id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.830 Rolnummer: A. 162555/IX-4898 Zaak: Arrest 205830 - Wegverkeer van goederen - 28/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-30 Raadplegingen: 231 - laatst gezien 2026-07-02 10:13 Fiche Arrest nr 205.830 van 28 juni 2010 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 205.830 van 28 juni 2010 in de zaak A. 162.555/IX-4898 In zake :
- SPRL SOTEXBOIS
- FEDERATION BELGE DES EXPLOITANTS FORESTIERS ET DES MARCHANDS DE BOIS DE MINE ET DE PAPETE- RIE (FEDEMAR) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Eric Anciaux de Faveaux kantoor houdend te Namen Chaussée de Dinant 275 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 17 mei 2005, strekt tot de nietigverkla- ring van de beslissing van 17 maart 2005 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur tot bevestiging van de beslissing van 6 december 2004 van de wegeninspecteur-controleur waarbij de SPRL SOTEX- BOIS burgerrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van een administra-tieve geldboete van 2750 euro wegens beschadiging van het wegdek door overlading van een voertuig. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. IX-4898-1/13 Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. De partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 juni
- Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Valentine de Francquen, die loco advocaat Eric Anciaux de Faveaux verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Inneke Bockstaele, die loco advocaat Paul Aerts verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 7 mei 2004 wordt een vrachtwagen met oplegger van de eerste verzoekende partij, geladen met hout, op de gewestweg R25 te Aarschot door de wegeninspectie gecontroleerd. Bij weging wordt op de totale sleep een overlading van 13,8 % vastgesteld. Er wordt een proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 56 van het decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 (hierna afgekort : “Aslastendecreet”). 3.
- Op 18 juni 2004 wordt het proces-verbaal overgemaakt aan de procureur des Konings te Leuven met het verzoek om overeenkomstig artikel 59 van het Aslastendecreet binnen een termijn van 90 dagen mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven. Daarop wordt door het parket medegedeeld dat geen strafvervolging werd ingesteld. IX-4898-2/13 3.
- Bij aangetekende brief van 19 augustus 2004 deelt de wegeninspecteur-controleur aan de eerste verzoekende partij zijn voornemen mee om een administratieve geldboete van 2750 euro op te leggen. De kennisgeving vermeldt dat de eerste verzoekende partij, indien zij dat wenst, zal worden gehoord op de hoorzitting van 9 november
- 3.
- Op 9 november 2004 heeft een hoorzitting plaats waarbij de zaakvoerder van de eerste verzoekende partij en haar raadsman door de wegeninspecteur-controleur worden gehoord. 3.
- Op 6 december 2004 beslist de wegeninspecteur-controleur aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 2750 euro op te leggen. Die beslissing wordt met een aangetekende brief van dezelfde datum aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. 3.
- Bij aangetekende brief van 17 december 2004 stelt de eerste verzoekende partij tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie. 3.
- Op 15 februari 2005 wordt de eerste verzoekende partij, vertegenwoordigd door haar raadsman, door een ambtenaar van de wegeninspectie gehoord. 3.
- Op 17 maart 2005 beslist de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur dat het beroep ontvankelijk maar ongegrond is en dat de beslissing van de wegeninspecteur-controleur wordt bevestigd. Dit is de bestreden beslissing. Zij steunt op de volgende motieven: “[...] Overwegende dat appellante, vooreerst, de bevoegdheid van het Vlaams gewest inzake het opleggen van administratieve geldboetes wegens beschadi- ging van het wegdek door overlading in twijfel wenst te trekken; Overwegende dat het Arbitragehof reeds op 6 december 2000 (arrest 128/2000) de bevoegdheid van het gewest voor het bestraffen van beschadi- gingen aan het wegdek wegens gewichtsoverschrijding heeft bevestigd; IX-4898-3/13 dat de bevoegdheid gestoeld is op haar bevoegdheid voor de wegen en hun aanhorigheden; Overwegende dat appellante, ten onrechte, van mening is dat de schade aan het wegdek steeds opnieuw moet bewezen worden door het Vlaams gewest; Overwegende dat het Arbitragehof heeft gesteld dat het instellen van een weerlegbaar vermoeden van wegdekbeschadiging, bij overschrijding van de maximaal toegelaten massa’s, geen schending van het EVRM of de Grondwet uitmaakt; Dat er immers redelijkerwijze kan worden aangenomen dat er een verband is tussen overschrijding van de federale aslastenbeperkingen en schade aan het wegdek; Dat dit evenwel een weerlegbaar vermoeden is dat te allen tijde door appellante kan weerlegd worden; Dat evenwel geen dergelijk tegenbewijs werd geleverd; Dat er aldus met een terecht vermoeden van wegdekbeschadiging werd rekening gehouden bij het opleggen van de administratieve geldboete; Overwegende dat appellante meent dat in eerste aanleg, ten onrechte, geen rekening werd gehouden met verzachtende omstandigheden; Overwegende dat voornoemd decreet, noch voor de wegeninspecteur- controleur, noch voor de Vlaamse minister, noch voor de politierechter, de mogelijkheid voorziet om rekening te houden met verzachtende omstandig- heden; Dat het niet rekening houden met eventuele verzachtende omstandigheden geen ongelijkheid in het leven roept tussen verschillende overtreders; Overwegende dat appellante de berekening van het bedrag van de administratieve geldboete in twijfel trekt; Overwegende dat bij het berekenen van het juiste bedrag van de administra- tieve geldboete rekening moet gehouden worden met de volgende twee wettelijke bepalingen : - artikel 5 van het decreet van 7 december 2001 tot regeling van enkele gevolgen van de invoering van de euro in de Vlaamse regelgeving : ‘De bedragen van de geldsommen waarop de opdeciemen, bedoeld in de wet van 5 mei 1952 betreffende de opdeciemen op de strafrechtelijke geldboeten, worden toegepast, worden geacht rechtstreeks te zijn uitgedrukt in euro zonder omrekening.’, - artikel 1 van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdeciemen op de strafrechtelijke geldboeten, gewijzigd bij artikel 36 van de wet van 7 februari 2003 : ‘Het bedrag der strafrechtelijke geldboeten uitgesproken door de hoven en rechtbanken krachtens het Strafwetboek en de bijzonde- re, zelfs van na deze wet daterende wetten en reglementen, wordt met vijfenveertig decimes verhoogd, zonder dat die verhoging het juridisch karakter van die boeten wijzigt.’, Overwegende dat de maximaal toegelaten massa van de sleep in casu met 13,8 % overschreden werd; Overwegende dat artikel 57 van voormeld decreet de minimumboete bij een overbelasting van 10 tot minder dan 20 % vastlegt op 500 frank; IX-4898-4/13 Dat dit in toepassing van het hiervoor vermelde artikel 5 van het decreet van 7 december 2001 moet gelezen worden als ‘500 euro’; Overwegende dat verhogen met vijfenveertig opdeciemen wil zeggen dat elke deciem van de boete 45 meer waard is dan voorzien in het decreet; Dat 500 gelijk is aan 50 deciemen; Dat elke deciem aldus gelijk is aan 10 + 45; Dat dit 50 maal moet toegepast worden; Dat men aldus komt aan 275 deciemen of te wel 2750 euro; Overwegende dat, na grondig onderzoek van het dossier, het misdrijf als bewezen wordt beschouwd; Dat het opleggen van een administratieve geldboete aldus verantwoord is; Dat de beslissing van de wegeninspecteur-controleur kan bevestigd worden”. Deze beslissing wordt bij aangetekende brief van 17 maart 2005 aan de eerste verzoekende partij ter kennis gebracht. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
- De verwerende partij werpt als exceptie op, dat de bestreden beslissing een louter individuele beslissing is die enkel betrekking heeft op de eerste verzoekende partij. De tweede verzoekende partij is een belangenvereniging die niet over het rechtens vereiste belang zou beschikken om die individuele beslissing voor de Raad van State aan te vechten.
- De tweede verzoekende partij antwoordt dat zij overeenkomstig haar statutaire opdracht de belangen van haar leden verdedigt en dat zij derhalve kan opkomen tegen een beslissing die de financiële en professionele belangen van de houtvervoerders raakt. De bestreden beslissing is immers gesteund op bepalingen die straffen opleggen voor de beschadiging van het wegdek door overlading, wat de gemeenschappelijke belangen van de houtvervoerders raakt. Beoordeling
- De tweede verzoekende partij is een vereniging zonder winstoog- merk die luidens artikel 2 van haar statuten tot doel heeft “de studie, de bescherming en de ontwikkeling van de beroepsbelangen van haar leden, zowel op regionaal, nationaal en internationaal vlak”. Te dien einde kan zij zich onder meer bezighouden IX-4898-5/13 met “de vertegenwoordiging van haar leden bij de openbare machten en privé- instellingen voor de verdediging van hun gemeenschappelijke belangen”. Een overeenkomstig de wet van 27 juni 1921 opgerichte vereniging die voor de bescherming van bepaalde beroepsbelangen werd opgericht, kan voor de Raad van State alleen in rechte treden ter bescherming van de collectieve belangen van haar leden, maar niet ter bescherming van de persoonlijke belangen van welbepaalde individualiseerbare leden. De statuten van de tweede verzoekende partij verwijzen overigens naar de verdediging van “gemeenschappe- lijke belangen”. Hoewel de bestreden beslissing gesteund is op bepalingen die gelden voor alle leden van de tweede verzoekende partij, raakt die beslissing niet rechtstreeks aan de “gemeenschappelijke belangen” van de leden van de tweede verzoekende partij, maar treft zij enkel de eerste verzoekende partij. Het beroep is derhalve, wat de tweede verzoekende partij betreft, onontvankelijk. De exceptie is gegrond. V. Onderzoek van de middelen Enig middel Standpunt van de partijen
- In een enig middel voert de eerste verzoekende partij de schending aan van het evenredigheidsbeginsel en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Zij voert aan dat de bestreden beslissing niet afdoende gemoti- veerd is, aangezien deze slechts uit een stijlformule bestaat en niet werd ingegaan op het argument dat het gewicht van de lading en de verdeling ervan over de assen van de vrachtwagen bij het transport van hout moeilijk valt in te schatten. IX-4898-6/13 Bovendien moet volgens de eerste verzoekende partij worden nagegaan of de gewestelijke maatregelen ter voorkoming van beschadiging van het wegdek geen inbreuk uitmaken op de federale bevoegdheid om de technische eisen van voertuigen te bepalen. Verder meent zij dat het Aslastendecreet gesteund is op een onwettig strafrechtelijk vermoeden. Het Vlaamse Gewest had derhalve eerst het bestaan van een schade ingevolge de overlading moeten aantonen alvorens een administratieve geldboete kon worden opgelegd. De eerste verzoekende partij merkt voorts op dat bij de hoorzit- tingen de ambtenaren van het Vlaamse Gewest zich beperkt hebben tot de loutere toepassing van het decreet, zonder rekening te houden met verzachtende omstandig- heden, zodat er geen effectieve beroepsmogelijkheid was. Ook betoogt zij dat de vrachtwagen geschikt was om een zwaardere lading te vervoeren. Aangezien het bij een lading boomstammen moeilijk is om het juiste gewicht en de verdeling daarvan over de assen te bepalen, is een zekere tolerantie volgens haar vereist. Wat de berekening van de administratieve geldboete betreft, is een bedrag van 2750 euro volgens de eerste verzoekende partij onjuist, aangezien de overlading geen 20 % maar slechts 13,8 % bedroeg. Bovendien acht zij de administratieve geldboete onevenredig zwaar, aangezien de procureur des Konings bij een overlading van acht ton een minnelijke schikking van slechts 992 euro zou voorstellen.
- De verwerende partij antwoordt dat het Vlaamse Gewest bevoegd is om administratieve geldboetes op te leggen wegens beschadiging van het wegdek. Deze gewestelijke bevoegdheid doet immers geen afbreuk aan de federale bevoegdheid om technische voorschriften inzake verkeers- en vervoermiddelen aan te nemen. Inbreuken op artikel 56 van het Aslastendecreet zijn volgens de verwerende partij reglementaire misdrijven. Bij dergelijke misdrijven volstaat het aan te tonen dat de dader de strafbare gedraging gesteld heeft. De niet betwiste IX-4898-7/13 overlading van het voertuig maakt derhalve op zich een fout uit die het opleggen van de administratieve geldboete verantwoordt. Teneinde de administratieve geldboete te kunnen opleggen, is volgens de verwerende partij niet vereist dat niet alleen de overlading van het voertuig, maar ook de beschadiging van het wegdek en het oorzakelijk verband tussen die beschadiging en de overlading zou moeten worden vastgesteld. Het gaat overigens veelal om latente schade, die zich veel later manifesteert en mede door andere overtreders wordt veroorzaakt. De verwerende partij voert verder aan dat bij het opleggen van de administratieve geldboete de door het decreet voorgeschreven procedure gevolgd werd. Het argument van de verzoekende partij dat het bij het vervoer van boomstammen onmogelijk zou zijn om het gewicht per as te verdelen, is volgens de verwerende partij niet relevant, aangezien de vervoerder de nodige maatregelen moet nemen opdat het voertuig niet overladen zou zijn. Voorts betoogt de verwerende partij dat het middel feitelijke grondslag mist, voor zover de verzoekende partij stelt dat de berekening van de administratieve geldboete gesteund is op een overlading van 20 % en niet van 13,8 %. Bovendien wijst de verwerende partij er op dat het tarief van de administratieve geldboete overeenkomstig de bepalingen van het decreet gelijk is aan de minimum geldboete zoals bepaald in artikel 57 van het decreet. Waar de verzoekende partij stelt dat de administratieve geldboete niet evenredig is met de overlading, zou zij derhalve kritiek uitoefenen op de bepalingen van het decreet en niet op de bestreden beslissing.
- De eerste verzoekende partij repliceert dat de verwerende partij niet antwoordt op het argument dat het gewicht van de lading en de verdeling ervan over de assen van de vrachtwagen bij het transport van hout moeilijk valt in te schatten. Zij herhaalt dat moet worden nagegaan of de gewestelijke maatregelen ter voorkoming van beschadiging aan het wegdek geen inbreuk uitmaken op de federale bevoegdheid om de technische eisen van voertuigen te bepalen. Ook houdt de eerste IX-4898-8/13 verzoekende partij staande dat het Vlaamse Gewest de schade aan het wegdek had moeten bewijzen en dat het decreet niet blindelings mocht worden toegepast, nu het voor de eerste verzoekende partij onmogelijk was om het gewicht van de lading te controleren. Zij voegt hieraan toe dat de Raad van State in laatste aanleg kan oordelen, zonder in de plaats van het bestuur te beslissen. Beoordeling
- Op het ogenblik van de bestreden beslissing luidde artikel 56, eerste lid, van het Aslastendecreet als volgt: “Het is verboden het wegdek te beschadigen door een overschrijding van de maximale toegelaten massa’s of massa’s onder de assen zoals bepaald in de artikelen 18, §§ 1, 2 of 32bis, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.” Uit de parlementaire voorbereiding van die bepaling blijkt dat werd verwezen naar het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen, omdat “uit onderzoek van onder meer het Opzoekingscentrum van de Wegengebouw (...) gebleken (is) dat voertuigen die niet voldoen aan deze normen een abnormale slijtage aan het wegdek teweegbrengen”. Het Hof van Cassatie heeft bij arrest van 21 september 2004 (AR P.04.0717.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040921.18, V.A.V., 2005, afd.2, p. 123), overwogen dat de overschrijding van de maximale toegelaten massa’s of massa’s onder de assen in artikel 56 van het Aslastendecreet strafbaar is. Het Hof oordeelde dat het materiële bestanddeel van het misdrijf bewezen is wanneer de overschrijding van de maximale toegelaten massa’s of massa’s onder de assen aangetoond is. De Raad van State treedt het standpunt van het Hof van Cassatie bij. Om een inbreuk op artikel 56 van het Aslastendecreet te kunnen vaststellen is derhalve niet vereist dat, behalve de overlading, ook de beschadiging IX-4898-9/13 van het wegdek en het oorzakelijk verband tussen de overlading en de beschadiging van het wegdek wordt aangetoond. De beslissing waarbij een administratieve geldboete wegens inbreuk op artikel 56 van het Aslastendecreet wordt opgelegd, is derhalve afdoende gemotiveerd wanneer in die beslissing de overlading van het voertuig wordt vastgesteld. Aan die vereiste is voldaan nu in de bestreden beslissing wordt vastgesteld “dat de maximaal toegelaten massa van de sleep in casu met 13,8 % overschreden werd”.
- Voor zover de eerste verzoekende partij aanvoert dat moet worden nagegaan of de gewestelijke maatregelen ter voorkoming van beschadiging aan het wegdek geen inbreuk uitmaken op de federale bevoegdheid om de technische eisen van voertuigen te bepalen, is het middel niet gericht tegen de bestreden beslissing, maar tegen de decretale bepalingen die de rechtsgrond vormen van die beslissing. Volledigheidshalve kan worden opgemerkt dat het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 127/2000 van 6 december 2000 bevestigd heeft dat de gewesten bevoegd zijn om op grond van artikel 6, § 1, X, 1/, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen normen aan te nemen ter bescherming van de wegeninfrastructuur, onder meer ter bestrijding van schade aan het wegdek ingevolge spoorvorming en om op de niet-naleving van dergelijke normen straffen te stellen. Het Hof stelde bovendien dat het hanteren door de decreetgever van criteria die door de federale overheid zijn vastgesteld er niet toe leidt dat de decreetgever zijn eigen bevoegdheid overschrijdt, nu de Vlaamse decreetgever die criteria enkel aanwendt voor het uitoefenen van een bevoegdheid die hem uitdrukkelijk is toegewezen, namelijk de zorg voor de wegeninfrastructuur.
- Volgens de eerste verzoekende partij zou het Aslastendecreet steunen op een onwettig strafrechtelijk vermoeden. Ook deze grief betreft niet de bestreden beslissing, maar wel de decretale bepalingen waarop die beslissing is gesteund. IX-4898-10/13 Bovendien heeft het Grondwettelijk Hof in verband met het vermoeden van wegdekbeschadiging reeds overwogen dat, aangezien kan worden aangenomen dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de overschrijding van de federale aslastenbeperkingen en de beschadiging van het wegdek, de gewichtsover- schrijding van het voertuig, die wordt gemeten aan de hand van criteria die door de federale overheid zijn vastgesteld, een verantwoorde aanwijzing is dat het misdrijf is gepleegd. Het Hof oordeelde dat artikel 56 van het Aslastendecreet niet ongrondwettig is, indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het geen onweerleg- baar vermoeden van wegdek-beschadiging inhoudt (arrest nr. 81/2003 van 11 juni 2003). De eerste verzoekende partij stelt enkel dat het Aslastendecreet een onwettig strafrechtelijk vermoeden instelt. Zoals in de bestreden beslissing is gesteld, weerlegt zij evenwel het vermoeden van wegdekbeschadiging niet.
- Volgens de eerste verzoekende partij zou onvoldoende rekening zijn gehouden met de moeilijkheid om het gewicht van de lading in te schatten en over de assen van het voertuig te verdelen. Er zou ten onrechte geweigerd zijn rekening te houden met verzachtende omstandigheden daar waar, gezien de omstandigheden, bij de toepassing van het decreet een zekere tolerantie zou zijn vereist. Het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 8 oktober 2002 (AR P.01.1149.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021008.14), aangenomen dat wanneer de wet in de delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt, zoals bij verkeersovertredingen, de rechter de schuld kan afleiden uit het materiële feit van de overtreding, voor zover de overtreder geen grond van rechtvaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aannemelijk maakt. In een arrest van 2 november 2004 (AR P.04.0767.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.8), oordeelde het Hof van Cassatie met betrekking tot de misdrijven bedoeld in de artikelen 18, §§ 1 en 2, en 26 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen: “[...] dat die bepalingen inhouden dat eenieder die een voertuig gebruikt, zich ervan moet vergewissen dat het gewicht in beladen toestand ervan niet meer bedraagt dan het hoogst toegelaten gewicht, ook al heeft hij zelf het voertuig niet geladen; dat het verzuim daaraan te voldoen het opzet of de IX-4898-11/13 schuldige nalatigheid kan uitmaken vereist opdat het morele bestanddeel van het misdrijf zou bestaan.” Het argument van de moeilijkheid om het gewicht van de lading in te schatten en over de assen van het voertuig te verdelen, kan niet rechtvaardigen waarom de chauffeur verzuimd heeft zich ervan te vergewissen dat het gewicht in beladen toestand het toegelaten gewicht niet overschreed. Het feit dat de maximaal toegelaten massa van de sleep met liefst 13,8 % (meer dan 6000 kg) overschreden werd, wijst er trouwens op dat de chauffeur zich weinig of niet om het gewicht van de lading bekommerd heeft. Voorts was op het ogenblik van de bestreden beslissing, luidens artikel 59, § 2, van het Aslastendecreet, het tarief van de administratieve geldboete gelijk aan de minimum geldboete overeenkomstig het overbelastingspercentage zoals bepaald in artikel 57, verhoogd met de opdeciemen. Op dat ogenblik was het de wegeninspecteur-controleur en de Vlaamse Regering niet toegelaten om bij het opleggen van een administratieve geldboete onder dat wettelijk minimum te gaan. In deze mogelijkheid is slechts voorzien bij decreet van 24 juni
- Er was derhalve geen wettelijke grondslag om aan de eerste verzoekende partij wegens verzachtende omstandigheden een lagere administratieve geldboete op te leggen.
- Tenslotte voert de eerste verzoekende partij aan dat de administra- tieve geldboete onjuist berekend zou zijn en dat het bedrag ervan in wanverhouding zou staan tot de minnelijke schikking die in dergelijk geval door de procureur des Konings zou worden voorgesteld. Artikel 59, § 2, van het Aslastendecreet, zoals gewijzigd bij het decreet van 22 december 1999 en van kracht tot aan de wijziging bij het decreet van 24 juni 2005, bepaalde dat het tarief van de administratieve geldboete gelijk was aan de minimum geldboete, overeenkomstig het overbelastingspercentage, zoals bepaald in artikel 57, verhoogd met de opdeciemen. Artikel 57 van het Aslastendecreet voorzag tot aan de vervanging van die bepaling bij het decreet van 24 juni 2005 onder meer in een verschillend tarief, naargelang de overbelasting minder dan 5 %, 5 tot en met 10 %, 11 tot en met 20% of meer dan 20 % bedroeg. De regeling kwam erop neer dat bij een overbelasting van minder dan 5 % een administratieve geldboete van 550 euro verschuldigd was, bij een overbelasting van 5 tot en met 10 % een administratieve geldboete van 1650 euro, bij een overbelasting van 11 tot IX-4898-12/13 en met 20 % een administratieve geldboete van 2750 euro en bij een overbelasting van meer dan 20 % een administratieve geldboete van 4125 euro. Te dezen heeft de verwerende partij vastgesteld dat de maximum toegelaten massa van de sleep overschreden is met 13,8 %. In de bestreden beslissing wordt dan ook terecht het tarief van 2750 euro toegepast. Voor zover de eerste verzoekende partij aanvoert dat het bedrag van de administratieve geldboete onevenredig hoog zou liggen, levert zij kritiek op de artikelen 57 en 59 van het Aslastendecreet waarbij het tarief van de administratie- ve geldboete wordt bepaald. Die kritiek kan niet leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing.
- Het middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 juni 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-4898-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.830 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021008.14 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040921.18 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.