← België

Arrest 205874 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 28/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.874 Rolnummer: A. 184252/IX-5688 Zaak: Arrest 205874 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 28/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-06 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-02 10:19 Fiche Arrest nr 205.874 van 28 juni 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 205.874 van 28 juni 2010 in de zaak A. 184.252/IX-5688 In zake : Geert VAN HAEGENBORGH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Lindemans en Frank Judo kantoor houdend te Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrick Peeters en Arne Vandaele kantoor houdend te Brussel Terhulpsesteenweg 120 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 4 juli 2007, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 27 april 2007 tot benoeming van de directeur en adjunct-directeurs van het Instituut voor de Gerechtelijke Opleiding. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 178.530 van 14 januari 2008 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit verworpen. De verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. IX-5688-1/13 De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 juni
  3. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Frank Judo, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Patrick Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding werd opgericht bij wet van 31 januari 2007 inzake de gerechtelijke opleiding en tot oprichting van het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding (hierna: de wet van 31 januari 2007). Artikel 12 van de wet van 31 januari 2007 bepaalt dat de directie belast is met het dagelijks bestuur van het Instituut. Zij is samengesteld uit een directeur van de gerechtelijke opleiding, bijgestaan door twee adjunct-directeurs. De directie omvat twee afdelingen. De “afdeling magistraten” oefent de opdrachten van het Instituut uit ten aanzien van de beroepsmagistraten van de rechterlijke orde, de plaatsvervangende magistraten, de raadsheren en rechters in sociale zaken, de rechters in handelszaken en de assessoren in strafuitvoeringsza- ken alsmede de gerechtelijke stagiairs. De “afdeling leden van het personeel die de rechterlijke macht assisteren” (hierna: de “afdeling personeel”) oefent de opdrachten van het Instituut uit ten aanzien van de andere personen waarop de wet van IX-5688-2/13 toepassing is, zoals de referendarissen, de parketjuristen, de leden van de griffies enz. Aan het hoofd van iedere afdeling staat een adjunct-directeur. Luidens artikel 15, eerste lid, van de wet van 31 januari 2007 worden de directieleden benoemd door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op de voordracht van de minister van Justitie en op advies van de Verenigde Benoemings- en Aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie, voor een hernieuwbare termijn van zes jaar. Artikel 15, tweede lid, bepaalt dat hun competentieprofiel wordt opgesteld door de minister van Justitie, op advies van de Hoge Raad voor de Justitie. Luidens artikel 18 zijn de adjunct-directeurs van een verschillende taalrol. Artikel 19 bepaalt dat de adjunct-directeur aan het hoofd van de “afdeling magistraten” een magistraat van de rechterlijke orde is. Al deze bepalingen van de wet van 31 januari 2007 zijn in werking getreden op 5 maart
  6. 3.
  7. Bij brief van 2 februari 2007 maakt de minister van Justitie aan de Hoge Raad voor de Justitie een ontwerp over van de profielen van de directeur en van de adjunct-directeurs van het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding. Op 14 februari 2007 brengt de Hoge Raad van de Justitie hierover advies uit. 3.
  8. In een nota van 18 februari 2007 aan de voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Justitie beslist de minister van Justitie het advies van de Hoge Raad voor de Justitie gedeeltelijk te volgen voor wat betreft het profiel van de directeur en van de adjunct-directeur “afdeling magistra- ten” en dat advies volledig te volgen voor het profiel van de adjunct-directeur “afdeling personeel”. 3.
  9. In het Belgisch Staatsblad van 5 maart 2007 wordt een oproep tot de kandidaten voor de functie van directeur en de twee functies van adjunct- directeur bekendgemaakt. In dezelfde oproep worden ook de profielen voor deze functies bekendgemaakt. IX-5688-3/13 3.
  10. Bij brief van 30 maart 2007 stelt de verzoeker zich kandidaat voor de functie van adjunct-directeur van de “afdeling personeel”. Naast de verzoeker stellen nog vier andere personen, onder wie Th. Tuts, zich kandidaat voor de functie van adjunct-directeur van de “afdeling personeel”. 3.
  11. Op 19 april 2007 brengt de verenigde benoemings- en aanwij- zingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie advies uit. De commissie gebruikt daarvoor tabellen waarin de verschillende elementen van het competentie- profiel door elk van de leden van de commissie worden geëvalueerd met de waardering “zeer geschikt”, “geschikt”, “minder geschikt” en “niet geschikt”. Vervolgens geeft elk commissielid een globale beoordeling. Voor de verzoeker geeft dit de eindvermelding: zeer geschikt: 3 keer geschikt: 6 keer minder geschikt: 10 keer niet geschikt: 3 keer Th. Tuts behaalt de volgende eindvermelding : zeer geschikt: 10 keer geschikt: 7 keer minder geschikt: 5 keer niet geschikt: 0 keer 3.
  12. Met het thans bestreden koninklijk besluit van 27 april 2007 wordt: - E. Van Den Broeck benoemd tot directeur van het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding, voor een ambtstermijn van zes jaar; - M. Rozie benoemd tot adjunct-directeur van het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding, belast met de “afdeling magistraten”, voor een ambtstermijn van zes jaar; - Th. Tuts benoemd tot adjunct-directeur van het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding, belast met de “afdeling personeel”, voor een ambtstermijn van zes jaar. IX-5688-4/13 Dit koninklijk besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 mei
  13. 3.
  14. In het Belgisch Staatsblad van 13 november 2007 wordt bekendgemaakt dat aan M. Rozie bij koninklijk besluit van 8 november 2007, op zijn verzoek, ontslag is verleend uit zijn mandaat van adjunct-directeur belast met de “afdeling magistraten”. 3.
  15. Bij koninklijk besluit van 7 juni 2009, wordt B. Homans, benoemd tot adjunct-directeur belast met de “afdeling magistraten” voor een ambtstermijn van zes jaar vanaf 22 oktober
  16. Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 23 juni 2009 met vermelding van de mogelijkheid om tegen deze beslissing annulatieberoep in te dienen. De benoeming van B. Homans, die tot de Nederlandse taalrol behoort, is niet met een annulatieberoep bestreden. IV. Ontvankelijkheid van het beroep - het belang van de verzoeker Uiteenzetting van de partijen
  17. In zijn verzoekschrift stelt de verzoeker dat hij het koninklijk besluit van 27 april 2007 in al zijn onderdelen bestrijdt omdat dit besluit het sluitstuk is van een benoemingsprocedure die voor elk van de toegewezen mandaten is aangetast door een onwettige vaststelling van de competentieprofielen en gebrekkige adviesverlening en beoordeling. Met betrekking tot de functie van directeur stelt de verzoeker dat hij deze functie wel degelijk ambieerde maar dat wegens de competenties die ter zake werden vereist en waaraan hij niet kon beantwoorden, elke deelname doelloos was. Hij wijst er op dat het bovendien competenties waren waarvan de Hoge Raad voor de Justitie in zijn advies had gesteld dat zij al te selectief waren of al te zeer gericht op kandidaten die zich reeds met deze materie bezighouden. De verzoeker besluit dat hij belang heeft bij het aanvechten van dit onderdeel van het besluit. Voor de functie van adjunct-directeur van de afdeling Magistraten heeft de verzoeker niet gekandideerd, vermits hij geen magistraat is. Hij heeft wel gekandideerd voor de functie van adjunct-directeur van de afdeling personeel. Omdat deze functie moet worden toegewezen aan een persoon van de andere taalrol IX-5688-5/13 dan de persoon die de leiding krijgt van de afdeling magistraten en omdat hij in zijn eerste twee middelen de wettigheid van de gehele benoemingsronde betwist, maakt hij in geval van vernietiging van het gehele besluit opnieuw kans om benoemd te worden tot adjunct-directeur. Dat gegeven verschaft hem belang bij het bestrijden van de beide benoemingen tot adjunct-directeur.
  18. De verwerende partij werpt op dat de verzoeker geen belang heeft bij het aanvechten van de benoeming van de directeur vermits hij zich voor deze betrekking geen kandidaat heeft gesteld terwijl dit nochtans vereist is. De omstandigheid dat de verzoeker bepaalde profielcriteria betwist doet daar geen afbreuk aan; niets verhinderde de verzoeker immers om, ondanks die bepaalde criteria, zich toch kandidaat te stellen en te hopen op een succesvolle uitkomst op basis van de andere profielcriteria. In ieder geval is het beroep, in zoverre het steunt op het onwettig karakter van de profielcriteria van het mandaat van directeur, laattijdig, aangezien hij die criteria niet tijdig bestreden heeft en noodzaakt het onderzoek van de wettigheid van het profiel een studie van de argumentatie ten gronde. Wat betreft het beroep tegen de benoeming van de ad- junct-directeur voor de “afdeling magistraten”, stelt de verwerende partij dat de verzoeker geen rechtstreeks belang heeft, omdat hij geen magistraat is en dus niet in aanmerking komt voor deze functie. Dat aan M. Rozie ontslag werd verleend en een nieuwe oproep tot kandidaten werd bekendgemaakt doet hier geen afbreuk aan.
  19. De verzoeker repliceert wat zijn beroep tegen de benoeming van de directeur van de gerechtelijke opleiding betreft dat de rechtspraak waarbij een personeelslid dat niet heeft gesolliciteerd in het kader van een benoemingsprocedu- re, geen blijk geeft van het vereiste belang bij de nietigverklaring van een benoeming uitzonderingen kent. Een dergelijke uitzondering moet gelden wanneer er een kennelijke samenhang bestaat tussen een aantal benoemingen, die daarenbo- ven tot stand zijn gekomen in een enkel besluit. Een oproep tot de kandidaten waarin de competentieprofielen vermeld worden is een louter voorbereidende handeling waartegen in beginsel geen beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld en niets belette de verzoeker aldus het resultaat van de complexe rechtshandeling af te wachten om dan een annulatieberoep in te stellen. IX-5688-6/13 Nopens de benoeming van de adjunct-directeur van de afdeling magistraten stelt de verzoeker dat de verwerende partij voorbij gaat aan artikel 18 van de wet van 31 januari 2007 dat bepaalt dat de beide adjunct-directeurs van een verschillende taalrol dienen te zijn. Zolang de benoeming van M. Rozie overeind blijft kan de verzoeker geen nuttig effect halen uit de vernietiging van de benoeming van Th. Tuts, aangezien hij wegens zijn taalrol dan toch nog niet in de functie van adjunct-directeur van de afdeling “leden van het personeel die de rechterlijke macht assisteren” benoemd kan worden.
  20. In zijn laatste memorie stelt de verzoeker nopens het actueel karakter van zijn belang dat zijn beroep gericht is tegen een geheel van nauw samenhangende beslissingen. Deze verschillende benoemingen zijn geheel en van in den beginne getroffen door een fundamentele onwettigheid, doordat de adviezen van de Verenigde Benoemings- en Aanwijzingscommissie niet steunen op deugdelijke motieven en daarin van een afweging van titels en verdiensten geen sprake is. Uit geen enkel objectief element blijkt waarom E. Van Den Broeck beter geschikt was als directeur dan M. Rozie, noch waarom M. Rozie zeer geschikt werd bevonden voor de functie van adjunct-directeur. Voorts wijst de verzoeker er in dit verband op dat de wettig opgestelde competentieprofielen, zoals vereist wordt door artikel 15 van de wet van 31 januari 2007, ontbreken. Deze profielen zijn pas later, meer bepaald bij ministerieel besluit van 10 juli 2008, uitgevaardigd en dan nog slechts enkel voor de mandaten van adjunct-directeur. Deze fundamentele onwettigheid maakt dat de latere benoeming van B. Homans, die op haar beurt tot stand gekomen is met miskenning van de voormelde wettelijke verplichtingen, onmogelijk aanleiding kan geven tot een “regularisering” van de bestreden onwettige toestand. Volgens de verzoeker zal de volledige vernietiging van de bestreden beslissing aanleiding geven tot een volledige heroverweging van de samenstelling van de leidende organen van het Instituut voor de Gerechtelijke Opleiding. Zijn belang hierbij staat, om die reden, boven elke discussie. Ook wijst de verzoeker op het bestaan van minstens een moreel belang bij de vernietiging aangezien de motivering van de bestreden beslissing voor hem bijzonder grievend is onder meer omdat hij in het advies van de Verenigde Benoemings- en Aanwij- zingscommissie op de meeste criteria zonder enige valabele reden een slechtere score krijgt dan Th. Tuts. In ondergeschikte orde laat de verzoeker gelden dat hij onmisken- baar over een belang beschikte bij het instellen van het annulatieberoep en dat dit, IX-5688-7/13 rekening houdend met de omstandigheden van deze zaak, moet volstaan. In dit verband merkt de verzoeker op dat hij zelf geen vat had op het behoud van zijn belang aangezien hij, als niet-magistraat, de benoeming van B. Homans niet kon aanvechten. Daarbij merkt hij op dat de artikelen 14, 19 en 24 van de gecoördineer- de wetten op de Raad van State de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden wanneer zij aldus geïnterpreteerd worden dat een verzoeker, die een benoeming aanvecht van twee functies waarvan de titularissen van een verschillende taalrol moeten zijn, zijn belang bij het beroep tot nietigverklaring verliest wanneer de overheid één van de betrekkingen opnieuw vacant verklaart en overgaat tot de benoeming van een persoon van dezelfde taalrol als de verzoeker, zodat de betrokkene dan ingevolge een wettelijke bepaling niet langer voor benoeming in aanmerking komt. Voorts stelt hij dat het vereiste van het voortbestaan van het belang tijdens de hele procedure bij de Raad van State moet worden herbekeken in het licht van het gewijzigde artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, waardoor een beroep tot nietigverklaring de verjaring stuit van een aansprakelijkheidsvordering tegen de overheid, zodat een louter pecuniair belang moet kunnen volstaan, op gevaar af een bestuur in de mogelijkheid te stellen door het ontnemen van een belang aan een verzoeker, de verjaring te laten intreden in een tegen hem ingestelde vordering of de verzoeker in de onmogelijkheid te plaatsen om nog dergelijke vordering in te dienen. De verzoeker wijst ook op de onverantwoord verschillende interpretatie van het voortdurend belang dat gehanteerd wordt door de gewone rechter enerzijds en de Raad van State anderzijds. Met betrekking tot de benoeming tot directeur van het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding stelt de verzoeker nog dat de wetenschap dat hij op bepaalde beoordelingscriteria van het profiel slecht zou scoren, hem in een achterstandspositie plaatst in vergelijking met de andere kandidaten, hetgeen kan worden gelijkgesteld met de onmogelijkheid om zinvol aan de selectieprocedure deel te nemen. Hij stelt dat de rechtspraak van de Raad van State daarover ruim geïnterpreteerd moet worden, aangezien de doelstelling van deze rechtspraak erin bestaat recht te doen aan personen die wegens onwettige beslissingen kansloos waren in het kader van een selectieprocedure; dergelijke benadeelden moeten de kans krijgen het onwettig resultaat van de complexe handeling te bestrijden, ook wanneer zij niet tot het laatste moment aangedrongen hebben om aan de procedure deel te nemen. IX-5688-8/13 Beoordeling
  21. De verzoeker verzet zich tegen het besluit waarbij de drie directiefuncties bij het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding worden begeven. De omstandigheid dat met dit uniek besluit de gehele directie van het Instituut benoemd wordt, belet evenwel niet dat de drie benoemingsbeslissingen afzonderlijke bestuurshandelingen vormen zodat de beroepen die ertegen worden ingesteld een afzonderlijk onderzoek vereisen en de vernietiging van één van hen niet automatisch tot de vernietiging van de benoeming van alle directieleden leidt. Wel staat buiten discussie dat de drie benoemingen in één beweging tot stand gekomen zijn en dat de ene benoemingsbeslissing een weerslag heeft op de andere, in die zin dat, nu een aantal personen voor meerdere betrekkingen gekandideerd hebben -inzonderheid M. Rozie stelde zich kandidaat voor directeur van het Instituut én adjunct-directeur van de afdeling magistraten- de volgorde waarin de benoemingen gebeurden een rol gespeeld heeft bij de afweging van de kandidaturen, wat van belang kan zijn bij de beoordeling van de positie van de verzoeker. De verzoeker heeft slechts voor één betrekking gekandideerd, met name deze van adjunct-directeur van de afdeling personeel. Hij is niettemin van oordeel dat hij toch wettig de nietigverklaring van de drie benoemingen kan nastreven, omdat zij door dezelfde onwettigheid zouden aangetast zijn. Op zich faalt die stelling: een verzoeker moet een persoonlijk en rechtstreeks belang bij de vernietiging van elk der benoemingen aantonen, wat betekent dat hij zelf de betrekking wenst te bekleden en de functie wenst uit te oefenen. Dat de beslissingen door dezelfde onwettigheid -te dezen dat zij mogelijks allen steunen op onregelma- tig vastgestelde competentieprofielen- aangetast zijn kan geen grond zijn om hem een persoonlijk en rechtstreeks belang toe te kennen, maar betreffen een actio popularis.
  22. De verzoeker bestrijdt de benoeming van E. Van den Broeck tot directeur van het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding. Die betrekking is institutioneel niet gekoppeld aan de betrekkingen van adjunct-directeur of één van hen. De verzoeker heeft er zich ook geen kandidaat voor gesteld. Hij heeft in beginsel dan ook geen belang bij de nietigverklaring van deze benoeming. Het belang bij vernietiging van de benoeming van een directeur legt de verzoeker in de begane onwettigheid en hij verklaart zijn ontstentenis van IX-5688-9/13 kandidaatstelling door het feit dat het hem niet mogelijk was te voldoen aan de benoemingsvereisten of dat die vereisten onwettig waren. Daarmee toont hij evenwel niet aan dat hij van meet af aan wegens een objectief vaststaand beletsel uitgeschakeld was voor de benoeming. Had hij zich kandidaat gesteld, dan had het bestuur zijn aanspraken en zijn middelen moeten beoordelen en kon hij die discretionaire beoordeling aan het wettigheidstoezicht van de rechter onderwerpen. Door dit niet te doen heeft hij zichzelf de toegang tot de functie van directeur ontzegd. De benoeming in die betrekking heeft voorts ook geen rechtstreekse impact op de benoeming die hij echt ambieert, deze van adjunct-directeur van de afdeling personeel. Dat M. Rozie kandidaat was voor de betrekking van directeur en zijn benoeming de weg vrijgemaakt zou hebben om een ander magistraat -van de Franse taalrol- als directeur van de afdeling magistraten te benoemen, wat hem dan weer betere kansen bood om als Nederlandstalige benoemd te worden in de afdeling personeel, is geen voldoende rechtstreeks maar slechts een hypothetisch belang. Het beroep tegen de benoeming van E. Van den Broeck is niet ontvankelijk.
  23. De verzoeker stelde zich kandidaat voor de betrekking van adjunct-directeur van de afdeling personeel en kon slechts daarin benoemd worden. Zijn belang bij het bestrijden van de beslissing om Th. Tuts op die plaats te benoemen ligt voor de hand: in geval van vernietiging wordt de betrekking immers opnieuw vacant.
  24. Het louter vacant worden van deze betrekking volstaat evenwel voor de verzoeker niet om alsnog na een vernietigingsarrest benoemd te kunnen worden. Door het feit dat de betrekkingen van adjunct-directeur institutioneel met elkaar verbonden zijn, in die zin dat de benoemden tot een verschillende taalrol moeten behoren, straalt de benoeming in de betrekking van adjunct-directeur van de afdeling magistraten rechtstreeks af op zijn eigen benoemingskansen en moest hij, om zijn kansen op benoeming gaaf te houden, de benoeming van M. Rozie, die tot dezelfde taalrol behoort, ongedaan laten maken. Dat hij zich vooraf voor die betrekking geen kandidaat had gesteld speelt voor de beoordeling van zijn belang geen rol, omdat hij de vereiste benoemingsvoorwaarde van magistraat van de rechterlijke orde niet vervulde en van een kandidaat voor een openbaar ambt niet verwacht mag worden dat hij zich, louter formeel met het oog op het onderbouwen van zijn belang bij een later annulatieberoep, kandidaat stelt. Dat belang verant- IX-5688-10/13 woordde derhalve dat de verzoeker, zonder zich kandidaat gesteld te hebben voor die betrekking, de benoeming van M. Rozie tot adjunct-directeur van de afdeling magistraten samen met de benoeming van Th. Tuts tot adjunct-directeur van de afdeling personeel tot het voorwerp van zijn beroep maakte.
  25. De verzoeker heeft de benoeming van M. Rozie daadwerkelijk bestreden en daarmee de vereiste opening gecreëerd om zelf tot adjunct-directeur van de afdeling personeel benoemd te kunnen worden. In de loop van de procedure heeft laatstgenoemde echter vrijwillig ontslag genomen. Dat ontslag creëerde voor de verzoeker de nodige ruimte om tot adjunct-directeur van de afdeling personeel benoemd te kunnen worden. Die ruimte is vervolgens evenwel opnieuw weggeno- men door de benoeming tot adjunct-directeur van de afdeling magistraten van de Nederlandstalige B. Homans. De vraag rijst dan ook of de verzoeker, na deze nieuwe benoeming, nog wel getuigt van een actueel belang bij de vernietiging van de benoeming van Th. Tuts, aangezien hij, wegens de taalvereiste, als Nederlandsta- lige thans onmogelijk tot adjunct-directeur van de afdeling personeel benoemd kan worden. De verzoeker, noch iemand anders, heeft de benoeming van B. Homans formeel met een annulatieberoep bestreden. De verzoeker heeft ook niet gevraagd om het voorwerp van het onderhavig annulatieberoep uit te breiden tot deze benoeming, wat hij gelet op het beginsel van de rechtszekerheid dat in het voordeel van B. Homans speelt, had moeten doen binnen de 60 dagen na de bekendmaking van het betreffend benoemingsbesluit. Aangezien de benoeming van B. Homans haar enige en noodzakelijke rechtsgrond ook niet vindt in de benoeming van M. Rozie, is er geen grond om ambtshalve het voorwerp van het onderhavig beroep tot die beslissing uit te breiden. De benoeming van B. Homans is derhalve onaantastbaar geworden, zodat de verplicht door het bestuur te volgen taalregeling thans verhindert dat de verzoeker tot adjunct-directeur van de afdeling personeel benoemd wordt.
  26. De verzoeker verwijst naar een moreel belang wegens het grievend karakter van de slechtere quotering dan Th. Tuts die hij vanwege de benoemingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie gekregen heeft. Inzake benoemingen, waarbij de kandidaten op voorhand weten dat het bestuur aan hun aanspraken kan voorbijgaan, kan slechts van een moreel IX-5688-11/13 belang sprake zijn wanneer het bestuur een bepaalde kandidatuur verwerpt om de uitsluitende reden dat de betrokkene wegens zijn persoonlijk functioneren niet in aanmerking komt voor de benoeming. Dat is te dezen niet het geval: de verzoeker is niet benoemd geworden omdat de benoemingscommissie van de Hoge Raad van de Justitie de verdiensten van Th. Tuts hoger inschatte dan de zijne; er is niet denigrerend over hem gesproken.
  27. De verzoeker is van oordeel dat er geen reden is om hem de ontstentenis van het actueel belang tegen te werpen. Hij verwijst in de eerste plaats naar de nadelige behandeling die een teleurgestelde kandidaat bij een benoeming ondergaat wanneer de benoeming waartegen hij zich verzet opnieuw vacant verklaard wordt en een nieuwe benoeming gebeurt die zijn eigen benoeming uitsluit. Zijn redenering faalt evenwel omdat het gebrek aan belang in dit geval niet volgt uit de vacantverklaring en de nieuwe benoeming, maar uit het feit dat de verzoeker niet de nodige stappen heeft gezet om de nieuwe benoeming bij het beroep te betrekken en aldus te beletten dat de benoeming van B. Homans, die verhindert dat hij als Nederlandstalige in de functie bij de directie personeel benoemd wordt, definitief zou worden. Hij verwijst voorts ook naar artikel 2224 van het Burgerlijk Wetboek, in de zin dat, wanneer het bestaan van een actueel belang in de recht- spraak wordt aanvaard, het bestuur in de mogelijkheid is om een vordering bij de gewone rechter in zijn voordeel te beïnvloeden. Ook die redenering kan niet gevolgd worden, aangezien in de gevallen als het onderhavige waarin het actueel belang teloorgaat door het afronden van een nieuwe benoemingsprocedure, de betrokkene de mogelijkheid heeft om de nieuwe benoeming te bestrijden, waardoor aan het bestuur de mogelijkheid ontnomen wordt om de verjaring tegen de verzoeker uit te spelen. Hij verwijst ten slotte ook nog naar de verschillende visie van de Raad van State en de gewone rechter ten aanzien van de vereiste van het actueel belang. Rekening houdend met de eigen aard van het vernietigingscontentieux, kan de verschillende opstelling niet zonder meer als discriminerend worden aangemerkt. De verzoeker toont niet aan dat de rechtvaardigingsgrond voor de onderscheiden opstelling niet deugdelijk en in redelijkheid verantwoord is. IX-5688-12/13
  28. Een en ander leidt tot het besluit dat de verzoeker het rechtens vereiste actueel belang ontbeert om de vernietiging te verkrijgen van de benoeming van Th. Tuts in de betrekking van adjunct-directeur van de afdeling personeel. BESLISSING
  29. De Raad van State verwerpt het beroep.
  30. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 juni 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Bert Thys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5688-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.874 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.530 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.