id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.818 Rolnummer: A. 178636/X-13083 Zaak: Arrest 205818 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 25/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-30 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-30 04:57 Fiche Arrest nr 205.818 van 25 juni 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 205.818 van 25 juni 2010 in de zaak A. 178.636/X-13.
(2)kan hoe dan ook geen vergoelijking vormen voor de afwijking van het GRS. Het RUP moet niet het beleidsplan van 1996 uitvoeren maar het GRS. Het inrichtingsplan van 1996 is niet als kaart opgenomen in deel 2 van het GRS ‘Figurenbundel’ en is geen figuur van het GRS waar de specifieke normatieve kracht aan kleeft van een GRS (art. 19 DRO). Overigens is het niet juist dat het RUP in overeenstemming is met de inrichtingsschets van 1996. Perceel 522 en 523a zijn in de inrichtingsschets duidelijk groen ingekleurd, zijnde open gebied. In het RUP worden er niettemin bebouwingsmogelijkheid op gecreëerd. Aan het bericht van de provincie ‘dat zij als toezichthoudende en goedkeurende overheid zich niet verantwoordelijk acht voor eventuele incorrecte of misleidende gegevens met betrekking tot de weergave van de feitelijke toestand in het gemeentelijk RUP’ heeft verzoekende partij geen boodschap. Dat ondertussen voor percelen 522 en 523a een verkavelingsvergunning (verkaveling 1187) werd afgeleverd vormde geen belemmering om de plannen met de open ruimte zoals deze blijken uit het GRS door te voeren. Overeenkomstig artikel 132§ 2 DRO kan een RUP bestaande verkavelingsvergunningen wijzigen of vernietigen. Dit is niet gebeurd. Wanneer figuur 91 duidelijk geen bebouwing toelaat op perceel 522 en 523 a en het RUP niettemin bebouwing wil voorzien om de gewekte verwachtingen bij de vergunninghouder niet te beschamen of dure planschade te vermijden, dient deze keuze in toepassing van artikel 19§3 DRO gemotiveerd, wat dus niet is gebeurd. Zowel de gemeente als de provincie geven uitdrukkelijk aan dat artikel 19§3 DRO niet werd toegepast”. X-13.083-16/26 20. In de laatste memorie stelt de verzoekende partij dat zij het vereiste belang heeft bij het middel. Volgens haar was het bovendien “de bedoeling van de ontwerpers van het RUP om het woonpark ‘Den Helder’ als één geheel te reglementeren” waardoor het ruimtelijk uitvoeringsplan niet vatbaar is voor een gedeeltelijke vernietiging. De vernietiging van het ruimtelijk uitvoeringsplan omwille van de onwettige afwijking voor de percelen 522 en 523/a heeft hierdoor volgens de verzoekende partij wel degelijk repercussies voor haar percelen. Beoordeling 21. In haar verzoekschrift zet de verzoekende partij haar belang bij dit middel, waarin zij kritiek levert op de bestemming van de percelen 522 en 523/a, waarop zij geen rechten uitoefent, tot “lokaal woongebied met lage dichtheid en groen karakter”, als volgt uiteen: “Verzoekende partij heeft belang om dit alles op te merken vermits, indien er wordt afgeweken van het GRS voor wat percelen 522 en 523a betreft, er evenzeer redenen voor handen (kunnen) zijn om voor zijn perceel een afwijking toe te staan. Vermits verzoekende partij thans de redenen van afwijking niet kent, is dit voor haar niet controleerbaar. Een nieuwe zorgvuldige beoordeling van het dossier na vernietiging van het huidig RUP kan er mogelijk toe leiden dat het perceel van verzoekende partij eveneens in artikel 6.1. ‘lokaal woongebied met lage dichtheid en groen karakter’ wordt gesitueerd, in afwijking van het GRS”. De verzoekende partij gaat bij de omschrijving van het belang bij dit middel uit van een onvolledige lezing van het bestreden ruimtelijk uitvoeringsplan “Woonpark Den Helder”. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij voorhoudt wordt in het eerste bestreden besluit wel degelijk gemotiveerd waarom de percelen 522 en 523/a, in tegenstelling tot haar percelen, bebouwd kunnen worden. Het besluit overweegt dienaangaande het volgende: “De beperking van het aantal bijkomende woningen moet op volgende wijze geïnterpreteerd worden: (...) - De percelen gelegen langs de Perrestraat zijn niet gelegen langs een uitgeruste weg. Een directe ontsluiting op de Perrestraat is niet aangewezen. De Perrestraat is immers ook een belangrijke voetweg. De percelen liggen bijna op het hoogste punt van de kamlijn en zijn heel goed zichtbaar. Een goede ruimtelijke afweging is steeds noodzakelijk. Enkel de zone aansluitend op de bestaande bebouwing kan bebouwd worden, cfr. het inrichtingsplan van 1996. De ontsluiting gebeurt via de weg voorzien in de verkaveling 1187 aansluitend op de Hoogstraat”. X-13.083-17/26 De percelen 522 en 523/a maken deel uit van de “zone aansluitend op de bestaande bebouwing”. Aldus kent de verzoekende partij wel degelijk de “redenen van afwijking” voor de desbetreffende percelen en is de adstructie van haar belang op een foutieve premisse gesteund. Voorts blijkt uit het standpunt van de verzoekende partij dat datgene wat zij nastreeft niet de nietigverklaring is van de bestemming die met het voorliggende plan wordt gegeven aan de percelen 522 en 523/a, doch enkel de nietigverklaring van het bestreden plan in de hoop dat bij een nieuwe “zorgvuldige beoordeling” een mogelijke heroverweging aangaande haar percelen zou plaatsvinden om in afwijking van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan ook bebouwing toe te laten op haar percelen. De verzoekende partij heeft geen belang bij het tweede middel. Het tweede middel is niet ontvankelijk. C. Derde middel Standpunt van de partijen 22. In het derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 38, § 1, 3/ DRO en van artikel 19, § 3 DRO, alsmede “van pagina 405 en 380 van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen”, “pagina 150 van het provinciaal structuurplan West-Vlaanderen” en van het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, “doordat het RUP in de opgave van de bestaande feitelijke toestand, niet afdoende weergeeft waar de bestaande uitgeruste wegenis in het woonpark Den Helder gelegen is, terwijl dit van belang is om te kunnen beslissen waar er overeenkomstig het Provinciaal ruimtelijke structuurplan van West-Vlaanderen planologisch woongelegenheid kan worden voorzien en waar niet; doordat bet RUP in strijd met p 405 en 380 van het RSV woongelegenheid creëert buiten de kernen van het buitengebied; doordat het RUP in strijd met pagina 150 van het PRS-WV lokaal woongebied creëert op gronden die geen effectieve bouwgrond zijn; doordat het RUP willekeurig lokaal woongebied voorziet, meer bepaald woongebied voorziet waar dit wettelijk niet kan (perceel 237
- f)en geen woongebied voorziet waar het wettelijk wél kan (de percelen 457 en 279 van verzoekende partij)”. Zij licht het middel als volgt toe: “c. Blijkens de voorbereidingen van het RUP is men er van uit gegaan dat Den Helder niet tot de kern van Moen of Sint-Denijs behoort maar een ‘overige woon(con)centratie’ vormt in de zin van het provinciaal structuurplan, dit wil X-13.083-18/26 zeggen een nederzetting die in het PRS-WV niet geselecteerd is als hoofddorp of woonkern’. Voor de ‘overige woon(con)centraties’ geldt echter inzake mogelijkheden van het bouwen van bijkomende woningen dat ‘enkel de juridisch bestaande effectieve bouwgronden kunnen worden benut’ (...). Deze bepaling is strenger dan de voorwaarde dat in een overige woonconcentratie het ‘juridisch aanbod’ aan woongelegenheid zou mogen uitgeput worden. Het juridisch aanbod bestaat immers uit ‘onbebouwde uitgeruste kavels, niet-uitgeruste woongebieden en leegstaande woongelegenheden’(...) en omvat dus méér dan de ‘juridisch bestaande effectieve bouwgronden’. Bij een woonconcentratie buiten de kern kunnen bij de vaststelling van een RUP dus enkel de juridisch reeds bestaande effectieve bouwgronden worden geconfirmeerd en kunnen er geen bijkomende bouwgronden worden gecreëerd. Dit wordt ook met zoveel woorden gezegd in de tweede bestreden beslissing, zijnde het goedkeuringsbesluit van de Bestendige Deputatie van 31 augustus 2006 waar men letterlijk leest (...): ‘Overwegende dat het woonpark Den Helder vanuit het PRS-WV beschouwd wordt als een ‘overige woonconcentratie’ dat in ‘overige woonconcentraties’ enkel de juridisch bestaande effectieve bouwgronden kunnen worden benut’. 22. Concreet konden dus op Den Helder, nog steeds volgens de logica en samenhang die de opstellers zelf hebben gehanteerd, enkel de percelen die reeds bouwgrond waren nog planologisch worden opgenomen in het lokaal woongebied van artikel 6.1. van het RUP. De percelen 457 en 279 van verzoekende partij zijn dergelijke bouwgronden. Het RUP heeft echter niet de bouwmogelijkheid op de percelen van verzoekende partijen planologisch bevestigd maar integendeel wel op ontoelaatbare wijze woongelegenheid bij gecreëerd buiten de reeds bestaande bouwgronden, met name in het genoemde Zuidwestelijk gedeelte van het RUP nabij het Hoogstraatje waar voorzien wordt in de mogelijkheid van één extra woning op perceel 237 f (...). Doordat het RUP, in strijd met artikel 38 § 1,3/ DRO, de feitelijke toestand foutief, minstens onvoldoende weergeeft, zijn de goedkeurende overheden op dit punt mogelijk misleid. Verzoekende partij licht dit nader toe als volgt. Stuk 1 figuur 3 en figuur 8 suggereren dat perceel 237 f als het ware in de vork van 2 wegen ligt (waarlangs dit perceel zou kunnen ontsloten worden en dus bouwgrond zou zijn die in het RUP planologisch kon bevestigd worden). In werkelijkheid ligt perceel 237 f niet aan één voldoende uitgeruste openbare weg en is het geen bouwgrond. Verzoekende partij verklaart zich nader. - Op de topokaart (...) is maar één weg te zien, namelijk de weg die in het zuid-oosten het plangebied begrenst, het zogenaamde ‘Hoogstraatje’ (...). Deze weg is een weg die door de voormalige ontginner van het gebied is aangelegd ter vervanging van de buurtweg nr. 16 die met beslissing van de gemeenteraad van 25 juni 2001 formeel werd afgeschaft en verlegd (...). Het ‘Hoogstraatje’ is echter niet open en wordt ook niet door de gemeente onderhouden. (...) - De tweede weg die op figuur 8 te zien is, is sinds jaar en dag onbestaande. De weg zoals aangeduid op figuur 8 is in de praktijk geheel afgesloten en ingelijfd bij de naburige percelen 251 en 257d en met een haag beplant. De weg is op de topokaart van het RUP (...) ook nergens te X-13.083-19/26 bespeuren. Op het terrein is enkel een poortje te zien dat permanent gesloten is (...) en enkel een strook grond bedient om de haag te snoeien. Ook komende van de andere kant (Den Helder perceel 224
- c)staat een poort die vergrendeld is (...). (...) Perceel 237 f is aldus zonder enige discussie niet gelegen aan een voldoende uitgeruste openbare weg en dus geen juridisch bestaande effectieve bouwgrond in de zin van het PRS-WV. Toch tekent het RUP dit perceel in als lokaal woongebied. (...) 23. Verzoekende partij is van oordeel dat het RUP zo niet door de wettelijke beugel kan. De vraag welke de weer te geven feitelijke en juridische toestand is die in een ruimtelijk uitvoeringsplan moet worden opgenomen, verschilt naargelang het planniveau en naargelang de in het ruimtelijk uitvoeringsplan geregelde materie of doelstelling. Het huidige RUP is van de laagste, meest gedetailleerde orde -dat van de gemeente- en wil op perceelsniveau aangeven waar er nog mag worden gebouwd en waar niet. Gelet op deze perceelsgewijze inkleuring diende een zeer nauwkeurige analyse van de feitelijke toestand te gebeuren waaronder een volledig en accurate weergave van het bestaande stratentracé en zijn uitrusting in het plangebied. Dat er bij het plan grondrechten in het geding zijn van belanghebbenden -het eigendomsrecht van eigenaars in het plangebied en de wijze waarop zij dit in de toekomst nog kunnen uitoefenen- maakt één en ander nog pregnanter. Het huidige plan bestaande toestand houdt in zich het gevaar dat adviesverlenende instanties en de goedkeurende instanties zijn misleid en niet met kennis van zaken hebben kunnen adviseren en/of goedkeuren wat de vast te leggen bestemmingen konden zijn. Het feit dat de provincie voor perceel 237 f een plan heeft goedgekeurd dat het eigen structuurplan van de provincie schendt levert daarvan het bewijs. 24. Verzoekende partij heeft belang bij dit middel. Immers is het de bedoeling van het RUP om de toekomstige woonmogelijkheden in Den Helder in hun totaliteit voor eens en altijd uit te stippelen en daarbij de bebouwing laag te houden. Wanneer op bepaalde plaatsen onwettig woonmogelijkheid wordt geschapen en ten gevolge hiervan in de ruimtelijke ordening voldongen feiten worden geschapen en open ruimte bezet, nemen navenant de kansen van verzoekende partij af om op haar gronden, die tot vóór het RUP manifest bouwgronden waren, ooit nog bebouwing te realiseren”. 23. De eerste verwerende partij antwoordt hierop het volgende: “De ruimtelijke ontwikkelingsperspectieven in de omgeving van Den Helder stippen duidelijk aan welke beleidsopties genomen worden m.b.t. de inrichting van de wegen in de onmiddellijke omgeving van het perceel van de verzoeker. Op blz. 12-13 van het RUP is vermeld: ‘De percelen gelegen langs de Perrestraat zijn niet gelegen langs een uitgeruste weg. Een directe ontsluiting op de Perrestraat is niet aangewezen. De Perrestraat is immers ook een belangrijke voetweg. (...) Enkel de zone aansluitend op de bestaande bebouwing kan bebouwd worden cfr. het inrichtingsplan van 1996. De ontsluiting gebeurt via de weg voorzien in de verkaveling 1187 aansluitend op de Hoogstraat’. Uit het inrichtingsplan van 1996 (...) blijkt dat de gemeente vier categorieën wegen onderscheidt: - cat. 1 openbare weg : voor algemeen verkeer X-13.083-20/26 - cat. 2 openbare weg: voor voetgangers en fietsers, met toegang voor aangelanden - cat. 3 openbare weg: voor voetgangers en fietsers - cat. 4 private wegen. 1) Op dit inrichtingsplan 1996 (...) valt af te lezen dat de ‘Hoge Weg’, voor wat betreft het eerste deel komende van de Comminnestraat, geselecteerd is als cat. 2, waarlangs aangelanden hun woning kunnen bereiken; het tweede deel (steenslag) is aangeduid als cat. 3 en niet voor auto’s toegankelijk. De extra woning op perceel 237f is wél ontsluitbaar via het verlengde van Den Helder (chemin 13), dat als cat. 2 werd aangeduid. 2) Uit dat plan is duidelijk dat de Perrestraat met beperkte steenslag t.h.v. de percelen kad 522/523 en 291, niet bestemd is voor auto-verkeer, maar enkel voor fietsers en voetgangers (categorie 3). Om deze redenen is dan ook in het RUP aangegeven dat ‘de Perrestraat ook een belangrijke voetweg is’. Volgens deze alinea in het RUP is bebouwing op percelen 522/523 mogelijk voor zover de ontsluiting gebeurt via de weg (cat. 2), aangelegd n.a.v. de verkaveling 1187. Bebouwing op perceel 291 is niet toegelaten aangezien geen ontsluiting kan gerealiseerd worden via de Perrestraat (cat. 3). Het RUP wordt opgemaakt conform de inrichtingsschets (...) en de ruimtelijke visie op het plangebied. Hierbij wordt het plan uit 1996 als basis gehanteerd. De extra woning op het perceel 237f is mogelijk omdat dit perceel, zowel in het plan uit 1996 als op fig. 91 GRS, was opgenomen in een zone waar woningen konden gebouwd worden. Op perceel 291 werd, noch in 1996 noch in het GRS, een extra bouwmogelijkheid voorzien omwille van ruimtelijke overwegingen. De percelen van de verzoekster worden, ondanks de ligging langs een voldoende uitgeruste weg, van bebouwing uitgesloten om redenen die zowel in het RUP zelf (...) als hierboven in het eerste middel worden vermeld. Punten 2, 3 en 4. Zoals verzoekster (...) terecht opmerkt, is Den Helder te kwalificeren onder de categorie ‘overige woonconcentraties’. Volgens het PRS-WV (...) kan de gemeente in haar GRS specifieke ruimtelijke ontwikkelingsperspectieven uitwerken voor deze ‘overige woonconcentraties’. Het GRS heeft (...) een verdere differentiatie doorgevoerd van deze ‘overige woonconcentraties’ en hierbij o.a. Den Helder geselecteerd als ‘verkaveld bos’: (...) De woningen ter hoogte van Den Helder en Beerbos blijven behouden. Ter hoogte van het Beerbos wordt geen bijkomende bebouwing toegelaten. De inrichting ter hoogte van Den Helder, op vandaag woonpark in het gewestplan, gebeurt volgens een specifiek inrichtingsplan’ (...). Uit de bepalingen in het GRS valt duidelijk af te leiden dat op Den Helder wel degelijk bijkomende woningen kunnen gebouwd worden (t.o.v. de situatie in 2004 op het moment van de goedkeuring GRS), terwijl dit in het Beerbos niet meer kan. Volgens het PRS-WV kunnen in deze ‘overige woonconcentraties’ (...) ‘enkel de juridisch bestaande effectieve bouwgronden’ worden benut. De vraag is dan ook wat onder ‘juridisch bestaande effectieve bouwgronden’ dient te worden verstaan. De verzoeker merkt terecht op dat er een onderscheid is tussen juridisch bestaande effectieve bouwgronden (...) en ‘juridisch aanbod aan woongelegenheid’ (...). De juiste draagwijdte van deze begrippen is als volgt: • de juridisch bestaande effectieve bouwgronden zijn alle ‘bouwgronden’, d.i. gronden, die in de vigerende bestemmingsplannen bestemd zijn om te bouwen. Hierbij horen dus alle (delen van) percelen die gelegen zijn in woongebied in ruime zin zoals vastgelegd in het gewestplan, BPA of RUPs van de 3 niveau’s. Percelen die bv. in het BPA bestemd zijn als X-13.083-21/26 ‘openbaar nut’, ‘park’ of ‘parking’ horen hier dus NIET bij. Het gaat hierbij om een juridisch-planologisch begrip. • Het tweede begrip, ‘juridisch aanbod aan woongelegenheid’, is een begrip dat wordt gehanteerd -zoals verzoeker terecht opmerkt in voetnoot 15 blz. 14- bij de analyse van de woningbehoefte en het woningaanbod. Dit ‘juridisch aanbod aan woongelegenheid’ wordt berekend aan de hand van ramingen en te verwachten realisatiegraden en omvat naast eventuele bouwgronden, ook leegstaande woningen en herbestemmingsprojecten. Beide begrippen worden door verzoekster in zijn verzoekschrift door mekaar gebruikt. Het weze duidelijk dat, wanneer in het PRS-WV sprake is van ‘juridisch bestaande effectieve bouwgrond’, enkel gedoeld wordt op gronden die in de bestemmingsplannen bestemd zijn om te bouwen. Hierbij kunnen percelen uiteraard verder opgesplitst of verkaveld worden, al dan niet met aanleg van bijkomende wegenis. Het is belangrijk deze correcte inhoud van het juridisch-planologisch begrip ‘bouwgrond’ in het achterhoofd te houden. Het is immers relevant indien -zoals verzoekster opwerpt- de extra woningen op Den Helder (verkaveld bos) beperkt zijn tot de juridisch bestaande effectieve bouwgronden (binnen de bestemming ‘woonpark’ volgens het gewestplan). Het derde middel is niet gegrond”. 24. De tweede verwerende partij repliceert als volgt: “21. Verzoeker stelt dat het niet mogelijk is om op perceel 237f nog bouwmogelijkheid te voorzien, terwijl dit wél mogelijk is op het perceel van verzoeker. De deputatie verwijst naar de gemeentelijke bevoegdheid (toepassing van het subsidiariteitsbeginsel) om ruimtelijk planologische keuzes te maken m.b.t. de percelen binnen het plangebied van het RUP. De deputatie verwijst tevens naar het verzoekschrift dat wat betreft de opgenomen toelichting onder de punten 21a, 21b en 21c niet wordt betwist. 22. Onder dit punt stelt verzoeker dat de weergave van de feitelijke toestand in het RUP onjuist is weergegeven. Volgens verzoeker is het perceel 237f niet gelegen aan een voldoende uitgeruste openbare weg en dus geen ‘juridisch bestaande effectieve bouwgrond’. Verzoeker beweert dat het RUP daarom in strijd is met het PRS-WV doordat het bouwgrond creëert buiten het bestaande aanbod. Er dient in eerste instantie te worden herhaald (...) dat vanuit haar rol als toezichthoudende en goedkeurende overheid de deputatie zich niet verantwoordelijk acht voor eventuele incorrecte of misleidende gegevens m.b.t. de weergave van de feitelijke toestand in het gemeentelijk RUP. Dit geldt ook voor de informatie m.b.t. het al dan niet uitgerust zijn van de bestaande wegen in het plangebied. Er wordt wel vastgesteld dat verzoeker verkeerdelijk aanhaalt dat het perceel 237f ontsloten is op het Hoogstraatje. Het bestemmingsplan van het RUP voorziet de erftoegang van dit perceel langs de andere zijde van het Hoogstraatje, met name op het groot rond punt (...). Daarnaast kunnen volgens het PRS-WV in ‘overige woonconcentraties’ (zoals het woonpark Den Helder) enkel de juridisch bestaande effectieve bouwgronden benut worden voor de realisatie van bijkomende woongelegenheden (...). Volgens de begrippenlijst uit het PRS-WV gaat het om ‘kavels langs uitgeruste openbare wegen’ waarbij een stedenbouwkundige X-13.083-22/26 vergunning voor het bouwen van één of meerdere woongelegenheden afgeleverd kunnen worden. Gelet op deze provinciale beleidsopties in combinatie met de gegevens van de bestaande toestand werd het perceel 237f dan ook beschouwd als bouwgrond en is dus niet in strijd met het PRS-WV. 23. De deputatie verwijst wat betreft de door verzoeker aangehaalde argumenten m.b.t. de incorrecte weergave van de feitelijke toestand naar zijn verweer onder punt ‘22’. In dit punt stelt de verzoeker tevens onterecht dat de provincie voor wat betreft perceel 237f een plan heeft goedgekeurd dat het eigen structuurplan van de provincie schendt. Onder punt 23 werd reeds aangetoond dat het aansnijden van dit perceel niet in strijd is met het PRS-WV. 24. In dit punt stelt verzoeker dat hij belang heeft bij dit middel. Hij stelt dat door op bepaalde plaatsen onwettige mogelijkheden te scheppen en ten gevolge hiervan in de ruimtelijke ordening voldongen feiten te scheppen en open ruimte te bezetten, de kansen afnemen om ooit nog op zijn grond bebouwing te realiseren. Er dient opgemerkt dat het gemotiveerd opleggen van beperkingen naar de mogelijkheid tot bouwen eigen is aan de ruimtelijke ordening in het algemeen en de opmaak van bestemmingsplannen in het bijzonder. Zoals hierboven reeds werd opgemerkt heeft de deputatie geconstateerd dat de bij het vasteggen van de bouwmogelijkheden in het plangebied zowel rekening gehouden met de praktische haalbaarheid op het terrein als met beleidskeuzes in het GRS. Volgens de gegeven die de deputatie ter beschikking heeft, werden daarbij geen onwettige woonmogelijkheden geschept, zoals verzoeker beweert. 25. BESLUIT. Het derde middel is ONGEGROND”. 25. In de memorie van wederantwoord antwoordt de verzoekende partij het volgende: “6. Partijen zijn het erover eens dat, voor zover Den Helder een ‘overige woonconcentratie’ is, Het RUP enkel de ‘juridisch bestaande effectieve bouwgronden’ kan bevestigen. De gemeente en de provincie verschillen echter van mening over de draagwijdte van de notie ‘juridisch bestaande effectieve bouwgrond’. - De gemeente is van oordeel dat alle gronden die ‘in woongebied in ruimte zin’ gelegen zijn, juridisch bestaande effectieve bouwgronden uitmaken, ongeacht of de gronden nog verder moeten worden opgesplitst of verkaveld en er al of niet nog wegenis moet worden aangelegd (...). - De provincie daarentegen verwijst -terecht- naar de zeer rigoureuze definitie in het PRS-WV van ‘juridisch bestaande effectieve bouwgronden’ (...): Dit zijn bestaande kavels langs uitgeruste openbare wegen waarbij een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van één of meerdere woongelegenheden onmiddellijk kan afgeleverd worden. Op grond van deze definitie dienen ‘juridisch bestaande effectieve bouwgronden’ niet alleen bestemd te zijn in woonzone, de grond dient evenzeer langs een openbare uitgeruste weg gelegen te zijn, waardoor er onmiddellijk een stedenbouwkundige vergunning voor kan uitgereikt worden. 7. De vraag is of de percelen 237f en 291 kunnen aangemerkt worden als ‘juridisch bestaande effectieve bouwgronden’. X-13.083-23/26 7.1. Wat perceel 237 f betreft, menen de gemeente en de provincie ten onrechte dat perceel 237f langs een voldoende uitgeruste weg gelegen is en dus als ‘juridisch bestaande effectieve bouwgrond’ kan aangemerkt worden. a. Vooreerst is opvallend dat de gemeente en de provincie ieder een verschillende ontsluitingsweg voor perceel 237f aanduiden! - De gemeente is van oordeel dat op basis van plan nr. 5 van het RUP (inrichtingsplan) perceel 237f zou kunnen ontsloten worden via het verlengde van chemin 13 den Helder dat als een categorie 2 weg wordt aangeduid (...). - De provincie daarentegen meent dat perceel 237f wordt ontsloten via het ‘grote ronde punt’ te zien op de luchtfoto (...). Het feit alleen al dat de gemeente en de provincie verstrikken in de mogelijkheden van ontsluiting van perceel 237 f geeft aan dat het RUP onnauwkeurig is opgesteld in zijn weergave van de feitelijke toestand. b. Ten gronde kan noch de gemeente noch de provincie worden gevolgd aangaande de mogelijkheid van ontsluiting van perceel 237 f. - De stelling van de gemeente ZWEVEGEM dat perceel 237f kan ontsloten worden via het verlengde van chemin 13 (...) klopt niet. Het zij vooreerst opgemerkt dat de indeling in ‘vier categorieën van wegen’ in het inrichtingsplan van 1996 altijd een vrijblijvende operatie is gebleven; de indeling had nooit enige normatieve kracht. Op het terrein zijn verschillende wegen van zogenaamd verschillende ‘categorieën’ ook niet van elkaar te onderscheiden en is vaak niet te begrijpen waarom een bepaalde weg tot deze of gene categorie zou behoren. Het gedeelte van chemin nr. 13 dat geel is ingekleurd is effectief een openbare weg die bereikbaar is voor wagens, fietsers en voetgangers. Deze gele weg mondt uit op een klein rond puntje op de overgang tussen het blauwe en het gele gedeelte van chemin 13 ‘den Helder’. (Het rond puntje staat niet aangeduid op figuur 5 ‘inrichtingsschets van 1996’ maar is wel met streepjes getekend op figuur 3 ‘feitelijke toestand’ van het RUP) . Wanneer men van dit klein rond punt richting perceel 237f loopt, stoot men op een afsluiting en een gesloten poortje (...). Het blauwe gedeelte van chemin 13 lopend tot perceel 237f (...) is volledig uitgewist, zelfs afgesloten en volledig begroeid met groen. De begroeiing blijkt ook uit figuur 3 ‘feitelijke toestand’ van het RUP. Er is dus op het terrein geen strook chemin meer te zien die in het verlengde ligt van Den Helder. Bij een heraanleg zouden zowel de eigenaar van perceel 257 d (die zijn eigendom afgeschermd heeft met een haag zichtbaar op foto 15.9) als de eigenaar van het bebost perceel 245 f (...) dienen betrokken te worden vermits alles erop wijst dat de bedding van de voormalige chemin door deze aanpalenden werd ingepalmd. Aldus is duidelijk dat, om perceel 237 te bereiken, noodzakelijk wegenis moet worden aangelegd en het niet zo is dat perceel 237 hic et nunc zou gelegen zijn aan een voldoende uitgeruste openbare weg. - Ook de stelling van de provincie is onjuist. Perceel 237f kan niet ontsloten worden via ‘het grote ronde punt’ waarneembaar op figuur 2 ‘luchtfoto’. Dit grote ronde punt ligt integraal op de volledig afgesloten privé-eigendom van de heer en mevrouw STADSBADER. Met andere woorden, perceel 237 f is geen juridisch bestaande effectieve bouwgrond en niettemin worden er door het RUP bouwmogelijkheden op geschapen. Dit is wat bij verzoekende partij de indruk van willekeur wekt. 7.2. Voor perceel 291 heeft verzoekende partij in haar inleidend verzoekschrift aangegeven dat het perceel wel degelijk voldoende ontsloten is en onmiddellijk bebouwbaar. De aanduiding op het inrichtingsplan figuur 5 stemt niet overeen met de realiteit. X-13.083-24/26 De Perrestraat is een openbare weg waar niet alleen voetgangers en fietsers passeren maar ook auto’s (...). De weg wordt ook veelvuldig door auto’s gebruikt en er staat geen enkel verkeersbord dat dit niet zou zijn toegestaan. De Perrestraat is ook voorzien van een sinds jaar en dag bestaande en goed onderhouden grindkoffer (wat in een woonpark als wegverharding niet ongewoon is). Het derde middel is gegrond”. Beoordeling 26. De verzoekende partij bekritiseert in wezen het opnemen van bepaalde percelen, waarop zij geen rechten vermag uit te oefenen, in een zone met een bestemming die bebouwing mogelijk maakt. Zij heeft niet het vereiste belang bij het middel. Zij bestrijdt het ruimtelijk uitvoeringsplan immers omdat het haar eigen percelen in een zone legt waar geen bebouwing mogelijk is. Zij toont niet aan en maakt ook niet aannemelijk, dat er een rechtstreeks en oorzakelijk verband bestaat of zou kunnen bestaan tussen het opnemen van de door haar bedoelde percelen in een zone met mogelijkheid tot bebouwing en de bestemming van haar percelen. Het middel is niet ontvankelijk. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. X-13.083-25/26 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig juni 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-13.083-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.818 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div