id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.840 Rolnummer: A. 195284/IX-6681 Zaak: Arrest 205840 - Personeel van de rechterlijke orde - 28/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-06 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-07-02 10:17 Fiche Arrest nr 205.840 van 28 juni 2010 Justitie - Personeel van de rechterlijke orde Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 205.840 van 28 juni 2010 in de zaak A. 195.284/IX-6681 In zake : Jozef VANSANT die woonplaats kiest te Geel Molseweg 37 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 4 januari 2010, strekt tot de nietigverkla- ring van de beschikking van 1 juli 2009 van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout waarbij Paul Peeters, beslagrechter, voor vast wordt aangewezen tot ondervoorzitter in de rechtbank. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 juni
- Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. IX-6681-1/5 Attaché Brecht Vandenberghe, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep
- De verzoeker vorderde aanvankelijk de nietigverklaring van het “koninklijk besluit van 21 november 2009 der publicatie 2009-11-06”. De verwerende partij heeft op grond van de uiteenzetting in het verzoekschrift het beroep geïnterpreteerd als gericht tegen de definitieve aanwijzing van Paul Peeters tot beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout. De verzoeker heeft op 11 mei 2010 het voorwerp van zijn beroep in die zin aangepast. IV. Bevoegdheid van de Raad van State Exceptie van de verwerende partij
- De verwerende partij betwist de bevoegdheid van de Raad van State om de vaste aanwijzing van een beslagrechter te vernietigen. Zij betoogt dat de titularissen van een adjunct-mandaat van ondervoorzitter van de rechtbank van eerste aanleg overeenkomstig artikel 259quinquies, § 1, Ger. Wb. worden aangewezen door de algemene vergadering van de rechters of, wanneer het betrokken rechtscollege minder dan zeven magistraten telt, door de korpschef. Onder verwijzing naar het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 63/2002 van 28 maart 2002 is de verwerende partij van oordeel dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in het gedrang zou komen indien een beslissing van de algemene vergadering, die louter is samengesteld uit zetelende magistraten, of, zoals in casu, een beschikking van de voorzitter van de rechtbank, zou kunnen bestreden worden voor de Raad van State. Aangezien noch beslagrechter Peeters, noch de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout deel uitmaken van het administratief IX-6681-2/5 personeel, maar als burgerlijke rechters organen zijn van de rechterlijke macht, is de Raad van State niet bevoegd om van de vordering kennis te nemen. Beoordeling
- Artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, laatst gewijzigd door de wet van 15 mei 2007, bepaalt: “De afdeling [bestuursrechtspraak] doet uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substanti- ele, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen: 1/ van de onderscheiden administratieve overheden; 2/ van de wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblees, van het Rekenhof en van het Arbitragehof, van de Raad van State en de administratieve rechtscolleges evenals van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad voor de Justitie met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel. Artikel 159 van de Grondwet is eveneens van toepassing op de in 2/ bedoelde akten en reglementen.”
- Overeenkomstig deze bepaling is de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State slechts bevoegd om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring, wanneer de bestreden handeling kan worden beschouwd, hetzij als een handeling van een administratieve overheid, in de zin van artikel 14, § 1, eerste lid, 1/, hetzij als een handeling van één van de overheden opgesomd in artikel 14, § 1, eerste lid, 2/, voor zover het in het laatste geval gaat om een handeling met betrekking tot een overheidsopdracht of met betrekking tot een lid van het personeel van de betrokken overheid.
- De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout is een gerechtelijke en geen administratieve overheid. Hij valt niet onder de toepassing van artikel 14, § 1, eerste lid, 1/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Bijgevolg rijst de vraag of de bestreden beslissing beschouwd kan worden als een handeling ten aanzien van een lid van het personeel van de rechterlijke macht. IX-6681-3/5 De uitbreiding van de bevoegdheid van de Raad van State tot bepaalde handelingen van onder meer de wetgevende en de gerechtelijke overheden, thans geregeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, is het gevolg van de wet van 25 mei 1999 tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State, alsook van het Gerechtelijk Wetboek. Met die wet is de wetgever tegemoet willen komen aan het arrest nr. 31/96 van 15 mei 1996 van het Arbitragehof. In dat arrest had het Hof erop gewezen dat er een leemte was in de rechtsbescherming van leden van het administratief personeel van overheidslichamen die niet onder de uitvoerende macht ressorteerden. Zowel uit de tekst van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State als uit de voorgeschiedenis van de wet van 25 mei 1999 blijkt dat met het “personeel” van de “organen van de rechterlijke macht” niet de magistraten zelf worden bedoeld, maar wel het administratief personeel van met name de griffies en de parketten (Parl. St., Kamer, 1998-99, nr. 49-1960/8, p. 4; Parl. St., Senaat, 1998-99, nr. 1-361/3, pp. 3 en 5).
- Meer bepaald in verband met de onbevoegdheid van de Raad van State om kennis te nemen van het beroep tot nietigverklaring tegen een beslissing tot aanwijzing van de ondervoorzitter van een rechtbank heeft het Grondwettelijk Hof bij arrest nr. 63/2002 van 28 maart 2002 als volgt geoordeeld: “B.
- Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 25 mei 1999, die artikel 14 van de voormelde gecoördineerde wetten heeft gewijzigd, blijkt dat de wetgever de bevoegdheid van de afdeling administratie van de Raad van State heeft willen uitbreiden zodanig dat de mogelijkheid van een beroep tot vernietiging wordt geboden aan categorieën van rechtzoekenden die, tot dan, niet over een dergelijk rechtsmiddel beschikten. De wetgever heeft niettemin perken aan die uitbreiding willen stellen (zie Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 1960/8, p. 4, waar is aangegeven dat het in aanmerking genomen criterium het criterium is «of de betrokken instelling optreedt als administratieve overheid of niet»; Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1-361/3, pp. 4 en 5). B.
- Aangezien de titularissen van de adjunct-mandaten bedoeld in artikel 259quinquies, § 1, 1/, in tegenstelling tot de in artikel 259quater, § 1, bedoelde magistraten, aldus worden beschouwd als de nauwe medewerkers van de korpschefs en zij worden aangewezen voor een mandaat van drie jaar dat enkel wordt hernieuwd indien zij de beoordeling « goed » krijgen, zou een beroep bij een jurisdictioneel orgaan buiten de rechterlijke macht tegen die aanwijzing niet mogelijk zijn zonder dat, tegelijk, de onafhankelijkheid van die macht in een aangelegenheid die zijn eigen organisatie en werking betreft, op het spel komt te staan en zonder dat de uitoefening van de voortaan aan de korpschefs toevertrouwde beleidsfuncties wordt belemmerd.” IX-6681-4/5
- De Raad van State is derhalve niet bevoegd om van het beroep tot nietigverklaring kennis te nemen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverkla- ring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 juni 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6681-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.840 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div