← België

Arrest 205835 - Wegverkeer van goederen - 28/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.835 Rolnummer: A. 165117/IX-5005 Zaak: Arrest 205835 - Wegverkeer van goederen - 28/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-06 Raadplegingen: 208 - laatst gezien 2026-07-02 10:15 Fiche Arrest nr 205.835 van 28 juni 2010 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 205.835 van 28 juni 2010 in de zaak A. 165.117/IX-5005 In zake : de NV DELTRAN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederik Vanden Bogaerde kantoor houdend te Kortemark Torhoutstraat 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 12 augustus 2005, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 14 juni 2005 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur tot bevestiging van de beslissing van 17 februari 2005 van de wegeninspecteur-controleur waarbij de NV Deltran burgerlijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van een administratieve geldboete van 4.125 euro wegens beschadiging van het wegdek door overlading van een voertuig. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. IX-5005-1/25 Beide partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 juni 2010. Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Frederik Vanden Bogaerde, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Inneke Bockstaele, die loco advocaat Paul Aerts verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoekende partij is uitbater van een transportbedrijf. Op 3 augustus 2004 wordt een vrachtwagen van het bedrijf, geladen met tarwe, gecontroleerd door de wegeninspectie op de gewestweg N308 te Ieper. Bij weging wordt een overlading van 14,5 % vastgesteld op de tweede as, 20,2% op de derde as en een totale overlading van 16 %. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 56 van het decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 (hierna afgekort: “Aslastendecreet”). 3.2. Op 31 augustus 2004 wordt het proces-verbaal overgemaakt aan de procureur des Konings te Ieper met het verzoek om overeenkomstig artikel 59 van het Aslastendecreet binnen een termijn van negentig dagen mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven. Daarop wordt medegedeeld dat het parket akkoord gaat met de administratieve afhandeling van de zaak. 3.3. Bij aangetekende brief van 24 september 2004 deelt de wegen- inspectie aan de verzoekende partij mee dat zij het voornemen heeft om een administratieve geldboete van 4.125 euro op te leggen en dat de verzoekende partij, IX-5005-2/25 indien zij dat wenst, door de wegeninspecteur-controleur zal worden gehoord op de hoorzitting van 17 januari 2005. 3.4. Op 17 januari 2005 wordt de verzoekende partij, vertegenwoor- digd door haar raadsman, door de wegeninspecteur-controleur gehoord. Zij dient ook een nota in. 3.5. Op 17 februari 2005 beslist de wegeninspecteur-controleur dat de verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van een administratieve geldboete van 4.125 euro. Die beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. 3.6. De verzoekende partij stelt daarop beroep in bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur. Op 4 mei 2005 heeft een hoorzitting plaats waarbij namens de verzoekende partij opnieuw een verweernota wordt ingediend. 3.7. Op 14 juni 2005 beslist de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur dat het beroep tegen de beslissing van de wegeninspecteur-controleur ontvankelijk maar ongegrond is. De beslissing van de wegeninspecteur-controleur wordt dienvolgens bevestigd. Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partij toegezonden. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 4. De verzoekende partij roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van artikel 59, §§ 3 en 4, van het Aslastendecreet. Zij voert aan dat zij niet heeft kunnen nagaan of de procureur des Koning binnen de negentig dagen na de ontvangst van het proces-verbaal zijn standpunt met betrekking tot de eventuele strafvervolging heeft medegedeeld. IX-5005-3/25 5. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord dat het proces-verbaal bij brief van 31 augustus 2004 aan de procureur des Konings te Ieper werd overgemaakt met de vraag om binnen de termijn van negentig dagen (eventueel verlengbaar met dertig dagen) mede te delen welk gevolg zijn ambt aan de zaak zou geven. Op 2 september 2004 heeft de procureur des Konings te kennen gegeven dat zijn ambt akkoord kon gaan met een administratieve afhandeling. De procureur des Konings heeft, aldus de verwerende partij, wel degelijk en tijdig een beslissing tot niet-vervolging genomen en ter kennis van de administratie gebracht. 6. In haar memorie van wederantwoord verklaart de verzoekende partij dat zij niet langer in dit middel volhardt, gelet op de correcte inhoud van de memorie van antwoord. Beoordeling 7. De Raad van State begrijpt deze verklaring als een afstand van het middel. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 8. De verzoekende partij roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van artikel 60, § 3, van het Aslastendecreet. In het eerste onderdeel van dit middel voert de verzoekende partij aan dat luidens voormelde bepaling de beslissing in beroep genomen moest worden door de Vlaamse regering aangezien er geen delegatie van bevoegdheid aan de minister is verleend. In het tweede onderdeel van dit middel laat de verzoekende partij gelden dat de bestreden beslissing genomen werd door de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur terwijl deze niet op de hoorzitting aanwezig was en aldus geen kennis van haar verdediging heeft kunnen nemen. IX-5005-4/25 Volgens de verzoekende partij is dit een manifeste schending van de rechten van de verdediging. 9. De verwerende partij verwijst naar artikel 60, § 3, tweede en vierde lid, van het Aslastendecreet. Zij stelt dat deze regeling de uiteindelijke beslissing en bevoegdheid van de Vlaamse regering, vertegenwoordigd door de bevoegde Vlaamse minister niet wegneemt, en wijst erop dat de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur zowel de ontvankelijkheid als de gegrondheid van het beroep beoordeeld heeft. Voorts stelt de verwerende partij, onder verwijzing naar het arrest nr. 127/2000 van 6 december 2000 van het Arbitragehof (thans en hierna: het Grondwettelijk Hof), dat er procedurele waarborgen zijn ter vrijwaring van de rechten van verdediging en dat de verzoekende partij van deze waarborgen gebruik heeft gemaakt zodat er geen sprake van kan zijn dat deze rechten geschonden zijn. 10. In haar memorie van wederantwoord handhaaft de verzoekende partij de stelling dat overeenkomstig artikel 60, § 3, van het Aslastendecreet de beslissing in beroep genomen moest worden door de Vlaamse regering en dat er geen delegatie van bevoegdheid is verleend aan de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur. Wat het tweede onderdeel van het middel betreft, meent de verzoekende partij dat de rechten van verdediging onvoldoende gewaarborgd zijn wanneer het horen van de betrokkene aan een ambtenaar wordt gedelegeerd. Zulks biedt, aldus de verzoekende partij, geen waarborg dat het verweer daadwerkelijk in aanmerking zal worden genomen. Voorts stelt zij dat de verwijzing naar het arrest van het Grondwettelijk Hof niet pertinent is, aangezien dat arrest, wat de procedure betreft, slechts handelde over de vraag of tegen de beslissing van de wegeninspecteur-controleur onmiddellijk beroep moet openstaan bij een rechts- college met volle rechtsmacht terwijl de hier voorliggende vraag is of het recht van verdediging niet wordt uitgehold door de delegatie van de bevoegdheid tot horen. 11. In haar laatste memorie dupliceert de verzoekende partij met betrekking tot het tweede onderdeel van haar middel dat haar recht van verdediging werd geschonden omdat zij niet door de minister zelf werd gehoord. Zij herhaalt haar stelling dat de verwijzing naar het arrest nr. 127/2000 van 6 december 2000 van het Grondwettelijk Hof niet pertinent is daar het Hof in deze zaak geen uitspraak IX-5005-5/25 heeft gedaan over de vraag of de rechten van verdediging geschonden zijn doordat diegene die haar in graad van beroep heeft gehoord niet diegene is die de bestreden beslissing heeft genomen. De verzoekende partij betwist de stelling van de auditeur- verslaggever dat het indienen van een schriftelijke nota het opgeworpen gebrek in de procedure ondervangt. Zij stelt dat de waarde van het horen op zich en de mogelijkheid om een mondelinge toelichting te geven bij de argumentatie in de schriftelijke nota volledig wordt ondergraven door het feit dat diegene die “hoort” niet diegene is die de beslissing dient te nemen. Het nut van een hoorzitting waarin de schriftelijke argumentatie mondeling kan worden toegelicht zou aldus worden tenietgedaan. 12. De verwerende partij schrijft in haar laatste memorie, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad van State, dat het niet vereist is dat de rechtzoekende persoonlijk wordt gehoord door de persoon die de beslissing neemt. Voorts wijst de verwerende partij er nogmaals op dat de Vlaamse minister van Openbare Werken kennis heeft genomen van het verslag van de hoorzitting en de neergelegde conclusie van de verdediging. De verzoekende partij heeft aldus gebruik gemaakt van de procedurele waarborgen zodat van een schending van de rechten van verdediging geen sprake kan zijn. Beoordeling 13. Met betrekking tot het eerste onderdeel van het door de verzoekende partij aangevoerde middel kan worden vastgesteld dat de bevoegdheid om uitspraak te doen over het beroep bedoeld in artikel 60, § 3, van het Aslastende- creet bij artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 21 maart 2003 tot bestrijding van de schade aan het wegdek door gewichtsoverschrijding gedelegeerd is aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de openbare werken. Die delegatie van bevoegdheid steunde op het op dat ogenblik -en ook nog op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing- voor het Vlaams Gewest vigerende artikel 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. 14. In verband met het tweede onderdeel van het middel kan worden vastgesteld dat artikel 60, § 3, vierde lid, van het Aslastendecreet op het ogenblik van de bestreden beslissing als volgt luidde: IX-5005-6/25 “De procedure zoals voorzien in § 2, is van overeenkomstige toepassing op de hoorzitting in het kader van het beroep. De Vlaamse regering kan één of meerdere ambtenaren aanwijzen die de overtreder, de werkgever of de raadsman zullen horen. Ze hebben een hogere rang dan de ter uitvoering van artikel 59, § 1, aangewezen ambtenaren.” Volgens deze bepaling kon het derhalve volstaan dat de verzoekende partij werd gehoord door een ambtenaar die door de Vlaamse regering werd aangewezen en diende zij derhalve niet door de bevoegde Vlaamse minister zelf te worden gehoord. Voorts blijkt uit de bestreden beslissing dat het verslag van de hoorzitting en de nota neergelegd door de verzoekende partij aan de minister zijn voorgelegd. Het recht van verdediging is daardoor geëerbiedigd. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. C. Derde middel Standpunt van de partijen 15. De verzoekende partij roept een derde middel in, afgeleid uit de schending van artikel 6.2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM), doordat de administratieve geldboete een straf is in de zin van voornoemd artikel, aangezien het doel ervan louter repressief is en de betaling van de administratieve geldboete automatisch de strafvervolging doet vervallen. Zij verwijst naar artikel 59, § 5, van het Aslastendecreet dat bepaalt, dat wanneer het misdrijf is begaan door een aangestelde of een lasthebber, de administratieve geldboete alleen door de werkgever verschuldigd is. Zij stelt, onder verwijzing naar de arresten nr. 127/2000 van 6 december 2000 en nr. 125/2003 van 24 september 2003 van het Grondwettelijk Hof dat de administra- tieve geldboete een strafrechtelijk karakter heeft aangezien het doel ervan louter repressief is, namelijk het beboeten van degenen die het wegdek beschadigen. Dit repressief doel wordt, aldus de verzoekende partij, beklemtoond door twee elementen. Enerzijds worden de tarieven van de geldboete gelijkgeschakeld met de tarieven van artikel 57 van het Aslastendecreet, dat een strafbepaling inhoudt, en niet met de tarieven van artikel 58, dat een vorm van schadeloosstelling bepaalt. IX-5005-7/25 Anderzijds doet het betalen van de administratieve geldboete overeenkomstig artikel 60, § 4, eerste lid, van het Aslastendecreet de strafvordering automatisch vervallen. De verzoekende partij besluit dat de administratieve geldboete aldus een straf is in de zin van artikel 6 van het EVRM. Omtrent de persoon aan wie een administratieve geldboete wordt opgelegd schrijft de verzoekende partij dat indien de overtreder een door een arbeidsovereenkomst gebonden werknemer is, hetgeen te dezen het geval is, er geen betwisting over kan bestaan dat de geldboete volgens het Aslastendecreet uitsluitend kan worden opgelegd aan de werkgever en niet aan de werknemer, die niet in de procedure voorkomt. Vervolgens wijst de verzoekende partij op artikel 6.2 van het EVRM, dat bepaalt dat eenieder die wordt vervolgd voor een strafbaar feit, onschuldig is totdat zijn schuld wordt bewezen. Men kan dan ook enkel vervolgd worden voor feiten die men heeft gepleegd. De verzoekende partij verwijst ter zake naar het arrest nr. 125/2003 van 24 september 2003 van het Grondwettelijk Hof waarin wordt overwogen dat het steeds mogelijk moet zijn om voor de rechter na te gaan of iemand enige schuld treft. Zij stelt dat deze mogelijkheid ontnomen wordt door de regeling vastgesteld in artikel 59, § 5, van het Aslastendecreet, die voorziet in een systeem van kwalitatieve strafrechtelijke aansprakelijkheid waarin aan de werkgever een administratieve geldboete kan worden opgelegd zonder dat diens schuld onderzocht moet worden. De werkgever kan, aldus nog de verzoekende partij, hierdoor niet overgaan tot de recuperatie van de betaalde administratieve geldboete lastens zijn werknemer aangezien de administratieve geldboete in haar hoofde een eigen straf betreft. Bovendien zou de werkgever ook botsen op artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en op het verval van strafvordering. Daar de strijdigheid van artikel 59, § 5, van het Aslastendecreet met artikel 6.2. van het EVRM ook een strijdigheid meebrengt met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, vraagt de verzoekende partij dat aan het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag zou worden gesteld “of art. 59 § 5 van het Decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting art. 10 en 11 G.W., gelezen in samenspraak met art. 6.2 van het EVRM, schendt in de zin dat IX-5005-8/25 voornoemde bepaling een straf oplegt zonder dat het bewijs van persoonlijke schuld moet geleverd worden”. 16. De verwerende partij antwoordt, onder verwijzing naar het arrest nr. 127/2000 van 6 december 2000 van het Grondwettelijk Hof, dat het kwalificeren van een administratieve geldboete als een straf in de zin van artikel 6 van het EVRM niet tot gevolg heeft dat die boete naar Belgisch recht een strafrechtelijk karakter zou hebben. Bovendien heeft artikel 59, § 5, van het Aslastendecreet niet het karakter van een strafrechtelijke veroordeling ten aanzien van de werkgever, te meer daar diens aansprakelijkheid enkel kadert in een administratieve procedure en er dus naar Belgisch recht geen sprake kan zijn van een straf. Aldus meent de verwerende partij dat de verplichting van de werkgever tot betaling van de administratieve geldboete, opgelegd aan zijn werknemer, de burgerlijke aansprake- lijkheid van de werkgever betreft. Volgens de verwerende partij wordt in de bestreden beslissing dan ook terecht overwogen dat uit de bewoordingen van artikel 59, § 5, van het Aslastendecreet niet volgt dat de administratieve geldboete wordt “opgelegd” aan de werkgever. De werkgever wordt daarentegen burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld voor de geldboete opgelegd aan de werknemer, aangestelde of lasthebber. De burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de werkgever voor een administratieve geldboete opgelegd aan de werknemer houdt niet in dat een straf in de zin van artikel 6.2 van het EVRM wordt opgelegd aan de werkgever. Aangezien de werkgever niet vervolgd wordt is de verwijzing naar het persoonlijk karakter van de straf niet relevant. De verwerende partij besluit dat niet op het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag moet worden ingegaan, aangezien het Grondwettelijk Hof reeds in meerdere arresten (nr. 127/2000 van 6 december 2000 en nr. 81/2003 van 11 juni 2003) heeft overwogen dat het decreet van 19 december 1998, zoals gewijzigd bij decreet van 22 december 1999, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6.2 van het EVRM, niet schendt. 17. In haar memorie van wederantwoord betwist de verzoekende partij de stelling van de verwerende partij dat de administratieve geldboete niet aan de werkgever wordt opgelegd. Waar de verwerende partij verwijst naar het arrest IX-5005-9/25 nr. 127/2000 van 6 december 2000 van het Grondwettelijk Hof, voert de verzoekende partij aan dat deze verwijzing irrelevant is nu in dit arrest niet de administratieve geldboete wordt behandeld maar wel de bijdrage die in het kader van de procedure voor de strafrechter wordt opgelegd. De verzoekende partij merkt bovendien op dat het Aslastendecreet intussen bij decreet van 24 juni 2005 gewijzigd werd en dat nu wel uitdrukkelijk is bepaald dat de boete aan de overtreder wordt opgelegd en de onderneming burgerrechtelijk aansprakelijk is. Volgens de verzoekende partij heeft de decreetgever zelf ingezien dat er problemen waren met de vroegere regeling waarbij de overtreder niet in de procedure betrokken werd. Zij wijst erop dat de prejudiciële vraag die zij aan het Grondwettelijk Hof gesteld wil zien nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een onderzoek door het Grondwettelijk Hof. Zij blijft dan ook van oordeel dat er reden is om de prejudiciële vraag te stellen. 18. In haar laatste memorie herhaalt de verzoekende partij dat artikel 59, § 5, van het Aslastendecreet geen burgerrechtelijke aansprakelijkheid in het leven roept. Zij verwijst hiervoor naar de bewoordingen van het artikel en naar de parlementaire voorbereiding ervan. Zij wijst ook op het feit dat enkel de werkgever is gehouden tot betaling, terwijl de overtreder zelf niet in de procedure wordt betrokken en hij ook niet gehouden is tot betaling van een administratieve geldboete voor feiten die hij heeft gepleegd. Voorts verwijst de verzoekende partij opnieuw naar de wijzigingen van het Aslastendecreet door het decreet van 24 juni 2005. Aangezien nu wel degelijk sprake is van een burgerrechtelijke aansprakelijkheid, kan er in de oude versie van het decreet geen sprake zijn van een louter burgerrechtelijke gehoudenheid. Ter zake verwijst de verwerende partij ook naar de parlementaire voorbereiding van het decreet van 24 juni 2005 waarin is opgemerkt dat de onderneming burgerrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld, dat dergelijke regeling toegestaan is indien een wetsbepaling daarin uitdrukkelijk voorziet en dat de maatregel tot doel heeft de invordering van de geldboeten te vergemakkelijken. De verzoekende partij meent dat indien het Aslastendecreet ab initio in een burgerrechtelijke aansprakelijkheid had voorzien, dergelijke motivering voor de aanpassing ervan niet noodzakelijk was geweest. Zelfs de aanpassing op zich was niet nodig geweest. IX-5005-10/25 De verzoekende partij stelt dat waar de auditeur-verslaggever in zijn verslag de vergelijking maakt met artikel 67 van de Wegverkeerswet, deze vergelijking spaak loopt, nu er in dat geval helemaal geen sprake is van een exclusieve gehoudenheid in hoofde van de werkgever. Zij wijst er ook op dat in voormeld artikel wel een uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek is ingebouwd, wat in het oude artikel 59, § 5, van het Aslastendecreet niet het geval was. Ten slotte besluit de verzoekende partij dat haar prejudiciële vraag, waarmee zij de toetsing van artikel 59, § 5, van het Aslastendecreet aan artikel 6 van het EVRM beoogt, wel degelijk gesteld dient te worden. Beoordeling 19. Vóór de wijziging bij het decreet van 24 juni 2005 luidde artikel 59, § 5, van het Aslastendecreet als volgt: “§ 5. Wanneer het misdrijf bedoeld in artikel 56 begaan is door een aangestelde of een lasthebber is de administratieve geldboete alleen door de werkgever verschuldigd.” In artikel 60, §§ 1 en 2, zoals vervangen bij het decreet van 22 december 1999 en van kracht tot aan de wijziging bij het decreet van 24 juni 2005, is voorts sprake van “de overtreder of zijn (

  1. de)werkgever”. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij voorhoudt, blijkt uit die bepalingen dat het Aslastendecreet wel degelijk een onderscheid maakt tussen de overtreder en zijn werkgever. Als de overtreder voor eigen rekening rijdt, kan aan hemzelf de boete worden opgelegd. Als de overtreder daarentegen een aangestelde of een lasthebber is, kan hem geen boete worden opgelegd, maar kan zijn werkgever wel burgerrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor de betaling van de boete. Die regeling is in dat opzicht vergelijkbaar met artikel 67 van de gecoördineerde wetten betreffende de politie op het wegverkeer, dat luidt als volgt: “Zij die overeenkomstig artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek burgerrechtelijk aansprakelijk zijn voor schadevergoeding en kosten zijn insgelijks aansprakelijk voor de geldboete. Met die personen wordt IX-5005-11/25 gelijkgesteld de voogd, wat betreft de misdrijven begaan door zijn ongehuwde, bij hem inwonende pupillen.” Volgens de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof kan een uitdrukkelijke wetsbepaling in een dergelijke afwijking van het gemeen recht voorzien. In het arrest nr. 70/2000 van 14 juni 2000 overwoog het Hof in verband met artikel 67 van de wegverkeerswet het volgende: “B.4. De wetgever was van oordeel dat, ten aanzien van de toenemende problemen van het wegverkeer en het grote aantal verkeersongevallen en ermede rekening houdend dat een stijgend aantal personen voor rekening rijdt van hun werkgever, bijzondere maatregelen dienden te worden genomen. Reeds sedert lang heeft hij aan de burgerlijk aansprakelijke persoon het betalen van geldboetes inzake wegverkeer opgelegd, zoals hij ook eerder heeft gedaan in andere materies, vooral in talrijke bepalingen van het sociaal strafrecht. Terwijl die maatregel tot doel heeft de invordering van geldboetes te vergemakkelijken, heeft hij ook als gevolg de situatie te verzwaren van de werkgever voor wiens rekening de beklaagde werkte op het ogenblik van de inbreuk. Die geldelijke maatregel is van burgerlijke aard. Hij heeft niet het karakter van een strafrechtelijke veroordeling ten aanzien van de tot de betaling gehouden persoon, die niet wordt beschouwd als de dader van de inbreuk, die overigens niet in zijn strafregister wordt vermeld.” De verwijzing van de verzoekende partij naar het decreet van 24 juni 2005 waarmee het Aslastendecreet wordt gewijzigd, in de zin dat sindsdien expliciet naar artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek wordt verwezen, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat het ook in de versie van het Aslastendecreet, toepasselijk in de voorliggende zaak, gaat om een burgerrechtelijke aansprakelijkheid. Ook in de prejudiciële vraag die de verzoekende partij met betrekking tot artikel 59, § 5, van het Aslastendecreet aan het Grondwettelijk Hof wil laten stellen, gaat zij er ten onrechte van uit dat de werkgever strafrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de inbreuk die door zijn aangestelde of lasthebber werd begaan. Uit het feit dat de administratieve geldboete als strafrechtelijk in de zin van artikel 6 van het EVRM zou worden gekwalificeerd, volgt evenwel niet dat de verplichting tot betaling van de geldboete door de werkgever eveneens van strafrechtelijke en niet van burgerrechtelijke aard zou zijn. Om de werkgever voor de betaling van de administratieve geldboete aansprakelijk te kunnen stellen, moet niet de schuld van de werkgever, maar wel de schuld van diens aangestelde of lasthebber worden vastgesteld. De bepalingen van het Aslastendecreet sluiten niet uit dat de werkgever de schuld van IX-5005-12/25 zijn aangestelde of lasthebber kan betwisten en dat de aangestelde of lasthebber op verzoek van de werkgever door het bestuur wordt gehoord. Aangezien de prejudiciële vraag uitgaat van de onjuiste veronderstelling dat de verplichting tot betaling van de administratieve geldboete door de werkgever afwijkt van het strafrechtelijk principe dat eenieder slechts kan vervolgd worden voor feiten die hij zelf heeft gepleegd, is er geen reden om in te gaan op het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. Het middel faalt naar recht. D. Vierde middel Standpunt van de partijen 20. De verzoekende partij voert in een vierde middel aan dat de Vlaamse wegeninspecteurs inbreuken inzake wegdekbeschadiging niet rechtsgeldig kunnen vaststellen. Vanwege de koppeling die in artikel 56 van het Aslastendecreet wordt gemaakt tussen de wegdekbeschadiging en het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen (hierna: het Technisch Reglement) houdt dergelijke vaststelling immers noodzakelijkerwijze in dat die inspecteurs ook de naleving van het Technisch Reglement controleren, terwijl daartoe alleen de door de Koning aangewezen ambtenaren bevoegd zijn. In ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof “nopens de vraag of de gemeenschappen ambtenaren wettelijk kunnen aanduiden met het oog op het controleren van federale wetgeving”. 21. De verwerende partij antwoordt dat de gewesten op grond van artikel 6, § 1, X, eerste lid, 1/, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bevoegd zijn om normen aan te nemen ter bescherming van de wegeninfrastructuur, onder meer ter bestrijding van schade aan het wegdek, en om inbreuken op die normen strafbaar te stellen. IX-5005-13/25 Vervolgens citeert de verwerende partij het arrest nr. 127/2000 van 6 december 2000 waarin het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld dat de Vlaamse decreetgever voor het uitoefenen van een bevoegdheid die hem uitdrukkelijk is toegewezen, namelijk de zorg voor de wegeninfrastructuur, criteria mag aanwenden die door de federale overheid zijn ingesteld met het oog op de behartiging van een federale aangelegenheid, namelijk de veiligheid van het wegverkeer. De verwerende partij merkt vervolgens op dat de gewesten overeenkomstig artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bevoegd zijn om ambtenaren aan te wijzen om toezicht uit te oefenenen op de binnen hun bevoegdheid vastgestelde strafbepalingen. Bij artikel 61 van het Aslastendecreet wordt de Vlaamse regering gemachtigd ambtenaren aan te wijzen die toezicht uitoefenen op de naleving van artikel 56 van het Aslastendecreet. Deze ambtenaren zijn bevoegd om inbreuken op voormeld artikel 56 vast te stellen bij proces-verbaal met bewijswaarde tot het tegendeel. De verwerende partij besluit dat de gedane vaststellingen correct en binnen deze bevoegdheid zijn gebeurd en dat de toetsing aan federale criteria hieraan geen afbreuk doet. 22. In haar memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij dat het middel niet gaat over de vraag of de wegeninspecteurs bevoegd zijn om inbreuken op de Vlaamse regelgeving te controleren, maar wel over de vraag of zij bij de uitoefening van hun bevoegdheid de naleving van de federale wetgeving mogen controleren. De verzoekende partij voegt daaraan toe dat de decreetgever met ingang van 3 september 2005 in artikel 56 van het Aslastendecreet de rechtstreekse verwijzingen naar het Technisch Reglement heeft geschrapt, zodat de wegen- inspecteurs niet langer rechtstreeks controle moeten uitoefenen op de federale bepalingen. Volgens de verzoekende partij ondersteunt dit wetgevend ingrijpen haar argumentatie. IX-5005-14/25 23. In haar laatste memorie schrijft de verzoekende partij dat, waar de auditeur-verslaggever in zijn verslag stelt dat de wegeninspecteurs de federale wetgeving niet zouden moeten controleren, daar zij enkel zijn aangesteld om het Aslastendecreet te controleren, de tekst van het te dezen toepasselijke artikel 56, eerste lid, van het Aslastendecreet wel degelijk oplegt om inbreuken op de federale wetgeving te controleren aangezien de wegeninspecteurs anders de inbreuken op het Aslastendecreet niet kunnen controleren. Voorts meent de verzoekende partij dat haar prejudiciële vraag wel degelijk gesteld moet worden. Zij verduidelijkt dat zij met die vraag artikel 61, eerste lid, juncto artikel 56 van het Aslastendecreet beoogt. Beoordeling 24. Artikel 56, eerste lid, van het Aslastendecreet, zoals vervangen bij het decreet van 19 december 2003 en van kracht tot aan de wijziging bij het decreet van 24 juni 2005, luidt als volgt: “Het is verboden het wegdek te beschadigen door een overschrijding van de maximale toegelaten massa’s of massa’s onder de assen zoals bepaald in de artikelen 18, §§ 1, 2 of 32bis van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.” Artikel 61, eerste lid, van het Aslastendecreet luidt: “Onverminderd de bevoegdheid van andere personen houden de ambtenaren die de Vlaamse regering aanwijst toezicht op de naleving van artikel 56.” Tot aan de wijziging bij het decreet van 24 juni 2005 bepaalde artikel 62, § 2, van hetzelfde decreet wat volgt: “De ambtenaren bedoeld in artikel 61 zijn bovendien bevoegd om inbreuken op artikel 56 vast te stellen bij proces-verbaal met bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel. Binnen veertien dagen na de vaststelling van de inbreuk wordt een afschrift van het proces-verbaal aan de overtreder toegestuurd.” Zoals het Hof van Cassatie in een arrest van 6 december 2005 (nr. P.05.1084.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051206.11.) heeft geoordeeld, “(laat) de omstandigheid dat de bevoegde ambtenaren bij de vaststelling van een inbreuk op artikel 56 van het Aslastendecreet IX-5005-15/25 noodzakelijk ook een inbreuk op het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, en hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen [...] vaststellen, laat hun bevoegdheid om de inbreuk op artikel 56 van het Aslastendecreet vast te stellen, onverkort [...]”. De door de Vlaamse regering aangewezen ambtenaren zijn derhalve bevoegd om inbreuken inzake wegdekbeschadiging door overlading vast te stellen. De verzoekende partij vraagt in ondergeschikte orde een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen “nopens de vraag of de gemeenschappen (lees: de gewesten) ambtenaren wettelijk kunnen aanduiden met het oog op het controleren van federale wetgeving”. De prejudiciële vraag gaat er verkeerdelijk van uit dat de door de Vlaamse regering aangewezen ambtenaren belast zouden zijn met de controle op de naleving van de federale wetgeving. Het verbod van wegdekbeschadiging door overlading is immers geen federale wetgeving. Het feit dat in artikel 56 van het Aslastendecreet wordt verwezen naar criteria die door de federale overheid zijn vastgesteld met het oog op de behartiging van een federale aangelegenheid, namelijk de veiligheid van het wegverkeer, doet daaraan geen afbreuk. Het middel faalt naar recht. E. Vijfde middel Standpunt van de partijen 25. In een vijfde middel voert de verzoekende partij aan dat de inbreuk werd vastgesteld met een asdrukweger die moet worden beschouwd als een niet-automatisch weegwerktuig in de zin van artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 houdende een nieuwe regeling betreffende de niet-automatische weegwerktuigen. Voor de bediening van de asdrukweger is immers de tussenkomst van een operator noodzakelijk. De asdrukwegers behoren tot de categorie vermeld onder artikel 1, § 2, a, van dit besluit en moeten derhalve voldoen aan de artikelen 3, 4, 5, 8, 9, §§ 1 en 3, 11 en 14 van dit besluit en aan de IX-5005-16/25 EG-typekeuring. Volgens de verzoekende partij zijn de asdrukwegers die door de Vlaamse overheid gebruikt worden echter niet geschikt voor gerechtelijke doeleinden en kan de bestreden beslissing niet steunen op vaststellingen die met dergelijke asdrukwegers zijn gedaan. 26. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord dat de asdrukwegers die door het Vlaamse Gewest gebruikt worden automatisch werkende weegwerktuigen zijn, zodat het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 niet van toepassing is. Voor automatisch werkende weegwerktuigen werd nog geen koninklijk besluit uitgevaardigd waarin de voorwaarden zijn bepaald waaraan moet worden voldaan. De asdrukwegers van het Vlaamse Gewest worden echter om de twee jaar onderworpen aan een metrologische controle. Blijkens het proces-verbaal van 3 augustus 2004 werd de gebruikte asweger door de metrologische dienst van het ministerie van Economische Zaken op 25 november 2003 op zijn juistheid getest. 27. In haar memorie van wederantwoord repliceert de verzoekende partij dat de verwerende partij niet bewijst dat de aswegers automatische weegwerktuigen zouden zijn. Zij herhaalt dat bij het wegen de tussenkomst van een operator noodzakelijk is. Deze moet de computer van de asweger bedienen en het te wegen voertuig begeleiden over de weegpunten, om ervoor te zorgen dat het voertuig met een constante snelheid rijdt. 28. De auditeur-verslaggever stelt in zijn verslag dat het middel om twee redenen niet tot vernietiging kan leiden. In de eerste plaats preciseert de verzoekende partij niet aan welke voorschriften van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 houdende een nieuwe regeling betreffende de niet-automatische weegwerktuigen niet voldaan zou zijn. Bovendien wordt in het proces-verbaal van 3 augustus 2004 vermeld dat de asweger door de metrologische dienst van het ministerie van Economische Zaken op zijn juistheid getest werd op dinsdag 25 november 2003, terwijl de verzoekende partij niet betwist dat deze controle “in feite hetzelfde is” als de ijk en herijk voor niet-automatische weegwerktuigen. 29. In haar laatste memorie bestrijdt de verzoekende partij deze zienswijze. Zij stelt dat nooit werd betwist dat niet is voldaan aan de verplichtingen van dit koninklijk besluit. Bovendien werden de betrokken artikelen wel degelijk aangehaald in het verzoekschrift. IX-5005-17/25 Voorts merkt de verzoekende partij op dat het haar niet toekomt om aan te tonen dat, waar de aswegers manifest niet voldoen aan het koninklijk besluit van 4 augustus 1992, dit probleem ondervangen zou kunnen worden door het EG-type goedkeuringscertificaat waarover de aswegers wel zouden beschikken. Zij wijst erop dat de verwerende partij niet hard maakt dat het EG-goedkeuringscertificaat dezelfde waarborgen zou bieden. Meer nog, er wordt geen enkele valabele uitleg gegeven waarom, indien het EG-goedkeuringscertificaat dan toch evenwaardig is, het toestel niet voldoet aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992. De verzoekende partij kan dan ook niet anders dan vaststellen dat de ijk en herijk waaraan het toestel werd onderworpen helemaal “niet hetzelfde is” als de wettelijke voorwaarden waaraan het toestel moet voldoen om voor gerechtelijke doeleinden te kunnen gebruikt worden zoals bepaald in het koninklijk besluit van 4 augustus 1992. Dit laatste is dan ook de kern van het middel: het staat volkomen buiten kijf en het wordt zelfs niet betwist dat de asweger niet voldoet aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992, waarbij enkel inzoverre het toestel hier wel aan beantwoordt, het mag worden gebruikt voor gerechtelijke weging. 30. De verwerende partij benadrukt in haar laatste memorie nogmaals dat de aswegers geen niet-automatische weegwerktuigen zijn, in de zin van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992. Zij wijst erop dat geen enkele tussenkomst van een operator nodig is bij het wegen van voertuigen. Noch het feit dat de bestuurder het voertuig over de asweger moet rijden, noch het feit dat de operator de technische gegevens van het voertuig moet ingeven in de computer om een proces-verbaal op te stellen, doen hieraan afbreuk. De weging wordt immers automatisch uitgevoerd. Het voorhanden zijn van een handleiding, evenals het feit dat de aswegers publiekelijk niet toegankelijk zijn, vormen geen aanwijzingen voor het niet-automatisch karakter ervan. Voorts benadrukt de verwerende partij dat de aswegers op vrijwillige basis om de twee jaar opnieuw onderworpen worden aan een metrologische controle, hetgeen de correctheid van het toestel in voldoende mate garandeert. Beoordeling 31. In de bestreden beslissing staat onder meer het volgende te lezen: IX-5005-18/25 “Overwegende dat de aswegers gebruikt door het Vlaamse Gewest, in hun gebruik als dynamische weegbruggen, automatisch werkende weegwerktuigen zijn, en geen niet-automatisch werkende weegwerktuigen zoals appellante meent; dat het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 dan ook niet van toepassing is; Overwegende dat er voor automatisch werkende meetwerktuigen, tot op heden, geen Koninklijk Besluit werd uitgevaardigd waarin voorwaarden vervat zitten waaraan voldaan moest worden; Overwegende dat de aswegers van het Vlaams Gewest om die reden niet onderworpen zijn aan de bepalingen inzake de ijk en de herijk, zoals bepaald in voornoemd Koninklijk Besluit, doch enkel aan een metrologische controle; dat dit in feite hetzelfde is; Overwegende dat de aswegers, op vrijwillige basis en zoals aangeraden wordt in het verslag van metrologische controle, om de twee jaar opnieuw worden onderworpen aan een metrologische controle; Overwegende dat de aswegers over een EG-type-goedkeuringscertificaat (zie bijlage) beschikken en voldoen aan de vereisten uiteengezet in richtlijn 90/384/EEC voor niet-automatische weegtoestellen.” In het proces-verbaal van 3 augustus 2004 wordt bovendien vermeld: “De asweger werd door de metrologische dienst van het Ministerie van Economische Zaken op zijn juistheid getest op dinsdag 25 november 2003.” De verzoekende partij betwist niet dat, zoals in de aangehaalde overwegingen van het bestreden besluit wordt gesteld, de bedoelde metrologische controle “in feite dezelfde is” als de ijk en herijk die geldt voor niet-automatische weegwerktuigen. De vraag of de gebruikte asweger een niet-automatisch weegwerktuig is, is bijgevolg niet relevant. Het middel is bijgevolg onontvankelijk, bij gebrek aan belang. F. Zesde middel Standpunt van de partijen 32. De verzoekende partij roept een zesde middel in, afgeleid uit de schending van artikel 32bis, punt 1.4.3, van het Technisch Reglement. Overeenkomstig die bepaling mogen er weegtoleranties worden gehanteerd van 2 % op het totale gewicht en 5 % op de gewichten onder de assen. IX-5005-19/25 Volgens de verzoekende partij geldt dit als een verplichting “daar waar strafrecht van strikte interpretatie is en er bij geval van twijfel dient te worden geïnterpreteerd in het voordeel van de rechtsonderhorige”. Indien de voorgeschreven meettolerantie zou worden gehanteerd zou de hoogste overlading, namelijk deze op de tweede (lees: derde) as van het voertuig, niet 1.512 kg of 20,2 % bedragen, maar 1.354 kg of slechts 18 %. Er zou dan slechts een boete van 1.650 euro opgelegd kunnen worden. 33. De verwerende partij antwoordt dat in de bestreden beslissing op omstandige wijze wordt uiteengezet waarom de meettoleranties van 2 % en 5 % niet worden toegestaan. Niet alleen is er sprake van een loutere mogelijkheid tot het aanwenden van dergelijke toleranties, bovendien wordt aangetoond dat “na correctie met de correctiefactoren bepaald in kolom 3 van bovenstaande tabel, er slechts 1 kans op 10.000 bestaat dat de werkelijke massa kleiner is dan de op de weegbon vermelde massa’s en de massa’s onder de assen” en “dat bij 9.999 wegingen op 10.000 de werkelijke massa groter of gelijk is aan de massa na correctie op de weegbon; dat het gebruik van bovenstaande toleranties in plaats van de wettelijk bepaalde maximale toleranties aldus redelijkerwijze verantwoord is”. De verwerende partij besluit, onder verwijzing naar de motivering van de bestreden beslissing, dat de ratio legis van artikel 32bis, punt 1.4.3, van het Technisch Reglement niet inhoudt dat “wanneer met een aan de waarheid grenzende zekerheid de massa kan bepaald worden door toepassing te maken van een lagere tolerantie dan voorzien in voornoemd artikel, alsnog de verplichting bestaat de wettelijk bepaalde toleranties toe te passen”. 34. In haar memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij dat zelfs indien de door de verwerende partij toegepaste correcties juist zouden zijn, het niet opgaat dat de wettelijk voorziene toleranties niet worden toegepast. 35. In haar laatste memorie wijst de verwerende partij er op dat het Technisch Reglement werd uitgevaardigd op basis van de overeenkomstig artikel 6, § 4, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen aan de federale wetgever toegekende bevoegdheid om regels van algemene politie en de reglementering op het verkeer en vervoer, alsook van de technische IX-5005-20/25 voorschriften inzake verkeers- en vervoersmiddelen te ontwerpen. De federale wetgever is daarentegen niet bevoegd inzake wegen en hun aanhorigheden. Het gevolg hiervan is, aldus de verwerende partij, dat de bepalingen van het Technisch Reglement niet rechtstreeks van toepassing zijn op het Aslastendecreet. Het gegeven dat in artikel 56 van het Aslastendecreet, zoals van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing, verwezen wordt naar de in de artikelen 32 bis en 18 van het Technisch Reglement vermelde maximaal toegelaten massa’s, en massa’s onder de assen, doet hieraan geen afbreuk. Er kan immers worden aangenomen dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de overschrijding van deze federale aslastenbeperkingen en de beschadigingen van het wegdek. De gewichtoverschrijding van het voertuig, gemeten aan de hand van het bij goedkeuring vastgestelde maximum, is een verantwoorde aanwijzing dat het materieel element van het misdrijf aanwezig is. Indien artikel 32bis, punt 1.4.3, zo moet worden geïnterpreteerd dat de erin bepaalde meettolerantie ook moet worden toegepast op de resultaten verkregen in het kader van controles uitgevoerd met het oog op de handhaving van het Aslastendecreet, dan gaat de federale overheid haar bevoegdheid te buiten door, op basis van haar bevoegdheid om de technische eisen van voertuigen te regelen, verplichtingen op te leggen die ertoe leiden dat het toepassingsgebied van het Aslastendecreet beperkt wordt. Hiertoe is de federale overheid niet bevoegd. Indien toch het standpunt van de verzoekende partij gevolgd zou worden, vraagt de verwerende partij dat aan het Grondwettelijk Hof volgende prejudiciële vraag gesteld zou worden: “Gaat de federale wetgever zijn bevoegdheid te buiten door op basis van zijn overeenkomstig artikel 6, § 4, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen toegekende bevoegdheid om regels van de algemene politie en de reglementering op het verkeer en vervoer, alsook van de technische voorschriften inzake verkeers- en vervoersmiddelen te ontwerpen, regels aan te nemen die het toepassingsgebied van de decreten genomen op basis van de aan [de] gewesten overeenkomstig artikel 6, § 1, X, eerste lid, 1/, van de bijzondere wet toegekende bevoegdheid inzake de wegen en hun aanhorigheden, kunnen beperken ?” Indien de bepalingen van het Technisch Reglement wel van toepassing zouden zijn op inbreuken op het Aslastendecreet, benadrukt de IX-5005-21/25 verwerende partij bovendien dat artikel 32bis, punt 1.4.3, geen weegtolerantie bevat die toegepast moet worden bij inbreuken inzake overlading, maar enkel bij de goedkeuring van voertuigen. Tevens stelt de verwerende partij dat de vermelde tolerantie van 5 % niet verwijst naar de “massa onder de assen”, maar naar de “verdeling van de massa’s op de assen”. Onder “verdeling van de massa’s op de assen” dient te worden begrepen de wijze waarop de totale massa van het voertuig verdeeld wordt over de steunpunten (assen). Artikel 32bis, punt 1.4, bevat twee bepalingen die expliciet spreken over de wijze waarop de totale massa van het voertuig, in elke beladingsvorm, verdeeld moet zijn over de verschillende assen (1.4.1.2: de massa, gemeten onder de aandrijfas(sen), moet tenminste gelijk zijn aan 25 % van de totale massa van de combinatie van voertuigen, of van het voertuig wanneer dit geen aanhangwagen trekt; 1.4.1.3: de massa, gemeten onder de voorste as(sen) van het motorvoertuig, moet steeds minstens gelijk zijn aan 20 % van de massa van dit voertuig, in alle beladingstoestanden). De meettolerantie waarvan sprake in artikel 32bis, punt 1.4.3, slaat dan ook op deze verdeling. Met de verdeling van de massa over de assen wordt in het kader van het Aslastendecreet geen rekening gehouden. Het enige wat van belang is, is dat de maximaal toegelaten massa onder de assen niet overschreden wordt. Uiterst ondergeschikt en in de hypothese dat het Technisch Reglement beperkingen zou kunnen opleggen aan het toepassingsgebied van het Aslastendecreet, benadrukt de verwerende partij nogmaals dat enkel wordt bepaald dat een meettolerantie “mag” worden toegestaan, hetgeen geenszins een verplichting inhoudt. Waar in het auditoraatsverslag gesteld wordt dat de bestreden beslissing voorbijgaat aan de vaststelling dat ook de aswegers, die door de vervoerders gebruikt worden, meetfouten kunnen vertonen, repliceert de verwerende partij dat in de bestreden beslissing reeds rekening werd gehouden met een correctiefactor en wel derwijze dat de massa na correctie steeds kleiner of gelijk is aan de werkelijke massa. Indien de vervoerder zelf over een weegtoestel beschikt, zijn ook de correctiefactoren van dit toestel hem bekend. Om te vermijden dat zijn voertuig overladen is, komt het de bestuurder toe om, rekening houdend met de IX-5005-22/25 correctiefactoren eigen aan zijn weegtoestel, steeds uit te gaan van het slechtst mogelijke scenario, namelijk dat waarbij de gewogen massa gelijk is aan de werkelijke massa min de correctiefactor. Om elk risico op overladingen uit te sluiten moet de bestuurder steeds rekening houden met de gewogen massa plus de correctiefactor en dit resultaat vergelijken met de maximaal toegelaten massa. Beoordeling 36. Artikel 59, § 2, van het Aslastendecreet, zoals gewijzigd bij het decreet van 22 december 1999 en van kracht tot aan de wijziging bij het decreet van 24 juni 2005, bepaalde dat het tarief van de administratieve geldboete gelijk was aan de minimum geldboete, overeenkomstig het overbelastingspercentage, zoals bepaald in artikel 57 van het Aslastendecreet, verhoogd met de opdeciemen. Artikel 57 van het Aslastendecreet voorzag tot aan de vervanging van die bepaling bij het decreet van 24 juni 2005 onder meer in een verschillend tarief, naargelang de overbelasting minder dan 5 %, 5 tot en met 10 %, 11 tot en met 20% of meer dan 20 % bedroeg. De regeling kwam erop neer dat bij een overbelasting van minder dan 5 % een administratieve geldboete van 550 euro verschuldigd was, bij een overbelasting van 5 tot en met 10 % een administratieve geldboete van 1.650 euro, bij een overbelasting van 11 tot en met 20 % een administratieve geldboete van 2.750 euro en bij een overbelasting van meer dan 20 % een administratieve geldboete van 4.125 euro. Te dezen is de verwerende partij ervan uitgegaan dat de maximum toegelaten massa op de derde as is overschreden met 1.512 kg, hetzij 20,2 %. Bij de bestreden beslissing wordt dan ook het tarief van 4.125 euro toegepast. 37. Artikel 32bis, punt 1.4.3, van het Technisch Reglement luidt: “Voor het meten van de massa’s van voertuigen in gebruik mag een meettolerantie van 2 % toegestaan worden op de maximale massa en van 5 % op de verdeling van de massa’s op de assen.” De bestreden beslissing gaat ervan uit dat deze toegestane meettolerantie geen verplichting inhoudt, en “dat aldus ook geen of een lagere tolerantie mag toegestaan worden”. Blijkens de motivering van de bestreden beslissing zou de regelgever bij het toestaan van deze tolerantie rekening hebben gehouden met mogelijke meetfouten bij het wegen van voertuigen in gebruik, doch IX-5005-23/25 zou in het voorliggend geval uit het ijkingsverslag van de asweger blijken dat een lager correctiepercentage kan worden toegepast. De bestreden beslissing gaat aldus voorbij aan de vaststelling dat ook de aswegers die door de vervoerders gebruikt worden meetfouten kunnen vertonen. Het valt immers niet in te zien dat de regelgever er zou van uitgegaan zijn dat alleen de aswegers die door de overheid gebruikt worden meetfouten kunnen vertonen en dat de regelgever geen rekening zou hebben gehouden met mogelijke meetfouten bij de aswegers die door de vervoerders gebruikt worden. Bijgevolg kan de omstandigheid dat de mogelijke meetfouten bij de asweger die door de verwerende partij gebruikt werd, beneden de door het voormeld artikel 32bis, punt 1.4.3, maximaal toegestane tolerantie zouden liggen, geen motief zijn om de door die bepaling toegestane correctie niet toe te passen. 38. In haar laatste memorie voert de verwerende partij aan dat, als artikel 32bis, punt 1.4.3, van het Technisch Reglement toegepast zou moeten worden, dit erop zou neerkomen dat een federale bepaling het toepassingsgebied van een decretale regeling zou beperken. De verwerende partij vraagt om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen in verband met de bevoegdheid van de federale overheid. In verband met het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen, moet worden vastgesteld dat het Grondwettelijk Hof niet bevoegd is om zich uit te spreken over de verenigbaarheid met de bevoegdheidsbepalende regels van een regeling vervat in een koninklijk besluit. Op het verzoek van de verwerende partij kan dus niet worden ingegaan. Voorts is het niet de federale overheid die bepaald heeft dat artikel 32bis, punt 1.4.3, van het Technisch Reglement toegepast moet worden bij wegingen in het kader van de toepassing van het Aslastendecreet. Het is integendeel de decreetgever die de gewestelijke regeling heeft vastgesteld met verwijzing naar de regeling vastgesteld in het Technisch Reglement. Van enige overschrijding van bevoegdheid door de federale overheid is dan ook geen sprake. 39. Gelet op wat voorafgaat stelt de verzoekende partij terecht dat, in plaats van een correctie van 3,3 %, een correctie van 5 % moest worden toegepast, IX-5005-24/25 zodat het overladingspercentage op de tweede as geen 20,2 % maar slechts 18 % bedroeg. Bijgevolg kon slechts een administratieve geldboete van 2.750 euro (zijnde 500 euro, verhoogd met 45 opdeciemen) worden opgelegd. Het middel, dat slechts leidt tot een gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden beslissing, is in die mate gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van 14 juni 2005 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur tot bevestiging van de beslissing van 17 februari 2005 van de wegeninspecteur-controleur, in zoverre het bedrag van de administratieve geldboete, waarvoor de NV Deltran burgerlijk aansprakelijk wordt gesteld, wordt vastgesteld op 4.125 euro. Het beroep wordt voor het overige verworpen. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 juni 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5005-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.835 Gerelateerde publicatie(
  2. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051206.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.