← België

Arrest 205834 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 28/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.834 Rolnummer: A. 189271/IX-6009 Zaak: Arrest 205834 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 28/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-30 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-02 10:15 Fiche Arrest nr 205.834 van 28 juni 2010 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 205.834 van 28 juni 2010 in de zaak A. 189.271/IX-6009 In zake: Viviane PETRÉ wonend te Landen Kouterstraat 20 alwaar woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 6 augustus 2008, strekt tot de nietigver- klaring van de beslissing van 16 juni 2008 van het directiecomité van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid waarbij dit, in antwoord op de vraag van Viviane Petré tot het verkrijgen van een loopbaanversnelling, vaststelt “dat de figuur van de loopbaanversnelling niet meer bestaat zodat het, zelfs zonder uitspraak te doen over de grond van de zaak, het voordeel niet meer kan toekennen aan mevrouw Petré”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 189.535 van 19 januari 2009 zijn de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en de vordering tot het opleggen van een dwangsom verworpen. De verzoekster heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-6009-1/28 Adjunct-auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld. De verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 juni
  3. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pieter-Jan Staelens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Adjunct-auditeur Joke Goris, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoekster is van 9 januari 1991 tot 22 oktober 1997 werkzaam bij het directoraat-generaal van de administratie Gezondheidszorg, departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, eerst in de graad van hoofdklerk-typist, daarna, ingevolge de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel (hierna: het Vlaams personeelsstatuut van 1993), in de graad van hoofdassistent (rang D 2). In de loop van 1994 neemt zij deel aan het vergelijkend overgangsexamen voor de bevordering tot de graad van directiesecretaris. Zij slaagt niet voor het bijzonder schriftelijk gedeelte, doch deze beslissing wordt bij arrest nr. 74.390 van 22 juni 1998 op vordering van de verzoekster door de Raad van State vernietigd. IX-6009-2/28 Intussen wordt aan de verzoekster op basis van haar evaluatie voor het jaar 1995, dus voor haar functioneren als hoofdassistent, een loopbaanversnelling toegekend. Op basis van haar evaluatie voor het evaluatiejaar 1996 wordt de verzoekster door haar eerste evaluator opnieuw voor een loopbaanversnelling voorgesteld, en dat voorstel wordt bijgevallen door het college van afdelingshoofden van de administratie Gezondheidszorg. Op 14 mei 1997 beslist de directieraad evenwel om de voorgestel- de loopbaanversnelling niet toe te kennen. De verzoekster bestrijdt deze weigering voor de Raad van State. Bij arrest nr. 175.999 van 22 oktober 2007 vernietigt de Raad van State de bestreden beslissing. 3.
  6. Op 7 oktober 1998 slaagt de verzoekster voor het mondeling gedeelte van het bevorderingsexamen van directiesecretaris, dat ingevolge voormeld vernietigingsarrest nr. 74.390 van 22 juni 1998 opnieuw was ingericht. Als gevolg hiervan wordt de verzoekster op 23 maart 1999 benoemd tot deskundige (rang B1) in de functie van directiesecretaris bij het directoraat-generaal van de administratie Cultuur, departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, met terugwerkende kracht tot 1 augustus
  7. Met een brief van 15 juni 1999 vraagt de verzoekster om, gelet op de terugwerkende kracht waarmee zij tot deskundige is benoemd, de loopbaanver- snelling die zij voor het evaluatiejaar 1995 heeft verkregen met terugwerkende kracht uitwerking te verlenen in haar functionele loopbaan van deskundige. Deze vraag wordt op 6 juli 1999 door de directeur-generaal van de administratie Ambtenarenzaken afgewezen, op grond dat de verzoekster niet als deskundige is geëvalueerd en niets aantoont dat haar prestaties ook in die hoedanigheid als “bovenmaats” beoordeeld geweest zouden zijn. 3.
  8. Op 13 november 2007 vraagt de verzoekster aan de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin om de betaling van de gerechts- kosten welke volgens het hiervóór genoemde arrest nr. 175.999 van 22 oktober 2007 ten laste van de verwerende partij komen. IX-6009-3/28 Ingevolge deze vraag stelt het departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media aan het departement Bestuurszaken op 19 november 2007 de vraag welke instantie, gelet op de reorganisatie die het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap in het kader van de operatie “Beter Bestuurlijk Beleid” heeft ondergaan, moet instaan voor de uitvoering van het arrest. Op 28 november 2007 antwoordt de secretaris-generaal van het departement Bestuurszaken dat er, gelet op de reglementering die van toepassing was op het ogenblik van de vernietigde beslissing en de motieven van het vernietigingsarrest, geen rechtsplicht bestaat voor de overheid om een welbepaalde beslissing te nemen. In een dergelijk geval, zo stelt de secretaris-generaal, is de overheid ertoe gehouden de reglementering toe te passen die geldt op het ogenblik waarop zij, na het vernietigingsarrest, opnieuw uitspraak moet doen. In het geval van de verzoekster kan geen nieuwe beslissing over het toekennen van een loopbaanver- snelling worden genomen, aangezien loopbaanversnelling in de huidige reglemente- ring (het besluit van de Vlaamse regering van 13 januari 2006 houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid, hierna: het Vlaams personeelsstatuut van 2006) niet meer bestaat. De secretaris- generaal verwijst bovendien naar een advies dat op 5 november 1999 is gegeven door de administratie Ambtenarenzaken, waarin is opgemerkt dat de verzoekster niet als deskundige is geëvalueerd en niets aantoont dat haar prestaties ook in die hoedanigheid als “bovenmaats” beoordeeld geweest zouden zijn. De secretaris- generaal besluit dat de verzoekster door de beslissing tot het niet toekennen van loopbaanversnelling (ten gevolge van haar evaluatie voor het jaar 1996) in de graad van hoofdassistent geen financiële schade heeft geleden, aangezien een eventuele loopbaanversnelling in de graad van hoofdassistent niet in aanmerking kan worden genomen voor haar huidige loopbaan in niveau B, die begon op 1 augustus
  9. Volgens de secretaris-generaal moet de overheid in dit geval dus geen beslissing tot rechtsherstel nemen. De verzoekster kan natuurlijk een vordering tot schadevergoe- ding indienen, in welk geval het aan de rechter zal staan om uit te maken of de Vlaamse Gemeenschap vergoeding verschuldigd is. Ten gevolge van dit advies maakt het departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media, het dossier over aan het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, opvolger van de administratie Gezondheidszorg waarbij de verzoekster voorheen tewerkgesteld was. Met een brief van 14 december 2007 deelt het Agentschap aan de verzoekster mee dat het de gerechtskosten zal terugbetalen. Het deelt voorts mee dat geen beslissing tot rechtsherstel genomen moet worden. Voor dat laatste IX-6009-4/28 standpunt verwijst het Agentschap naar de hiervóór genoemde nota van het departement Bestuurszaken van 28 november 2007, waarin wordt geconcludeerd dat de verzoekster door de weigering van een loopbaanversnelling geen financieel nadeel heeft geleden. Een kopie van de nota wordt als bijlage bij de brief gevoegd. 3.
  10. Op 29 januari 2008 reageert de vakvereniging die verzoeksters belangen behartigt in een uitvoerig schrijven op de zienswijze van de verwerende partij. De vakvereniging argumenteert als volgt: - Het is niet aan de administratie om opnieuw te oordelen over het belang waarover de Raad van State al in gunstige zin heeft geoordeeld na kennisneming van de memories van de partijen. Het feit dat de verzoekster al bevorderd werd in rang B doet niets af aan het belang dat ze heeft om retroactief de mogelijkheid te hebben een loopbaanversnelling toegekend te krijgen. - De verwerende partij moet een nieuwe beslissing nemen over het voorstel tot toekenning van een loopbaanversnelling dat werd gedaan door de eerste evaluator en het college van afdelingshoofden. Indien de overheid van die adviezen wil afwijken zal zij dit grondig moeten motiveren. Daarbij zal zij, gelet op de terugwerkende kracht van de uitgesproken vernietiging, de oude reglementering moeten toepassen. - De houding van de administratie staat haaks op wat is gebeurd met een ander ambtenaar die zich in dezelfde situatie bevond als de verzoekster en aan wie in dezelfde omstandigheden wel een loopbaanversnelling is toegekend. 3.
  11. Op 10 juni 2008 stuurt de vakvereniging een ingebrekestelling, aan de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Zij verzoekt de minister om in overeenstemming met de argumenten die werden ontwikkeld in de brief van 29 januari 2008 een nieuwe beslissing te nemen over het voorstel tot toekenning van een loopbaanversnelling aan de verzoekster. Zij stelt voorts dat, indien zij geen antwoord ontvangt tegen 24 juni 2008, de verzoekster op grond van artikel 36, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een vordering tot het opleggen van een dwangsom zal indienen wegens niet-uitvoering van het arrest nr. 175.999 van 22 oktober
  12. 3.
  13. Op 16 juni 2008 neemt het directiecomité van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid een formele beslissing. Deze beslissing steunt op de volgende overwegingen: IX-6009-5/28 “[...] De initiële beslissing van 14 mei 1997 was gebaseerd op het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel, zoals dat gold in 1997, meer bepaald de artikelen VIII 78 en VIII
  14. Dat besluit werd opgeheven bij besluit van de Vlaamse regering van 15 juli
  15. Op dit ogenblik bestaat de figuur van de loopbaanversnelling niet meer in de reglementering (besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid van 13 januari 2006), zodat de overheid deze niet meer kan toekennen. Als algemeen principe geldt immers dat de overheid bij het heroverwegen van een door de Raad [van State] vernietigd besluit, rekening moet houden met de gewijzigde omstandigheden en toepassing moet maken van het recht zoals het geldt op het ogenblik dat de handeling wordt overgedaan (art. 2 B.W.; tempus regit actum). Er bestaat een principieel verbod van retroactiviteit. Indien tussen het ogenblik waarop de eerste handeling werd gesteld en het ogenblik waarop de procedure overgedaan moest worden, nieuwe rechtsregels tot stand komen, moeten deze worden toegepast. De overheid is na de vernietiging niet meer door dezelfde regels gebonden als ten tijde van de vernietigde benoeming. De terugwerkende kracht van vernietigingsarresten van de Raad van State impliceert niet dat het bestuur, de ten tijde van de eerste beslissing geldende wetgeving moet toepassen en niet de later geldende, actuele regelgeving. Ook wanneer de overheid verplicht is om rechtsherstellende maatregelen te nemen na een vernietigingsarrest, moet dat gebeuren met toepassing van de wetgeving zoals deze geldt op het ogenblik van de nieuwe beslissing en zonder terugwerkende kracht. Op de overheid rust in casu geen verplichting tot het nemen van een welbepaalde beslissing (zij heeft een discretionaire bevoegdheid) zodat zij, na de vernietiging, de handeling niet moet en zelfs niet mag overdoen met toepassing van het recht zoals het toen gold.” Het directiecomité besluit als volgt: “Het directiecomité stelt aldus vast dat de figuur van de loopbaanversnelling niet meer bestaat zodat het, zelfs zonder uitspraak te doen over de grond van de zaak, het voordeel niet meer kan toekennen aan mevrouw Petré.” Deze beslissing, die met een schrijven van 20 juni 2008 ter kennis wordt gebracht van de verzoekster en haar vakorganisatie, vormt het voorwerp van het voorliggende beroep tot nietigverklaring. IX-6009-6/28 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
  16. In haar verzoekschrift stelt de verzoekster dat zij een afdoend, persoonlijk, rechtstreeks, actueel, gewettigd en vaststaand belang bij haar beroep heeft en dat de Raad van State daarover reeds heeft geoordeeld in het kader van de procedure die heeft geleid tot het arrest nr. 175.999 van 22 oktober
  17. In haar laatste memorie repliceert de verzoekster op het standpunt van de auditeur-verslaggever luidens hetwelk zij het rechtens vereiste belang bij haar beroep ontbeert. Zij betoogt dat zij reeds in het jaar 2000 voor de Raad van State heeft aangevoerd dat de loopbaanversnelling vanaf 1998 werd vervangen door de functioneringstoelage. De omstandigheid dat de verwerende partij destijds, in het kader van de vernietigingsprocedure tegen de beslissing van de directieraad van 14 mei 1997 waarbij het voorstel tot versnelling van haar loopbaan niet werd goedgekeurd, niet daarop is ingegaan, is volgens haar geen argument dat toelaat aan te nemen dat de Raad van State dit gegeven niet in aanmerking zou hebben genomen bij de beoordeling van haar belang. De verzoekster wijst erop dat de Raad van State, desnoods ambtshalve, het belang van een verzoekende partij onderzoekt met inachtneming van alle relevante gegevens. Zij laat gelden dat indien het standpunt van de auditeur-verslaggever juist zou zijn, de Raad van State ook in 2007 haar beroep had moeten afwijzen bij gebrek aan actueel belang. Volgens de verzoekster zijn de onderhavige procedure en de procedure die zij heeft gevoerd tegen de voormelde beslissing van de directieraad van 14 mei 1997 met elkaar verbonden wat haar belang betreft. Zij stelt dat de Raad van State met zijn arrest nr. 175.999 van 22 oktober 2007 heeft geoordeeld dat zij belang had bij haar beroep, zodat niet kan worden ingezien waarom zij dat belang nu zou moeten ontberen, gelet op de ongewijzigde omstandigheden.
  18. De verwerende partij laat in haar laatste memorie gelden dat de verzoekster geen actueel belang bij haar beroep heeft, aangezien het stelsel van de loopbaanversnelling niet meer bestaat en het voordeel ervan derhalve niet meer aan de verzoekster kan worden toegekend. IX-6009-7/28 Beoordeling
  19. Artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de beroepen tot nietigverklaring voor de afdeling bestuursrechtspraak kunnen worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Om een voldoende belang bij het beroep te hebben, volstaat het niet dat de verzoekende partij een nadeel ondervindt ingevolge de bestreden beslissing. Een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing moet aan de verzoekende partij bovendien enig voordeel verschaffen.
  20. Te dezen stelt de verzoekster uitdrukkelijk dat zij met haar beroep beoogt een beslissing ten gronde te verkrijgen over de toekenning van een loopbaanversnelling op grond van haar prestaties in
  21. Een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing zou tot gevolg hebben dat de verwerende partij zich opnieuw moet buigen over het voorstel van de eerste evaluator van de verzoekster en het advies van het college van afdelingshoofden, die beide voorstellen om aan de verzoekster het voordeel van de loopbaanversnelling toe te kennen. De vraag rijst evenwel of de verzoekster hierdoor een nieuwe kans zou krijgen om het voordeel van de loopbaanversnelling te verkrijgen. Indien de verwerende partij na het vernietigingsarrest nr. 175.999 van 22 oktober 2007 van de Raad van State ertoe gehouden was om de vroegere regelgeving inzake loopbaanver- snelling toe te passen -hetzij omdat het vernietigingsarrest dit oplegde, hetzij omdat zij daartoe verplicht was op grond van de geldende regelgeving of algemene beginselen- zou zij na een vernietiging van de bestreden beslissing inderdaad een beslissing ten gronde moeten nemen over de loopbaanversnelling van de verzoekster op grond van haar prestaties in
  22. Indien daarentegen blijkt dat niet de vroegere regelgeving moest worden toegepast, maar de regelgeving van kracht op het ogenblik van de bestreden beslissing, en dat deze niet meer in een stelsel van loopbaanversnelling voorzag, noch in een overgangsregeling die verwees naar de vroegere regelgeving, dan kan een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing aan de verzoekster niet het beoogde voordeel opleveren en moet worden vastgesteld dat zij geen belang heeft bij het voorliggende beroep tot nietigverklaring. IX-6009-8/28 Of de verzoekster met de vernietiging van de bestreden beslissing al dan niet een nieuwe kans krijgt om alsnog het voordeel van de loopbaanversnel- ling te verkrijgen, hangt derhalve af van de motieven van een eventuele vernietiging.
  23. De verzoekster voert in haar verzoekschrift vijf middelen aan. In het eerste middel betoogt zij dat de verwerende partij het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest nr. 175.999 van 22 oktober 2007 van de Raad van State schendt, doordat zij zich niet uitspreekt over de grond van de zaak om reden dat het stelsel van de loopbaanversnelling niet meer bestaat. In het tweede en het derde middel, tezamen genomen, houdt de verzoekster voor dat de verwerende partij ten onrechte toepassing maakt van de vigerende regelgeving, terwijl zij integendeel de vroegere regeling van de loopbaanversnelling moet toepassen en desgevallend terugwerkende kracht moet verlenen aan de toegekende loopbaanversnelling. Indien één van deze middelen gegrond wordt bevonden, zal de verwerende partij genoodzaakt zijn een beslissing te nemen over de grond van de zaak, zodat de verzoekster dan een nieuwe kans krijgt om het voordeel van de loopbaanversnelling te verkrijgen. Bijgevolg is de vraag naar de ontvankelijkheid van het beroep, wat het belang betreft, verbonden met de grond van de zaak, in het bijzonder met de gegrondheid van het eerste middel, alsook van het tweede en het derde middel tezamen genomen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  24. De verzoekster voert in het middel de schending aan van het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest nr. 175.999 van 22 oktober 2007 van de Raad van State, doordat de verwerende partij zich niet uitspreekt over de grond van de zaak. Zij laat gelden dat de verwerende partij het genoemde vernieti- gingsarrest probeert te omzeilen met de overweging dat het stelsel van de loopbaanversnelling niet meer bestaat. IX-6009-9/28 Zij betoogt voorts dat de verwerende partij in de bestreden beslissing ten onrechte overweegt niet verplicht te zijn een welbepaalde beslissing te nemen en daaruit afleidt dat de handeling die tot het genoemde vernietigingsarrest heeft geleid niet moet en zelfs niet mag worden overgedaan met toepassing van het destijds geldende recht. Dit standpunt van de verwerende partij is volgens de verzoekster zelfs tegenstrijdig met de daaraan voorafgaande overweging dat de verwerende partij, om het vernietigingsarrest correct uit te voeren, een nieuwe beslissing moet nemen over de loopbaanversnelling. De verzoekster merkt op dat de vernietiging van de beslissing van de directieraad van 14 mei 1997 niet impliceert dat de aanbeveling van de eerste evaluator en het gunstige advies van het college van afdelingshoofden werden vernietigd. Derhalve moest een nieuwe, deugdelijk gemotiveerde beslissing worden genomen. Volgens de verzoekster strekt het gezag van gewijsde van het genoemde vernietigingsarrest zich niet alleen uit tot het dictum van het arrest, maar ook tot de overwegingen waarin de Raad van State aangeeft aan welke voorwaarden een nieuwe beslissing inzake de loopbaanversnelling moet voldoen. Ook deze overwegingen zijn volgens de verzoekster miskend. De verzoekster voert tevens aan dat de verwerende partij in de bestreden beslissing geen van de beide regelgevingen toepast, noch de oude betreffende de loopbaanversnelling, noch de nieuwe betreffende de functionerings- toelage, maar zich laconiek beperkt tot de vaststelling dat de loopbaanversnelling niet meer bestaat. De verwerende partij herleidt aldus, door niet te oordelen over de grond van de zaak, de rechtsbescherming van de verzoekster tot nul. De verzoekster wijst erop dat zij reeds in haar verzoekschrift in de procedure die heeft geleid tot het genoemde vernietigingsarrest, erop heeft gewezen dat de loopbaanversnelling werd afgeschaft en vervangen door de functioneringstoelage. De verzoekster laat ten slotte gelden dat een vernietigingsarrest niet mag worden herleid tot een abstracte denkoefening, maar dat ingevolge een dergelijk arrest concrete rechtssituaties moeten worden hersteld.
  25. De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat het middel feitelijke grondslag mist, nu de verzoekster ten onrechte aanvoert dat geen nieuwe beslissing werd genomen. Met de thans bestreden akte werd immers beslist IX-6009-10/28 dat het te dezen gaat over een aangelegenheid waarbij de overheid over een discretionaire bevoegdheid beschikt, dat over een dergelijke aangelegenheden wordt beslist overeenkomstig de regelgeving die van toepassing is op het ogenblik van de nieuwe beslissing, en dat het stelsel van de loopbaanversnelling niet meer bestaat, zodat het voordeel daarvan niet meer kan worden toegekend. De omstandigheid dat de inhoud van deze beslissing niet overeenstemt met de wens van de verzoekster, betekent niet dat er niets zou zijn beslist. Overigens blijkt ook uit het tussenarrest nr. 189.535 van 19 januari 2009 van de Raad van State dat te dezen wel degelijk een beslissing werd genomen. Volgens de verwerende partij kan derhalve geen sprake zijn van een schending van het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest nr. 175.999 van 22 oktober 2007 van de Raad van State. Zij betoogt voorts dat de verzoekster weliswaar terecht stelt dat noch de aanbeveling van de eerste evaluator, noch het gunstige advies van het college van afdelingshoofden werden vernietigd, maar dat daaruit evenmin een schending van het gezag van gewijsde van het genoemde vernietigingsarrest kan worden afgeleid. Vooraleer de procedure vanaf het punt van haar ontsporing kan worden hernomen, moet immers worden onderzocht of hetgeen wordt gevraagd, nog bestaat. Nu blijkt dat de loopbaanversnelling niet meer bestaat, moest de procedure in het geval van de verzoekster niet meer worden hernomen. De verwerende partij voegt hieraan nog toe dat uit het genoemde vernietigingsarrest niet blijkt dat bij het nemen van een nieuwe beslissing toepassing moest worden gemaakt van de regelgeving zoals deze gold ten tijde van de vernietigde beslissing. Zij wijst erop dat de verzoekster haar stelling onderbouwt aan de hand van rechtsleer die hoofdzakelijk betrekking heeft op de vernietiging van benoemingen en bevorderingen, maar dat ook in die aangelegenheden het mogelijk is dat het bestuur na een vernietigingsarrest beslist om niemand te benoemen, mits die beslissing afdoende wordt gemotiveerd. Zo ook kon de verwerende partij beslissen niet meer verder in te gaan op de aanvraag tot versnelling van de loopbaan van de verzoekster, omdat het stelsel van de loopbaanversnelling niet meer bestaat. Waar de verzoekster stelt dat de verwerende partij niet heeft nagegaan of zij al dan niet aanspraak zou kunnen maken op een functioneringstoelage, merkt de verwerende partij op dat dit nooit het voorwerp van discussie is geweest en ook nu niet kan zijn. IX-6009-11/28 De verwerende partij besluit dat een vernietigingsarrest uiteraard niet mag leiden tot “een abstracte denkoefening zonder vat op de werkelijkheid”, maar evenmin mag worden herleid tot “een korf waaruit de verzoekster kan halen wat zij het liefst heeft”. Na een vernietigingsarrest moet worden nagegaan op welke wijze concreet rechtsherstel kan worden geboden, wat te dezen is gebeurd.
  26. De verzoekster repliceert in haar memorie van wederantwoord dat de overheid na de vernietiging van een weigeringsbeslissing, genomen in het kader van een discretionaire bevoegdheid, ertoe verplicht is een nieuwe beslissing te nemen en zich over de grond van de zaak uit te spreken, waarbij zij de keuze heeft de oude of de nieuwe regelgeving toe te passen. Het is volgens haar evenwel niet mogelijk dat de overheid, zonder het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest nr. 175.999 van 22 oktober 2007 van de Raad van State te miskennen, zich onthoudt van een beslissing over de grond van de zaak om een reden die niet nieuw is ten opzichte van de feiten op het ogenblik van het instellen van het beroep dat geleid heeft tot het genoemde vernietigingsarrest. De verzoekster stelt niet te betwisten dat de vernietigde weigeringsbeslissing van 14 mei 1997 werd genomen in de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid. Door de weigeringsbeslissing te vernietigen, oordeelde de Raad van State echter dat de verzoekster belang had bij de procedure, ook al was zij reeds bevorderd tot deskundige niveau B en was het stelsel van de loopbaanversnelling al bijna twee jaar afgeschaft op het ogenblik dat zij haar beroep instelde. Volgens de verzoekster herneemt de verwerende partij ten onrechte de discussie omtrent haar belang in de onderhavige procedure, terwijl hierover in het genoemde vernietigingsarrest reeds definitief werd geoordeeld door de Raad van State. De verzoekster benadrukt voorts dat de voorliggende feitelijke omstandigheden dezelfde zijn als tijdens de procedure die leidde tot het genoemde vernietigingsarrest. Zij wijst erop dat de verwerende partij in die procedure nooit heeft beweerd dat zij de loopbaanversnelling niet meer kon toekennen omdat die niet meer bestond, noch dat de verzoekster uit een dergelijke toekenning geen financieel voordeel meer zou kunnen halen. De feiten zijn volgens de verzoekster niet nieuw en kunnen nu niet worden aangehaald als verschoningsgrond om het vernietigingsarrest uit te voeren op een wijze die niet overeenstemt met de overwegingen en de geest ervan. IX-6009-12/28 De verzoekster stelt een gemotiveerde beslissing te vragen waarbij haar al dan niet een beloning wordt toegekend voor uitstekend gepresteerde diensten als deskundige, niveau B. Zij laat buiten beschouwing welke vorm deze beloning dient aan te nemen. Zij stelt echter niet uitsluitend een financieel voordeel, maar ook een teken van waardering na te streven. Zij voert aan niet ten allen prijze een loopbaanversnelling te wensen, doch enkel een beslissing ten gronde over het voorstel van de leidend ambtenaar uit
  27. De verzoekster herhaalt dat de Raad van State in zijn genoemd vernietigingsarrest heeft aangenomen dat zij een rechtstreeks en persoonlijk belang had bij de nietigverklaring van de weigeringsbeslissing van 14 mei
  28. Uit de vermelding in de bestreden beslissing dat een procedure bij de burgerlijke rechter mogelijk is, leidt zij af dat het vernietigingsarrest niet werd uitgevoerd zoals het betaamt. Voorts betoogt de verzoekster dat geen enkel wettelijk voorschrift eraan in de weg staat dat haar voor de bovenmaatse prestaties geleverd in 1996 de loopbaanversnelling wordt toegekend in haar loopbaan als deskundige. Ten slotte stelt de verzoekster dat zij, in tegenstelling tot wat de verwerende partij voorhoudt, niet betwist dat er een beslissing werd genomen, maar enkel de mening toegedaan is dat die beslissing ten gronde moest worden genomen.
  29. De verzoekster benadrukt in haar laatste memorie dat de verwerende partij heeft nagelaten een beslissing ten gronde te nemen die in overeenstemming is met het vernietigingsarrest nr. 175.999 van 22 oktober 2007 van de Raad van State. De verwerende partij heeft zich immers ertoe beperkt een beslissing te nemen die zich niet uitspreekt over de vraag of aan de verzoekster een waardering moest worden toegekend voor haar prestaties gedurende het jaar
  30. De verwerende partij herhaalt in haar laatste memorie dat niet ernstig kan worden voorgehouden dat het vernietigingsarrest nr. 175.999 van 22 oktober 2007 van de Raad van State impliceert dat aan de verzoekster retroactief de loopbaanversnelling moest worden toegekend. IX-6009-13/28 Beoordeling
  31. In de mate dat de door het arrest nr. 175.999 van 22 oktober 2007 uitgesproken vernietiging van de beslissing van de departementale directieraad van 14 mei 1997 vereist dat de verwerende partij een nieuwe beslissing neemt over de voorgestelde versnelling van de loopbaan van de verzoekster op grond van haar prestaties in 1996, moet worden vastgesteld dat daaraan werd voldaan. De vernietigde beslissing werd immers gevolgd door de thans bestreden beslissing van 16 juni 2008 waarbij wordt geoordeeld dat aan de verzoekster geen loopbaanversnelling kan worden toegekend omdat het desbetreffende stelsel niet meer bestaat.
  32. Het gezag van gewijsde van een vernietigingsarrest strekt zich niet enkel uit tot het dictum van dat arrest, maar ook tot de motivering waarop de vernietiging is gesteund en waarmee ze onafscheidbaar is verbonden. Te dezen stelt de verzoekster dat de verwerende partij het gezag van gewijsde van het arrest nr. 175.999 van 22 oktober 2007 van de Raad van State miskent, doordat zij zich in de thans bestreden beslissing niet over de grond van de zaak uitspreekt.
  33. In zijn genoemd arrest heeft de Raad van State de beslissing van de directieraad van de verwerende partij om aan de verzoekster geen loopbaanversnelling toe te kennen voor haar prestaties tijdens het evaluatiejaar 1996, vernietigd wegens schending van de formele motiveringsplicht. In het bijzonder werd door de Raad van State geoordeeld dat, aangezien de beslissing van de directieraad afweek van het voorstel van de eerste evaluator en het advies van het college van afdelingshoofden om aan de verzoekster een loopbaanversnelling toe te kennen, door de directieraad diende te worden gemotiveerd waarom de toekenning van de loopbaanversnelling werd geweigerd. De stelling van de directieraad dat het beschrijvend evaluatieverslag over verzoeksters prestaties tijdens het jaar 1996 te summier was en niet voldoende elementen bevatte om een loopbaanversnelling te verantwoorden, werd door de Raad van State niet als een afdoende motivering beschouwd, omdat dit evaluatieverslag in samenhang met het evaluatieverslag voor 1995 diende te worden gelezen. Het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest nr. 175.999 van 22 oktober 2007 van de Raad van State impliceert derhalve dat de verwerende IX-6009-14/28 partij niet opnieuw kon beslissen om aan de verzoekster geen loopbaanversnelling op basis van het evaluatiejaar 1996 toe te kennen op grond van het motief dat het evaluatieverslag 1996 “vrij summier” gemotiveerd was. Verder reikt de draagwijdte van het voormelde vernietigingsarrest echter niet. In tegenstelling tot wat de verzoekster beweert, legt het vernietigingsarrest niet op om een beslissing ten gronde te nemen, waarbij dan nog toepassing zou moeten worden gemaakt van de regelgeving zoals deze gold bij het nemen van de vernietigde beslissing.
  34. In zijn genoemd vernietigingsarrest overweegt de Raad van State onder meer het volgende: “Opdat de vereiste motivering draagkrachtig zou zijn moet de overheid, indien zij afwijkt van een niet-bindend advies, de redenen aangegeven waarom zij oordeelt een afwijkende beslissing te moeten nemen. In een geval als het voorliggende moet de directieraad, wanneer hij afwijkt van het voorstel van de eerste evaluator en het advies van het college van afdelingshoofden, uiteenzetten waarom hij meent de loopbaanversnelling te moeten weigeren.” De Raad van State geeft aldus op algemene wijze aan welke vereiste op het vlak van de motivering geldt wanneer de overheid afwijkt van een niet-bindend advies. In tegenstelling tot wat de verzoekster aanvoert, miskent de bestreden beslissing deze overweging niet. Deze overweging sluit immers niet uit dat geen beslissing wordt genomen over de grond van de zaak.
  35. Zoals hiervóór gesteld, werd de beslissing van de directieraad van 14 mei 1997 waarbij het voorstel tot versnelling van de loopbaan van de verzoekster op basis van haar prestaties tijdens het evaluatiejaar 1996 niet werd goedgekeurd, door het arrest nr. 175.999 van 22 oktober 2007 vernietigd wegens schending van de formele motiveringsplicht. De verzoekster toont niet aan dat de verwerende partij bij het nemen van de thans bestreden beslissing opnieuw dezelfde onwettigheid heeft begaan. Zij beklaagt zich er weliswaar over dat de nieuwe beslissing onwettig is, maar de onwettigheden die zij aanvoert, kunnen niet worden vereenzelvigd met de onwettigheid die tot de vernietiging van de beslissing van de directieraad van 14 mei 1997 heeft geleid. Bijgevolg kunnen deze nieuw aangevoerde onwettigheden, in de mate dat ze zich zouden voordoen, als zodanig niet als een schending van het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest worden beschouwd. IX-6009-15/28
  36. In tegenstelling tot wat de verzoekster aanvoert, kan de verwerende partij zich wel degelijk beroepen op het feit dat de loopbaanversnelling niet meer bestaat, niettegenstaande dit geen “nieuw element” is. Wanneer na de vernietiging van een beslissing wegens een gebrek in de formele motivering een nieuwe beslissing wordt genomen, dan staat niets eraan in de weg dat de motieven van die nieuwe beslissing reeds bestonden ten tijde van de vernietigde beslissing. De enkele omstandigheid dat de bestreden beslissing gebaseerd is op een gegeven dat niet “nieuw” is, houdt derhalve geen schending in van het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest nr. 175.999 van 22 oktober
  37. De verzoekster kan evenmin worden bijgevallen waar zij stelt dat de Raad van State zich reeds in het genoemde vernietigingsarrest heeft uitgesproken over haar belang, zodat deze kwestie in het kader van de onderhavige procedure niet meer aan bod zou kunnen komen. Het belang van een verzoekende partij moet immers voor elke procedure afzonderlijk worden beoordeeld. Bovendien blijkt niet dat de verzoekster in haar vordering die leidde tot het genoemde vernietigingsarrest, uitvoerig is ingegaan op het feit dat de loopbaanversnelling werd afgeschaft. Het gaat om niet meer dan een loutere vermelding van de vervanging van de loopbaan- versnelling door de functioneringstoelage. De verwerende partij is daarop niet ingegaan. Dit element is derhalve niet betrokken geweest bij de argumentatie van de partijen voor de Raad van State. Dienvolgens kan verzoeksters standpunt dat de Raad van State in zijn arrest nr. 175.999 van 22 oktober 2007 reeds definitief heeft geoordeeld over haar belang bij de huidige procedure en dat het gezag van gewijsde van het genoemde arrest ook in dat opzicht geschonden zou zijn, niet worden aangenomen.
  38. Uit wat voorafgaat moet worden besloten dat niet blijkt dat de bestreden beslissing het gezag van gewijsde van het arrest nr. 175.999 van 22 oktober 2007 van de Raad van State in enig opzicht schendt.
  39. Het middel is niet gegrond. IX-6009-16/28 B. Tweede en derde middel Standpunt van de partijen
  40. De verzoekster voert in een tweede middel aan dat de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing toepassing diende te maken van de “oude” regelgeving inzake de loopbaanversnelling. Zij laat gelden dat de verwerende partij zich niet van de zaak kan afmaken met de enkele vaststelling dat het stelsel van de loopbaanversnelling niet meer bestaat. Zij voegt eraan toe dat uit de redenering van de verwerende partij volgt dat een beslissing moet worden genomen op grond van de nieuwe regelgeving, maar dat de verwerende partij ook op dat vlak in gebreke blijft. De verzoekster betoogt dat de Vlaamse regelgeving erin voorziet dat procedures betreffende personeelszaken die reeds vóór de inwerkingtreding van het Vlaams personeelsstatuut van 2006 aanhangig waren, moeten worden voortgezet volgens de vroegere regelgeving, namelijk volgens het Vlaams personeelsstatuut van
  41. Zij laat tevens gelden dat het principe “tempus regit actum” en het verbod van retroactiviteit geen absolute principes zijn die ook moeten worden toegepast wanneer de overheid een beslissing opnieuw in overweging neemt na een vernietigingsarrest van de Raad van State. In gevallen als het onderhavige dringt zich volgens de verzoekster wel degelijk de terugwerking op. De verzoekster argumenteert dat uit het vernietigingsarrest nr. 175.999 van 22 oktober 2007 van de Raad van State volgt dat haar loopbaan moet worden gereconstrueerd, met terugwerkende kracht en met inachtneming van de regelgeving die van kracht was op het ogenblik dat de herstelmaatregel uitwerking moet hebben. Volgens de verzoekster kan haar loopbaan slechts retroactief worden gereconstrueerd doordat haar met terugwerkende kracht tot op 15 mei 1997 een loopbaanversnelling wordt toegekend, gelet op het feit dat de loopbaanversnelling uitwerking heeft op 1 juli van het jaar volgend op het evaluatiejaar en effect heeft op de volgende 12 maanden, waarbij elke maand telt voor twee maanden. De verzoekster wijst er in dat verband op dat zij op 23 maart 1999 met terugwerkende kracht tot 1 augustus 1995 werd benoemd tot deskundige (rang B1), nadat zij had deelgenomen aan het mondeling gedeelte van het bevorderingsexamen van directiesecretaris dat ingevolge het vernietigingsarrest nr. 74.390 van 22 juni 1998 van de Raad van State opnieuw was ingericht. Volgens haar dient te dezen op overeenkomstige wijze te worden gehandeld. IX-6009-17/28 Voorts stelt de verzoekster dat de vergelijking die de verwerende partij in de bestreden beslissing maakt met de vernietiging van een benoeming niet opgaat, aangezien de overheid bij benoemingen in principe de mogelijkheid heeft om al dan niet tot benoeming over te gaan en zij, in de mate dat ze benoemt, niet verplicht is om de oude procedure te hervatten maar een nieuwe benoemingsprocedure kan opstarten. Bij de evaluatie van een personeelslid en de beloning van geleverde prestaties bestaat deze laatste mogelijkheid volgens de verzoekster niet, zodat enkel kan worden beslist om een loopbaanversnelling toe te kennen of, mits deugdelijke motivering, niet toe te kennen. Te dezen, zo besluit de verzoekster, is de verwerende partij ertoe gehouden een nieuwe beslissing te nemen over het voorstel tot versnelling van haar loopbaan op basis van haar prestaties tijdens het evaluatiejaar 1996, en dit overeenkomstig de overwegingen van het vernietigingsarrest nr. 175.999 van 22 oktober 2007 van de Raad van State.
  42. De verzoekster betoogt in een derde middel dat na het genoemde vernietigingsarrest de nieuw te nemen beslissing retroactief uitwerking zou moeten krijgen “vanaf de datum van vernietiging van de beslissing van de departementale directieraad van 14 mei 1997”, aangezien “het eventuele toekennen van de loopbaanversnelling pas uitwerking heeft op de loopbaan van verzoekster het jaar volgend op het evaluatiejaar in kwestie”. Volgens de verzoekster houdt de verwerende partij ten onrechte voor dat de nieuwe beslissing geen terugwerkende kracht kan hebben. Zij stelt dat het principe van de niet-retroactiviteit van bestuurshandelingen niet wordt geschonden wanneer de motieven van de vernietiging worden gerespecteerd. Te dezen zou een nieuwe beslissing die terugwerkende kracht heeft, de motieven van het vernietigingsarrest nr. 175.999 van 22 oktober 2007 respecteren. Bovendien kan volgens de verzoekster een belangrijke uitzondering op het principe van de niet-retroactiviteit worden ingeroepen, namelijk dat bij het verlenen van rechtsherstel terugwerkende kracht niet verboden is wanneer vaststaat dat een rechtzoekende al in het verleden recht had op een bepaalde beslissing en het bestuur dus een beslissing neemt die het eigenlijk reeds eerder had moeten nemen. IX-6009-18/28 Voorts is de terugwerkende kracht eveneens gerechtvaardigd wanneer daarvoor een wettelijke grondslag bestaat of voor zover de terugwerking noodzakelijk is voor de goede werking van de diensten, zonder dat hierbij verkregen situaties worden aangetast. Ter adstructie verwijst de verzoekster naar rechtspraak van de Raad van State inzake benoemingen, waarbij werd geoordeeld dat niets belet dat de loopbaan wordt gereconstrueerd vanaf het tijdstip waarop de vernietigde benoemingen uitwerking hebben, aangezien de uitwerking ex tunc van een vernietigingsarrest de wettigheid dekt van een met terugwerkende kracht genomen rechtsherstellende nieuwe beslissing.
  43. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord vooreerst een exceptie van onontvankelijkheid van zowel het tweede als het derde middel op, afgeleid uit de omstandigheid dat de verzoekster niet aangeeft welke precieze rechtsregels zij geschonden acht.
  44. Met betrekking tot de grond van het tweede middel laat zij gelden dat de bestreden beslissing werd genomen in de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid en dat zij daarbij de regelgeving moest toepassen zoals deze eind 2007 bestond. Dienvolgens kon zij slechts vaststellen dat de procedure niet kon worden hernomen, omdat krachtens de nieuwe regelgeving geen mogelijkheid meer bestond om een loopbaanversnelling toe te kennen. Hetzelfde geldt volgens haar voor een benoeming die krachtens de nieuwe regelgeving niet meer kan worden verleend. Na een vernietigingsarrest moet dan noodzakelijkerwijze worden besloten dat de nieuwe regelgeving niet meer toelaat dat de benoemingsprocedure wordt hernomen vanaf haar ontsporing. Voor zover de verzoekster verwijst naar de overgangsregeling van artikel VI 119 van het Vlaams personeelsstatuut van 2006, stelt de verwerende partij vast dat deze regeling enkel betrekking heeft op procedures tot horizontale mobiliteit en tot bevordering. Volgens haar moet deze regeling strikt worden geïnterpreteerd en kan ze niet worden betrokken op loopbaanversnellingen. De uitzonderingen op het beginsel “tempus regit actum” die door de verzoekster worden aangehaald, zijn volgens de verwerende partij niet van toepassing. Hetzelfde geldt voor de rechtsleer waarnaar de verzoekster verwijst, nu deze handelt over de miskenning van een rechtsplicht tot benoemen, terwijl te dezen de bestreden beslissing genomen is in de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid. IX-6009-19/28 Ten slotte stelt de verwerende partij niet in te zien hoe uit het feit dat de verzoekster een retroactieve benoeming als deskundige heeft verkregen, kan worden afgeleid dat zij nog een loopbaanversnelling zou kunnen genieten die zij desgevallend als hoofdassistent had moeten verkrijgen. Nu de nieuwe regelgeving hoe dan ook niet voorziet in de toekenning van een loopbaanversnelling, is de problematiek van verzoekster tussengekomen bevordering volgens haar niet aan de orde.
  45. Met betrekking tot de grond van het derde middel argumenteert de verwerende partij dat de vraag of er al dan niet met terugwerkende kracht moest worden beslist irrelevant is, nu enkel werd beslist dat geen loopbaanversnelling meer kon worden toegekend, omdat de huidige regels niet daarin voorzien. Voorts stelt de verwerende partij dat de verwijzingen naar de beoordeling door de Raad van State van het bij arrest nr. 175.999 van 22 oktober 2007 vernietigde besluit niet dienend zijn. Hoewel het motief van het vernietigingsarrest uiteraard van belang is, valt volgens de verwerende partij niet in te zien hoe dit motief een weerslag zou kunnen hebben op de vraag of het bestuur nog iets kan toekennen wanneer moet worden vastgesteld dat op het ogenblik van de beoordeling het gevraagde niet langer bestaat. De verwerende partij besluit dat de verzoekster ten onrechte uit de rechtspraak van de Raad van State afleidt dat een retroactieve werking verplicht is. Integendeel is volgens de verwerende partij in het geval van discretionaire bevoegdheid juist sprake van de toepassing van de nieuwe regelgeving. Aangezien volgens de nieuwe regelgeving het gevraagde voordeel niet meer bestaat, kan dit voordeel volgens de verwerende partij niet meer worden toegekend, zodat het vanzelfsprekend ook niet ex tunc kan worden toegekend.
  46. De verzoekster stelt in haar memorie van wederantwoord dat zij het derde middel integreert in het tweede middel en dat zij het nieuwe tweede middel “wijzigt en aanvult”. Zij voert aan dat de omzendbrief PEBE/DVO/2006/2 van 19 mei 2006 “betreffende de bevoegde overheden in de loopbaan- en beloningsbepalingen”, alsook de overgangsbepaling van artikel VI 11 -het huidige artikel VI 119- van het Vlaams personeelsstatuut van 2006 geschonden zijn, doordat de verwerende partij IX-6009-20/28 heeft nagelaten in de bestreden beslissing toepassing te maken van de “oude” regelgeving inzake de loopbaanversnelling. Zij verwijst naar punt 2 van de genoemde omzendbrief, naar artikel VIII 78 van het Vlaams personeelsstatuut van 1993 en naar artikel VI 119 van het Vlaams personeelsstatuut van 2006, ter ondersteuning van haar stelling dat de lopende procedures dienen te worden afgehandeld volgens de regels die van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van het Vlaams personeelsstatuut van
  47. De verzoekster betoogt voorts dat de verwerende partij zich niet kan onttrekken aan het nemen van een nieuwe beslissing ten gronde om de enkele reden dat het stelsel van de loopbaanversnelling niet meer bestaat, nu vaststaat dat dit stelsel reeds op het ogenblik van het indienen van haar verzoekschrift in de zaak A. 88.425/IX-2159, die heeft geleid tot het vernietigingsarrest nr. 175.999 van 22 oktober 2007 van de Raad van State, niet meer bestond, zodat dit geen nieuw gegeven is. Indien de loopbaanversnelling wordt toegekend, zou bovendien het principe gelden van het retroactieve herstel van haar loopbaan, mede op basis van de voormelde Vlaamse regelgeving. Inzake de terugwerkende kracht die volgens haar moet worden toegekend aan de nieuwe beslissing, laat de verzoekster gelden dat deze terugwerking aanvaardbaar is om redenen van billijkheid. Zij merkt op dat de loopbaanversnelling doorwerkt tijdens haar volledige verdere loopbaan als deskundige en dat een eventuele retroactieve werking niemand enig nadeel zou berokkenen. Zij wijst bovendien op het verbod van discriminatie, terwijl aan haar collega D., die zich in een analoge situatie bevond, toch een loopbaanversnelling werd toegekend. Als repliek op de argumentatie van de verwerende partij stelt de verzoekster dat zij in haar memorie van wederantwoord de geschonden rechtsregels verduidelijkt. Volgens haar spreekt de verwerende partij zich tegen, waar zij stelt dat de regelgeving moest worden toegepast zoals deze eind 2007 bestond. In die redenering had immers de regelgeving betreffende de functioneringstoelage moeten worden toegepast, terwijl de verwerende partij slechts heeft vastgesteld dat de loopbaanversnelling niet meer bestond. Ook het argument van de verwerende partij dat de procedure niet kan worden hernomen, kan volgens de verzoekster niet worden aangenomen. De verzoekster stelt dat de verwerende partij ertoe gehouden is, zoals IX-6009-21/28 aangevoerd in het eerste middel, om een beslissing ten gronde te nemen, waarbij het mogelijk is om een loopbaanversnelling toe te kennen met toepassing van de uitzonderingen op het principe van de niet-retroactiviteit. De verzoekster spreekt tegen dat de verwerende partij te dezen een discretionaire bevoegdheid uitoefent. Volgens haar heeft de overheid na de vernietiging van een weigeringsbeslissing een handelingsplicht, zodat de uitzonderingen op het principe van niet-retroactiviteit en het beginsel “tempus regit actum” wel degelijk toepassing vinden. De verzoekster wijst erop dat geen wettelijk obstakel verhindert dat haar als deskundige een loopbaanversnelling wordt toegekend voor haar uitstekende prestaties in
  48. Zelfs indien de verwerende partij haar nog steeds als hoofdassistent zou willen beoordelen, dan nog zou haar een loopbaanversnelling of functioneringstoelage kunnen worden toegekend. De verzoekster gaat in tegen de stelling van de verwerende partij dat de vraag naar de retroactiviteit niet dienend zou zijn omdat de loopbaanversnelling niet meer bestaat. Zij herhaalt dat het niet is omdat het stelsel van de loopbaanversnelling niet meer bestaat dat het niet meer zou kunnen worden toegepast, indien dat verantwoord is om redenen van gelijkheid of billijkheid of indien een correcte uitvoering van een vernietigingsarrest zulks vereist. De verzoekster houdt ten slotte staande dat de verwerende partij verplicht was om een nieuwe beslissing ten gronde te nemen en dat de uitwerking ex tunc van een vernietigingsarrest een wettelijke grondslag biedt om deze beslissing te laten terugwerken in de tijd.
  49. In haar laatste memorie stelt de verzoekster dat de afschaffing van het stelsel van de loopbaanversnelling in het jaar 1998 niet ertoe kan leiden dat haar heden elke vorm van rechtsbescherming wordt ontzegd. Volgens de verzoekster past het niet dat de verwerende partij heeft nagelaten om te voorzien in duidelijke overgangsmaatregelen, zodat zij nu geen aanspraak kan maken op de toepassing van de oude regelgeving maar zij evenmin ressorteert onder de nieuwe regelgeving. De verzoekster wijst in dit verband op artikel VI 119 van het Vlaams personeelsstatuut van 2006 en de toelichting bij dat artikel om te besluiten dat de loopbaanversnelling nog steeds kan worden toegekend. De verzoekster herhaalt dat uit de genoemde omzendbrief PEBE/DVO/2006/2 van 19 mei 2006 duidelijk blijkt dat de procedures inzake de administratieve loopbaan die werden aangevat vóór de inwerkingtreding van het Vlaams personeelsstatuut van 2006, worden voortgezet overeenkomstig de vroegere reglementering. IX-6009-22/28 De verzoekster besluit dat, indien moet worden aangenomen dat de loopbaanversnelling niet meer kan worden toegekend, minstens een andere vorm van waardering mogelijk moet zijn, zoals de toekenning van een functioneringstoelage. Beoordeling
  50. Luidens artikel 2, § 1, 3/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet het verzoekschrift een uiteenzetting van de middelen bevatten. Onder een middel in de zin van artikel 2, § 1, 3/, van het genoemde besluit van de Regent moet worden begrepen een voldoende duidelijke omschrijving van de geschonden rechtsregel of het geschonden rechtsbeginsel en van de wijze waarop die regel of dat beginsel door de bestreden beslissing wordt geschonden. Dit betreft een substantieel vormvoorschrift dat ertoe strekt de verwerende partij in de mogelijkheid te stellen zich tegen de grieven van de verzoekende partij te verdedigen en de Raad van State toe te laten deze grieven te onderzoeken. Slechts wanneer deze doelstelling in het gedrang komt, moet tot de onontvankelijkheid van het middel worden besloten.
  51. Te dezen vermeldt de verzoekster in haar verzoekschrift tot nietigverklaring onder de hoofding van haar tweede en derde middel in haar verzoekschrift niet uitdrukkelijk welke rechtsregels en -beginselen zij geschonden acht. Niettemin kunnen die rechtsregels en -beginselen worden afgeleid uit de toelichting die zij bij die middelen geeft. Uit de memorie van antwoord van de verwerende partij blijkt dat deze partij erin geslaagd is om de middelen omstandig te beantwoorden. Zij heeft de middelen terecht begrepen als een kritiek op de stelling van de bestreden beslissing dat toepassing moet worden gemaakt van de regelgeving die geldt op het ogenblik van de beslissing en dat aan de nieuwe beslissing geen terugwerkende kracht kan worden verleend. Voor zover deze middelen worden onderzocht op de wijze waarop ze door de verwerende partij werden begrepen en in redelijkheid konden worden begrepen, wordt deze partij niet geschaad in haar rechten van verweer. IX-6009-23/28 Waar de verzoekster in haar memorie van wederantwoord laat gelden dat zij het derde middel integreert in het tweede middel en dat zij het nieuwe tweede middel “wijzigt en aanvult”, moet worden vastgesteld dat de verzoekster haar argumentatie wel herformuleert en aanvult, doch in wezen niet wijzigt, zodat de rechten van verdediging van de verwerende partij ook in dit opzicht niet geschonden zijn. De exceptie van onontvankelijkheid van het tweede en het derde middel moet worden verworpen.
  52. Een orgaan van actief bestuur moet bij het nemen van een nieuwe beslissing na de vernietiging van een eerdere handeling, in beginsel de reglementering toepassen zoals deze van kracht is op het ogenblik van de nieuwe beslissing. Slechts als vaststaat dat de overheid op het ogenblik van het stellen van de vernietigde handeling over een strikt gebonden bevoegdheid beschikte en dus niet enkel verplicht was te beslissen, maar ook een welbepaalde beslissing diende te nemen, en als deze beslissing op een welbepaald ogenblik moest worden genomen, dan dient zij de vernietigde handeling over te doen met toepassing van de regelgeving zoals die toentertijd gold. De nieuwe beslissing moet dan bovendien terugwerken tot op de datum van de vernietigde handeling.
  53. Te dezen blijkt niet dat de departementale directieraad op 14 mei 1997 ertoe verplicht was om de verzoekster voor haar prestaties tijdens het evaluatiejaar 1996 een versnelling van haar loopbaan toe te kennen. De verzoekster voert dan ook ten onrechte aan dat de verwerende partij zich bij het nemen van de thans bestreden beslissing had moeten laten leiden door de regelgeving zoals die van toepassing was op het ogenblik dat de bij arrest nr. 175.999 van 22 oktober 2007 van de Raad van State vernietigde beslissing van de directieraad van 14 mei 1997 werd genomen. Integendeel diende zij rekening te houden met de regelgeving zoals van toepassing op het ogenblik van de bestreden beslissing zelf.
  54. Dienvolgens rijst de vraag welke de toepasselijke reglementering was ten tijde van de bestreden beslissing van 16 juni 2008 en of deze reglementering niet middels haar overgangsbepalingen de verwerende partij er alsnog toe verplichtte IX-6009-24/28 om bij de beoordeling van het voorstel tot toekenning van een versnelling van de loopbaan van de verzoekster op grond van haar prestaties tijdens het evaluatiejaar 1996 acht te slaan op de vroegere regelgeving.
  55. Volgens de verzoekster was dit laatste voorzeker het geval. Zij verwijst hiervoor naar punt 2 van de omzendbrief PEBE/DVO/2006/2 van 19 mei 2006 betreffende de bevoegde overheden in de loopbaan- en beloningsbepalingen, naar artikel VIII 78 Vlaams personeelsstatuut van 24 november 1993 en naar artikel VI 119 van het Vlaams personeelsstatuut van
  56. Punt 2 van de omzendbrief PEBE/DVO/2006/2 van 19 mei 2006 betreffende de bevoegde overheden in de loopbaan- en beloningsbepalingen luidt als volgt: “De procedures inzake de administratieve loopbaan die aangevat werden vóór de inwerkingtreding van het VPS van 13 januari 2006, worden verdergezet overeenkomstig de reglementering van kracht bij de aanvang ervan (overgangsbepaling in artikel VI 11). Omwille van de continuïteit worden ook de procedures inzake het geldelijk statuut die aangevat werden vóór de inwerkingtreding van het VPS van 13 januari 2006, verdergezet overeenkomstig de reglementering van kracht bij de aanvang ervan. [...]” De verzoekster verwijst teven naar de bijlage 1 bij deze omzendbrief, die onder meer de bevoegde overheid aanduidt voor het nemen van beslissingen inzake loopbaanvertraging. Artikel VIII 78 van het Vlaams personeelsstatuut van 1993 bepaalt: “De beslissing tot normale loopbaansnelheid, loopbaanversnelling of loopbaanvertraging wordt genomen vóór 1 juli van het jaar volgend op het evaluatiejaar bedoeld in artikel VIII 15; zij heeft uitwerking op 1 juli van het jaar volgend op het evaluatiejaar en heeft effect op de daaropvolgende twaalf maanden. [...] Van 1 juli tot 30 juni telt elke maand overeenkomstig de beslissing van het eerste lid voor één maand, twee maanden, een halve maand of nul maanden. [...].” De verzoekster leidt hieruit af dat de loopbaanversnelling een impact heeft op de administratieve loopbaan, zodat meteen aangetoond zou zijn dat IX-6009-25/28 de overgangsbepalingen in verband met de administratieve loopbaan toepassing vinden op haar geval. Artikel VI 119 van het Vlaams personeelsstatuut van 2006 bepaalt: “De procedures tot invulling van statutaire en contractuele betrekkingen via herplaatsing en horizontale mobiliteit en de procedures inzake bevordering, de loopbaanexamens en de vergelijkende bekwaamheidsproeven die aangevat werden vóór de inwerkingtreding van dit besluit, worden verdergezet overeen- komstig de reglementering van kracht bij de aanvang ervan.” De verzoekster argumenteert dat de beslissing tot loopbaanversnelling behoort tot de “administratieve loopbaan en beloningsbepalingen” en valt onder de overgangsbepaling van artikel VI 119 van het Vlaams personeelsstatuut van 2006, evenzeer zoals het principe van de loopbaanvertraging tot deze “categorie” behoort en expliciet werd opgenomen in de bijlage 1 bij de eerder genoemde omzendbrief.
  57. Het standpunt van de verzoekster kan evenwel niet worden bijgevallen. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat de omzendbrief PEBE/DVO/2006/2 van 19 mei 2006 betreffende de bevoegde overheden in de loopbaan- en beloningsbepalingen, in zoverre hij de overgangsbepaling in artikel VI 11 van het Vlaams personeelsstatuut van 2006 toelicht, geen reglementaire, maar slechts een interpretatieve of indicatieve waarde heeft. Derhalve kan hieruit niet worden afgeleid dat álle procedures inzake de administratieve loopbaan, met inbegrip -volgens de verzoekster- van de loopbaanversnelling, onder de overgangsbepaling van het Vlaams personeelsstatuut van 2006 vallen. Overigens maakt ook de bijlage 1 van de genoemde omzendbrief geen melding van de rechtsfiguur van de loopbaanversnelling. Bovendien gaat de verzoekster eraan voorbij dat de genoemde omzendbrief dateert van 19 mei 2006, en derhalve voorafgaat aan de invoering van artikel VI 119 in het Vlaams personeelsstatuut van 2006 bij besluit van de Vlaamse regering van 16 maart
  58. Op de datum van de omzendbrief was de overgangsbepaling van artikel VI 11 van het Vlaams personeelsstatuut van 2006 van toepassing, die als volgt luidt: IX-6009-26/28 “De procedures inzake herplaatsing, bevordering tijdelijke aanstelling, de loopbaanexamens en de vergelijkende bekwaamheidsproeven die aangevat werden vóór de inwerkingtreding van dit besluit, worden verdergezet overeen- komstig de reglementering van kracht bij de aanvang ervan.” Noch artikel VI 11, noch artikel VI 119 van het Vlaams personeelsstatuut van 2006 maken gewag van “procedures inzake de administratieve loopbaan”, zoals de genoemde omzendbrief. Aangezien de genoemde omzendbrief, in zoverre de verzoekster zich te dezen erop steunt, geen verordenend karakter heeft en de aangehaalde overgangsbepalingen geen melding maken van de loopbaanversnelling, kan niet worden aangenomen dat voor de lopende procedures inzake loopbaanversnelling de reglementering gold die van kracht was bij de aanvang van die procedures. De verwerende partij stelt in dat verband immers terecht dat overgangsbepalingen restrictief moeten worden geïnterpreteerd.
  59. Uit hetgeen voorafgaat kan worden besloten dat de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing terecht toepassing heeft gemaakt van de bepalingen in het Vlaams personeelsstatuut van
  60. Hierbij heeft zij terecht geoordeeld dat de figuur van de loopbaanversnelling niet meer bestond, nu de overgangsbepaling vervat in artikel VI 119 niet impliceerde dat de reglementering inzake de loopbaanversnelling nog toepassing diende te krijgen. De loopbaanversnelling kon dan ook niet langer worden toegekend.
  61. Waar de verzoekster voorhoudt dat de omstandigheid dat een bepaalde rechtsfiguur niet meer bestaat, niet impliceert dat het voordeel daarvan niet meer kan worden toegekend, moet worden opgemerkt dat, indien de verwerende partij zou besluiten tot de toekenning van de loopbaanversnelling, zij de vigerende reglementering zou miskennen, wat uiteraard uitgesloten is. De plicht tot rechtsherstel na een vernietigingsarrest kan niet inhouden dat de overheid de geldende regelgeving mag miskennen.
  62. De verzoekster kan ten slotte niet worden bijgevallen in haar standpunt dat de verwerende partij, geconfronteerd met de onmogelijkheid om met inachtneming van de vigerende reglementering aan haar een loopbaanversnelling toe te kennen, toepassing had kunnen maken van het geldende stelsel van de functioneringstoelage, teneinde haar toch enige waardering voor haar prestaties in 1996 toe te kennen. De verzoekster stelt immers zelf in haar verzoekschrift dat “de procedure inzake de loopbaanversnelling [...] niet gelijk te stellen is met de pas in 1998 geïntroduceerde functioneringstoelage”. Zo wordt de functioneringstoelage IX-6009-27/28 jaarlijks toegekend, terwijl de loopbaanversnelling een duurzaam effect heeft. Bijgevolg kan een voorstel tot loopbaanversnelling niet worden behandeld als een voorstel tot toekenning van een functioneringstoelage.
  63. Het tweede en het derde middel zijn ongegrond.
  64. Gelet op hetgeen hiervóór (onder randnummer 9) werd gesteld, moet dienvolgens tot de onontvankelijkheid van het beroep worden besloten. BESLISSING
  65. De Raad van State verwerpt het beroep.
  66. De verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 juni 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-6009-28/28 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.834 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.535 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.