id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.810 Rolnummer: A. 185131/X-13450 Zaak: Arrest 205810 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 25/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-05 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 04:57 Fiche Arrest nr 205.810 van 25 juni 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 205.810 van 25 juni 2010 in de zaak A. 185.131/X-13.
- In zake: Marcia NIVELLE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stefan Jorissen kantoor houdend te 3770 RIEMST Tongersesteenweg 88 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de deputatie van de provincieraad van LIMBURG --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 13 september 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 12 juli 2007 van de deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij het beroep van de verzoekster ingesteld tegen het besluit van 19 april 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Riemst houdende weigering van een vergunning tot regularisatie van de aanleg van een waterpartij, van de tuininrichting en van de aanpassing van het tuinpaviljoen op een perceel gelegen te Riemst, aan de Bilzersteenweg 39, kadastraal bekend sectie A, nr. 1726/e, wordt ingewilligd “onder de voorwaarde dat het gedeelte van het terras vanaf 1 meter van de rand van de vijver wordt verwijderd en deze oppervlakte wordt beplant met streekeigen soorten, conform de bepalingen van het BPA” en waarbij de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend mits naleving van bovenvermelde voorwaarde. De verzoekende partij vraagt de nietigverklaring “in zoverre deze beslissing aan verzoekende partij beperkende voorwaarden oplegt”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. X-13.450-1/5 Auditeur Barbara Speybrouck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 april
- Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stefan Jorissen, die verschijnt voor de verzoekende partij, en bestuurssecretaris Inge Willems, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Barbara Speybrouck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 26 augustus 2004 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Riemst een stedenbouwkundige vergunning voor het oprichten van een tuinpaviljoen op het betrokken perceel.
- Op 25 september 2006 wordt een proces-verbaal van vaststelling en stillegging opgesteld, dat wordt bekrachtigd op 27 september 2006, omdat het “oprichten van een tuinpaviljoen met waterpartij en terras niet conform de vergunning” van 26 augustus 2004 is.
- Op 27 november 2006 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoekster bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Riemst een aanvraag in voor de “REGULARISATIE waterpartij en tuininrichting - aanpassing Tuinpaviljoen”. X-13.450-2/5
- Op 19 april 2007 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Riemst de regularisatievergunning.
- Tegen deze weigeringsbeslissing tekent de verzoekster op 23 mei 2007 administratief beroep aan bij de deputatie van de provincieraad van Limburg.
- Bij besluit van 12 juli 2007 willigt de deputatie van de provincieraad van Limburg het beroep in “onder voorwaarde dat het gedeelte van het terras vanaf 1 meter van de rand van de vijver wordt verwijderd en deze oppervlakte wordt beplant met streekeigen soorten, conform de bepalingen van het BPA” en verleent zij mits naleving van deze voorwaarde de gevraagde regularisatievergunning. Dit is het bestreden besluit. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
- De verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord de ontvankelijkheid van de vordering wegens gebrek aan persoonlijk belang in hoofde van de verzoekster. Meer bepaald voert zij aan dat de Raad van State “niet kan overgaan tot de gevraagde nietigverklaring van enkel de bewuste voorwaarden, aangezien deze onlosmakelijk verbonden zijn aan de afgifte van de vergunning” en “zich niet in de plaats kan stellen van de vergunningverlenende overheid”. Hier anders over oordelen zou volgens haar tot gevolg hebben “dat de inhoud en het opzet van de beslissing fundamenteel worden gewijzigd”. Voorts stelt zij dat “het opleggen van de bijzondere voorwaarden een doorslaggevend aspect is geweest in de beoordeling (…) van het beroepsdossier”, hetgeen “blijkt (...) uit (zowel) het beschikkend als uit het motiverend gedeelte” van het bestreden besluit.
- In de memorie van wederantwoord dupliceert de verzoekster dat de “discussie (van een ‘beperkte nietigverklaring’) academisch (is) en een zuiver rechtstheoretisch spanningsveld kent, vermits verzoeker geen belang heeft om de nietigverklaring te vorderen van een bestreden beslissing dewelke haar in principe een regularisatievergunning toekent en aldus haar oorspronkelijk ingestelde administratief beroep inwilligt”. Voorts stelt zij dat “de Raad van State eigenhandig en automatisch een herkwalificatie zal doorvoeren en de enkelvoudige gehele X-13.450-3/5 nietigverklaring zal/kan/ en moet uitspreken van de bestreden beslissing van zodra een grond tot onwettigheid wordt aanvaard op basis van de haar wettelijk toegemeten bevoegdheid met verwijzing naar de vergunningverlenende overheid dewelke zich dan dient te conformiseren, dan wel de vergunning kan aanpassen hangende het geding”. Beoordeling
- De verzoekster beperkt het voorliggende annulatieberoep in haar inleidend verzoekschrift tot de bij de bestreden vergunning opgelegde voorwaarde, meer bepaald de “voorwaarde dat het gedeelte van het terras vanaf 1 meter van de rand van de vijver wordt verwijderd en deze oppervlakte wordt beplant met streekeigen soorten, conform de bepalingen van het BPA”.
- Een stedenbouwkundige vergunning is in beginsel één en ondeelbaar, en kan niet op ontvankelijke wijze gedeeltelijk met een annulatieberoep worden bestreden. Van dit beginsel kan, bij wege van uitzondering, die beperkend moet worden uitgelegd, alleen worden afgeweken wanneer vaststaat dat het aangevochten gedeelte afgesplitst kan worden van de rest van de vergunning en dat de overheid ook afgezien van het afgesplitste gedeelte voor het niet aangevochten gedeelte dezelfde beslissing zou hebben genomen. Er anders over oordelen zou tot gevolg hebben dat de Raad van State zich op het domein van de beleidsuitoefening van de betrokken overheid zou begeven en zou overgaan tot hervorming, en niet vernietiging, van de beslissing waarvan het bestreden gedeelte een onlosmakelijk onderdeel is, vermits het niet bestreden gedeelte hoe dan ook zou blijven bestaan.
- Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de aanvraag de regularisatie beoogt van werken die niet conform de stedenbouwkundige vergunning van 26 augustus 2004 zijn uitgevoerd, meer bepaald de regularisatie van de tuinvijver met terras en van het tuinpaviljoen. Het bestreden besluit overweegt daarover het volgende: “Overwegende dat dit standpunt van het college van burgemeester en schepenen kan worden bijgetreden; Dat het tuinpaviljoen tot op heden geen woning is, dat het een bergruimte betreft in bescheiden bouwvorm; dat voor deze constructie een afwijking op het voorschrift inzake de oppervlakte voor bijgebouwen ook reeds bij de verlening van de stedenbouwkundige vergunning van 26 augustus 2004 werd toegestaan; dat de bescheiden vijver binnen de zone non aedificandi nog aanvaardbaar is X-13.450-4/5 indien het grootste deel van het daarachter gelegen terras wordt verwijderd en beplant met streekeigen soorten, conform de bepalingen van het BPA”. Hieruit blijkt dat de bestreden voorwaarde een onlosmakelijk deel uitmaakt van de verleende en voorwaardelijke regularisatievergunning. Bijgevolg zou afbreuk gedaan worden aan de beleidsvrijheid van de vergunningverlenende overheid indien de Raad van State enkel de opgelegde voorwaarde zou vernietigen.
- In tegenstelling tot hetgeen de verzoekster in haar memorie van wederantwoord aanvoert, dient er op te worden gewezen dat het niet aan de Raad van State toekomt na te gaan of het voorwerp ambtshalve dient te worden uitgebreid tot de vergunning in haar geheel. Het komt aan de verzoekende partij toe zelf, in haar verzoekschrift het voorwerp van haar beroep te bepalen. De vordering is bijgevolg niet ontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig juni 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-13.450-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.810 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div