id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.828 Rolnummer: A. 189296/X-13874 Zaak: Arrest 205828 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 25/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-05 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:57 Fiche Arrest nr 205.828 van 25 juni 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 205.828 van 25 juni 2010 in de zaak A. 189.296/X-13.874. In zake: Jan CORSTJENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gerald Kindermans kantoor houdend te 3870 HEERS Steenweg 161 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de deputatie van de provincieraad van LIMBURG --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 8 augustus 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 12 juni 2008 van de deputatie van de provincieraad van Limburg houdende verwerping van het beroep van de verzoeker tegen het besluit van 14 maart 2008 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente As waarbij de vergunning wordt geweigerd voor het regulariseren van een ééngezinswoning en bijgebouwen te As, Vijverstraat 6, kadastraal bekend sectie A, nrs. 215/d, 215/e, 218 en 219. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Barbara Speybrouck heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. X-13.874-1/11 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 mei 2010. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Laurent Proot, die loco advocaat Gerald Kindermans verschijnt voor de verzoeker, en bestuurssecretaris Tom Roosen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Barbara Speybrouck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Op 3 januari 2008 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt de verzoeker aan het gemeentebestuur van As een vergunning voor de “regularisatie van een eengezinswoning en bijgebouwen” op een terrein te As, Vijverstraat 6, kadastraal bekend als sectie A, nrs. 215/d, 215/e, 218 en 219. 4. Het voormelde terrein is overeenkomstig het op 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Hasselt-Genk gelegen in natuurgebied. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, of van een vergunde verkaveling. Het is wel gelegen binnen het habitatrichtlijngebied “Bosbeekvallei en aangrenzende bos- en heidegebieden te As, Opglabbeek en Maaseik”, binnen de VEN-afbakening “Bovenloop Bosbeek” en langs de onbevaarbare waterloop van tweede categorie “Bosbeek”. 5. Op 29 januari 2008 geeft de sectie Infrastructuur - Waterlopen en Domeinen van de provincie Limburg een voorlopig ongunstig advies “omdat niet voldaan is aan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwater”. X-13.874-2/11 6. Op 1 februari 2008 geeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente As een ongunstig vooradvies, onder meer omdat de aanvraag geen betrekking heeft op bestaande vergunde gebouwen. 7. Op 4 februari 2008 geeft het agentschap voor Natuur en Bos een ongunstig advies waarin onder meer het volgende wordt gesteld : “...De percelen hebben de bestemming natuurgebied volgens het gewestplan en zijn gelegen binnen de perimeter van het EG-Habitatrichtlijngebied BE2200043 ‘Bosbeekvallei en aangrenzende bos- en heidegebieden te As, Opglabbeek en Maaseik’, waarbinnen de volgende habitats bijzondere bescherming genieten: - droge en vochtige heide - laaggelegen schraal hooiland - voedselrijke ruigten - jeneverbesstruwelen in heidevelden of op kalkgraslanden - open graslanden met struikgras op landduinen - oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten - alluviale bossen met zwarte els en gewone es. De vetgedrukte habitats komen in de onmiddellijke nabijheid van de locatie onder de vorm van elzenbroekbos (mesotroof broekbos), juncusgrasland, ruderaal grasland en rietmoeras. Het voorkomen van deze habitats werd gecontroleerd op de Biologische Waarderingskaart van België versie 1.1. De percelen liggen eveneens binnen de VEN-afbakening ‘Bovenloop Bosbeek’ met gebiedsnummer 412. Het voorliggende dossier geeft geen fundering- en rioleringplan weer. We hebben bijgevolg geen uitsluitsel over de afvoer van het huishoudelijk afvalwater. We vermoeden dat er in de vijverstraat geen openbare riolering aanwezig is en op middellange termijn ook geen openbare riolering voorzien wordt. Eventuele regularisering van de woning zal dan ook voldoende garanties moeten inbouwen opdat het huishoudelijk afvalwater op voldoende wijze gezuiverd zal worden. Gezien de korte afstand tot de Bosbeek en zijbeken en gezien er zich in de beekvallei kwetsbare en beschermde biotopen bevinden die sterk afhankelijk zijn van een goede waterkwaliteit, moet de waterzuivering gebaseerd worden op aërobe zuiveringssystemen. Het geheel, de woning met bijgebouwen en het erf, geeft een uitermate verwaarloosde indruk (
- en)her en der (ligt) gestapeld materiaal in open lucht. De aanwezigheid van een werkhuis geeft de indruk dat er technische activiteiten worden uitgevoerd die in strijd zijn met de planologische bestemming. De aanwezigheid van oldtimers (cfr. fotodossier) versterkt deze indruk. We willen erop wijzen dat de stapeling van voertuigen vanaf een bepaald aantal vergunningsplichtig is (stedenbouwkundige vergunning en milieuvergunning) en dat het risico op bodemvervuiling groot is door lekkages allerhande. Binnen de bestemming natuurgebied en zeker binnen de VEN-afbakening is regularisering van woningen en bijgebouwen enkel toelaatbaar indien deze in functie staan van het beheer van een natuurgebied en indien dit bij voorkeur kan gebeuren in een pand dat historische binding heeft met het gebied. Dit vloeit voort uit de ‘Omzendbrief betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, gewijzigd via omzendbrief d.d. 25 januari 2002. X-13.874-3/11 Uit de motiveringsnota blijkt niet dat de woning met bijgebouwen op enigerlei wijze bijdraagt tot het behoud, bescherming en ontwikkeling van de natuurwaarden. Het tijdstip van oprichting wordt door de aanvrager evenmin aangegeven en bewezen. In tegenstelling tot wat de motiveringsnota suggereert, moet de aanvrager de historische aanwezigheid bewijzen in de aanvraag tot regularisering. Het voorgaande doet ons besluiten dat de woning niet strookt met de goede ruimtelijke ordening, geen historische binding heeft met de site en vooral niet conform wordt geacht met de planologische bestemming. Verdere bewoning en verdere exploitatie van het te regulariseren werkhuis zal op termijn een degradatie van de beschermde habitats in de beekvallei veroorzaken door verzuring en eutrofiëring van(...)beïnvloede habitats met verruiging tot gevolg. Lekkages van chemische stoffen ten gevolge van de stapeling van voertuigen en diverse materialen zullen een gevaar opleveren voor omringende vegetaties en de waterkwaliteit van de Bosbeek We verwachten dan ook significant negatieve effecten op de beschermde soorten en habitats van de EG-Habitatrichtlijngebied. We adviseren dan ook negatief voor de voorliggende regularisatieaanvraag en vragen met aandrang dat de site gesaneerd wordt...”. 8. Op 3 maart 2008 geeft de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar een ongunstig advies omdat “de aanvraag niet past in het geschetste wettelijk en stedenbouwkundig kader daar de aanvraag niet beantwoordt aan de uitzonderingsbepalingen van artikel 145bis van het decreet van 13 juli 2001 en wijzigingen houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en de schaal en uitvoeringswijze niet bestaanbaar blijven met de vereisten van een goede perceelsordening en met de stedenbouwkundige kenmerken van de omgeving.” 9. Op 14 maart 2008 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente As vervolgens de gevraagde vergunning te verlenen. 10. Op 9 april 2008 stelt de verzoeker administratief beroep in tegen de weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen, waarbij hij onder meer het volgende stelt: “Dat uit de briefwisseling die destijds gevoerd werd met de gemeente As duidelijk blijkt dat verzoeker van oordeel is dat de bestaande toestand wel degelijk vergund is; Dat verzoeker inderdaad in diverse brieven, waaronder een schrijven van 5 maart 2004, geargumenteerd heeft dat ingevolge het decreet van 4 juni 2003, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 22 augustus 2003, alle bouwwerken die gebouwd zijn voor de allereerste invoering van het gewestplan als vergund moeten worden beschouwd indien de overheid niet kan aantonen door enig bewijsmateriaal, behoudens getuigenverklaringen, zoals een goedgekeurd bouwplan, een proces-verbaal of een bezwaarschrift, dat de constructie in overtreding werd opgericht; X-13.874-4/11 Dat in dit dossier geen goedgekeurd bouwplan, noch enig proces-verbaal, noch een bezwaarschrift of iets dergelijks terug te vinden is dat dateert van die tijd; Dat het recentelijk opstellen van een proces-verbaal vanzelfsprekend niet van (die) aard is om het wettelijk vermoeden te ontkrachten; Dat derhalve de constructies moeten opgenomen worden in het vergunningenregister als vermoedelijk vergund, dit overeenkomstig het decreet van 4 juni 2003; Dat het in die omstandigheden niet opgaat om te stellen dat niet voldaan zou zijn aan de voorwaarden van art. 145bis van het decreet op de ruimtelijke ordening van 13 juli 2001 en de latere wijzigingen, gezien de bestaande toestand als vergund moet worden beschouwd”. 11. Op 21 mei 2008 geeft de sectie Ruimtelijke Ordening - Vergunningen van de provincie Limburg een ongunstig advies. 12. Op 12 juni 2008 verwerpt de deputatie van de provincieraad van Limburg het beroep van de verzoeker. Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende wordt gesteld : “Overwegende dat het beroep ertoe strekt een stedenbouwkundige vergunning te verkrijgen voor het regulariseren van een woning met allerlei bijgebouwen aan de Vijverstraat 6 te As; dat het een geïsoleerde woning betreft met allerlei aanbouwsels temidden van een bosrijk gebied; dat daarnaast men volgende constructies wenst te regulariseren op het terrein : - een werkhuis opgebouwd uit een samenraapsel van materialen; - een kleine stal in metselwerk; - een hondenhok (zonder verdere informatie); dat het terrein verder wordt gebruikt voor stapeling van paletten, hout, auto's, enz; dat hiervoor geen regularisatie wordt gevraagd; Overwegende dat volgens het goedgekeurd gewestplan Hasselt-Genk het perceel gelegen is binnen een natuurgebied; dat binnen de ruimtelijke kwetsbare gebieden, overeenkomstig art. 145bis, onder bepaalde voorwaarden verbouwingswerken binnen het bestaande en vergunde volume kunnen worden toegestaan; dat van deze zonevreemde constructie er geen vergunningen zijn bekend; dat de vergunningstoestand ook niet wordt aangetoond; dat de toepassing van art. 145bis derhalve niet mogelijk is; Overwegende dat het oprichten van gebouwen in de natuurgebieden verboden is, met uitzondering van het oprichten van jagers- en vissershutten in uitzonderlijke omstandigheden; Overwegende dat de percelen gesitueerd zijn binnen een EG-habitatrichtlijngebied en een VEN-gebied; dat overeenkomstig artikel 36 §4 van het Natuurdecreet, de overheid die over een vergunningsaanvraag, een plan of programma moet beslissen, de vergunning slechts mag toestaan of het plan of programma slechts mag goedkeuren indien het plan of programma of de uitvoering van de activiteit geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone kan veroorzaken; dat de bevoegde - overheid er steeds zorg voor draagt dat door het opleggen van voorwaarden er geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan ontstaan; X-13.874-5/11 dat uit het negatief advies van het agentschap Natuur en Bos van 4 februari 2008 blijkt dat er wel degelijk significant negatieve effecten op de beschermde soorten en habitats te verwachten zijn; Overwegende dat; dat het gebouw niet als vergund kan worden beschouwd; dat de vergunningstoestand ook niet wordt aangetoond; dat uit het metselwerk kan worden afgeleid dat het gebouw dateert van na 1962; dat er binnen het natuurgebied juridisch geen mogelijkheid bestaat om deze zonevreemde constructies te regulariseren; Overwegende dat de gebouwen tevens bijzonder onesthetisch zijn en op geen enkele manier rekening houden met de kwaliteiten van het gebied; dat de opslag van auto’s en materialen eveneens in strijd is met de bestemming van het gewestplan; dat het terrein dringend gesaneerd dient te worden; Overwegende dat het beroep niet kan ingewilligd worden”. IV. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel 13. Het enig middel wordt als volgt uiteengezet: “Het middel is gebaseerd op de schending van art. 145bis § 1 van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna genoemd ‘DR0’), van art. 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en op de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en meer in het bijzonder het materieel motiveringsbeginsel; Doordat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat het gebouw niet als vergund kan worden beschouwd en dat de vergunningstoestand niet wordt aangetoond en verder dat uit het metselwerk kan worden afgeleid dat het gebouw dateert van na 1962 en doordat verder wordt gesteld dat er binnen het natuurgebied juridisch geen mogelijkheid bestaat om deze zonevreemde constructies te regulariseren. Toelichting bij het middel Verzoeker kan geenszins akkoord gaan met deze stelling en met het feit dat de stelling helemaal niet onderbouwd wordt. Er wordt immers nergens aangetoond dat het gebouw als niet vergund zou moeten worden beschouwd, terwijl er geenszins werd ingegaan op de zeer duidelijke standpunten ingenomen in het verzoekschrift neergelegd bij de bestendige deputatie. Dat in dit verzoekschrift uitdrukkelijk werd verwezen naar het decreet van 4 juni 2003, waarin vermeld wordt dat er sprake is van een vermoeden van vergunning voor alle bouwwerken die gebouwd zijn van voor de allereerste invoering van het gewestplan. Dat volkomen ten onrechte in de bestreden beslissing wordt gesteld dat er geen juridische mogelijkheid zou bestaan om de zonevreemde constructie te regulariseren; Dat geen rekening werd gehouden met de beschrijvende nota van de architect, waarin uitdrukkelijk verwezen werd naar het vermoeden van vergunning; Dat de bestendige deputatie niet eens de moeite heeft gedaan om ook maar enig argument aan te halen waarom het vermoeden van vergunning niet zou hoeven te gelden; X-13.874-6/11 Dat er derhalve een ernstige schending van de motiveringsplicht aan de orde is; Dat verder niet werd ingegaan op de doorslaggevende argumenten van verzoekster, zoals aangehaald in het beroepschrift van 9 april 2008; Dat een wettelijk vermoeden van vergunning juist inhoudt dat de overheid zich moet gedragen overeenkomstig het bestaan van een vergunning; Dat nooit betwist is geworden dat de bouwwerken dateren van voor de allereerste invoering van het gewestplan, zodat verzoeker geen bewijs van enige vergunning in zijn bezit dient te hebben; Dat zowel het gemeentebestuur, als de bestendige deputatie, het ingestelde wettelijk vermoeden miskennen, en derhalve ten onrechte van mening zijn dat niet voldaan is aan de verplichtingen van art. 145bis DRO, dat stelt dat het om een hoofdzakelijk vergund gebouw dient te gaan; Dat het onbegrijpelijk is dat niet ingegaan wordt op de duidelijke en belangrijkste argumenten van verzoeker en dat niet eens de moeite gedaan wordt om daarop enig antwoord te formuleren; Dat het een veel voorkomende vaststelling is dat het ingestelde wettelijk vermoeden van vergunning miskend wordt door verschillende vergunningverlenende overheden en dat dit in graad van beroep door de bestendige deputatie dikwijls niet wordt tegengesproken, zelfs zoals in casu niet eens wordt besproken, niettegenstaande dit zowel in het verzoekschrift tot hoger beroep vermeld werd en dit ook uitvoerig mondeling werd toegelicht tijdens de hoorzitting; De materiële motiveringsplicht is een beginsel van behoorlijk bestuur en betekent dat beslissingen gedragen worden door motieven die rechtens en feitelijk aanvaardbaar zijn. De materiële motiveringsplicht impliceert dat de motieven kenbaar, feitelijk juist en draagkrachtig zijn, d.i. de beslissing effectief kunnen dragen en verantwoorden. Wat de kenbaarheid betreft volstaat het in het kader van de materiële motiveringsplicht dat deze motieven terug te vinden zijn in het administratief dossier. Verzoeker beroep(
- t)zich verder op volgende rechtspraak en rechtsleer: De motiveringsplicht houdt ook in dat de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen in de beslissing zelf moeten terug te vinden zijn. Een administratieve beslissing dient ook te voldoen aan de formele of uitdrukkelijke motiveringsplicht zoals bepaald in de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Met deze wet wordt de van oudsher bestaande materiële motiveringsplicht van het bestuur aangevuld met een formele motiveringsplicht. Artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 bepaalt dat de betrokken bestuurshandelingen uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd. Dit impliceert dat de beslissing die ter kennis wordt medegedeeld aan de betrokkene niet enkel het dictum moet omvatten maar tevens de redenen moet weergeven op grond waarvan de beslissing genomen werd. Artikel 3 van de wet schrijft voor dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelde(
- n)die aan de beslissing ten grondslag liggen. Tevens moet, naar luid van hetzelfde artikel, de motivering ‘ afdoende ‘ zijn. De term afdoende vereist dat de motivering meer is dan een loutere stijlformule. De motivering moet pertinent zijn. Zij moet daarenboven draagkrachtig zijn, d.w.z. dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te schragen. Uw Raad heeft aanvaard dat ook een indirecte vorm van motivering kan worden toegepast doordat men in de motivering naar andere stukken verwijst. Dit kan echter enkel wanneer cumulatief aan de volgende voorwaarden is voldaan: X-13.874-7/11 - de inhoud van het stuk waarnaar wordt verwezen moet aan de bestuurde ter kennis zijn gebracht hetzij voor de beslissing is genomen, hetzij samen met de eindbeslissing; - het stuk waarnaar verwezen wordt moet zelf afdoende gemotiveerd zijn - de voorstellen of adviezen moeten worden bijgetreden in de uiteindelijke beslissing - er mogen geen tegenstrijdige adviezen zijn (...) Wordt het advies niet gevolgd of bestaan er tegenstrijdige adviezen, dan maakt een loutere verwijzing naar een advies geen uitdrukkelijke motivering uit. Uit de bestuurshandeling moet dan duidelijk de redenen blijken waarom het advies niet werd gevolgd (...) Het is duidelijk dat de motivering ‘afdoende’ moet zijn. De term afdoende vereist dat de motivering meer is dan een loutere stijlformule. De motivering moet pertinent zijn. Zij moet daarenboven draagkrachtig zijn, d.w.z. dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te schragen. Dit impliceert dat de motieven, die kenbaar moeten worden gemaakt, moeten beantwoorden aan de realiteit, en draagkrachtig zijn, m.a.w. de beslissing effectief verantwoorden (...). Uw Raad heeft in dit verband geoordeeld dat iedere beslissing van het bestuur op motieven dient te berusten die niet enkel in feite en in rechte moeten aanwezig zijn, doch die daarenboven pertinent moeten zijn, en de beslissing verantwoorden (...). Het fundamentele beginsel van de motiveringsplicht eist daarenboven dat het besluit een antwoord bevat van de in beroep naar voren gebrachte argumenten. Hoewel dit volgens vaste rechtspraak van de Raad van State niet impliceert dat op elk individueel bezwaar wordt geantwoord, toch moet de beslissing de redenen doen kennen die haar verantwoorden, en waaruit kan worden afgeleid o.m. waarom de in beroep verdedigde stellingen niet werden aangenomen. Uw Raad heeft reeds in meerdere arresten gesteld dat de belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht erin gelegen is dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, ondermeer opdat hij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Het is noodzakelijk doch voldoende dat de beslissing duidelijk de redenen doet kennen die haar verantwoorden (...) Dat zulks betekent dat de motieven van de beslissing zelf tot uitdrukking dienen te worden gebracht aangezien uit de rechtspraak van de Raad van State valt af te leiden dat een formele motivering van een bestuurshandeling vereist is ondermeer als het een bestuurshandeling betreft met een quasi-jurisdictioneel karakter ( ...). Al te gemakkelijke of oppervlakkige motiveringen (...), algemene beschouwingen (...) voldoen niet aan de motiveringsverplichting. Vage, duistere of niet terzake dienende uitleg, onduidelijke, onnauwkeurige, ongeldige of niet-plausibele motivering vallen niet samen met een ‘afdoende’ motivering (...). De motivering moet in rechte en in feite evenredig zijn met het belang van de genomen beslissing, ze moet evenredig zijn met de omvang van de discretionaire bevoegdheid waarover het bestuur beschikt en ze moet de beslissing verantwoorden. Wanneer de overheid over een discretionaire bevoegdheid beschikt, met name wanneer het bestuur de vrijheid heeft om al dan niet een beslissing te nemen, of de keuze heeft tussen verschillende mogelijke beslissingen dan moet het bestuur zijn keuze verplicht verantwoorden en moeten precieze, juiste, pertinente volledige, duidelijke en niet tegenstrijdige motieven uitdrukkelijk en nauwkeurig worden vermeld (...). X-13.874-8/11 De motieven van de overheidsbeslissing moeten duidelijk, logisch en consistent zijn, aanvaardbaar zijn met het oog op recht, de feiten en het beleid. Een motivering van een besluit waarbij aan het bestuur beleidsvrijheid gelaten wordt kan enkel als draagkrachtig worden aanvaard zo daarbij aangeknoopt wordt bij een beleid. De motivering wordt derhalve aan het beleid getoetst dat vaak is neergelegd in richtlijnen en beleidsregels (...). Een stedenbouwkundige vergunning moet het beschikkend gedeelte van het advies van de gemachtigde ambtenaar overnemen conform artikel 43 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996. Deze verplichting ontslaat het college van burgemeester en schepenen er echter niet van zelf de zaak te onderzoeken en in de beslissing de eigen motieven tot het verlenen of het weigeren van een vergunning te vermelden, te meer daar het college de plaatselijke situatie zoveel beter kent dan de gemachtigde ambtenaar. Wanneer de beslissing zich enkel beperkt tot het overnemen van het beschikkend gedeelte van het advies van de gemachtigde ambtenaar en geen eigen motieven bevat, is de formele motiveringsplicht duidelijk geschonden (...). Bovendien heeft de Raad van State inzake bouw- en verkavelingsvergunningen meermaals de algemene regels herhaald dat de beslissing de juridische en feitelijke gegevens dient te vermelden waarop zij steunt en dat enkel met deze feitelijke gegevens rekening kan worden gehouden (...). De motivering waarom iets stedenbouwkundig verenigbaar is met een bepaalde omgeving of de goede plaatselijke aanleg niet verstoort, is immers per definitie een beoordeling in feite en de Raad van State moet al de feitelijke gegevens die de beslissing kunnen verantwoorden hierin aantreffen. Stijlformules zijn dan ook uit den boze (...). In ieder geval kan in voorliggend geval zonder enige twijfel gesteld worden dat de precieze, juiste, pertinente volledige, duidelijke en niet tegenstrijdige motieven noch uitdrukkelijk noch nauwkeurig worden vermeld maar duidelijk afwezig zijn. Het bestreden besluit schendt dan ook de motiveringsplicht”. Beoordeling 14. Het bestreden besluit bevat drie decisieve weigeringsgronden. Ten eerste wordt overwogen dat de aanvraag zonevreemde constructies in natuurgebied betreft, waarvoor de uitzonderingsbepalingen van het toentertijd geldende artikel 145bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening niet kunnen worden toegepast vermits niet aangetoond wordt dat de constructies als vergund kunnen worden beschouwd. Ten tweede stelt het besluit dat “uit het negatieve advies van het agentschap natuur en Bos (...) blijkt dat er (...) significant negatieve effecten op de beschermde soorten en habitats te verwachten zijn”. Ten slotte wordt ook een strijdigheid met de goede ruimtelijke ordening vastgesteld aangezien “de gebouwen tevens bijzonder onesthetisch zijn en op geen enkele manier rekening houden met de kwaliteiten van het gebied”. X-13.874-9/11 15. De verzoeker bestrijdt in zijn middel enkel het eerste weigeringsmotief, waardoor de twee overige motieven onaangetast blijven. In het licht van het feit dat de twee laatstgenoemde motieven het bestreden besluit kunnen schragen, wordt in het enig middel een overtollig weigeringsmotief bekritiseerd. Kritiek op een dergelijk motief kan niet leiden tot de nietigverklaring van het bestreden besluit. 16. In zoverre de verzoeker in zijn laatste memorie alsnog kritiek formuleert op het tweede en het derde weigeringsmotief door te stellen dat ze “algemene gemeenplaatsen (...) zonder (...) enige uitleg” zijn en te betogen dat “de kritiek die (...) gegeven werd op het motief in het verzoekschrift (...) over de ganse lijn te geven valt op het volledige besluit en dit op alle motieven die in het besluit worden aangehaald”, breidt hij op laattijdige en derhalve onontvankelijke wijze zijn middel uit. 17. Het enig middel wordt verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. X-13.874-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig juni 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-13.874-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.828 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div