← België

Arrest 205808 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 25/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.808 Rolnummer: A. 186100/X-13557 Zaak: Arrest 205808 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 25/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-05 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 04:57 Fiche Arrest nr 205.808 van 25 juni 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 205.808 van 25 juni 2010 in de zaak A. 186.100/X-13.

  1. In zake:
  2. Gudrun VAN BRANDEN
  3. Pieter VERSCHRAEGEN beiden woonplaats kiezend te 9160 LOKEREN Vrijheidsplein 14 waar woonplaats wordt gekozen tegen: de deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN Tussenkomende partij: de n.v. WOONBUREAU bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Godfried De Smedt kantoor houdend te 9160 LOKEREN Roomstraat 40 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 30 november 2007, strekt tot de nietigverklaring van besluit van 20 september 2007 van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij het beroep van de tussenkomende partij ingesteld tegen het besluit van 26 februari 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Lokeren houdende gedeeltelijke toekenning van de vergunning tot het regulariseren van een achterbouw en gedeeltelijke weigering van de vergunning tot het regulariseren van een dakterras, een tuinmuur en een buitentrap voor een woning gelegen te Lokeren, Vrijheidsplein 15, op een perceel kadastraal bekend sectie E, nrs. 70/f, gedeeltelijk wordt ingewilligd en stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor wat betreft de bouwbreedte in de strook voor bijgebouwen en stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd voor het terras, de tuinmuur en de buitentrap. X-13.557-1/12 II. Verloop van de rechtspleging
  5. Bij arrest nr. 182.094 van 15 april 2008 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 17 november
  6. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Adjunct-auditeur Sofie De Doncker heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 april
  7. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Gudrun Van Branden en Pieter Verschraegen, juriste Kaat Van Keymeulen, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Godfried De Smet, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. X-13.557-2/12 III. Feiten 3.
  9. Op 23 juli 1992 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Lokeren aan de b.v.b.a. KEPPENS GEBROEDERS, thans de tussenkomende partij, een voorwaardelijke bouwvergunning strekkende tot het bouwen van een woning met kantoor te Lokeren, Vrijheidsplein 15, op een perceel kadastraal bekend sectie E, nr. 70/f. De bouwvergunning voorziet een hoofdgebouw dat tot 12 m diep mag worden uitgebouwd en aansluitend een bijgebouw langs de linkerperceelgrens van 5,60 m breed en 7,40 m diep. Bij de uitvoering van de werken wordt het bijgebouw wederrechtelijk over de volle perceelbreedte van 9,20 m opgetrokken en wordt het plat dak ingericht als toegankelijk terras. Hierdoor bedraagt de bouwdiepte op het gelijkvloers 20 m. 3.
  10. Het betrokken perceel is volgens het gewestplan Sint-Niklaas - Lokeren dat werd vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 november 1978, gelegen in woongebied. 3.
  11. Het is tevens gelegen binnen de grenzen van het bijzonder plan van aanleg (BPA) nr. 5/4 “Gedempte Ledebeek”, goedgekeurd initieel bij koninklijk besluit van 6 mei 1963 en na herziening bij besluit van 6 april 2004 van de bevoegde Vlaamse minister. Het BPA geeft voor het voormelde perceel eensdeels “12 m aaneengesloten bebouwing” aan met volgende voorschriften: “3 bouwlagen + hellende bedaking; bouwdiepte gelijkvoers + verdieping min 10,00 m - max. 12,00 m”, en anderdeels daarop aansluitend “8,00 m strook voor bijgebouwen” met de volgende voorschriften: “1 bouwlaag + plat dak of hellend dak; Kroonlijsthoogte 3,00 m; bezetting 70%; inplanting t.o.v. zijkavel 0/3 m”. 3.
  12. De woning van de verzoekende partijen bevindt zich op het rechts aangrenzende perceel en is deels als monument en deels als stadsgezicht beschermd. 3.
  13. De verzoekende partijen ondertekenen op 23 januari 1993 een schriftelijke verklaring die zij later intrekken, en waarin zij “zich bij deze uitdrukkelijk akkoord (verklaren) dat in de nieuwbouw- woning-kantoor in oprichting (...) de achterbouw - in tegenstelling van wat X-13.557-3/12 voorzien is in de stedebouwkundige voorschriften en bepalingen BPA - zal gebouwd worden over de volledige breedte van het perceel. De muur boven het dak van de achterbouw zal op de scheidingslijn max. 2 m. boven het dak gebouwd worden op kosten en zorgen van de bouwheer (...) De bouwheer Gebroeders Keppens BVBA zal hiervoor de vergunning aanvragen conform de wettelijke bepalingen hieromtrent”. 3.
  14. Het college van burgemeester en schepenen geeft aan het verzoek van de b.v.b.a. KEPPENS GEBROEDERS, thans de tussenkomende partij, tot toepassing van artikel 51 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, met het oog op de regularisatie van haar bouwinbreuken, geen gevolg en weigert rechtstreeks haar regularisatieaanvraag op 24 mei 1993 op grond van volgende motieven: “De vraag om afwijking ingevolge artikel 51 van de wet op de stedebouw werd niet bekomen om volgende redenen : - de afwijking is van die aard dat een essentieel element van het BPA in het gedrang wordt gebracht, nl. de bezettingsgraad in de strook voor bijgebouwen. - de bijgebouwen mogen een breedte beslaan van max. 6/10 van de breedte van de achtergevel en in geen geval mag de vrijblijvende ruimte achter het hoofdgebouw minder dan 2,20 m bedragen. - de bebouwing in de strook voor bijgebouwen mag niet hoger zijn dan 3,30m. Derhalve kan het optrekken van de rechter achtergevelmuur tot een hoogte van ongeveer 5m niet aanvaard worden. - het aanleggen van een terras op de 1e verdieping in de strook voor bijgebouwen kan eveneens niet aanvaard worden”. Ook in beroep weigeren opeenvolgend de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 2 december 1993 en de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden op 6 oktober 1994 de regularisatieaanvraag. De minister laat daarbij onder meer volgend weigeringsmotief gelden: “(...) Overwegende dat de eerder genomen beslissingen tot weigering van de bouwaanvraag werden getroffen op grond van een juiste waardeïnschatting der ter regularisatie voorgestelde werken; dat het voorstel impliceert dat het element van ‘minimale bouwvrije ruimte’ in de strook voor bijgebouwen als essentieel voorschrift volledig wordt teniet gedaan, hetgeen uit stedebouwkundig ordenend oogpunt onaanvaardbaar is en leidt tot een te hoge bezettingsgraad in deze zone”. Het beroep tot nietigverklaring van de tussenkomende partij tegen dit laatste besluit wordt door de Raad van State verworpen bij arrest nr. 132.597 van 18 juni
  15. X-13.557-4/12 3.
  16. De door de b.v.b.a. KEPPENS GEBROEDERS, thans de tussenkomende partij, aangevraagde regularisatievergunning voor een trap aan de achterzijde van het bijgebouw wordt geweigerd door achtereenvolgens het college van burgemeester en schepenen van de stad Lokeren op 3 februari 1994, de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 5 mei 1994 en de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden op 1 juni
  17. Het beroep tot nietigverklaring van de tussenkomende partij tegen dit laatste besluit wordt door de Raad van State verworpen bij arrest nr. 132.598 van 18 juni
  18. 3.
  19. De door Marc VAN BUYNDER voor de b.v.b.a. FIBELCO aangevraagde regularisatievergunning voor het dakterras op het bijgebouw wordt door het college van burgemeester en schepenen van de stad Lokeren, na bezwaar van de verzoekende partijen, op 9 mei 2005 geweigerd omdat de aanvraag “niet in overeenstemming is met de goede ruimtelijke ordening”. De bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen weigert de aanvraag vervolgens in beroep op 15 december
  20. 3.
  21. Het hof van beroep te Gent beveelt aan Marc VAN BUYNDER en de b.v.b.a. KEPPENS GEBROEDERS, thans de tussenkomende partij, bij arrest van 17 november 2006 het herstel van de plaats in de vorige staat, hetgeen inhoudt “het terugbrengen van het gedeelte van de rechtergevel over de lengte van de achterbouw van een hoogte van 5 meter tot een hoogte van 3,30 meter, het verwijderen van het terras, wat omvat de vervanging van de vloer door een gebruikelijke bedekking van een plat dak en het verwijderen van de muurtjes en schermen in glas die het terras aan de achterzijde afboorden, en de verwijdering van de metalen trap die toegang geeft van de tuin naar het terras”. Zij worden tevens veroordeeld tot het betalen van een morele schadevergoeding aan de verzoekende partijen na volgende overweging: “Het gegeven dat de burgerlijke partijen op een bepaald ogenblik een later ingetrokken toestemming gaven tot het optrekken van de muur staat niet aan hun aanspraken in de weg vermits het akkoord werd gegeven op voorwaarde dat de werken zouden worden vergund, wat niet het geval is geweest”. 3.
  22. De tussenkomende partij dient op 20 juli 2006 (datum van het ontvangstbewijs) een nieuwe aanvraag in strekkende tot “het regulariseren van een achterbouw, dakterras, tuinmuur en buitentrap”. De cel Onroerend Erfgoed van het agentschap R-O Vlaanderen, adviseert op 25 augustus 2006 ongunstig in volgende bewoordingen: X-13.557-5/12 “De werken aan de woning werden reeds uitgevoerd en zijn niet in overeenstemming met de destijds door de Cel Monumenten en Landschappen geviseerde plannen, waar het deel langs de perceelsgrens met het beschermde monument onbebouwd bleef. De rechtsaanpalende woning werd deels als monument en deels als stadsgezicht beschermd. Door het dicht bouwen van het perceel over een diepte van 20 meter met een hoge scheidingsmuur op het, wederrechtelijk, aangelegde terras op de eerste verdieping, wordt de belevingswaarde en de kwaliteit van het aanpalende monument ernstig geschaad. Daar de als monument beschermde woning slechts één bouwlaag heeft met een zeer beperkte bouwvrije strook t.o.v. de huidige aanvraag, is het aangewezen de hoogte van het bijgebouw op de perceelsgrens te beperken tot 3 meter, zijnde de hoogte van de vroegere tuinmuur en dit bijgebouw niet te gebruiken als terras”. 3.
  23. Tijdens het openbaar onderzoek dienen de verzoekende partijen een bezwaarschrift in. 3.
  24. Op 27 november 2006 stelt het college van burgemeester en schepenen een afwijking voor met betrekking tot het bouwen op de volle perceelbreedte in de strook voor bijgebouwen, het aanleggen van een terras op het dak van het bijgebouw over een diepte van 3,85 m, het bouwen van een tuinmuur met een hoogte van 5,35 m ter hoogte van het terras en 3,35 m over de rest van de rechterperceelgrens, en het plaatsen van een buitentrap. De gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar adviseert op 12 februari 2007 dat de voorgestelde afwijking met betrekking tot de bouw op de volle perceelbreedte in de strook voor bijgebouwen, aanvaardbaar is op volgende gronden: “(...)
  25. Ze geeft geen aanleiding tot een oneigenlijke wijziging van de voorschriften van het bijzonder plan van aanleg of de verkavelingsvergunning.
  26. De algemene strekking van het plan of de verkaveling blijft geëerbiedigd.
  27. De afwijking is niet strijdig met de goede ruimtelijke aanleg van het gebied. Het bijgebouw wordt ingeplant binnen de bouwstrook. In de onmiddellijke omgeving zijn meerdere gebouwen met een bouwdiepte op het gelijkvloers van 20 m. Deze afwijking brengt de goede ruimtelijke ordening op die plaats niet in het gedrang en is vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar”. De gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar adviseert voorts dat de overige voorgestelde afwijkingen niet kunnen worden toegestaan. 3.
  28. Het college van burgemeester en schepenen verleent vervolgens op 26 februari 2007 aan de tussenkomende partij de regularisatievergunning voor het bouwen op de volle perceelbreedte in de zone voor bijgebouwen en weigert voor X-13.557-6/12 het overige de regularisatieaanvraag met betrekking tot het dakterras, de tuinmuur en de buitentrap. 3.
  29. Bij het bestreden besluit van 20 september 2007 oordeelt de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen dat het beroep tegen de voormelde weigeringsbeslissing “de zaak in haar geheel aanhangig maakt, ook wanneer het slechts tegen een gedeelte van de bestreden beslissing gericht is; dat het beroep een devolutief karakter heeft zodat de bestreden beslissing haar rechtskracht verliest en onwerkzaam wordt gemaakt”. Voorts verleent zij de regularisatievergunning “voor wat betreft de bouwbreedte in de strook voor bijgebouwen” en weigert ze de aanvraag voor het overige. De voor de vergunningverlening relevante overwegingen luiden: “(...) Dat de voorliggende aanvraag aldus principieel strijdig is met het van kracht zijnde plan; (...) Overwegende dat door het dicht bouwen van het perceel op de rechtse perceelsgrens, over een diepte van 20 m met een 2 m hoge scheidingsmuur op het wederrechtelijk aangelegd terras op de verdieping, de belevingswaarde en de kwaliteit van het aanpalende monument ernstig wordt geschaad, gelet op de beperkte omvang van het monument, dat slechts één bouwlaag omvat met een zeer beperkte bouwvrije strook t.o.v. de huidige aanvraag; (...) Overwegende dat de voorgestelde afwijking m.b.t. de bouwbreedte in de strook voor bijgebouwen in voorliggende aanvraag wordt toegestaan: het bijgebouw werd ingeplant binnen de bouwstrook en in de onmiddellijke omgeving zijn meerdere gebouwen met een bouwdiepte op het gelijkvloers van 20 m; dat deze afwijking de goede ruimtelijke ordening op die plaats niet in het gedrang brengt en vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is; (...)”. 3.
  30. Bij besluit van 17 december 2007 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Lokeren de stedenbouwkundige vergunning voor de regularisatie van het dakterras. Dit besluit maakt eveneens het voorwerp uit van een annulatieberoep ingesteld door de verzoekende partijen. Deze zaak is gekend onder A. 186.569/X-13.
  31. X-13.557-7/12 IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. Ondertekening van het verzoekschrift
  32. De tussenkomende partij werpt op dat “uit vergelijking van de handtekening van partij VAN BRANDEN Gudrun op de verklaring dd. 23/01/1993 en deze voorkomend op het inleidend verzoekschrift gedateerd 28/11/2007 mogelijks geoordeeld dient te worden dat de handtekening van VAN BRANDEN Gudrun op het inleidend verzoekschrift mogelijks niet authentiek is”.
  33. Het inleidend verzoekschrift is ondertekend door de beide verzoekende partijen. Het louter in vraag stellen van de authenticiteit van een handtekening kan niet als een exceptie worden beschouwd. B. Belang bij de vordering
  34. De tussenkomende partij voert aan dat het annulatieberoep niet ontvankelijk is wegens gebrek aan belang. Ze betoogt dat de verzoekende partijen “zich reeds op 23/01/1993 uitdrukkelijk akkoord verklaard (hebben) dat in de nieuwbouw-woning-kantoor in oprichting (...) in tegenstelling van wat voorzien is in de stedebouwkundige voorschriften en bepalingen BPA - zal gebouwd worden over de volledige breedte van het perceel”. Voorts werpt de tussenkomende partij op dat het enige doel van de verzoekende partijen erin bestaat de vergunde bouw tegen te houden en de regularisatie te verhinderen. Volgens de tussenkomende partijen maken de verzoekende partijen misbruik van de procedure en is hun beweerde belang terug te brengen tot een persoonlijke vete.
  35. Het wordt niet betwist dat de verzoekende partijen bewoner zijn van een woning gelegen op een perceel dat paalt aan het perceel waarop de bestreden stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft. Zij doen hierdoor alleen reeds in principe blijken van het rechtens vereiste belang bij de gevraagde vernietiging. De verwijzing naar de -door de verzoekende partijen overigens ingetrokken- schriftelijke verklaring van 23 januari 1993, doet daaraan geen afbreuk. Het hof van beroep van Gent overweegt dienaangaande in zijn arrest van 17 november 2006: X-13.557-8/12 “Het gegeven dat de burgerlijke partijen (lees thans de verzoekende partijen) op een bepaald ogenblik een later ingetrokken toestemming gaven tot het optrekken van de muur staat niet aan hun aanspraken in de weg vermits het akkoord werd gegeven op voorwaarde dat de werken zouden worden vergund, wat niet het geval is geweest”. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
  36. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending van het BPA nr. 5/4 “Gedempte Ledebeek” en van artikel 49 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet). Volgens de verzoekende partijen wijkt de door het bestreden besluit vergunde achterbouw af van een essentieel element van het toepasselijke BPA, met name de bouwvrije ruimte in de strook voor bijgebouwen. Ze voeren aan dat zowel het college van burgemeester en schepenen als de verwerende partij en de bevoegde Vlaamse minister in het verleden steeds geoordeeld hebben dat de achterbouw om die reden niet kon worden vergund en dat deze visie thans zonder afdoende motivering wordt verlaten en de voorwaarde van de minimale bouwvrije ruimte in de strook voor bijgebouwen plots niet langer als een essentieel voorschrift van het BPA wordt aanzien, hoewel het object van de vergunningsaanvraag ongewijzigd is gebleven en de recente wijziging nr. 4 aan het BPA op dit vlak geen wijzigingen heeft aangebracht.
  37. De verwerende partij repliceert dat enkel een regularisatievergunning werd verleend voor de achterbouw, waardoor enkel afgeweken wordt van het BPA door in de strook voor bijgebouwen over de volledige breedte van het perceel te bouwen, dat hiervoor conform artikel 49 van het gecoördineerde decreet een afwijkingsvoorstel werd geformuleerd, dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar dit voorstel heeft aanvaard en dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de conclusie van zowel de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar als de verwerende partij dat de toegestane afwijking de goede ruimtelijke ordening niet in het gedrang brengt, kennelijk onredelijk zou zijn. X-13.557-9/12
  38. De tussenkomende partij sluit zich aan bij de voormelde argumentatie van de verwerende partij en stelt dat de tussenkomende partijen niet aantonen dat de bepalingen van artikel 49 van het gecoördineerde decreet geschonden zijn, noch dat de beoordeling in de bestreden beslissing op dit punt kennelijk onredelijk zou zijn. Beoordeling
  39. Het toentertijd geldende artikel 49 van het gecoördineerde decreet bepaalt wat volgt: “Op met redenen omkleed voorstel van het college van burgemeester en schepenen kan de Vlaamse regering of de gemachtigde ambtenaar afwijkingen toestaan van de voorschriften van een door de Vlaamse regering goedgekeurd bijzonder plan van aanleg en van de voorschriften van een verkavelingsvergunning, enkel wat de perceelsafmetingen, de afmetingen en de plaatsing van de bouwwerken, alsmede de voorschriften in verband met hun uiterlijk betreft”. De bepaling van voormeld artikel 49 van het gecoördineerde decreet is een uitzonderingsbepaling en moet als zodanig restrictief worden geïnterpreteerd. Op grond van dit artikel 49 van het gecoördineerde decreet is de bevoegdheid van de overheid om afwijkingen van de voorschriften van een BPA toe te staan aan een dubbele restrictie onderworpen, met name dat de afwijkingen enkel betrekking mogen hebben op de perceelsafmetingen, alsmede op de afmetingen, de plaatsing en het uiterlijk van de gebouwen, en dus niet op de bestemming, en dat geen afwijkingen mogen worden toegestaan die afbreuk doen aan de essentiële gegevens van het BPA, dit wil zeggen, die niet geacht kunnen worden in overeenstemming te zijn met de algemene strekking van het BPA.
  40. In casu wordt met toepassing van het toentertijd geldende artikel 49 van het gecoördineerde decreet een afwijking verleend voor het bouwen op de volle perceelbreedte in de zone voor bijgebouwen. Met betrekking tot de strook voor bijgebouwen, voorzien de stedenbouwkundige voorschriften van het geldende BPA “1 bouwlaag + plat dak of hellend dak; Kroonlijsthoogte 3,00 m; bezetting 70%; inplanting t.o.v. zijkavel 0/3 m”. Overeenkomstig deze bepalingen moeten de bijgebouwen derhalve verplicht worden ingeplant op één van de zijkavelgrenzen, met behoud van een minimum bouwvrije strook van 3 m ten opzichte van de andere zijkavelgrens. Het X-13.557-10/12 toelaten van bebouwing in deze bouwvrije strook maakt, in tegenstelling tot wat de verwerende partij en de tussenkomende partij beweren, een niet door voormeld artikel 49 van het gecoördineerde decreet toegelaten afwijking van de bestemmingsvoorschriften van het BPA uit. De verwijzing in de laatste memorie van de tussenkomende partij naar enkele stedenbouwkundige vergunningen voor woningen in de omgeving, die volgens de tussenkomende partij een gelijkaardige afwijking van het BPA hebben verkregen, doet geen afbreuk aan deze conclusie. De tussenkomende partij vermag zich niet te beroepen op de gelijkheid in de onwettigheid.
  41. Het eerste middel is gegrond. BESLISSING
  42. De Raad van State vernietigt het besluit van 20 september 2007 van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij het beroep van de n.v. WOONBUREAU ingesteld tegen het besluit van 26 februari 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Lokeren houdende gedeeltelijke toekenning van de vergunning tot het regulariseren van een achterbouw en gedeeltelijke weigering van de vergunning tot het regulariseren van een dakterras, een tuinmuur en een buitentrap voor een woning gelegen te Lokeren, Vrijheidsplein 15, op een perceel kadastraal bekend sectie E, nrs. 70/f, gedeeltelijk wordt ingewilligd en stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor wat betreft de bouwbreedte in de strook voor bijgebouwen en stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd voor het terras, de tuinmuur en de buitentrap.
  43. Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 700 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. X-13.557-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig juni 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-13.557-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.808 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.094 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.