt van dit artikel. 16. De tussenkomende partij stelt in haar verzoekschrift tot tussenkomst dat de verzoeker woorden en zinnen van de motivering van het bestreden besluit uit hun context rukt en dat hij niet concreet aantoont dat de opgelegde voorwaarden niet volstaan. De tussenkomende partij verwijst bovendien naar een recente studie over de BBT voor de veeteeltsector waaruit zou blijken dat dergelijke technieken in 2005 niet haalbaar zijn in bestaande stallen zoals deze van de tussenkomende partij en dat zij ook niet opgelegd zijn als BBT. Zij stelt dat artikel 30bis, § 1, van Vlarem I, niet oplegt dat elke vorm van hinder moet worden vermeden, dat artikel 5.9.2.1bis van Vlarem II het bouwen van een ammoniakemissiearme stal afhankelijk maakt van het voorkomen van een techniek terzake, voor de betreffende diersoort, op een door de bevoegde Vlaamse minister vast te stellen lijst en dat er dus niet afgeweken wordt van genoemd artikel 5.9.2.1bis van Vlarem II. 17. De verzoeker repliceert dat er wel een artikel 1.1.3 van het milieubeleidsdecreet bestaat, dat in de verschillende definities van BBT geen sprake is van economisch "opportuun" zijn, maar enkel van economisch "haalbaar" zijn en dat hij over aanwijzingen beschikt dat er BBT voorhanden zijn. Hij merkt op dat er subsidiemogelijkheden bestaan en erkent dat voor "opfokpoeljen van slachtkuikenouderdieren" nog geen technieken zijn voorzien bij het ministerieel besluit ter uitvoering van artikel 5.9.2.1bis, § 1, van Vlarem II, maar verwijst naar technieken die zijn voorzien voor andere categorieën. 18. In zijn laatste memorie stelt de verzoeker dat er geen objectief en redelijk verantwoord criterium bestaat voor de verschillende behandeling van opfokpoeljen van legkippen en opfokpoeljen voor slachtkuikenouderdieren. Beoordeling 19. Artikel 5.9.2.1bis, § 1, van Vlarem II, luidt als volgt : "§1. Voor alle pluimvee- en varkensinrichtingen waarvoor een milieuvergunning wordt verleend voor: VII-37.031-16/24 - de exploitatie van een nieuwe inrichting, al dan niet in combinatie met de volledige stopzetting van een bestaande veeteeltinrichting - de verandering van een bestaande veeteeltinrichting waarbij een of meerdere nieuwe stallen worden gebouwd - de verandering van een bestaande veeteeltinrichting door samenvoeging van veeteeltinrichtingen waarbij tevens één of meerdere nieuwe stallen worden gebouwd dienen de nieuw te bouwen stallen ammoniakemissiearm te worden gebouwd indien er voor de betreffende diercategorie een techniek is opgenomen in de lijst van ammoniakemissiearme stallen vastgesteld bij besluit van de Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu". Het reeds genoemd ministerieel besluit van 19 maart 2004, dat uitvoering geeft aan de hiervoor geciteerde bepaling, stelt in zijn bijlage I in de O-lijst dat voor de diercategorieën opgesomd in de lijst er nog geen emissiearme systemen voorhanden zijn en dat voor die diercategorieën de traditionele stal als beste techniek volstaat. De opfokpoeljen van slachtkuikenouderdieren zijn vermeld in de voornoemde lijst. De verzoeker kan bijgevolg bezwaarlijk andere technieken suggereren dan die welke wettelijk zijn vastgesteld. De door de verzoeker aangevoerde leemten of vergissingen in de motieven van het bestreden besluit zijn ten slotte niet van aard om de conclusie van de beslissing aan te tasten, aangezien zij ofwel in het bestreden besluit zelf zijn rechtgezet ofwel redelijkerwijze niet tot een andere beoordeling en bijgevolg tot een andere conclusie kunnen leiden. Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Standpunt van de partijen 20. In het derde middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 1.1.2 en 5.9.3.1 van Vlarem II, van de artikelen 2, 7/, en 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet, van artikel 17 van het milieuvergunningsdecreet en van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet. Voorts voert hij de schending aan van de besluiten van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van respectievelijk 18 september 2003 en 1 juli 2004, van het besluit van het college van burgemeester VII-37.031-17/24 en schepenen van de gemeente Nevele van 5 december 2005 en van het arrest van de Raad van State nr. 118.186 van 9 april 2003 en de rechtsgevolgen ervan. Na een aantal, volgens hem, geschonden bepalingen te hebben geciteerd en gesitueerd, maakt de verzoeker in dit middel "voorbehoud voor nazicht van het administratief dossier" met betrekking tot het bewezen zijn dat het bedrijf in Kortrijk niet volledig stopgezet zal worden en tot de bewijzen dat de overgenomen/stopgezette bedrijven over een definitieve bouwvergunning beschikten van vóór 1991. 21. De verwerende partij antwoordt met betrekking tot de twijfels die de verzoeker opwerpt over de stedenbouwkundige vergunningen van de overgenomen inrichtingen, dat de minister zich mag baseren op het deskundige advies van de VLM, die inzake de mestwetgeving een taak heeft die zij strikt toepast. 22. De tussenkomende partij stelt in dit verband dat enkel de situatie van het bedrijf van Alfons Van Den Buys uit Wuustwezel dat verplaatst werd, relevant is en dat uit het advies van de VLM blijkt dat voornoemd bedrijf moet worden beschouwd als een bestaande veeteeltinrichting omdat de bouwvergunning verleend werd vóór 1 september 1991 en aan de aangifteverplichtingen werd voldaan. 23. De verzoeker repliceert dat de tegenpartijen onterecht voorhouden dat het met betrekking tot de verplaatste inrichtingen gaat om vóór 1991 vergunde bedrijven. Dat dit zo in het advies van de VLM vermeld wordt, is volgens hem geen bewijs. Hij stelt dat de betreffende bouwvergunningen moeten worden overgelegd en dat de verwerende partij op dit punt de bewijslast draagt. 24. De verwerende partij voegt bij haar laatste memorie stedenbouwkundige vergunningen, een stedenbouwkundige aanvraag en een verslag om aan te tonen dat de stallen van de twee te verplaatsen inrichtingen gelegen te Rollegem en Drongen respectievelijk stedenbouwkundig vergund zijn vóór 1 september 1991 dan wel opgetrokken zijn vóór het in voege treden van de stedenbouwwet. 25. De tussenkomende partij stelt in haar laatste memorie dat uit het aanvraagdossier van de huidige milieuvergunning blijkt dat de te verplaatsen VII-37.031-18/24 inrichtingen beschikten over de vereiste stedenbouwkundige vergunningen of geacht moeten worden vergund te zijn, zodat zij moeten worden beschouwd als bestaande veeteeltinrichtingen. De in het aanvraagdossier gevoegde aktenames van overname van beide inrichtingen tonen volgens haar aan dat het om bestaande veeteeltinrichtingen gaat, omdat in het andere geval geen aktename tot overname mogelijk was geweest. Zij stelt dat de verwerende partij over alle relevante stedenbouwkundige informatie beschikte bij het nemen van het bestreden besluit om te concluderen dat voor de twee verplaatste inrichtingen een definitieve bouwvergunning was verleend vóór 1 september 1991 dan wel dat zij onweerlegbaar vermoed werden vergund te zijn. Voorts stelt de tussenkomende partij dat artikel 5.9.3.1 van Vlarem II inmiddels is opgeheven zodat het bekomen van een milieuvergunning voor het uitbreiden van een veeteeltinrichting niet langer gekoppeld is aan de voorwaarden uit het meststoffendecreet. Bij een gebeurlijke vernietiging van het bestreden besluit betekent dit volgens de tussenkomende partij dat de verwerende partij opnieuw zal moeten oordelen over de vergunningsaanvraag en dat in dat geval de vraag of de stop te zetten inrichtingen moeten worden beschouwd als bestaande inrichtingen, niet meer relevant zal zijn. De tussenkomende partij concludeert dat de verzoeker geen belang meer heeft bij dit middel. 26. De verzoeker stelt in zijn laatste memorie dat er enkel rekening kan worden gehouden met documenten waarvan bewezen is dat de verwerende partij deze ook kende bij het nemen van het bestreden besluit. Volgens de verzoeker had de kwestie van de bouwvergunningen van de verplaatste inrichtingen concreet onderzocht en gemotiveerd moeten worden in het advies van de VLM volgens de geldende wetgeving. Dit is volgens hem niet gebeurd en hij stelt dat de argumentatie van de verwerende en de tussenkomende partij ontwikkeld in de loop van de annulatieprocedure dit tekort niet kan goedmaken. Ten slotte stelt de verzoeker dat het niet relevant is dat de wetgeving intussen veranderd is omdat de gegrondheid van een middel beoordeeld moet worden op de datum dat de overheid heeft beslist. Beoordeling 27. Er kan slechts rekening gehouden worden met het middel zoals door de verzoeker geformuleerd en omschreven in zijn inleidend verzoekschrift. VII-37.031-19/24 De verzoeker heeft het bewijs niet aangebracht dat het bedrijf te Kortrijk niet volledig stopgezet zou zijn. Het voorbehoud dat hij op dat punt maakte heeft hij in de loop van de procedure niet kunnen concretiseren. Zulks geldt evenzeer voor zijn voorbehoud met betrekking tot de bewijzen dat de overgenomen/stopgezette bedrijven over een definitieve bouwvergunning beschikten die dateren van vóór 1991, aangezien de verwerende partij stukken heeft aangebracht waaruit afdoende blijkt dat de stallen van de te verplaatsen inrichtingen te Kortrijk en te Drongen ofwel vergund waren vóór 1 september 1991 ofwel reeds opgetrokken waren vóór de inwerkingtreding van de stedenbouwwet. Het derde middel is niet gegrond. D. Vierde middel Standpunt van de partijen 28. In een vierde middel wordt de schending aangevoerd van artikel 5.28.2.2 van Vlarem II, van het besluit van de Vlaamse regering van 8 december 1998 tot aanduiding van de oppervlaktewateren bestemd voor de productie van drinkwater categorie A1, A2 en A3, zwemwater, viswater en schelpdierwater, van de watertoets opgelegd door de artikelen 5, 6 en 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, van artikel 17 van het milieuvergunningsdecreet, van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en van het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoeker stelt dat een motivering met betrekking tot de interactiviteit met het waterwinningsstatuut van het gebied ontbreekt. Volgens hem getuigt het van onzorgvuldig bestuur en van een gebrekkige watertoets door de uitbreidingen, in het bijzonder ook de mestopslag (rubriek 28) en de rubriek 2 (afvalwater) en de rubriek 9 (21.693 kippen) te vergunnen, met inbegrip van het uitspreiden van de mest vermengd met water op de cultuurgronden en het lozen van huishoudelijk afvalwater in oppervlaktewater, rekening houdend met de ligging in een waterwinningsgebied, het niet gepreciseerd zijn van welke soort waterzuivering tegen wanneer moet worden aangelegd voor de zuivering van huishoudelijk afvalwater rubriek 2, de nitraatvervuiling in Nevele en de nabijheid van de Kale- en Poekebeekvallei, alsook het Schipdonkkanaal. Voorts wijst de verzoeker erop dat VII-37.031-20/24 verzurende stoffen en allerlei fijn stof de kwaliteit van dit gebied voor waterwinning, ook als ecosysteem nadelig zullen beïnvloeden, dat Nevele sinds lang in een kwetsbare zone ligt en dat er geen specifiek wateradvies ingewonnen is. 29. De verwerende partij antwoordt dat artikel 5.28.2.1 van Vlarem II bepaalt dat de bepalingen van afdeling 5.28.2 niet van toepassing zijn op de opslagplaatsen van dierlijke mest die zijn gehecht aan een inrichting zoals bedoeld in subrubriek 9.3 van de indelingslijst. Zij zet uiteen dat de zogenaamde watertoets, algemeen gesteld, inhoudt dat elke overheid bij de toekenning van een vergunning rekening moet houden met "schadelijke effecten" zoals in het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid gedefinieerd, dat voornoemd decreet een bijzondere motiveringsplicht invoert, met name moet uit de beslissing in de zogenaamde "waterparagraaf" blijken dat de watertoets uitgevoerd werd en als blijkt dat er geen (significante) schade aan het watersysteem is ontstaan, is een korte formulering voldoende. Volgens de verwerende partij wordt in het bestreden besluit uiteengezet dat de bestaande grondwaterwinning niet het voorwerp uitmaakt van de vergunningsaanvraag en wordt een bijzondere vergunningsvoorwaarde opgelegd inzake de opvang van hemelwater voor laagwaardige toepassingen en wordt op grond daarvan besloten dat, gelet op de aard van de aangevraagde inrichting, de vergunningsplichtige activiteit, mits naleving van de opgelegde voorwaarden, verenigbaar is met het watersysteem en dat het schadelijke effect van de winning op het milieu en op het grondwatersysteem beperkt is, zodat voldaan wordt aan artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid. Zij verwijst verder naar de in eerste aanleg verleende vergunning en stelt dat er niet geoordeeld werd dat de inrichting geen schadelijke effecten kan ressorteren op het watersysteem, doch dat deze beperkt zijn en dat mits het opleggen van voorwaarden de vergunning verleend kan worden. Door het opleggen van de opvang van het hemelwater voor laagwaardige toepassingen werd volgens de verwerende partij tegemoetgekomen aan artikel 5 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid. Zij stelt dat de watertoets werd uitgevoerd, dat aan de bijzondere motiveringsplicht werd voldaan en dat de verzoeker niet aantoont dat dit oordeel van de verwerende partij een kennelijk onzorgvuldig gevormd oordeel is. Wat betreft het door de verzoeker aangevoerde ontbreken van een "specifiek wateradvies", antwoordt de verwerende partij dat er geen VII-37.031-21/24 adviesverplichting is en dat de verzoeker niet duidelijk maakt welke specifieke norm geschonden wordt. 30. De tussenkomende partij wijst er in haar verzoekschrift op dat de bepalingen van afdeling 5.28.2 van Vlarem II niet van toepassing zijn op opslagplaatsen van dierlijke mest die verbonden zijn aan de in artikel 5.28.2.1 van Vlarem II opgesomde subrubrieken betreffende inrichtingen voor het houden van dieren. Zij stelt voorts dat de verzoeker zich beperkt tot vage beweringen die niet geconcretiseerd worden en dat ook naar aanleiding van de bouw van de nieuwe stal de naleving van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening van 1 oktober 2004 inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater geldt. Ten slotte stelt de tussenkomende partij dat de exploitatie niet valt onder de verbods- en afstandsregels die artikel 5.9.5.3 van Vlarem II oplegt ten opzichte van waterwingebieden, omdat zij werkt met een strooiselstal met droge mest en dat hieruit blijkt dat er geen negatieve invloeden te vrezen zijn voor het waterwingebied. 31. De verzoeker erkent in zijn memorie van wederantwoord dat de verbodsregel van artikel 5.28.2.2, § 1, van Vlarem II, niet van toepassing is, dat er een "zekere motivatie" in het bestreden besluit is terug te vinden, maar somt een aantal aspecten op die volgens hem ontbreken, zoals de weerslag van de vergunde grondwaterwinning, de mogelijke schadelijke gevolgen van de pluimveehouderij op bodem en water, de mestopslag en het huishoudelijk afvalwater en het gegeven dat de inrichting gelegen is in een waterwingebied. Beoordeling 32. De verbodsregel vervat in artikel 5.28.2.2, § 1, van Vlarem II is te dezen niet van toepassing. Bij het bestreden besluit wordt een verandering vergund van een inrichting waarvoor de exploitant reeds over een milieuvergunning beschikte. De zogenaamde watertoets moet niet opnieuw worden gemaakt voor hetgeen reeds vergund was, maar enkel voor de mogelijke effecten ten gevolge van de verandering. In het arrest van de Raad van State nr. 197.448 van 29 oktober 2009 waarbij het annulatieberoep van de verzoeker tegen de basisvergunning werd VII-37.031-22/24 verworpen, heeft de Raad van State over het aldaar aangevoerde, gelijkaardige derde middel gesteld : "Het bestreden besluit heeft rekening gehouden met de ligging in waterwingebied en heeft vastgesteld dat artikel 5.9.5.3 van Vlarem II geen verbod instelt voor de exploitatie van dit type van stalling. Het heeft ook de beveiligingsmaatregelen voor de opslag van petroleum en mazout beoordeeld en een bijzondere vergunningsvoorwaarde opgelegd. Het bestreden besluit heeft vastgesteld dat geen lozing van bedrijfsafvalwater wordt gevraagd en dat er nog een geldende vergunning is voor de grondwaterwinning, en heeft als bijzondere vergunningsvoorwaarde opgelegd dat het hemelwater van het dak moet worden opgevangen en gebruikt voor geschikte toepassingen. Er zijn geen relevante doelstellingen of beginselen over het hoofd gezien. De watertoets is niet op een kennelijk onredelijke wijze gebeurd". De verbodsregels ten aanzien van waterwingebieden werden niet gewijzigd sinds het verlenen van de basisvergunning. De vervanging van de ondergrondse tank voor de opslag van petroleum door een bovengrondse tank, de uitbreiding van de opslag van vloeibare dierlijke mest, de uitspreiding van vloeibare mest op het land en het lozen van 150 m³ huishoudelijk afvalwater per jaar in oppervlaktewater zijn beoordeeld geworden. Het niet-inwinnen van een "specifiek wateradvies" kan bij gebrek aan toelichting niet als een ontvankelijk middel worden beschouwd. Het vierde middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. VII-37.031-23/24 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig juni tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.031-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.739 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div