id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.841 Rolnummer: A. 164436/IX-4971 Zaak: Arrest 205841 - Anderen beroepen - 28/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-06 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-02 10:17 Fiche Arrest nr 205.841 van 28 juni 2010 Beroepen - Anderen beroepen Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Afstand Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 205.841 van 28 juni 2010 in de zaak A. 164.436/IX-4971 In zake: 1. Steven THOMAS 2. de BVBA BEXAN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Carlos De Wolf en Karolien Beké kantoor houdend te Maarkedal Etikhovestraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: 1. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Middenstand, thans minister van Zelfstandigen 2. de FEDERALE RAAD VAN BEROEP VAN DE LANDMETERS-EXPERTEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean-François De Bock kantoor houdend te Brussel Waterloosesteenweg 612 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de BVBA BEXAN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Carlos De Wolf en Karolien Beké kantoor houdend te Maarkedal Etikhovestraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 20 juli 2005, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Raad van Beroep van de landmeters-experten van 12 mei 2005 houdende afwijzing van het beroep van Steven Thomas tegen de beslissing van de Federale Raad van landmeters-experten van 3 februari 2005 waarbij hem de inschrijving op het tableau van de landmeters-experten wordt geweigerd. IX-4971-1/23 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 160.275 van 19 juni 2006 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De eerste verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de eerste verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 28 augustus 2006. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Luc Vermeire heeft een verslag opgesteld. De eerste verzoeker, de verwerende partijen en de tussenkomende partij hebben elk een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 juni 2010. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Carlos De Wolf, die verschijnt voor de eerste verzoeker en voor de tussenkomende partij, en advocaat Valérie De Schepper, die loco advocaat Jean-François De Bock verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Luc Vermeire heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. IX-4971-2/23 III. Wettelijk en reglementair kader en feitelijke gegevens 3.1. De eerste verzoeker behaalt op 4 juli 1997 aan de Hogeschool te Gent, departement Technologie BME - CTL, het diploma van gegradueerde in de topografie. Blijkens dat diploma is het verleend na een “Basisopleiding van één cyclus Studiegebied Industriële wetenschappen en technologie”. 3.2. De eerste verzoeker is in hoofdberoep deskundige bouwkunde bij de gemeente Maarkedal. Op 5 oktober 1999 heeft hij de eed die is voorgeschreven bij artikel 2 van de wet van 6 augustus 1993 betreffende de opheffing van het koninklijk besluit van 31 juli 1825 houdende bepalingen nopens de uitoefening van het beroep van landmeter (hierna: de wet van 6 augustus 1993), afgelegd voor de Rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde. Uit het administratief dossier blijkt dat hij daartoe, met een brief van 10 september 1999, uitgenodigd is geweest door de procureur des Konings bij die rechtbank. De stempel dat hij de “door de wet voorziene eed” aflegde ter zitting van de Rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, werd aangebracht op de achterzijde van zijn diploma van gegradueerde in de topografie. Sedert 23 april 2001 oefent hij in bijberoep het beroep van landmeter uit in de BVBA Bexan, de tussenkomende partij, waarvan hij tevens zaakvoerder is. 3.3. Krachtens artikel 2 van de wet van 6 augustus 1993 mocht niemand het beroep van landmeter als zelfstandige uitoefenen, tenzij hij voldeed aan de voorwaarden vastgesteld overeenkomstig de kaderwet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen (hierna: de kaderwet van 1 maart 1976) en hij daarenboven voor de rechtbank van eerste aanleg van zijn woonplaats de in datzelfde artikel voorgeschreven eed had afgelegd. Artikel 3 van de wet van 6 augustus 1993 bepaalde voorts dat degenen die tijdens de twee jaren die volgen op het jaar van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit tot regeling van het beroep van landmeter-expert onroerende goederen, genomen ter uitvoering van de kaderwet van 1 maart 1976, het gereglementeerd beroep hebben uitgeoefend in ondergeschikt verband of onder statuut, onder de voorwaarden en sedert de datum bepaald door de Koning, indien zij het beroep als zelfstandige wensen uit te oefenen, zich als beroepsbeoefenaar kunnen laten inschrijven op de lijst van het IX-4971-3/23 Beroepsinstituut opgericht ter uitvoering van diezelfde wet en de in artikel 2 bedoelde eed afleggen. Het koninklijk besluit van 18 januari 1995 tot bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van het beroep van gezworen landmeter-expert (hierna: het koninklijk besluit van 18 januari 1995) richtte aldus een Beroepsinstituut van gezworen landmeters-experten (BIL) op (artikel 1) en bepaalde in artikel 2 dat niemand als zelfstandige, in hoofd- of bijberoep, het beroep van gezworen landmeter-expert mag uitoefenen of de beroepstitel voeren van “gezworen landmeter-expert BIL” of van “gezworen stagiair landmeter-expert”, tenzij hij is ingeschreven op het tableau van de beoefenaars van het beroep of op de lijst van de stagiairs die door het BIL worden bijgehouden, of, indien hij in het buitenland is gevestigd, geen machtiging heeft verkregen om het beroep occasioneel uit te oefenen. Bovendien moest hij de in artikel 2 van de wet van 6 augustus 1993 bedoelde eed hebben afgelegd. De beoefenaars van het gereglementeerde beroep van gezworen landmeter-expert dienden te voldoen aan de in artikel 4 bepaalde voorwaarden, waaronder houder zijn van één van de aldaar vermelde diploma’s. Het koninklijk besluit van 18 januari 1995, dat in werking trad op 7 maart 1995, bevatte de volgende overgangsbepalingen: “Artikel 6. De personen die, op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, sedert ten minste drie maanden de in artikel 3 bedoelde beroepswerkzaamheden uitoefenen voor eigen rekening of, als gevolmachtigden of organen, voor rekening van een rechtspersoon, worden op eigen verzoek ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 17, § 1, van de kaderwet van 1 maart 1976, overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 24 juni 1987 houdende organisatie van de overgangsregeling, bedoeld in artikel 17 van de kaderwet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen. In afwijking van artikel 2 van het voornoemde besluit van 24 juni 1987: 1/ zal evenwel ook een bewijs van inschrijving in het handelsregister onder de rubriek ‘landmetersbureau’ kunnen gelden, hetzij als een van de twee stukken aan de hand waarvan de uitoefening van het beroep voor eigen rekening kan worden bewezen, hetzij, voor zover tevens wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2, § 2, 1/, van het besluit van 24 juni 1987, als stuk aan de hand waarvan de uitoefening van het beroep voor rekening van een rechtspersoon kan worden bewezen. 2/ zal het stuk bedoeld in artikel 2, § 1, 4/, van het besluit van 24 juni 1987 in voorkomend geval kunnen vervangen worden door een attest afgeleverd door het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, dat bevestigt dat ingevolge een internationale overeenkomst de sociale wetgeving van een ander land dan België op de aanvrager van toepassing is. Alvorens dit attest wordt afgeleverd, dient de aanvrager het bewijs te leveren dat hij zich daadwerkelijk heeft onderworpen aan de verplichtingen inzake sociale IX-4971-4/23 zekerheid in het voormelde andere land. Uit dit bewijs moet tevens de kwalificatie (zelfstandige of loontrekkende) blijken die door het andere land aan de beroepsbezigheid, uitgeoefend op zijn grondgebied, wordt gegeven. Artikel 7. De personen die binnen de twee jaar die volgen op het jaar van de inwerkingtreding van dit besluit, de gereglementeerde werkzaamheid hebben uitgeoefend in een band van ondergeschiktheid of onder statuut gedurende ten minste één jaar, kunnen, indien zij het beroep in de hoedanigheid van zelfstandige wensen uit te oefenen, hun inschrijving bekomen op het tableau van de beoefenaars van het Beroepsinstituut van gezworen landmeters-experten zonder de stage te moeten vervullen, op voorwaarde dat zij: 1/ houder zijn van een van de diploma’s opgesomd in artikel 4, § 1, l/, van dit besluit; 2/ bewijzen dat zij de gereglementeerde activiteit tijdens de beschouwde periode hebben uitgeoefend aan de hand van de volgende twee documenten:
- a)een arbeidsovereenkomst of een getuigschrift van een werkgever met aanduiding van de dienstperiode en de welomschreven aard van de uitgeoefende functie;
- b)een getuigschrift van de controleur van de Directe Belastingen met betrekking tot de aangiften voor de inkomstenbelastingen die door de betrokkene werden gedaan tijdens de vereiste periode van werkzaamheid of een getuigschrift van de Rijksdienst voor sociale zekerheid waaruit blijkt dat voor de door de betrokkene tijdens deze periode geleverde dienstprestaties bijdragen werden gestort.” De in artikel 17, § 1, van de kaderwet van 1 maart 1976 bedoelde lijst, waarvan sprake in het voormelde artikel 6, is de lijst opgemaakt door de burgemeester van de gemeente waar de in aanmerking komende beroepsbeoefenaars hun hoofdvestiging hebben. Deze gemeentelijke lijsten worden overgemaakt aan de door de Koning op te richten Raden van erkenning. Luidens artikel 17, § 5, van de kaderwet van 1 maart 1976 stellen deze raden de lijsten van beroepsbeoefenaars op en geven zij deze lijsten door aan de bevoegde minister. De personen die op deze lijsten voorkomen, nemen deel aan de oprichting van het beroepsinstituut en worden op het tableau van de beroepsbeoefenaars ingeschreven zonder het bewijs te moeten leveren van hun beroepskennis en van hun stageperiode. Bij de samenstelling van het Beroepsinstituut van gezworen landmeters-experten zijn echter een aantal juridische en feitelijke problemen gerezen die ertoe hebben geleid dat dit instituut nooit effectief heeft gefunctioneerd. 3.4. De wet van 6 augustus 1993 en het koninklijk besluit van 18 januari 1995 werden opgeheven bij artikel 13, § 2, van de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert (hierna: de wet van 11 mei 2003). Deze wet trad in werking op 1 oktober 2004. Zij bevat een IX-4971-5/23 algemene regeling van het beroep van landmeter-expert buiten het kader van de kaderwet van 1 maart 1976 en zonder de oprichting van een beroepsinstituut. Krachtens artikel 2 van de wet van 11 mei 2003 mag niemand het beroep van landmeter-expert uitoefenen of de beroepstitel voeren van landmeter- expert, of enige andere titel die de indruk zou geven dat hij het beroep van landmeter-expert uitoefent, indien hij niet houder is van één van de in artikel 2, 1/, nader omschreven titels, en indien hij niet de eed heeft afgelegd waarvan sprake in artikel 7 van diezelfde wet. Het diploma van gegradueerde in de topografie is in artikel 2, 1/, niet vermeld. Artikel 4, § 1, van de wet bepaalt voorts dat niemand het beroep van landmeter-expert mag uitoefenen in de hoedanigheid van zelfstandige in hoofd- of bijberoep als hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 2 en bovendien niet is ingeschreven op het in artikel 3 van de wet van 11 mei 2003 tot oprichting van federale raden van landmeters-experten bedoelde tableau. Artikel 4, § 2, zoals het van toepassing was ten tijde van de bestreden beslissing, bepaalt dat de in paragraaf 1 vermelde personen een voor echt verklaard afschrift van hun titel met een aangetekende brief naar de Federale Raad van landmeters-experten zenden. Artikel 7 regelt de eedaflegging. De landmeters-experten die zijn ingeschreven op het tableau leggen de eed af op voorlegging van een attest waaruit blijkt dat zij zijn ingeschreven. Personen die de eed hebben afgelegd bedoeld in artikel 2 van de wet van 6 augustus 1993 worden geacht de in dit artikel 7 vermelde eed te hebben afgelegd. Artikel 9 betreft overgangsbepalingen. Paragraaf 1 bepaalt dat, onverminderd de toepassing van artikel 2, 1/, de personen die met toepassing van het koninklijk besluit van 18 januari 1995 werden ingeschreven op de lijst van beoefenaars bedoeld in artikel 17, § 5, van de kaderwet van 1 maart 1976, de voorlegging van de voor echt verklaarde kopie van hun titel tot staving van hun verzoek om inschrijving op het tableau van de beoefenaars van het beroep, vervangen door het bewijs van hun inschrijving op de voornoemde lijst. Krachtens paragraaf 2 zijn de personen die op de datum waarop de wet van 11 mei 2003 in werking treedt, dus op 1 oktober 2004, het beroep van zelfstandig landmeter-expert uitoefenen en die houder zijn van één van de in artikel 2, 1/, bedoelde titels of ingeschreven zijn op de lijst van de beoefenaars waarvan sprake in paragraaf 1, gemachtigd om bij wijze van overgang, verder hun beroep uit te oefenen of er de IX-4971-6/23 titel van te voeren tot de beslissing van de Federale Raad of de Federale Raad van Beroep van landmeters-experten gevallen is. Om voor deze overgangsmaatregel in aanmerking te komen, dienen zij hun aanvraag tot inschrijving te doen binnen zestig dagen na de inwerkingtreding van de wet. 3.5. De wet van 11 mei 2003 tot oprichting van federale raden van landmeters-experten richt een Federale Raad van landmeters-experten op, onderverdeeld in een Nederlandstalige en een Franstalige Kamer. Deze Federale Raad houdt het tableau bij van de beoefenaars van het beroep die voldoen aan de voorwaarden van artikel 2, 1/, van de eerder genoemde wet van 11 mei 2003. De Kamers hebben tot taak uitspraak te doen over de aanvragen tot inschrijving, ervoor te zorgen dat de bepalingen van deze wet worden nageleefd en elke inbreuk aan te geven bij de gerechtelijke overheid, en te waken over de toepassing van de voorschriften van de plichtenleer en uitspraak te doen in tuchtzaken. Er wordt tevens een Federale Raad van Beroep van de landmeters- experten opgericht, onderverdeeld in een Nederlandstalige en een Franstalige Kamer. Deze Kamers doen uitspraak over de beroepen tegen de beslissingen van de Kamers van de Federale Raad van hun voertaal, of tegen het uitblijven ervan. Hun beslissingen kunnen voor het Hof van Cassatie worden gebracht wegens schending van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. Artikel 5, negende lid, van de wet van 11 mei 2003 tot oprichting van federale raden van landmeters-experten bepaalt: “Om beroep aan te tekenen tegen een inschrijving op het tableau van de titularissen, kunnen de beslissingen die in beroep werden genomen, in hoger beroep bij de Raad van State worden aangevochten.” 3.6. Bij arrest nr. 19/2005 van 26 januari 2005 verwerpt het Grondwettelijk Hof de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel van het beroep van landmeter-expert en van de wet van 11 mei 2003 tot oprichting van federale raden van landmeters- experten, onder voorbehoud van de volgende interpretatie van artikel 2, 1/, d, van de eerstgenoemde wet: “B.3.12.2. De bestreden bepaling moet [...] noodzakelijkerwijze zo worden geïnterpreteerd dat het slagen voor de geïntegreerde proef enkel wordt vereist voor de gegradueerde ‘landmeter-expert vastgoed’ in de Franse Gemeenschap IX-4971-7/23 -voor wie het slagen voor die proef een voorwaarde is voor het behalen van dat diploma- en niet voor de gegradueerde ‘bouwkunde en vastgoed, optie opmeten’ in de Vlaamse Gemeenschap, voor wie een dergelijke proef niet wordt vereist voor het behalen van dat diploma.” Met betrekking tot de overgangsbepalingen van artikel 9 van de eerstgenoemde wet overweegt het Hof onder meer: “B.5.6. Overeenkomstig artikel 2 van de bestreden wet is het voeren van de titel en het uitoefenen van het beroep van landmeter-expert voorbehouden aan de houders van een diploma, die een eed moeten afleggen. Alle titels die toegang gaven tot het beroep en opgenomen waren in het koninklijk besluit van 18 januari 1995 worden overgenomen in de nieuwe wet. Op grond van de overgangsregeling vervat in artikel 9 van de bestreden wet behouden ook alle personen die niet beschikken over de bedoelde diploma’s maar die de overgangsregeling hebben genoten waarin het koninklijk besluit van 18 januari 1995 voorziet, dat voordeel. Alle personen die onder de toepassing van voormeld koninklijk besluit toegang hadden tot het beroep, behouden derhalve hun verworven rechten.” 3.7. Met een brief van 25 november 2004 aan de Federale Raad van landmeters-experten vraagt de eerste verzoeker zijn inschrijving op de lijst van landmeters-experten. 3.8. Met een brief van 2 maart 2005 deelt de Federale Raad van landmeters-experten aan de eerste verzoeker mee dat zijn aanvraag op 3 februari 2005 werd afgewezen, enerzijds omdat het voorgelegde diploma niet is opgenomen in artikel 2 van de wet van 11 mei 2003, anderzijds omdat de overgangsbepalingen van artikel 9 van die wet op zijn dossier niet toepasbaar zijn. 3.9. Op 31 maart 2005 stelt de eerste verzoeker tegen deze beslissing beroep in bij de Federale Raad van Beroep van de landmeters-experten. 3.10. Op 12 mei 2005 beslist de Federale Raad van Beroep van de landmeters-experten dat het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond is en bevestigt hij de weigeringsbeslissing van de Federale Raad van landmeters-experten. Deze beslissing steunt op de volgende “beoordeling” van eerste verzoekers beroep: “[...] 4) De Federale Raad van Beroep is de mening toegedaan dat het voorgelegde diploma van gegradueerde in topografie niet aan de wettelijke vereisten voldoet. De finaliteit van het uitgereikte diploma is niet om landmeter IX-4971-8/23 te worden, maar wel topograaf hetgeen per definitie op inhoudelijke verschillen stuit. Dit diploma d.d. 04.07.1997 voldeed toen al niet aan het KB van 18 januari 1995, die een limitatieve lijst opgeeft van de door de wet erkende diploma’s. Moest de Koning in 1995 de mening zijn toegedaan dat dit soort diploma ook aan de wettelijke vereisten voldeed, dan lijdt het geen twijfel dat het in de lijst van artikel 4, § 1, 1/, van het KB van 18 januari 1995 zou opgenomen zijn geweest. Het KB van 18 januari 1995 liet weliswaar de mogelijkheid open om andere diploma’s te erkennen, op voorwaarde dat ze van een vergelijkbaar niveau zijn en door de Koning erkend, na advies van het Beroepsinstituut van Gezworen Landmeters-experten. Men moet echter vaststellen dat dit in de daarop volgende jaren niet gebeurde, meer nog, dat het betrokken diploma evenmin opgenomen werd in de lijst van artikel 2, 1/, van de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert. De wil van de wetgever is terzake derhalve duidelijk. 5) Appellant werd op 05 oktober 1999 tot de eedaflegging toegelaten door de Rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde. De Federale Raad van Beroep kan enkel vaststellen dat deze instantie niet bevoegd is om de beroepskwalificatie van een kandidaat te beoordelen daar waar de wettelijke voorwaarden toen omschreven werden in het KB van 18 januari 1995. Mogelijke afwijkingen in de opsomming van de diploma’s vermeld bij artikel 4, § 1, 1/, van dit KB dienden door de Koning beslist te worden. Een advies van het Beroepsinstituut van Gezworen Landmeters-experten dat over dergelijke afwijkingen of aanvullingen diende gevat te worden, werd nooit gegeven, maar dit verleent de Rechtbank van eerste aanleg geen bijkomende bevoegdheid daartoe. 6) Het arrest van het Arbitragehof d.d. 26 januari 2005 heeft geen enkele bepaling van de wet van 11 mei 2003 teniet gedaan en integendeel alle bezwaren tegen deze wet verworpen. In verband met het feit dat de geïntegreerde proef enkel ingericht werd in de Franse Gemeenschap, schrijft het Hof inderdaad: b.3.12.2. de bestreden bepaling moet dan ook noodzakelijkerwijze zo worden geïnterpreteerd dat het slagen voor de geïntegreerde proef enkel wordt vereist voor de gegradueerde ‘landmeter-expert vastgoed’ in de Franse Gemeenschap -voor wie het slagen voor die proef een voorwaarde is voor het behalen van het diploma- en niet voor de gegradueerde ‘bouwkunde en vastgoed, optie opmeten’ in de Vlaamse Gemeenschap voor wie een dergelijke proef niet wordt vereist voor het behalen van dat diploma. 7) De wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert heeft geen terugwerkende kracht en machtigt de Federale Raad van Beroep enkel om, naar de toekomst toe, te beslissen over de inschrijving van kandidaten landmeters-experten op het tableau. Daarom kan de Federale Raad van Beroep niet gevat worden om zich uit te spreken over de geldigheidswaarde van de werkzaamheden van appellant in een voorafgaande periode en is de Federale Raad van Beroep evenmin bevoegd om na te gaan in welke mate sommige grondwettelijke beginselen zouden kunnen geschonden zijn. 8) Ten slotte spoort appellant de Federale Raad van Beroep ertoe aan om bij de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO advies in te winnen over de waardebepaling van het voorgelegde diploma van gegradueerde in topografie t.o.v. artikel 2, 1/, g, van de wet van 11 mei 2003. IX-4971-9/23 De Federale Raad van Beroep die, in toepassing van artikel 21 van voormeld KB van 22 maart 2004, de beslissing binnen de zestig dagen nadat het beroep werd ingediend met een aangetekende brief moet ter kennis brengen aan de aanvragers, kan niet als initiatiefnemer optreden om de Hoge Raad van de Zelfstandigen en KMO uit te nodigen tot adviesverstrekking die trouwens in het beste geval wel, doch niet automatisch zou kunnen leiden tot erkenning door de Koning. Volgens artikel 26 van de gecoördineerde wetten van 28 mei 1979 fungeert de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de K.M.O. als adviesorgaan van de federale regering en is het niet zijn taak om rechtstreeks tussenbeide te komen in privé-dossiers. Derhalve kan de Federale Raad van Beroep zich niet in de plaats stellen van de federale minister die de Middenstand onder zijn bevoegdheid heeft.” Dit is de bestreden beslissing. Ze wordt met een aangetekende brief van 27 mei 2005 aan de eerste verzoeker ter kennis gebracht. IV. Afstand van het geding 4. De tweede verzoekende partij heeft met een brief van 26 juli 2006 uitdrukkelijk afstand gedaan van haar beroep tot nietigverklaring van de bestreden beslissing. Niets verzet zich tegen de inwilliging van deze afstand. Zoals hiervóór onder randnummer 2 is gesteld, werd de tussenkomst van de BVBA Bexan toegestaan bij beschikking van 28 augustus 2006. V. Onderzoek van de middelen Enig middel Standpunt van de partijen 5. De eerste verzoeker voert in een enig middel de schending aan van “artikel 4 juncto artikel 21 van het koninklijk besluit van 22 maart 2004 tot vaststelling van de procedure en de termijnen voor de Kamers van de Federale Raden en van de Federale Raden van Beroep van de landmeters-experten [...], van de materiële motiveringsplicht, van de rechtszekerheidsnorm en van het gelijkheidsbeginsel”. IX-4971-10/23 Hij bekritiseert in essentie elk van de motieven van de bestreden beslissing. 6. Het eerste motief van de bestreden beslissing, luidens hetwelk de eerste verzoeker niet over het wettelijk vereiste diploma beschikt, betreft volgens de eerste verzoeker een “cirkelredenering” die ertoe leidt dat de overgangsregeling van artikel 9, § 2, van de wet van 11 mei 2003 haar nut verliest. Hij betoogt in dat verband dat precies het niet beschikken over het vereiste diploma impliceert dat hij onder de overgangsregeling valt. Indien hij over het vereiste diploma had beschikt, dan viel hij onder de toepassing van artikel 9, § 1, van de wet van 11 mei 2003 en zou hij automatisch de inschrijving op de lijst van beoefenaars, bedoeld in artikel 17, § 5, van de kaderwet van 1 maart 1976 hebben verkregen. Voorts wijst de eerste verzoeker erop dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 19/2005 van 26 januari 2005 stelt dat het diploma van gegradueerde bouwkunde en vastgoed, optie opmeten, vermeld in artikel 2, 1/, d, van de wet van 11 mei 2003, op zich volstaat om ingeschreven te worden op het tableau zonder dat in de Vlaamse Gemeenschap het slagen voor de geïntegreerde proef kan worden vereist, aangezien dit slagen aldaar geen voorwaarde is voor het behalen van het genoemde diploma. Door de opname van het diploma van gegradueerde bouwkunde en vastgoed, optie opmeten, in de lijst van diploma’s die toegang geven tot het beroep, wordt volgens de eerste verzoeker expliciet erkend dat personen die een dergelijke opleiding hebben genoten, de nodige bekwaamheid en vaardigheid garanderen om het beroep van landmeter uit te oefenen. Impliciet ligt daarin volgens hem bovendien besloten dat ook het diploma van gegradueerde in de topografie geacht moet worden te zijn opgenomen in de lijst van diploma’s, aangezien de opleidingen quasi identiek zijn en het ene diploma uit het andere voortvloeit. De eerste verzoeker licht in dit verband toe dat de graduaatsopleiding bouwkunde en vastgoed, optie opmeten, er gekomen is als rechtstreeks gevolg van de beslissing van de hogescholen tot afschaffing van de graduaatsopleiding topografie. Te dezen een onderscheid maken tussen de beide opleidingen, zo stelt de eerste verzoeker, is kennelijk onredelijk en strijdig met het gelijkheidsbeginsel. De eerste verzoeker laat ten slotte gelden dat het argument van de bestreden beslissing dat het diploma van gegradueerde in de topografie ook niet was opgenomen in de limitatieve lijst van diploma’s van het koninklijk besluit van 18 januari 1995, niet kan worden aangenomen. Hij stelt immers niet aansprakelijk te zijn voor deze lacune in de regelgeving. Hij voegt eraan toe dat hem ook niet kan IX-4971-11/23 worden verweten geen bezwaar daartegen te hebben ingediend, aangezien hij pas in 1997 zijn diploma heeft behaald en hij pas in 2001 heeft besloten het beroep van landmeter uit te oefenen. 7. Ook het tweede motief van de bestreden beslissing dat de procureur des Konings en de Rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde niet bevoegd waren om zijn beroepskwalificaties te beoordelen, overtuigt volgens de eerste verzoeker niet. Hij betoogt dat de rechterlijke macht hem op grond van zijn met succes afgeronde opleiding heeft toegestaan de eed af te leggen, zodat hij op rechtsgeldige wijze de titel van beëdigd landmeter kon dragen. Aangezien de bestreden beslissing hem dit recht ontneemt, doet ze afbreuk aan het rechtmatig gewekte vertrouwen. Doordat geen enkel belang wordt gehecht aan zijn eedaflegging, is niet alleen het rechtszekerheidsbeginsel geschonden, maar ook de overgangsregeling van artikel 9, § 2, van de wet van 11 mei 2003. 8. Het derde motief van de bestreden beslissing, dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 19/2005 van 26 januari 2005 geen enkele bepaling van de wet van 11 mei 2003 heeft vernietigd, gaat volgens de eerste verzoeker voorbij aan de uitdrukkelijke overweging van het Hof dat alle personen die onder de toepassing van het koninklijk besluit van 18 januari 1995 toegang hadden tot het beroep, hun rechten behouden. 9. Met betrekking tot het vierde motief van de bestreden beslissing dat de Federale Raad van Beroep van de landmeters-experten geen uitspraak doet over de geldigheidswaarde van zijn werkzaamheden tijdens de aan de bestreden beslissing voorafgaande periode en evenmin bevoegd is een toetsing door te voeren aan sommige grondwettelijke beginselen, laat de eerste verzoeker gelden dat, nu de wet uitdrukkelijk bepaalt dat een beslissing als de thans bestredene aanvechtbaar is voor de Raad van State, logischerwijze moet worden geconcludeerd dat de Federale Raad van Beroep van de landmeters-experten als een administratieve overheid moet worden beschouwd en dus gebonden is door de grondwettelijke beginselen, die hij moet toetsen. Volgens de eerste verzoeker is de bestreden beslissing onaanvaardbaar en klemt ze met het rechtszekerheidsbeginsel, nu hij al jarenlang het beroep van landmeter-expert uitoefent. Ook is ze kennelijk onredelijk en wordt het gelijkheidsbeginsel geschonden doordat houders van het diploma “topografie” anders worden behandeld dan de houders van het diploma “bouwkunde en vastgoed, IX-4971-12/23 optie opmeten”, terwijl het ene diploma voortvloeit uit het andere en beide opleidingen een “identiek” leerprogramma hebben. 10. Het vijfde motief van de bestreden beslissing luidens hetwelk de Federale Raad van Beroep van de landmeters-experten niet zelf als initiatiefnemer kan optreden om de Hoge Raad van Zelfstandigen en KMO uit te nodigen een advies te verstrekken met het oog op de erkenning van het diploma van gegradueerde in de topografie door de Koning op basis van artikel 2, 1/, e, van de wet van 11 mei 2003, terwijl die Hoge Raad fungeert als adviesorgaan voor de federale regering en niet rechtstreeks tussenkomt in individuele dossiers, overtuigt volgens de eerste verzoeker evenmin, aangezien de Federale Raden als overkoepelende beroepsorganisaties het best geplaatst zijn om inzake deze reeds lang bekende algemene problematiek een initiatief te nemen tot het inwinnen van advies en op te treden in naam en ter verdediging van het collectief van de houders van het diploma topografie. 11. De verwerende partijen antwoorden dat de eerste verzoeker zelf toegeeft dat zijn diploma van gegradueerde in de topografie als zodanig niet is opgenomen in de lijst van diploma’s die vereist zijn om te kunnen worden ingeschreven op het tableau en dat de Federale Raad ter zake niet over enige discretionaire bevoegdheid beschikt om diploma’s bij analogie te aanvaarden. Volgens de verwerende partijen kan de eerste verzoeker zich ook niet beroepen op de overgangsbepalingen van artikel 9 van de wet van 11 mei 2003, aangezien hij niet was ingeschreven op de lijst van erkende beoefenaars zoals bedoeld in artikel 17, § 5, van de kaderwet van 1 maart 1976, en artikel 9, § 2, van de wet van 11 mei 2003 hoe dan ook niet toelaat een permanente inschrijving op het tableau te claimen, nu het enkel een tijdelijk recht geeft op het uitoefenen van het beroep van landmeter-expert totdat de Federale Raad of de Federale Raad van Beroep een definitieve beslissing neemt op grond van de artikelen 2, 1/, en 9, § 1, van de wet van 11 mei 2003. Voor zover het gelijkheidsbeginsel geschonden zou zijn, situeert die schending zich volgens de verwerende partijen op het niveau van de wet en is alleen het Grondwettelijk Hof en niet de Raad van State bevoegd om een toetsing door te voeren. Overigens heeft het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 19/2005 van 26 januari 2005 geoordeeld dat de wet van 11 mei 2003 op geen enkele wijze het gelijkheidsbeginsel schendt. Het Hof maakt alleen gewag van de bescherming IX-4971-13/23 van de landmeters, die onder de toepassing van het koninklijk besluit van 18 januari 1995 ingeschreven waren op de lijst van erkende beoefenaars, maar daaronder vallen niet de personen die een diploma topografie hadden en het beroep zonder erkenning uitoefenden. De verwerende partijen betogen voorts dat de eerste verzoeker tevergeefs aanvoert dat bepaalde verwachtingen waren gewekt toen hij ongemoeid het beroep kon uitoefenen en hiertoe ook een eed kon afleggen. Zij wijzen erop dat geen enkele administratieve overheid heeft laten uitschijnen dat zijn diploma afdoende zou zijn om de titel van landmeter-expert te voeren en het beroep uit te oefenen. Noch de rechtbank van eerste aanleg, noch de procureur des Konings zijn administratieve overheden en hebben de bevoegdheid om te oordelen of een bepaald diploma afdoende is om het beroep van landmeter-expert uit te oefenen. De eerste verzoeker heeft nooit over het vereiste diploma beschikt en geen enkele overheid heeft hem ooit iets anders voorgespiegeld. Aan het afleggen van de eed verbindt de wet niet het gevolg dat de betrokkene over de nodige bekwaamheid beschikt om effectief het beroep van landmeter-expert uit te oefenen. Dat de eerste verzoeker in realiteit een aantal jaren het beroep van landmeter-expert heeft uitgeoefend, betekent volgens de verwerende partijen dat hij al die jaren op onwettige wijze heeft gehandeld. De eerste verzoeker kan daaruit geen verworven rechten putten. De verwerende partijen stellen voorts dat de hogescholen van Antwerpen en Gent het diploma van gegradueerde bouwkunde en vastgoed, optie opmeten, hebben gecreëerd om te kunnen voldoen aan de bepalingen van de nieuwe wet. Zij wijzen erop dat de eerste verzoeker niet beweert dat het leerprogramma voor het behalen van dit diploma volledig identiek is aan het leerprogramma voor het behalen van het diploma van gegradueerde in de topografie. Zij besluiten dat de eerste verzoeker, gelet op de motivering van de bestreden beslissing, niet staande kan houden dat deze motivering niet afdoende zou zijn. 12. In zijn memorie van wederantwoord repliceert de eerste verzoeker vooreerst dat, gelet op wat de Raad van State heeft geoordeeld in zijn arrest Declercq, nr. 151.212 van 14 november 2005, hij dient te aanvaarden dat de Federale Raad van Beroep gebonden is door de wet van 11 mei 2003 en hem bijgevolg op grond van artikel 2, 1/, van die wet niet kon inschrijven op het tableau. IX-4971-14/23 Hij erkent dat hij strikt formeel beschouwd, niet beschikt over één van de diploma’s die zijn opgesomd in artikel 2, 1/, van de wet van 11 mei 2003, maar hij meent dat dit bezwaarlijk als een op zich draagkrachtig en deugdelijk motief kan worden beschouwd om hem in het kader van de overgangsregeling de inschrijving op het tableau te weigeren, omdat het, zoals aangevoerd in zijn verzoekschrift, leidt tot een cirkelredenering. Voorts herhaalt de eerste verzoeker dat door de opname van het diploma van gegradueerde bouwkunde en vastgoed, optie opmeten, in de lijst van diploma’s die toegang geven tot het beroep, ook het diploma van gegradueerde in de topografie geacht moet worden impliciet te zijn opgenomen in deze lijst. De leerprogramma’s voor het behalen van de genoemde diploma’s zijn weliswaar niet identiek, aangezien die programma’s worden aangepast aan de actuele noden, maar ze zijn vanuit inhoudelijk oogpunt onbetwistbaar gelijklopend. Volgens de eerste verzoeker erkende de Raad van State in zijn arrest nr. 151.212 van 14 november 2005 de mogelijke, inhoudelijke gelijkaardigheid of gelijkwaardigheid van de beide opleidingsprogramma’s als grondslag voor het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. De eerste verzoeker suggereert dienaangaande de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Schendt artikel 2, 1/ van de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert, en inzonderheid artikel 2, 1/, d, overeenkomstig het arrest nr. 19/2005 van 26 januari 2005 van het [Grondwettelijk Hof] zo geïnterpreteerd dat het slagen voor de geïntegreerde proef enkel vereist is voor de gegradueerde ‘landmeter-expert vastgoed’ in de Franse Gemeenschap, voor wie het slagen voor die proef een voorwaarde is voor het behalen van dat diploma, en niet voor de gegradueerde ‘bouwkunde en vastgoed, optie opmeten’ in de Vlaamse Gemeenschap, voor wie een dergelijke proef niet wordt vereist voor het behalen van dat diploma, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat personen die houder zijn van een diploma van gegradueerde ‘bouwkunde en vastgoed, optie opmeten’ op basis van dat diploma, en na de in artikel 7 van die wet bedoelde eed afgelegd te hebben, het beroep van landmeter-expert mogen uitoefenen (als zelfstandige in hoofd- of bijberoep enkel na overeenkomstig artikel 4 ingeschreven te zijn op het in artikel 3 van de wet van 11 mei 2003 tot oprichting van Federale Raden van landmeters-experten bedoelde tableau) of de beroepstitel voeren van landmeter-expert, terwijl dit niet geldt voor personen houder van het diploma van gegradueerde in de topografie, ook al gaat het in beide gevallen om een driejarige opleiding met een programma dat minstens deels gelijkaardig is ?” IX-4971-15/23 13. De eerste verzoeker gaat in zijn memorie van wederantwoord ook nog in op de aangevoerde schending van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, en de miskenning van zijn verworven rechten. Hij benadrukt in dit verband dat hij in de juridische en feitelijke onmogelijkheid was om bij de totstandkoming van het koninklijk besluit van 18 januari 1995 zijn bezwaren te laten gelden, aangezien hij pas in 1997 het diploma van gegradueerde in de topografie heeft behaald en hij pas in 2001 heeft besloten het beroep van landmeter uit te oefenen. Voorts betoogt hij dat vanuit het oogpunt van het koninklijk besluit van 18 januari 1995 zijn formele integratie in de overgangsregeling werd belemmerd omdat het Beroepsinstituut van gezworen landmeters-experten nooit werd geïnstalleerd omwille van administratiefrechtelijke betwistingen. Volgens de eerste verzoeker heeft het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 19/2005 van 26 januari 2005 uitdrukkelijk het principe van de verworven rechten bevestigd, waar het overweegt dat “alle personen die onder de toepassing van voormeld koninklijk besluit [van 18 januari 1995] toegang hadden tot het beroep, [...] hun verworven rechten [behouden]”. De eerste verzoeker betoogt dat hij na zijn eedaflegging het beroep van landmeter-expert onder op het eerste gezicht rechtsgeldige omstandigheden heeft kunnen uitoefenen. Hij zou dan ook het rechtens vereiste belang hebben gemist om de toegang tot het beroep op grond van het koninklijk besluit van 18 januari 1995 te betwisten, aangezien hij effectief tot het beroep was toegelaten en dit per definitie met toepassing van het koninklijk besluit van 18 januari 1995 was gebeurd, nu geen andere wettelijke of reglementaire grondslag voorhanden was. Op het argument van de verwerende partijen dat hij zich onmogelijk kan beroepen op een verworven recht, nu blijkt dat dit recht op onrechtmatige wijze wordt uitgeoefend, antwoordt de eerste verzoeker dat dit niet kan overtuigen om de redenen uiteengezet in zijn verzoekschrift. Hij stelt dat hij door de rechterlijke macht, op grond van de door hem met succes doorlopen opleiding, op rechtsgeldige wijze tot de eed werd toegelaten en hij bijgevolg erop kon vertrouwen rechtsgeldig de titel van beëdigd landmeter-expert te hebben verkregen. Jarenlang heeft hij deze titel gedragen zonder dat enige beroepsinstantie of administratief orgaan daarover een opmerking heeft gemaakt. Hij maakt melding van een brief van 10 mei 2006 die hij heeft ontvangen van de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie, waarbij hem het IX-4971-16/23 koninklijk besluit van 15 december 2005 tot bepaling van de deontologie van Landmeter-expert ter kennis werd gebracht. Dit illustreert volgens hem dat hij al jarenlang optreedt als landmeter-expert en als zodanig gekend is door de bevoegde overheden. Hij wijst ten slotte nogmaals op de kennelijk onredelijke gevolgen van de bestreden beslissing voor hemzelf en voor de tussenkomende partij. Hij suggereert de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Schendt artikel 9 van de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van eerbiediging van verworven rechten of het beginsel der scheiding der machten, alleen genomen of in samenhang, in de mate dat personen die niet beschikken over een titel als bedoeld in artikel 4 § 2, van die wet, waarmee een titel bedoeld is opgesomd in artikel 2, 1/, van die wet, maar met toepassing van het koninklijk besluit van 18 januari 1995 tot bescherming van de beroepstitel en de uitoefening van het beroep van gezworen landmeter-expert werden ingeschreven op de lijst van beoefenaars bedoeld in artikel 17, § 5, van de kaderwet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen, de voorlegging van een voor echt verklaarde kopie van hun titel, als bedoeld in artikel 4, § 2, van de voornoemde wet van 11 mei 2003, tot staving van hun verzoek tot inschrijving op het tableau van de beoefenaars van het beroep, kunnen vervangen door het bewijs van hun inschrijving op voornoemde lijst en waarbij blijkens het arrest nr. 19/2005 van 26 januari 2005 (r.o. B.5.8) ook personen die op grond van artikel 17, § 1, van die kaderwet een verzoek hebben ingediend om te worden ingeschreven op de gemeentelijke lijsten, op grond van artikel 17, § 5, toegang kunnen krijgen tot het beroep en dus de overgangsregeling kunnen genieten waarin artikel 9, § 1, van de wet van 11 mei 2003 voorziet, terwijl personen die niet werden of konden worden ingeschreven op deze lijsten of die geen verzoek daartoe indienen of konden indienen maar wel werden toegelaten om de bij artikel 2 van de wet van 6 augustus 1993 betreffende de opheffing van het koninklijk besluit van 31 juli 1825 houdende bepalingen nopens de uitoefening van het beroep van landmeter, voorgeschreven eed af te leggen voor de bevoegde rechtbank en het beroep uitoefenden, niet genieten van een overgangsmaatregel wanneer zij niet de in artikel 4, § 2, van de voornoemde wet van 11 mei 2003 bedoelde titel kunnen voorleggen ?” 14. De tussenkomende partij sluit zich in haar memorie aan bij het standpunt van de eerste verzoeker. Zij stelt dat ook bij haar het rechtmatige vertrouwen was gewekt dat zij de eerste verzoeker op rechtsgeldige wijze als beëdigd landmeter-expert in haar vennootschap kon laten optreden, nu hij door zijn eedaflegging rechtsgeldig was toegelaten tot het beroep van landmeter-expert, hij al jarenlang optrad als landmeter-expert en als landmeter gekend was bij de bevoegde overheden. Ook bij haar cliënteel was het rechtmatige vertrouwen gewekt dat de eerste verzoeker op rechtsgeldige wijze de titel van landmeter-expert mocht IX-4971-17/23 dragen, nu hij al jarenlang als zaakvoerder de opdrachten voorbehouden aan een beëdigd landmeter-expert uitvoerde. Volgens de tussenkomende partij is het dan ook voor haar van essentieel belang dat rechtszekerheid wordt geboden over het statuut van de eerste verzoeker, die haar zaakvoerder is. Zij sluit zich aan bij de suggestie van de eerste verzoeker om aan het Grondwettelijk Hof dienaangaande twee prejudiciële vragen te stellen. Beoordeling 15. De eerste verzoeker voert in het enige middel in essentie aan dat de motieven van de bestreden beslissing niet deugdelijk zijn en derhalve de materiële motiveringsplicht schenden. Hij laat ook gelden dat sommige motieven het redelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel schenden en zijn verworven rechten miskennen. 16. De bestreden beslissing stelt vooreerst vast dat het voorgelegde diploma van de eerste verzoeker, gegradueerde in de topografie, niet aan de wettelijke vereisten voldoet, dat de finaliteit ervan niet is landmeter te worden maar topograaf, en dat de wil van de wetgever ter zake duidelijk is aangezien het desbetreffende diploma ook al niet was opgenomen in het koninklijk besluit van 18 januari 1995, het door de Koning niet als gelijkwaardig werd erkend en het niet werd opgenomen in de lijst van artikel 2, 1/, van de wet van 11 mei 2003. De eerste verzoeker betwist als zodanig niet dat het diploma van gegradueerde in de topografie niet voorkomt in de lijst van de diploma’s van artikel 2, 1/, van de wet van 11 mei 2003, vereist voor het uitoefenen van het beroep van landmeter-expert of het voeren van de beroepstitel van landmeter-expert. Wel is hij van oordeel dat het gelijkheidsbeginsel ertoe noopt de verwijzing naar het diploma van gegradueerde bouwkunde en vastgoed, optie opmeten, in artikel 2, 1/, d, van de wet van 11 mei 2003, zoals het van toepassing was ten tijde van de bestreden beslissing, zo te lezen dat impliciet ook het diploma van gegradueerde in de topografie bedoeld is, aangezien de opleiding die aan de beide diploma’s ten grondslag ligt quasi identiek is en “het ene diploma [voortvloeit] uit het andere”. 17. In zijn arrest nr. 143/2007 van 22 november 2007 heeft het Grondwettelijk Hof de beroepen tot vernietiging verworpen die door gegradueerden IX-4971-18/23 in de topografie waren ingediend tegen artikel 177 van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen, dat artikel 2, 1/, d, van de wet van 11 mei 2003 heeft vervangen. De verzoekende partijen beklaagden zich in essentie erover dat de topografen niet werden opgenomen in de lijst van artikel 2, 1/, van de wet van 11 mei 2003. Het Hof overweegt in dat arrest als volgt: “B.18.1. Wat het diploma van gegradueerde in de topografie betreft, rees in de parlementaire voorbereiding van de wet van 11 mei 2003 reeds de vraag waarom dat diploma geen toegang zou geven tot het beroep of tot de titel van landmeter-expert. In dit verband verklaarde de minister: ‘Niet behouden evenwel zijn de topografen. De topografen maken uitgerekend deel uit van een van de categorieën van wie de landmeters absoluut niet wilden dat zij op dezelfde wijze zouden worden gecatalogeerd. Zij werden niet gehandhaafd in het basis koninklijk besluit en vallen bijgevolg niet onder de toepassing ervan’ (Integraal Verslag, Kamer, 19 maart 2003, CRIV 50 PLEN 338, p. 68). Op de vraag of dit betekende dat de topografen die vóór de inwerkingtreding van de wet van 11 mei 2003 reeds actief waren, hun beroepsactiviteiten moeten stopzetten, antwoordde de minister: ‘Nee, natuurlijk niet. Het gaat erom dat de topografen als groep niet werden gehandhaafd, maar dat degenen die als landmeter zijn erkend uiteraard wel worden behouden; dat is immers een verworven recht. Dat is nogal evident. Het lijkt vanzelfsprekend, maar het is misschien toch goed om het te zeggen’ (ibid., pp. 68-69). B.18.2. Na de inwerkingtreding van de wet van 11 mei 2003 werd de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid ondervraagd over het verschil in behandeling tussen de houders van een diploma van, enerzijds, gegradueerde in de topografie en, anderzijds, gegradueerde in bouw, optie vastgoed, keuze meten. De minister antwoordde het volgende: ‘[...] ik stel vast dat het diploma van gegradueerde in de topografie niet werd opgenomen in de [in de] wet van 11 mei 2003 tot regeling van het beroep opgestelde lijst van de beroepen en ook niet in het koninklijk besluit van 18 januari 1995, dat door de vernoemde wet werd opgeheven. Men kan dus veronderstellen dat het toen niet als gelijkwaardig beschouwd werd. [...]. De wet voorziet, na advies van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de K.M.O.’s, in de mogelijkheid een diploma te erkennen dat door iedere andere instelling van een door de Koning erkend vergelijkbaar niveau overhandigd is. In deze procedure kan op basis van een behoorlijk ondersteund dossier worden voorzien’ (Integraal Verslag, Kamer, 13 april 2005, CRIV 51 COM 558). B.18.3. In het verlengde van dat antwoord heeft de minister van Middenstand en Landbouw het advies gevraagd van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de K.M.O.’s. In haar advies van 29 september 2005 besluit die instantie dat het diploma van gegradueerde in de topografie niet als IX-4971-19/23 gelijkwaardig kan worden beschouwd met het diploma van ‘gegradueerde in bouwkunde en vastgoed, optie opmeten’. De Hoge Raad beroept zich onder meer op het feit dat in de Vlaamse Gemeenschap een diploma van topograaf ongeveer 1 260 uren lestijd omvat, terwijl een diploma van bachelor in bouw 1 800 uren lestijd omvat, en op het feit dat het diploma van topograaf geen specifieke cursussen uit de vorming tot landmeter bevat. De Hoge Raad besluit: ‘Enkel de vorming van ‘vastgoed-landmeter’ kan overeenstemmen met de wetsvereisten op voorwaarde dat het aangevuld wordt met een getuigschrift van slagen in de proef voor uitreiking van de titels van meetkundige schatter’. B.18.4. In hun antwoord op de door het Hof gestelde vragen, tonen de verzoekende partijen niet aan dat, in tegenstelling tot wat de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de K.M.O.’s meent, het opleidingsprogramma voor gegradueerde in de topografie inhoudelijk soortgelijk of gelijkwaardig is aan dat voor gegradueerde in bouw, optie vastgoed, keuze meten. B.19.1. Overigens verschilt de optie die aan het diploma van gegradueerde in de topografie ten grondslag ligt, van die van het diploma van gegradueerde in bouw, optie vastgoed. Binnen de zogenaamde ‘oude structuur’ van de opleidingen en opties van de hogescholen van de Vlaamse Gemeenschap, zijnde de ‘voorwaarden waaraan een afdeling of optie op het vlak van studieduur, inhoud van het opleidingsprogramma en diploma moest voldoen op basis van de reglementering die erop van toepassing was op 31 augustus 1995’ (artikel 1, 2/, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 1995), wordt binnen de afdeling bouw immers een onderscheid gemaakt tussen de opties bouw, vastgoed en topografie. Zoals in B.11 werd aangegeven, vervangt de opleiding bouw, optie vastgoed, met ingang van het academiejaar 1995-1996, de voorheen bestaande afdeling bouw, optie vastgoed. De optie topografie werd daarentegen afgebouwd. B.19.2. Ten slotte vereist de bestreden bepaling, naast het diploma van gegradueerde in bouw, optie vastgoed, tevens een diplomasupplement of een attest vereist dat de keuze ‘meten’ vermeldt. B.20. Gelet op het voorgaande, vermocht de wetgever redelijkerwijs aan te nemen dat het diploma van gegradueerde in de topografie niet gelijkwaardig was aan de diploma’s die in de bestreden bepaling worden vermeld.” Het Grondwettelijk Hof heeft aldus uitspraak gedaan over een vraag of een beroep met een identiek onderwerp als de eerste prejudiciële vraag die door de eerste verzoeker wordt gesuggereerd. Krachtens artikel 26, § 2, tweede lid, 2/, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is de Raad van State dan ook niet verplicht deze vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. 18. In acht genomen het voormelde standpunt van het Grondwettelijk Hof, moet worden besloten dat het enige middel ongegrond is voor zover het steunt IX-4971-20/23 op de schending van het gelijkheidsbeginsel en om die reden het eerste weigeringsmotief van de bestreden beslissing onwettig acht. 19. De argumentatie van de eerste verzoeker met betrekking tot het tweede, derde en vierde motief van de bestreden beslissing kan in essentie worden herleid tot zijn grief dat deze beslissing het redelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en zijn verworven rechten schendt, doordat ze hem de inschrijving op het tableau van de landmeters-experten ontzegt, niettegenstaande hij onder de toepassing van het koninklijk besluit van 18 januari 1995 toegang heeft gekregen tot het beroep van landmeter-expert en hij jarenlang dat beroep heeft kunnen uitoefenen. Nu niet blijkt dat de eerste verzoeker onder de overgangsregeling van artikel 9 van de wet van 11 mei 2003 valt, verplicht deze grief van de eerste verzoeker de Raad van State ertoe om de tweede door de eerste verzoeker gesuggereerde prejudiciële vraag met betrekking tot de grondwettigheid van deze wetsbepaling, zoals hierna in het dictum van het onderhavige arrest geformuleerd, aan het Grondwettelijk Hof te stellen. 20. In de mate dat de eerste verzoeker in het middel ten slotte het vijfde motief van de bestreden beslissing bekritiseert, luidens hetwelk de Federale Raad van Beroep van de landmeters-experten niet zelf als initiatiefnemer kan optreden om het diploma van gegradueerde in de topografie alsnog door de Koning te laten erkennen na advies van de Hoge Raad voor Middenstand en KMO, moet worden vastgesteld dat deze kritiek een niet-determinerend motief van de beslissing betreft. Bovendien moet worden opgemerkt dat de eerste verzoeker niet aantoont dat het niet nemen van een dergelijk initiatief onwettig zou zijn en bovendien de onwettigheid van de bestreden beslissing tot gevolg zou hebben. 21. Uit wat voorafgaat moet worden besloten dat het enige middel niet gegrond is voorzover het kritiek levert op het eerste en het vijfde motief van de bestreden beslissing. Voor zover verzoekers kritiek op het tweede, derde en vierde middel noopt tot het stellen van de gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof, is er aanleiding tot een heropening van de debatten. IX-4971-21/23 BESLISSING 1. De afstand van het beroep door de BVBA Bexan wordt ingewilligd. 2. De BVBA Bexan wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op 175 euro. 3. De Raad van State heropent de debatten. 4. De Raad van State stelt de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof: Schendt artikel 9 van de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk genomen of gelezen in samenhang met het rechtszekerheidsbeginsel, het beginsel van het rechtmatig gewekte vertrouwen en de eerbiediging van verworven rechten of het beginsel van de scheiding der machten, in de mate dat personen die niet beschikken over een titel zoals bedoeld in artikel 2, 1/, van de genoemde wet, maar die met toepassing van het koninklijk besluit van 18 januari 1995 tot bescherming van de beroepstitel en de uitoefening van het beroep van gezworen landmeter-expert werden ingeschreven op de lijst van beoefenaars bedoeld in artikel 17, § 5, van de kaderwet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen, de voorlegging van een voor echt verklaarde kopie van hun titel, zoals bedoeld in artikel 4, § 2, van de genoemde wet, kunnen vervangen door het bewijs van hun inschrijving op de voormelde lijst, waarbij blijkens het arrest nr. 19/2005 van 26 januari 2005 van het Grondwettelijk Hof ook personen die op grond van artikel 17, § 1, van de genoemde kaderwet een verzoek hebben ingediend om te worden ingeschreven op de gemeentelijke lijst, op grond van artikel 17, § 5, toegang kunnen krijgen tot het beroep en dus de overgangsregeling kunnen genieten waarin artikel 9, § 1, van de voornoemde wet van 11 mei 2003 voorziet, terwijl personen die niet werden of konden worden ingeschreven op deze lijst of die geen verzoek daartoe indienden of konden indienen maar die vóór de inwerkingtreding van die wet van 11 mei 2003 wel werden toegelaten om de bij artikel 2 van de wet van 6 augustus 1993 betreffende de opheffing van het koninklijk besluit van 31 juli 1825 houdende bepalingen nopens de uitoefening van het beroep van landmeter, IX-4971-22/23 voorgeschreven eed af te leggen voor de bevoegde rechtbank en het beroep uitoefenden, geen overgangsmaatregel genieten wanneer zij niet de in artikel 2, 1/, van de voornoemde wet van 11 mei 2003 bedoelde titel kunnen voorleggen? 5. Na de kennisgeving van het antwoord van het Grondwettelijk Hof wordt aan de partijen een termijn van 30 dagen gegeven om een memorie in te dienen waarin zij hun standpunt kunnen uiteenzetten in functie van het antwoord van het Grondwettelijk Hof. 6. Het door de Auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat wordt vervolgens belast met het verder onderzoek van de zaak. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 juni 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Bert Thys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-4971-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.841 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.275 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.218.349 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div