id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.892 Rolnummer: A. 188677/IX-5964 Zaak: Arrest 205892 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 28/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-30 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-02 10:25 Fiche Arrest nr 205.892 van 28 juni 2010 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 205.892 van 28 juni 2010 in de zaak A. 188.677/IX-5964 In zake: Remi ZEEUWS die woonplaats kiest te Huldenberg Nijvelsebaan 31 A tegen: het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST, vertegenwoor- digd door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Geoffroy Generet kantoor houdend te Brussel Terkamerenlaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingediend op 13 juni 2008, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 25 oktober 2007 houdende de benoeming van mevrouw Maud Charles in de hoedanigheid van attaché bij het Instituut ter bevordering van het Wetenschappelijk Onderzoek en de Innovatie van Brussel”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. De verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State. IX-5964-1/13 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 maart
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. De verzoeker, en advocaat Charles-Henri de la Vallée Poussin, die loco advocaat Geoffroy Generet verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker is attaché (rang A1) bij het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. 3.
- Op 2 mei 2001 wordt aan de verzoeker ter kennis gebracht dat er verscheidene betrekkingen van eerste attaché (rang A2) vacant zijn bij het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Eén van deze betrekkingen is te begeven bij de directie Onderzoek en Innovatie van het bestuur Economie en Werkgelegenheid. Onder meer de verzoeker stelt zich kandidaat voor die betrek- king. Bij besluit van 21 december 2001 benoemt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering Philippe Dehaut tot eerste attaché, expert van hoog niveau (rang A2), bij de genoemde directie met ingang van 21 december
- Op 11 februari 2002 stelt de verzoeker bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in tegen onder meer het voormelde benoemingsbesluit. Bij arrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 vernietigt de Raad van State onder meer het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 december 2001 waarbij Philippe Dehaut wordt benoemd tot eerste attaché. Ook IX-5964-2/13 de overheveling van Philippe Dehaut naar het Instituut ter bevordering van het Wetenschappelijk Onderzoek en de Innovatie van Brussel (hierna: het IWOIB) vanaf 24 juni 2004, tussengekomen na het instellen van het beroep van de verzoeker, wordt bij het voormelde arrest vernietigd. 3.
- Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 november 2006 wordt Maud Charles toegelaten tot de stage in de hoedanigheid van attaché (rang A1) op de Franse taalrol van het IWOIB, voor de duur van twaalf maanden vanaf 1 september
- Bij besluit van diezelfde regering van 25 oktober 2007, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 april 2008, wordt Maud Charles definitief benoemd tot attaché op de Franse taalrol van het IWOIB. Het laatstgenoemde besluit maakt het voorwerp uit van het voorliggende beroep. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging A. Pleitnota
- De verzoeker dient ter terechtzitting een pleitnota in. Het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: het algemeen procedurereglement) voorziet evenwel niet in de mogelijk- heid om een dergelijke nota als een processtuk neer te leggen. Het is de partijen echter wel toegestaan om nieuwe feiten, die een invloed kunnen hebben op de ontvankelijkheid en/of de gegrondheid van het beroep, aan de Raad van State ter kennis te brengen. In zoverre de pleitnota op dergelijke feiten betrekking heeft, kan ze dan ook bij de zaak worden betrokken. In zoverre de pleitnota geen betrekking heeft op dergelijke feiten, maar de neerslag vormt van de uiteenzetting ter zitting, wordt ze niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. IX-5964-3/13 B. Oproeping van de verzoeker voor de terechtzitting Standpunt van de verzoeker
- De verzoeker voert ter terechtzitting aan dat hij niet overeenkom- stig artikel 28 van het algemeen procedurereglement vijftien dagen vooraf in kennis is gesteld van de datum van de terechtzitting, waardoor hij te weinig tijd heeft gekregen om zijn pleidooi voor te bereiden. Beoordeling
- De auditeur-verslaggever heeft te dezen een verslag opgesteld met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het algemeen procedurereglement, omdat volgens haar de afhandeling van de zaak slechts korte debatten vereist. Dienvolgens is de versnelde rechtspleging van artikel 93, tweede lid, van toepassing. Dit wil zeggen dat de voorzitter de partijen oproept om “op korte termijn” voor hem te verschijnen. Deze bijzondere regeling primeert op de algemene regeling van artikel 28 van het algemeen procedurereglement. Bovendien blijkt de verzoeker met een aangetekende brief van 16 februari 2010, waarvan hij de ontvangstkaart één dag later heeft ondertekend, te zijn opgeroepen voor de terechtzitting die op 1 maart 2010 heeft plaatsgehad. Mede gelet op de beperkte feitelijke en juridische complexiteit van de zaak, kan niet worden aangenomen dat de verzoeker aldus niet over een redelijke termijn zou hebben beschikt om deze terechtzitting voor te bereiden. Overigens antwoordt de verzoeker negatief op de vraag van de voorzitter ter terechtzitting of hij wenst dat de behandeling van de zaak wordt uitgesteld. Er is dan ook geen aanleiding om aan verzoekers bezwaar enig gevolg te verbinden. IX-5964-4/13 C. Toepassing van de versnelde rechtspleging van artikel 93 van het algemeen procedurereglement Standpunt van de verzoeker
- De verzoeker betwist ter terechtzitting dat te dezen toepassing kan worden gemaakt van de versnelde rechtspleging zoals bedoeld in artikel 93 van het algemeen procedurereglement. Hij stelt dat zijn beroep niet doelloos is, aangezien een vernietiging van het bestreden besluit voor hem het voordeel zal meebrengen dat hij in de toekomst niet de concurrentie zal moeten ondergaan van een onwettig benoemde kandidaat. Hij voegt eraan toe dat de toepassing van artikel 93 moet worden beperkt tot de gevallen waarin werkelijk slechts korte debatten vereist zijn, en dat dit te dezen zeker niet het geval is. Hij betoogt voorts dat de verslagen over de stage van Maud Charles, die in het administratief dossier zijn opgenomen, vals zijn, omdat ze zijn opgesteld door een onbevoegde persoon. Hij stelt dat hij tegen deze stukken een procedure zal opstarten wegens valsheid in geschrifte en dat ook om die reden de zaak volgens de gewone procedure moet worden voortgezet. Ten slotte laat hij gelden dat wanneer een verzoekende partij zich verzet tegen de “korte debatten”-procedure, de Raad van State daaraan gevolg dient te geven en de zaak volgens de gewone procedure moet behandelen. Anders dreigt er volgens hem een ongelijkheid te ontstaan tussen de verzoekers al naargelang hun beroep al dan niet volgens de versnelde rechtspleging wordt behandeld. Hij verzoekt om dienaangaande een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. Beoordeling
- Artikel 93 van het algemeen procedurereglement luidt als volgt: “Indien blijkt dat het beroep tot nietigverklaring doelloos is of dat het slechts korte debatten vereist, brengt de auditeur daarvan onverwijld verslag uit aan de voorzitter van de kamer belast met de zaak. De voorzitter roept de verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenkomende partij op om op korte termijn voor hem te verschijnen; het verslag wordt bij de oproeping gevoegd. Indien de voorzitter het eens is met de conclusies van het verslag, wordt de zaak definitief beslecht. IX-5964-5/13 Indien hij van oordeel is dat de zaak niet in zoverre gereed is dat zij definitief kan worden beslecht, verwijst hij deze naar de gewone rechtspleging.” Te dezen heeft de auditeur-verslaggever haar verslag met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het algemeen procedurereglement opgesteld, omdat zij van oordeel is dat “voorliggend beroep tot nietigverklaring slechts korte debatten vereist”. Dat zij, anders dan de verzoeker meent, in dit oordeel kan worden bijgevallen, zal hierna blijken bij het onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep. De enkele omstandigheid dat de verzoeker de valsheid inroept van de verslagen over het verloop van de stage van Maud Charles, noopt niet tot het besluit dat het beroep volgens de gewone procedure moet worden behandeld, aangezien hierna zal blijken dat de desbetreffende stukken niet in aanmerking worden genomen bij het onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep en dat ze de conclusie betreffende de onontvankelijkheid van het beroep, die uit dit onderzoek voortvloeit, niet onderbouwen.
- Aan de vraag van de verzoeker om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen over de grondwettigheid van artikel 93 van het algemeen procedurereglement kan geen gevolg worden gegeven. Krachtens artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof doet het Hof immers slechts uitspraak over prejudiciële vragen met betrekking tot wetten, decreten of in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regels, terwijl artikel 93 van het algemeen procedurereglement geen wetskrachtige norm maar een reglementaire bepaling betreft. De versnelde rechtspleging van artikel 93 van het algemeen procedurereglement geldt slechts wanneer het beroep doelloos is geworden of wanneer, zoals te dezen het geval is, de afhandeling van de zaak slechts korte debatten vereist. Uit het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 25 april 2007 tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat artikel 93 van het algemeen procedurereglement heeft vervangen in de zin zoals het hiervóór werd aangehaald, kan worden afgeleid dat de versnelde rechtspleging in het geval de afhandeling van de zaak slechts korte debatten vereist, beoogt om overeenkomstig de regeling die voorheen bij koninklijk besluit van 9 juli 2000 in het vreemdelingencontentieux was ingevoerd, weinig ingewikkelde zaken die geen problemen doen rijzen welke een IX-5964-6/13 snelle beslechting van het geschil verhinderen, op grond van een vereenvoudigde procedure versneld af te handelen. Deze doelstelling is redelijk en verantwoord. Het valt niet in te zien en de verzoeker legt niet uit hoe artikel 93 van het algemeen procedurereglement het gelijkheidsbeginsel zou schenden, doordat het niet erin voorziet dat de Raad van State de algemene procedureregeling dient toe te passen wanneer de verzoekende partij zich verzet tegen de toepassing van de versnelde rechtspleging. Indien de verzoeker van oordeel is dat te dezen niet voldaan is aan de voorwaarde dat de afhandeling van de zaak slechts korte debatten vereist, kan hij dat laten gelden, zoals hij overigens ook doet, en behoort het de Raad van State toe zich daarover uit te spreken. V. Voorwerp van het beroep
- Luidens zijn verzoekschrift vordert de verzoeker de nietigverkla- ring van “het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 25 oktober 2007 houdende de benoeming van mevrouw Maud Charles in de hoedanigheid van attaché bij het Instituut ter bevordering van het Wetenschappelijk Onderzoek en de Innovatie van Brussel”. Ter terechtzitting stelt de verzoeker dat hij heeft vernomen dat Maud Charles in november 2009 werd bevorderd tot de rang A
- Hij vraagt de uitbreiding van het voorwerp van zijn beroep tot die bevordering. De verzoeker beperkt zich te dezen evenwel tot de loutere bewering dat hij de bevordering van Maud Charles “heeft vernomen”. Hij legt geen enkel stuk voor waaruit een dergelijke bevordering blijkt of die een dergelijke bevordering laat vermoeden. Ook het administratief dossier bevat geen dusdanig stuk. Het blijkt ook niet dat de verzoeker bij de verwerende partij nadere inlichting- en zou hebben ingewonnen over deze bevordering, die -in tegenstelling tot de bestreden benoeming van Maud Charles tot attaché- ook niet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt. In de gegeven omstandigheden is de beweerde bevordering van Maud Charles tot de rang A2 onzeker en kan dan ook niet worden ingegaan op de vraag van de verzoeker om het voorwerp van zijn beroep tot die bevordering uit te breiden.
- De onzekerheid over de bevordering van Maud Charles tot de rang A2 noopt de Raad van State er niet toe de zaak volgens de gewone procedure IX-5964-7/13 te behandelen, aangezien hierna zal worden vastgesteld dat het door de verzoeker aangevoerde belang bij de vernietiging van de benoeming van Maud Charles tot attaché (rang A1), niet beantwoordt aan het rechtens vereiste belang, zodat dit belang ook niet de vernietiging van de eventueel daaropvolgende bevordering van Maud Charles tot de rang A2 zou kunnen verantwoorden, en deze vaststelling slechts korte debatten vereist. VI. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
- In zijn verzoekschrift tot nietigverklaring voert de verzoeker ter verantwoording van zijn belang bij het beroep aan dat hij ingevolge het bestreden besluit de concurrentie zal moeten ondergaan van Maud Charles. Hij betoogt dat het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 oktober 2002 houdende regeling van de mobiliteit in sommige instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest hem de mogelijkheid verleent om voor elke betrekking bij het ministerie of een instelling van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die via intraregionale mobiliteit kan worden begeven, zijn kandidatuur te stellen onder de voorwaarden bepaald in dat besluit. Volgens de verzoeker beperkt het bestreden besluit zijn mogelijkheden op mobiliteit, omdat de functie die Maud Charles inneemt, niet zal worden begeven via mobiliteit. Daardoor verminderen ook zijn kansen om de voor hem meest geschikte functie te bekleden en om een bevordering te verkrijgen. De verzoeker laat voorts gelden dat een correcte uitvoering van het arrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 van de Raad van State de overheid ertoe verplicht om zijn kandidatuur voor de functie van eerste attaché, expert van hoog niveau, bij de directie Onderzoek en Innovatie opnieuw te onderzoeken. Indien hij vervolgens in die functie wordt benoemd, moet hij van rechtswege worden overgeheveld naar het IWOIB in een functie van ten minste de rang A
- Volgens de verzoeker talmt de overheid echter onredelijk lang bij het overdoen van de in het voormelde arrest vernietigde bevordering. Hij stelt dat Maud Charles met toepassing van artikel 61 van het statuut eveneens in aanmerking komt voor bevordering in de rang A
- Hij besluit dat hij er belang bij heeft de vernietiging van de benoeming van Maud Charles te verkrijgen, zodat zij niet in aanmerking kan worden genomen voor de door hem geambieerde functie. IX-5964-8/13
- De verwerende partij antwoordt dat verzoekers uiteenzetting van zijn belang onbegrijpelijk is. In elk geval beantwoordt volgens haar het belang dat door de verzoeker wordt aangevoerd, niet aan de ter zake geldende voorwaarden. De aangevoerde concurrentie van Maud Charles is volgens de verwerende partij “totaal aleatoir”. De verwerende partij stelt dat de verzoeker in de procedure gekend onder het nummer A. 183.036/IX-5639, aanvoert dat hij ingevolge het besluit van de Brussels Hoofdstedelijke Regering van 8 februari 2007 houdende een overgangsregeling betreffende het stageverloop bij het IWOIB, zijn kandidatuur niet kan indienen om te worden bevorderd tot de graad van directeur (rang A3) bij het IWOIB. Zij wijst erop dat Maud Charles niet wordt benoemd tot directeur, maar tot attaché. Volgens haar heeft de verzoeker dan ook geen belang bij het betwisten van deze benoeming.
- De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat hij mogelijk in competitie komt met Maud Charles bij een bevordering tot directeur (rang A3). Dit zou het geval kunnen zijn in september 2015, omdat Maud Charles pas dan in aanmerking komt voor een bevordering tot de rang A
- De verzoeker staat dan dicht bij zijn pensionering. Voor het geval de Raad van State een dergelijk belang niet voldoende groot zou achten, wijst de verzoeker erop dat artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de “hoegrootheid van het belang” niet bepaalt. Om zijn belang bij het beroep te onderbouwen, verwijst de verzoeker voorts naar artikel 61 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 september 2002 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Hij betoogt dat Maud Charles op 1 september 2006 werd toegelaten tot de stage, waaruit volgt dat voor haar een bevordering tot de rang A2 mogelijk is vanaf 1 september
- Met toepassing van artikel 61, vijfde lid, van het genoemde besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, zou zij zelfs al vroeger tot de rang A2 bij het IWOIB kunnen worden bevorderd. De verzoeker voegt eraan toe dat hij zelf bekleed is met een graad van de rang A1, zodat zijn kansen op een bevordering tot de rang A2 verhogen door het verkleinen van het aantal mogelijke kandidaten voor een dergelijke bevordering. Hij stelt dat IX-5964-9/13 hij daartoe tijdig een beroep moet indienen. Indien hij zou moeten wachten tot hij effectief kan aantonen dat ook Maud Charles haar kandidatuur heeft ingediend voor bevordering tot de rang A2, dan is haar benoeming in de rang A1 ondertussen definitief en onaantastbaar. De verzoeker besluit dat de mogelijke competitie tussen hem en Maud Charles bij een latere bevordering is aangetoond en dat de vernietiging van het bestreden benoemingsbesluit tot gevolg heeft dat Maud Charles niet langer over de vereiste anciënniteit beschikt om in aanmerking te komen voor de door hem geambieerde bevordering tot de rang A
- Zolang hij zelf tot de rang A1 blijft behoren, zou de vernietiging van het bestreden benoemingsbesluit hem derhalve een voordeel opleveren, doordat zijn kans vergroot om zelf te worden bevorderd. De verzoeker voegt hieraan nog toe dat hij hoopt dat de overheid zal overgaan tot een correcte uitvoering van het arrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 van de Raad van State. Een herstel in natura zou volgens hem nog perfect mogelijk zijn en hij gaat ervan uit dat hij spoedig zal worden benoemd tot de rang A2 bij het IWOIB. De verzoeker stelt ermee akkoord te gaan dat hij zijn belang bij het voorliggende beroep verliest zodra de voormelde benoeming plaatsvindt, hoewel dan een in zijn ogen onwettige benoeming niet zal worden vernietigd door de Raad van State. Beoordeling
- Artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de beroepen tot nietigverklaring voor de afdeling bestuursrechtspraak kunnen worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Het belang dat aldus van de verzoekende partij wordt vereist, houdt onder meer in dat deze partij ingevolge de bestreden beslissing een rechtstreeks, persoonlijk en zeker nadeel moet lijden, waaraan de vernietiging van die beslissing kan verhelpen. Het rechtstreekse karakter van het belang houdt in dat een direct causaal verband moet bestaan tussen de bestreden beslissing en het nadeel dat de verzoekende partij lijdt. Er is voorts slechts sprake van een persoonlijk belang wanneer een voldoende geïndividualiseerd verband bestaat tussen de verzoekende IX-5964-10/13 partij en de bestreden beslissing. Het belang van de verzoekende partij mag ten slotte niet louter hypothetisch zijn, maar moet voldoende zeker zijn.
- De verzoeker lijkt zijn belang bij het beroep vooreerst te steunen op het argument dat het bestreden besluit zijn mogelijkheden beperkt om, op grond van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 oktober 2002 houdende regeling van de mobiliteit in sommige instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, over te gaan naar het IWOIB. Dit argument kan evenwel niet worden aangenomen, nu de verzoeker niet aantoont dat de verwerende partij de betrekking waarin Maud Charles werd benoemd, vacant heeft verklaard om ze bij vrijwillige mobiliteit te begeven, of dat de verwerende partij daartoe gehouden was, noch dat hijzelf voldoet aan de voorwaarden die in het genoemde besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering zijn bepaald om de desbetreffende betrekking met toepassing van de mobiliteitsregeling te kunnen verkrijgen.
- Voorts lijkt de verzoeker ter staving van zijn belang bij het beroep te laten gelden dat het bestreden besluit teweegbrengt dat hij met Maud Charles in concurrentie zal komen voor een bevordering tot de rang A2 en vervolgens tot de rang A3 bij het IWOIB. De Raad van State stelt vast dat deze redenering van de verzoeker louter gesteund is op hypotheses. Zo moet vooreerst worden opgemerkt dat de beweerde concurrentie tussen de verzoeker en Maud Charles voor een bevordering tot de rang A2 zich slechts kan voordoen indien ook de verzoeker bij het IWOIB werkzaam zou zijn, wat niet het geval is. De toekomstige overgang van de verzoeker naar het IWOIB, hetzij met toepassing van de mobiliteitsregeling, hetzij anderszins, is onzeker. Het is voorts niet zo dat de verzoeker een recht zou kunnen laten gelden op een benoeming in de rang A2 bij dit instituut, ook niet ingevolge het arrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 van de Raad van State waarbij de benoeming van Philippe Dehaut tot eerste attaché, expert van hoog niveau, bij de directie Onderzoek en Innovatie en diens overheveling naar het IWOIB werden vernietigd. Als niet- personeelslid van het IWOIB zou de verzoeker slechts kunnen kandideren voor een betrekking van de rang A3 bij het IWOIB, indien de Brusselse Hoofdstedelijke Regering zou beslissen om de betrekking open te stellen voor ambtenaren van een andere instelling, ministerie of gewest. En dan nog kan de verzoeker met Maud Charles slechts in concurrentie komen, indien zij beiden voldoen aan alle bevorde- IX-5964-11/13 ringsvoorwaarden, onder meer op het vlak van anciënniteit en het bezit van een managementbrevet, én zij zich kandidaat stellen. Daarbij moet nog worden opgemerkt dat beiden tot een andere taalrol behoren, zodat concurrentie slechts mogelijk zou zijn wanneer het taalkader niet daaraan in de weg staat. Verzoekers belang bij de vernietiging van de benoeming van Maud Charles tot attaché bij het IWOIB is derhalve louter gesteund op onzekere gegevens en hypotheses en vloeit niet rechtstreeks voort uit het bestreden besluit maar uit nog te nemen beslissingen zowel van de kant van het bestuur als van de kant van de betrokken personeelsleden. Een dergelijk louter hypothetisch belang kan niet in aanmerking worden genomen.
- Derhalve moet worden besloten dat de verzoeker niet over het rechtens vereiste belang bij zijn beroep beschikt, zodat dit beroep niet ontvankelijk is.
- Het standpunt van de auditeur-verslaggever kan worden bijgevallen dat de zaak op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State met korte debatten definitief kan worden beslecht. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverkla- ring, begroot op 175 euro. IX-5964-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 juni 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, met bijstand van Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts Bert Thys IX-5964-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.892 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div