id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.833 Rolnummer: A. 154317/IX-4613 Zaak: Arrest 205833 - Wegverkeer van goederen - 28/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-30 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-07-02 10:14 Fiche Arrest nr 205.833 van 28 juni 2010 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 205.833 van 28 juni 2010 in de zaak A. 154.317/IX-4613 In zake : de NV SHANKS TRANSPORT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederick Vanden Bogaerde kantoor houdend te Kortemark Torhoutstraat 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 30 juli 2004, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 2 juni 2004 van de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie houdende de verwerping van het beroep van de NV SHANKS TRANSPORT tegen de beslissing van 24 februari 2004 van de wegeninspecteur- controleur waarbij haar een administratieve geldboete van 2500 euro wordt opgelegd wegens beschadiging van het wegdek door overlading van een voertuig. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. IX-4613-1/18 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben elk een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 juni
- Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Valentine de Francquen, die loco advocaat Frederick Vanden Bogaerde verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Inneke Bockstaele, die loco advocaat Paul Aerts verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 24 september 2003 werd een vrachtwagen van de verzoekende partij, bestuurd door Geert Ampe, door de wegeninspectie gecontroleerd op de autosnelweg E40 te Wetteren. Bij weging werd een overlading vastgesteld van 11,1%. Er werd proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 56 van het decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 (hierna afgekort : “Aslastendecreet”). 3.
- Op 17 oktober 2003 werd het proces-verbaal overgemaakt aan de procureur des Konings te Dendermonde met het verzoek om overeenkomstig artikel 59 van het Aslastendecreet binnen een termijn van 90 dagen (eventueel verlengbaar met 30 dagen) mee te delen welk gevolg aan de zaak zou worden gegeven. Daarop werd medegedeeld dat het parket geen vervolging zou instellen. IX-4613-2/18 3.
- Met een brief van 27 november 2003 deelde de wegeninspecteur- controleur aan de verzoekende partij zijn voornemen mee om een administratieve geldboete van 2500 euro op te leggen. In die brief werd de verzoekende partij ook uitgenodigd voor een hoorzitting op 26 januari
- De verzoekende partij ging hier niet op in. Op 24 februari 2004 besliste de wegeninspecteur-controleur dienvolgens om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 2500 euro op te leggen. Dezelfde dag werd die beslissing aan de verzoekende partij toegezonden. 3.
- Op 4 maart 2004 tekende de verzoekende partij beroep aan tegen die beslissing. 3.
- Op 4 mei 2004 werd de verzoekende partij, vertegenwoordigd door haar raadsman, door de directeur van de wegeninspectie gehoord. Zij diende ook een nota in. 3.
- Op 2 juni 2004 besliste de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie dat het beroep tegen de beslissing van de wegeninspecteur-controleur ontvankelijk maar ongegrond is en dat die beslissing wordt bevestigd. Dit is de bestreden beslissing. Zij werd met een aangetekende brief van 3 juni 2004 aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- De verzoekende partij roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van artikel 59, §§ 3 en 4, van het Aslastendecreet. Zij voert aan dat zij niet heeft kunnen nagaan of de procureur des Koning binnen de negentig dagen na IX-4613-3/18 de ontvangst van het proces-verbaal zijn standpunt met betrekking tot de eventuele strafvervolging heeft medegedeeld.
- De verwerende partij antwoordt dat het proces-verbaal bij brief van 17 oktober 2003 aan de procureur des Konings te Dendermonde werd overgemaakt met de vraag om binnen de termijn van 90 dagen (eventueel verlengbaar met 30 dagen) mede te delen welk gevolg zijn ambt aan de zaak zou geven. Op 6 november 2003 heeft de administratie Wegen en Verkeer het antwoord van de procureur des Konings, dat het proces-verbaal zonder gevolg wordt gerangschikt, ontvangen. De procureur des Konings heeft, aldus de verwerende partij, wel degelijk en tijdig een beslissing tot niet-vervolging genomen en ter kennis van de administratie gebracht.
- In haar memorie van wederantwoord schrijft de verzoekende partij dat zij niet langer in dit middel volhardt, gelet op de memorie van antwoord waarin het bewijs wordt geleverd dat de procureur des Konings tijdig zijn standpunt heeft meegedeeld. Beoordeling
- De Raad van State begrijpt deze verklaring als een afstand van het middel. Dit wordt door de verzoekende partij ook bevestigd in haar laatste memorie. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
- In een tweede middel voert de verzoekende partij aan dat Vanschoren als jurist bij de afdeling Wegenbeleid en Beheer, Wegeninspectie, de hoorzitting heeft voorbereid en begeleid en dit zowel in eerste aanleg als in beroep, waardoor hij de beslissing in beroep heeft kunnen beïnvloeden, zoals hij dit in eerste aanleg heeft gedaan, terwijl de mogelijkheid dat iemand zowel in eerste aanleg als in beroep zetelt, moet worden uitgesloten. IX-4613-4/18
- De verwerende partij antwoordt dat in eerste aanleg geen hoorzitting heeft plaatsgevonden, dat bij de hoorzitting in beroep Vanschoren slechts aanwezig was, terwijl de verzoekende partij gehoord werd door Claessens en dat daarna de beslissing genomen werd door de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie. Volgens de verwerende partij blijkt uit geen enkel document dat de beslissing genomen of beïnvloed werd door Vanschoren.
- De verzoekende partij repliceert dat Vanschoren zowel in eerste aanleg als in beroep de administratieve procedure heeft begeleid en dat bijgevolg de vraag rijst of hij vanuit zijn functie de genomen beslissingen zowel in eerste aanleg als in beroep heeft kunnen beïnvloeden. Zij meent dat Vanschoren daarover als getuige moet worden gehoord. Beoordeling
- De verzoekende partij laat na in het middel aan te geven welke rechtsregel of welk rechtsbeginsel zij geschonden acht door het feit dat dezelfde ambtenaar zowel in eerste aanleg als in beroep de administratieve procedure zou hebben begeleid. Het middel is derhalve niet ontvankelijk. C. Derde middel Eerste onderdeel Standpunt van de partijen
- De verzoekende partij voert in een eerste onderdeel van een derde middel de schending aan van artikel 6.2 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna : EVRM) en van het persoonlijk karakter van de straf, doordat een straf wordt opgelegd aan iemand die niet de dader is. Zij verwijst naar artikel 59, § 5, van het Aslastendecreet dat stelt dat wanneer het misdrijf is begaan door een aangestelde of een lasthebber, de administratieve geldboete alleen door de werkgever verschuldigd is. Zij stelt, onder IX-4613-5/18 verwijzing naar arresten van 11 juni en 24 september 2003 van het Grondwettelijk Hof, dat de administratieve geldboete een strafrechtelijk karakter heeft aangezien het doel ervan louter repressief is, namelijk het beboeten van degenen die het wegdek beschadigen. Dit repressief doel wordt, aldus de verzoekende partij, beklemtoond door twee elementen. Enerzijds worden de tarieven van de geldboete gelijkgeschakeld met de tarieven van artikel 57 van het Aslastendecreet, dat een strafbepaling inhoudt, en niet met de tarieven van artikel 58, dat een vorm van schadeloosstelling bepaalt. Anderzijds doet het betalen van de administratieve geldboete overeenkomstig artikel 60, § 4, eerste lid, van het Aslastendecreet de strafvordering automatisch vervallen. De verzoekende partij besluit dat de administratieve geldboete aldus een straf is in de zin van artikel 6 van het EVRM. Vermits een straf enkel kan worden opgelegd aan de dader ingevolge het persoonlijk karakter van de straf, meent de verzoekende partij dat voormeld artikel 59, § 5, het persoonlijk karakter van de straf miskent, doordat het een straf oplegt aan iemand die niet de dader, mededader of medeplichtige is, doch louter de werkgever van de dader, mededader of medeplichtige. De verzoekende partij wenst, onder voorbehoud van een juiste formulering, aan het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag te stellen of de administratieve geldboete voorzien in artikel 59 e.v. van het Aslastendecreet een straf is in de zin van artikel 6.2 EVRM en zo ja, of artikel 59, § 5, van dat decreet artikel 6.2 EVRM en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt.
- De verwerende partij antwoordt, onder verwijzing naar het arrest nr. 127/2000 van 6 december 2000 van het Grondwettelijk Hof, dat het kwalificeren van een administratieve geldboete als een straf in de zin van artikel 6 EVRM niet tot gevolg heeft dat die boete naar Belgisch recht een strafrechtelijk karakter zou hebben. Bovendien heeft artikel 59, § 5, van het Aslastendecreet niet het karakter van een strafrechtelijke veroordeling ten aanzien van de werkgever, te meer daar diens aansprakelijkheid enkel kadert in een administratieve procedure en er dus naar Belgisch recht geen sprake kan zijn van een straf. Aldus meent de verwerende partij dat de verplichting van de werkgever tot betaling van de administratieve geldboete, opgelegd aan zijn werknemer, de burgerlijke aansprakelijkheid van de werkgever betreft. IX-4613-6/18 Voorts betoogt de verwerende partij dat de verzoekende partij geen argument kan vinden in het onderscheid tussen artikel 57 en 58 van het Aslastendecreet. De verwerende partij stelt dat artikel 58 de invoering van een solidariteitsbijdrage betreft, die blijkens de parlementaire voorbereiding geen straf is, en dat het feit dat de administratieve geldboete niet wordt gelijkgesteld met die solidariteitsbijdrage geenszins inhoudt dat die boete strafrechtelijk zou zijn. Nu het Grondwettelijk Hof reeds meermaals heeft benadrukt dat de administratieve geldboete voorzien in voormeld artikel 59 niet van strafrechtelij- ke aard is, dient volgens de verwerende partij niet te worden ingegaan op het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag aan dat Hof.
- De verzoekende partij repliceert dat uit het arrest nr. 127/2000 van 6 december 2000 van het Grondwettelijk Hof duidelijk blijkt dat de administratieve geldboete een straf is in de zin van artikel 6 en 7 EVRM. Vervolgens wijst de verzoekende partij op artikel 6.2 EVRM, dat stelt dat eenieder die wordt vervolgd voor een strafbaar feit, onschuldig is totdat zijn schuld wordt bewezen. Men kan dan ook enkel vervolgd worden voor feiten die men heeft gepleegd. De verzoekende partij verwijst ter zake naar het arrest nr. 125/2003 van 24 september 2003 van het Grondwettelijk Hof waarin wordt gesteld dat het steeds mogelijk moet zijn om voor de rechter na te gaan of iemand enige schuld treft. De verzoekende partij stelt dat deze mogelijkheid ontnomen wordt door de regeling vastgesteld in artikel 59, § 5, van het Aslastendecreet, die voorziet in een systeem van kwalitatieve strafrechtelijke aansprakelijkheid waarin aan de werkgever een administratieve geldboete kan worden opgelegd zonder dat diens schuld onderzocht moet worden. De verzoekende partij haalt verder een beslissing van de verwerende partij aan waarin zou zijn gesteld dat voormeld artikel 59, § 5, artikel 6.2 EVRM schendt wanneer het geïnterpreteerd wordt als een exclusieve gehoudenheid van de werkgever voor de administratieve geldboete. Voorts wenst de verzoekende partij aan het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag te stellen of artikel 59, § 5, van het Aslastendecreet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6.2 EVRM, IX-4613-7/18 schendt, in de zin dat die bepaling een straf oplegt zonder dat het bewijs van de persoonlijke schuld van de werkgever moet worden geleverd.
- In haar laatste memorie betwist de verzoekende partij de vaststelling in het auditoraatsverslag dat artikel 59, § 5, van het Aslastendecreet een burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de werkgever in het leven roept. Zij wijst hiervoor op het feit dat enkel de werkgever is gehouden tot betaling, terwijl de overtreder zelf niet in de procedure wordt betrokken en hij ook niet gehouden is tot betaling van een administratieve geldboete voor feiten die hij heeft gepleegd. Zij verwijst ook naar de bewoordingen van het artikel en naar de parlementaire voorbereiding ervan. Voorts verwijst de verzoekende partij naar de wijzigingen van het Aslastendecreet door het decreet van 24 juni
- Aangezien nu wel degelijk sprake is van een burgerrechtelijke aansprakelijkheid, kan er in de oude versie van het decreet geen sprake zijn van een louter burgerrechtelijke gehoudenheid. Ter zake verwijst de verwerende partij ook naar de parlementaire voorbereiding van het decreet van 24 juni 2005 waarin is opgemerkt dat de onderneming burgerrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld, dat dergelijke regeling toegestaan is indien een wetsbepaling daarin uitdrukkelijk voorziet en dat de maatregel tot doel heeft de invordering van de geldboeten te vergemakkelijken. De verzoekende partij meent dat indien het Aslastendecreet ab initio in een burgerrechtelijke aansprakelijkheid had voorzien, dergelijke motivering voor de aanpassing ervan niet noodzakelijk was geweest. Zelfs de aanpassing op zich was niet nodig geweest. De verzoekende partij stelt dat waar de auditeur-verslaggever in zijn verslag de vergelijking maakt met artikel 67 van de Wegverkeerswet, deze vergelijking spaak loopt, nu er in dat geval helemaal geen sprake is van een exclusieve gehoudenheid in hoofde van de werkgever. De verzoekende partij wijst er ook op dat in voormeld artikel wel een uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek is ingebouwd, wat in het oude artikel 59, § 5, van het Aslastendecreet niet het geval was. Ten slotte besluit de verzoekende partij dat haar prejudiciële vraag, waarmee zij de toetsing van artikel 59, § 5, van het Aslastendecreet aan artikel 6 van het EVRM beoogt, wel degelijk gesteld dient te worden. IX-4613-8/18 Beoordeling
- Vóór de wijziging bij het decreet van 24 juni 2005 luidde artikel 59, § 5, van het Aslastendecreet als volgt : “§
- Wanneer het misdrijf bedoeld in artikel 56 begaan is door een aangestelde of een lasthebber is de administratieve geldboete alleen door de werkgever verschuldigd.” In artikel 60, §§ 1 en 2, zoals vervangen bij het decreet van 22 december 1999 en van kracht tot aan de wijziging bij het decreet van 24 juni 2005, is voorts sprake van “de overtreder of zijn (de) werkgever”. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij voorhoudt, blijkt uit die bepalingen dat het Aslastendecreet wel degelijk een onderscheid maakt tussen de overtreder en zijn werkgever. Als de overtreder voor eigen rekening rijdt, kan hem de boete worden opgelegd. Als de overtreder daarentegen een aangestelde of een lasthebber is, kan hem geen boete worden opgelegd, maar kan zijn werkgever wel burgerrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor de betaling van de boete. Die regeling is in dat opzicht vergelijkbaar met artikel 67 van de gecoördineerde wetten betreffende de politie op het wegverkeer, dat luidt als volgt : “Zij die overeenkomstig artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek burgerrechtelijk aansprakelijk zijn voor schadevergoeding en kosten zijn insgelijks aansprakelijk voor de geldboete. Met die personen wordt gelijkgesteld de voogd, wat betreft de misdrijven begaan door zijn ongehuwde, bij hem inwonende pupillen.” Volgens de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof kan een uitdrukkelijke wetsbepaling in een dergelijke afwijking van het gemeen recht voorzien. In het arrest nr. 70/2000 van 14 juni 2000 overwoog het Hof in verband met artikel 67 van de wegverkeerswet het volgende : “B.
- De wetgever was van oordeel dat, ten aanzien van de toenemende problemen van het wegverkeer en het grote aantal verkeersongevallen en ermede rekening houdend dat een stijgend aantal personen voor rekening rijdt van hun werkgever, bijzondere maatregelen dienden te worden genomen. Reeds sedert lang heeft hij aan de burgerlijk aansprakelijke persoon het betalen van geldboetes inzake wegverkeer opgelegd, zoals hij ook eerder heeft gedaan in andere materies, vooral in talrijke bepalingen van het sociaal strafrecht. Terwijl die maatregel tot doel heeft de invordering van geldboetes te vergemakkelijken, heeft hij ook als gevolg de situatie te verzwaren van de werkgever voor wiens IX-4613-9/18 rekening de beklaagde werkte op het ogenblik van de inbreuk. Die geldelijke maatregel is van burgerlijke aard. Hij heeft niet het karakter van een strafrechtelijke veroordeling ten aanzien van de tot de betaling gehouden persoon, die niet wordt beschouwd als de dader van de inbreuk, die overigens niet in zijn strafregister wordt vermeld.” De verwijzing van de verzoekende partij naar het decreet van 24 juni 2005 waarmee het Aslastendecreet wordt gewijzigd, in de zin dat sindsdien expliciet naar artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek wordt verwezen, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat ook in de versie van het Aslastendecreet toepasselijk in de voorliggende zaak, het gaat om een burgerrechtelijke aansprakelijkheid. Ook in de prejudiciële vraag die de verzoekende partij met betrekking tot artikel 59, § 5, van het Aslastendecreet aan het Grondwettelijk Hof wil laten stellen, gaat zij er ten onrechte van uit dat de werkgever strafrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de inbreuk die door zijn aangestelde of lasthebber werd begaan. Uit het feit dat de administratieve geldboete als strafrechtelijk in de zin van artikel 6 EVRM zou worden gekwalificeerd, volgt evenwel niet dat de verplichting tot betaling van de geldboete door de werkgever eveneens van strafrechtelijke en niet van burgerrechtelijke aard zou zijn. Om de werkgever voor de betaling van de administratieve geldboete aansprakelijk te kunnen stellen, moet niet de schuld van de werkgever, maar wel de schuld van diens aangestelde of lasthebber worden vastgesteld. De bepalingen van het Aslastendecreet sluiten niet uit dat de werkgever de schuld van zijn aangestelde of lasthebber kan betwisten en dat de aangestelde of lasthebber op verzoek van de werkgever door het bestuur wordt gehoord. Aangezien de prejudiciële vraag uitgaat van de onjuiste veronderstelling dat de verplichting tot betaling van de administratieve geldboete door de werkgever afwijkt van het strafrechtelijk principe dat eenieder slechts kan vervolgd worden voor feiten die hij zelf heeft gepleegd, is er geen reden om in te gaan op het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. Het eerste onderdeel van het middel faalt naar recht. IX-4613-10/18 Tweede onderdeel Standpunt van de partijen
- In een tweede onderdeel van het derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 6.2 van het EVRM, van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld in strafzaken en van de motiveringsplicht, doordat in de bestreden beslissing een totaal verkeerde interpretatie en motivatie wordt gegeven aan het moreel bestanddeel van het misdrijf. De verzoekende partij meent dat de bestreden beslissing tegenstrijdig is, vermits er enerzijds in erkend wordt dat het moreel bestanddeel van de inbreuk uit algemeen opzet bestaat en anderzijds wordt voorgehouden dat het om een onachtzaamheidsmisdrijf gaat. Volgens de verzoekende partij moet worden aangenomen dat het om een onachtzaamheidsmisdrijf gaat, gezien het niet de bedoeling kan zijn geweest om enkel die personen te bestraffen wier wil gericht was op het beschadigen van het wegdek. Zij stelt dat de bewijslast hierbij van die aard is dat in hoofde van de dader moet worden aangetoond dat hij redelijkerwijze had moeten of kunnen weten en voorzien dat zijn handelingen een beschadiging van het wegdek met zich zouden meebrengen. Vermits in de bestreden beslissing wordt erkend dat aan de chauffeur geen middelen ter beschikking stonden om het gewicht van zijn voertuig na te gaan vooraleer hij zich op de openbare weg begaf en uit het proces-verbaal blijkt dat hij verklaarde dat hij niet op de hoogte was van de overlading, kan volgens de verzoekende partij niet worden aangenomen dat de chauffeur kon weten dat hij overladen was, waardoor het moreel bestanddeel van het misdrijf niet is aangetoond. De verzoekende partij is van mening dat ingevolge de motivatie van de bestreden beslissing de bewijslast inzake het moreel bestanddeel van het misdrijf wordt omgekeerd. Het bestaan van dit moreel bestanddeel zou immers niet langer moeten worden aangetoond door de vervolgende instantie, maar wel de dader zelf zou nu moeten aantonen dat er sprake is van overmacht of van een rechtvaardigingsgrond. IX-4613-11/18
- De verwerende partij antwoordt vooreerst dat een administratieve geldboete niet van strafrechtelijke aard is, zodat de constitutieve elementen van het misdrijf niet dienen te worden beoordeeld. Voorts stelt zij dat het te dezen geen onachtzaamheidsmisdrijf betreft, maar wel een misdrijf met schuld door wetsinbreuk, waarbij geen opzet moet worden bewezen, maar het volstaat voor de vervolgende partij om aan te tonen dat de dader de strafbare gedraging gesteld heeft.
- De verzoekende partij repliceert dat zelfs indien de administratieve geldboete geen straf zou zijn, quod non, dan nog de constitutieve elementen van de inbreuk moeten worden aangetoond. Verder wijst zij op het arrest nr. 81/2003 van 11 juni 2003 , waarin het Grondwettelijk Hof gesteld heeft dat het materieel bestanddeel van het misdrijf niet zo zeer de overlading betreft, maar wel de wegbeschadiging, die kan worden aangetoond door het weerlegbaar vermoeden dat wegbeschadiging volgt uit overlading. Wanneer wordt aangenomen dat het moreel bestanddeel van het misdrijf zou volgen uit de wetsinbreuk zelf, wordt volgens de verzoekende partij gewerkt met twee vermoedens, met name een vermoeden dat wegbeschadiging volgt uit overlading en een vermoeden dat de onachtzaamheid blijkt uit wegbeschadiging. Dergelijke cascade van vermoedens ondergraaft volgens haar de kern van het strafrecht en artikel 6.2 van het EVRM houdende het principe van onschuld behoudens bewijs van het tegendeel. Ook zou men ingevolge zulke cascade van vermoedens onmogelijk uit de loutere materiële wetsinbreuk de noodzakelijke onachtzaamheid kunnen afleiden. Voorts merkt de verzoekende partij op dat het misdrijf omschreven in artikel 56 van het Aslastendecreet niet van die aard is dat uit de loutere wetsinbreuk de noodzakelijke onachtzaamheid zou kunnen worden afgeleid. Een normaal en voorzichtig bestuurder kan immers niet in alle omstandigheden het gewicht van zijn voertuig onder de assen nagaan vooraleer hij zich op de openbare weg begeeft. Zij meent dat dit slechts voor de bestuurder mogelijk is wanneer de gegevens op de vrachtbrief tot de vaststelling leiden dat na verrekening met het gewicht van het voertuig zelf er noodzakelijk een overgewicht is, én er een weegbrug ter beschikking was op de plaats van de lading én de overlading dermate hoog is dat een normaal en voorzichtig bestuurder redelijkerwijze voelt dat hij IX-4613-12/18 overladen is of dat een normale visuele inspectie dit aantoont. Zij meent dat enkel in deze omstandigheden de chauffeur onachtzaamheid kan worden verweten en dus niet louter door de materiële wetsinbreuk. Zelfs indien het te dezen een misdrijf door loutere wetsinbreuk zou betreffen, quod non, dan nog stelt de verzoekende partij dat zij de verschoningsgrond van de dwaling kan aanvoeren. Die dwaling moet slaan op een constitutief element van het misdrijf en dient niet-foutief te zijn. De verzoekende partij meent hieraan te hebben voldaan door in de beroepsprocedure aan te voeren dat haar aangestelde niet kon weten dat hij overladen was daar hem geen weegbrug ter beschikking stond op de plaats van het laden.
- In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij dat uit een arrest van 2 november 2004 van het Hof van Cassatie blijkt dat het moreel element inzake overladingsinbreuken niet kan afgeleid worden uit de inbreuk zelf. Het Hof stelt immers dat het verzuim om het gewicht in beladen toestand na te gaan “kan” wijzen op de noodzakelijke onachtzaamheid om het misdrijf bewezen te verklaren. Volgens de verzoekende partij legt het Hof aan de beoordelaar van een overladingsmisdrijf dus op om te onderzoeken of de bestuurder al dan niet de overlading heeft nagegaan of kon nagaan. Hierbij is de noodzakelijke onachtzaamheid niet automatisch aangetoond, zelfs indien de bestuurder het gewicht kon nagaan. De bewijslast inzake het moreel bestanddeel bij overladingsmisdrijven blijft volgens haar dan ook wel degelijk bestaan. Beoordeling
- Anders dan de verwerende partij stelt, heeft het burgerrechtelijk karakter van de verplichting tot betaling van de administratieve geldboete door de werkgever niet tot gevolg dat de constitutieve elementen van het misdrijf niet zouden moeten worden beoordeeld. De administratieve geldboete is immers alleen door de werkgever verschuldigd wanneer diens aangestelde of lasthebber het misdrijf bedoeld in artikel 56 van het Aslastendecreet heeft gepleegd.
- In verband met het moreel bestanddeel van een misdrijf heeft het Hof van Cassatie in een arrest van 8 oktober 2002 het volgende gesteld : “Overwegende dat wanneer de wet van de delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt, zoals hier bij verkeersovertredingen, de schuld bestaat IX-4613-13/18 uit het feit dat de dader de inbreuk wetens en willens heeft gepleegd, hetzij onachtzaam handelde, tenzij de wetgever deze laatste schuldvorm uitgesloten heeft wat hij niet deed bij verkeersovertredingen; Dat in dit geval de rechter de schuld kan afleiden uit het materiële feit van de overtreding voor zover de overtreder geen grond van rechtvaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aannemelijk maakt.” Het Hof van Cassatie neemt derhalve aan dat wanneer de wet van de delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt, de rechter de schuld kan afleiden uit het materiële feit van de overtreding, voor zover de overtreder geen grond van rechtvaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aannemelijk maakt. In een arrest van 2 november 2004 oordeelde het Hof van Cassatie met betrekking tot de misdrijven bedoeld in de artikelen 18, §§ 1 en 2, en 26 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen : “[...] dat die bepalingen inhouden dat eenieder die een voertuig gebruikt, zich ervan moet vergewissen dat het gewicht in beladen toestand ervan niet meer bedraagt dan het hoogst toegelaten gewicht, ook al heeft hij zelf het voertuig niet geladen; dat het verzuim daaraan te voldoen het opzet of de schuldige nalatigheid kan uitmaken vereist opdat het morele bestanddeel van het misdrijf zou bestaan.” De bestreden beslissing bevat, wat de constitutieve elementen van de inbreuk betreft, de volgende motivering : “Overwegende dat appelante meent dat de constitutieve elementen van de inbreuk niet bewezen zijn; Dat er onderscheid moet gemaakt worden tussen enerzijds het materiële element en anderzijds het intentionele element; Dat appelante zelf opmerkt dat er geen betwisting is nopens het materieel element; Dat artikel 56 van voornoemd decreet geen bijzonder opzet voorziet, doch wel een algemeen opzet aanwezig moet zijn; Overwegende dat appelante meent dat er geen sprake kan zijn van enig opzet daar zij geen enkel middel ter beschikking had om haar voertuig te wegen; Overwegende dat iedere burger de wet dient te respecteren; Dat, behoudens overmacht, hij zelf moet instaan om ervoor te zorgen dat dit gebeurt; Dat het louter feit dat hij ‘niet wist’ overladen te zijn, geen voldoende rechtvaardiging geeft voor het begaan van het misdrijf; IX-4613-14/18 Dat in casu evenmin sprake kan zijn van overmacht, daar de overlading niet onoverkomelijk was; Dat de feiten zoals beschreven in voormeld PV aldus een inbreuk uitmaken op artikel 65 van voormeld decreet”. Aldus blijkt dat de verwerende partij op correcte wijze het moreel bestanddeel van het misdrijf heeft geïnterpreteerd. Nu de verzoekende partij geen grond van rechtvaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aannemelijk heeft gemaakt, is het moreel bestanddeel van het misdrijf tevens deugdelijk gemotiveerd. Het tweede onderdeel van het middel faalt naar recht. Derde onderdeel Standpunt van de partijen
- In een derde onderdeel van het derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 6.2 van het EVRM en van de bewijsregeling in strafzaken, doordat de homologatie van de weegbrug ontbrak. Zij betoogt dat bij de kopie van het proces-verbaal geen homologatieattest was gevoegd van de weegbrug. Zij meent dat bij gebrek aan homologatie geen bewijs bestaat van de correctheid van de resultaten van de weging en dat de weging derhalve geen bewijs van de inbreuk kan vormen. Zij wijst er op dat in de bestreden beslissing dit verweer werd afgewezen, nu er een afschrift van de homologatieakte bij het proces-verbaal zou zijn gevoegd. Gezien de verzoekende partij dergelijk afschrift niet had ontvangen, heeft zij de bevoegde diensten op 14 juni en 19 juli 2004 aangeschreven teneinde zulk afschrift alsnog te verkrijgen, doch tevergeefs. Bijgevolg betwijfelt zij ten zeerste of er daadwerkelijk dergelijk afschrift bij het proces-verbaal gevoegd was, zodat de motivering van de bestreden beslissing manifest onjuist is. Ook het vermoeden van onschuld vervat in artikel 6.2 van het EVRM acht zij geschonden door dit gebrek aan wettelijke bewijsmiddelen om het misdrijf vast te stellen.
- De verwerende partij antwoordt dat de verzoekende partij er opnieuw ten onrechte van uit gaat dat de administratieve geldboete van strafrechtelijke aard zou zijn. IX-4613-15/18 Zelfs indien dit toch het geval zou zijn, dan nog is dit onderdeel volgens de verwerende partij ongegrond. Op 30 juli 2004 werd de homologatieakte immers per fax aan de raadsman van de verzoekende partij overgemaakt. De homologatie dateert van 14 april 2003 en de geldigheidsduur ervan is niet van rechtswege beperkt. De verwerende partij meent dan ook dat de vaststellingen die het voorwerp uitmaken van het betrokken proces-verbaal hebben plaatsgevonden op het ogenblik dat de weegbrug perfect in orde en geijkt was en dat geen twijfel kan bestaan over de juistheid van de meetresultaten.
- De verzoekende partij repliceert dat de administratieve geldboete wel degelijk van strafrechtelijke aard is en dat, zelfs indien dit niet het geval zou zijn, dan nog de inbreuk in al zijn aspecten en met inachtneming van de toepasselijke bewijsregels dient te worden bewezen. Zij wijst er op dat het ijkingsattest pas na de bestreden beslissing is overgemaakt, zodat zij tijdens de beroepsprocedure niet de kans heeft gehad haar standpunt nopens dit stuk te ventileren, waardoor haar rechten van verdediging zijn geschonden. Dergelijk attest is volgens de verzoekende partij van doorslaggevend belang nu de ijking van een weegbrug aan regels is gebonden, waarbij zij verwijst naar het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 houdende een nieuwe regeling betreffende de niet-automatische weegwerktuigen en naar het ministerieel besluit van 7 november 1978 betreffende de herijk en de technische controle van meetwerktuigen. Zij merkt op dat ondanks het overgemaakte attest toch twijfel mogelijk is inzake de geldigheid van de weging, daar in het attest wordt gesteld dat in geval van twijfel de weging moet worden uitgevoerd op een geijkte weegbrug.
- In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij, wat de mogelijkheid betreft om de regelmatigheid van het homologatieattest aan te vechten in het huidige annulatieberoep, dat dit attest slechts op 30 juli 2004 aan haar raadsman is overgemaakt, terwijl haar verzoekschrift in het onderhavige beroep reeds op die diezelfde datum is ingediend. Vermits de beroepstermijn voor de Raad van State is verstreken op 1 augustus 2004, kon zij haar verzoekschrift bezwaarlijk nog aanpassen. De verzoekende partij meent in haar memorie van wederantwoord de geldigheid van het betrokken attest te hebben aangevochten. IX-4613-16/18 Beoordeling
- Uit het administratief dossier blijkt dat voor de weegbrug waarmee de overlading van het voertuig van de verzoekende partij werd vastgesteld op 17 april 2003 een metrologische controle heeft plaatsgevonden door de afdeling Metrologie (Centrale IJkdienst) van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie. Een kopie van het desbetreffend attest werd bij brief van 30 juli 2004 aan de raadsman van de verzoekende partij toegezonden. De omstandigheid dat dit attest tijdens de administratieve procedure niet werd medegedeeld, vormt voor de verzoekende partij geen beletsel om de door de afdeling Metrologie uitgevoerde controle voor de Raad van State op tegensprekelijke wijze te betwisten. Nu de verzoekende partij dit, zoals zij terecht opmerkt, gelet op de datum van verzending van het betrokken attest bezwaarlijk nog kon doen in haar verzoekschrift, heeft zij de geldigheid van het attest aangevochten in haar memorie van wederantwoord. In die memorie verwijst de verzoekende partij vooreerst naar de regels waaraan de ijking van een weegbrug is gebonden, voorgeschreven door het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 houdende een nieuwe regeling betreffende de niet-automatische weegwerktuigen en het ministerieel besluit van 7 november 1978 betreffende de herijk en de technische controle van meetwerktuigen. Zij laat echter na op concrete wijze aan te geven welke bepalingen van genoemde besluiten precies geschonden zouden zijn door de metrologische controle van 17 april 2003 van de betrokken asweger. Voorts verwijst zij in die memorie naar de vermelding in het ijkingsattest dat in geval van twijfel de weging moet worden uitgevoerd op een geijkte weegbrug, waaruit zij afleidt dat ondanks het voortgebrachte attest toch twijfels mogelijk zijn bij de geldigheid van de weging. Deze vermelding in het attest, die precies is ingegeven door de bedoeling om mogelijke twijfel bij de weging van een voertuig uit te sluiten door een tweede weging op een weegbrug die op gelijkaardige wijze geijkt is, doet evenwel geen afbreuk aan de waarde van het betrokken attest en aan de bewijskracht van de wegingen door de asweger in dit IX-4613-17/18 attest beschreven, noch houdt die vermelding in dat enig geval van twijfel zich daadwerkelijk zal voordoen. Het derde onderdeel van het middel kan niet worden aangenomen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 juni 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-4613-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.833 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div