id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.918 Rolnummer: A. 179727/X-13118 Zaak: Arrest 205918 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 28/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-30 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-07-02 10:28 Fiche Arrest nr 205.918 van 28 juni 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 205.918 van 28 juni 2010 in de zaak A. 179.727/X-13.
(1)), verleend op 9 oktober 1995; - Gelet op het feit dat de aanvraag de gebouwen van een paardenbedrijf betreft na verwoesting door brand (omzendbrief 9-1 van 1 oktober 1975); - Gelet op het feit dat na het afleveren hiervan, gebouwen werden opgericht zonder voorafgaandelijke vergunning; - Gelet op de ondertussen van kracht worden omzendbrief van 25 januari 2002 betreffende de inrichting en de toepassing van o.a. de gewestplannen; - Gelet op het feit dat uit de door ons bijgevoegde stukken (kadastrale bescheiden) blijkt dat de aanvragers over ca 4 ha grond in eigendom beschikken; X-13.118-13/19 - Gelet op het feit dat zij met hun ingekomen schrijven, R0926 van 18 maart 2005, bevestigen effectief een paardenhouderij van minstens 10 paarden uit te baten; - Gelet op het feit dat zij stellen dat zij over voldoende loopweide beschikken; - Gelet op het feit dat zij stellen dat zij voldoen aan de normen van de omzendbrief; - De gebouwen slechts in stand te houden tot zolang een paardenfokkerij van minstens 10 dieren wordt uitgebouwd; - De feitelijke bewoning spontaan wordt opgegeven vanaf het ogenblik dat de paardenhouderij wordt stopgezet; - Onmiddellijk na het stopzetten van de paardenhouderij een ander inschrijvingsadres wordt gezocht en de gebouwen te laten slopen.’. Doordat, derde onderdeel, en in ondergeschikte orde, de AROHM haar negatieve advies steunt op de volgende beweringen: T Verzoekers vragen de regularisatie van een ‘manège’; T Verzoekers vragen de regularisatie van een ‘cafetaria’; T Verzoekers hebben de gebouwen zoals vergund op 22 februari 1993 nooit conform de vergunning opgericht; T Het Besluit van de Vlaamse Regering dd. 1 oktober 2004 is van toepassing. Terwijl, eerste onderdeel, artikel 52, §1 DROG duidelijk stipuleert dat beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen ter kennis wordt gegeven aan de aanvrager; Dat in casu de aanvraag werd gedaan op naam van eerste én tweede verzoeker; Dat de tweede bestreden beslissing derhalve diende te worden ter kennis gegeven aan zowel eerste als tweede verzoeker; Dat nu de tweede bestreden beslissing niet ter kennis werd gebracht aan de tweede verzoekster, de vergunningverlenende overheid hiermee het artikel 52, § 1 van het DROG schendt; Dat dit onderdeel gegrond is; Terwijl, tweede onderdeel, uit deze motivering niet kan worden opgemaakt waarom het gemeentebestuur de vergunning weigerde; Dat het gemeentebestuur immers eerder op basis van dezelfde motieven een positief advies afleverde aan AROHM; Dat het gemeentebestuur derhalve niet over in rechte en feite draagkrachtige motieven beschikt om de vergunningsaanvraag te weigeren; Dat er minstens een gebrek is aan consistentie in de motivering van het bestuur nu zij zowel een positief advies als een weigeringsbeslissing afleverde op grond van dezelfde motieven (...); Dat de vergunningverlenende overheid daarmee ook het vertrouwensbeginsel schendt (...); Dat dit onderdeel gegrond is. Terwijl, derde onderdeel, deze bewering werden geponeerd zonder de minste correcte feitenvinding, en dit voorzover uw Raad van oordeel is dat de gebrekkige motivering van de vergunningverlenende overheid kan worden opgevangen door de motieven weergegeven in het negatieve advies van de afdeling Land en het advies van AROHM, waarvan het beschikkende gedeelte integraal werd overgenomen in de tweede bestreden beslissing en er derhalve één geheel mee vormen;
- Verzoekers baten geen ‘manège’ uit, wel een paardenfokkerij/-houderij. Dat AROHM in haar advies steeds spreekt over een ‘manege’ en niet van een paardenfokkerij of paardenhouderij. Verzoekers baten nochtans een paardenfokkerij/- houderij uit. Dat voor hun verkeerde visie afdeling Land en AROHM zich baseren op de stelling dat het gebouw zoals voorzien in de bouwvergunning van 22 februari X-13.118-14/19 1993, nooit werden gebouwd zoals voorzien; Dat volgens hen het gebouw, vergund door de bouwvergunning van 1993, bestond uit een kweekstal en 21 boxen, terwijl er zich nu een gebouw bevindt met een overdekte piste i.p.v. boxen en een kweekstal; Dat deze stellinginname manifest onjuist is; Dat de overdekte piste waarvan sprake is eigenlijk een stal voor 4 paarden betreft, waar de paarden zelf makkelijk binnen en buiten kunnen lopen; Dat in de gebouwen uitgebaat door de verzoekers enkel paarden worden gefokt (...) en verzorgd; Dat er geen sprake is van commerciële activiteiten die passen in het kader van de vrijetijdsbesteding (lees: manège); Dat Uw Raad ook weet dat de rechtspraak en rechtsleer een uniform idee gevormd heeft over de inpasbaarheid van paardenfokkerijen/-houderijen in agrarisch gebied; Dat waar maneges effectief niet in een agrarisch gebied thuishoren, omdat in een manege de vrijetijdsbesteding centraat staat, kan een paardenfokkerij/-houderij wel in agrarisch gebied worden toegelaten; Dat Uw Raad stelt dat (...): een paardenfokkerij een para-agrarisch bedrijf is en derhalve mag plaats hebben in agrarisch gebied; Dat uw Raad in haar arrest van 23 november 1995 (...), het begrip ‘para-agrarisch bedrijf’ definieert als zijnde een bedrijf waarvan de activiteiten onmiddellijk bij de landbouw aansluit en er op afgestemd is, maar dat het niet vereist is dat het aan de grond gebonden is of in het verlengde ligt van een aan de grond gebonden activiteit, evenmin is het een beletsel dat de onderneming van commerciële, ambachtelijke of industriële aard is (...); Dat in de rechtsleer effectief wordt gesteld dat het niet is omdat een bedrijf kan worden beschouwd als een para-agrarisch bedrijf, het principieel is toegestaan in agrarisch gebied; Dat ten aanzien van een paardenfokkerij men het wel eens is (...); Dat overeenkomstig de inmiddels vaste rechtspraak van de Raad van State een paardenfokkerij als toelaatbaar wordt beschouwd in agrarisch gebied. Dat in tussentijd de uitvoerende macht in een omzendbrief van 25 januari 2002 de visie van de Raad van State bevestigde; Dat de omzendbrief duidelijk maakt dat volwaardige paardenfokkerij/-houderij, met bijhorende nevengeschikte installaties, zoals ruimtes waar paarden afgericht of opgeleid worden, looppistes binnen en buiten, een tredmolen, een groom, een eenvoudig cafetaria van beperkte omvang, enkel ten behoeve van gebruikers van de paardenfokkerij, enz ..., eventueel kunnen worden toegestaan; Dat de evaluatie geval per geval dient te gebeuren (...); Dat m.a.w. de gemeentelijke overheid geval per geval dient te onderzoeken of dergelijke functies toelaatbaar zijn op de kwestieuze percelen; Dat de omzendbrief van 25 januari 2002 voor de beoordeling de criteria waaraan de paardenfokkerijen dienen te voldoen om in dat agrarisch gebied ingeplant te mogen worden de volgende zijn: T Voor de beschikbare weide is de richtnorm 1.000 à 2.500 m2 per dier, met een maximum van 4 grote weidedieren per ha. T Als stallingsoppervlakte is 10 à 15 m² stallingsoppervlakte per weidedier noodzakelijk, met een maximum van 60 m² per ha. T Bovendien is er 5 à 15 m² voederberging per dier noodzakelijk. Dat de installaties van de verzoekers hieraan volkomen voldoen; Dat verzoekers beschikken over 4 ha aan weide die gebruik worden voor grote weidedieren; Dat dit als dusdanig ook door de vergunningverlenende overheid wordt erkend; Dat dit betekent dat zij maximaal 16 grote weidedieren mogen herbergen; Dat in realiteit verzoekers 12 à 14 (in uiterste maximum) paarden herbergen; Dat de vergunningverlenende overheid hiervan op de hoogte is; Dat voor wat betreft de stallen de verzoekers eveneens voldoen aan de cijfers van de omzendbrief; Dat zij maximaal mogen beschikken over een 240 m² aan X-13.118-15/19 stallen; Dat verzoekers beschikken in totaal over 21 stallen, de vergunde en niet-vergunde stallen samengeteld; Dat dit in oppervlakte neerkomt op 200 à 220 m²; Dat zij daarmee voldoen aan de gestelde richtlijnen; Dat de gebouwen en activiteiten van verzoekers duidelijk voldoen aan de voorwaarden voorzien in de omzendbrief van 2002; Dat derhalve de paardenfokkerij/-houderij van verzoekers toelaatbaar is in agrarisch gebied en dit overeenkomstig art. 11 van het Inrichtingsbesluit van 28 december 1972 en artikels 1b en 5a van de Omzendbrief; Dat de negatie hiervan door AROHM en de afdeling Land, een schending inhoudt van deze artikels; Dat minstens het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel geschonden werd, nu de overheid duidelijk terugkomt op haar eigen richtlijnen, haar vaste gedragslijn én haar wettelijke bepalingen; Dat ook werd aangetoond dat het bestuur geen afdoende en volledig onderzoek pleegde naar de concrete situatie van verzoekers; Dat het bestuur zich niet inliet met een correcte feitenvinding; Dat de vergunningverlenende overheid daarmee het zorgvuldigheidsbeginsel schond (...);
- Er is sprake van een clubhuis en niet van een zuivere ‘cafetaria’ Dat in de adviezen steeds wordt gesproken van een ‘cafetaria’, daar waar de regularisatieaanvraag gaat om een ruimte van maximaal 55 m², waarin enkele toiletten zijn voorzien, waarin ook 3 tafels staan en enkele stoelen die de kans moeten bieden aan de gebruikers van de stallen om zich even te verpozen; Dat dit niet een cafetaria betreft in de spreekwoordelijke betekenis, zijnde een restaurant waar men aan zelfbediening doet; Dat het hier zeer duidelijk gaat over een cafetaria/clubhuis in de zin van ‘een ruimte van een zeer beperkte omvang die enkel en alleen bedoeld is voor de gebruikers van de paardenfokkerij/-houderij’; Dat overeenkomstig de omzendbrief van 25 januari 2002 een cafetaria van een dergelijke omvang aanvaardbaar is in agrarisch gebied (...); Dat het bestuur geen afdoende en volledig onderzoek pleegde naar de concrete situatie van verzoekers; Dat het bestuur zich niet inliet met een correcte feitenvinding; Dat de vergunningverlenende overheid daarmee het zorgvuldigheidsbeginsel schond (...);
- Adviezen houden geen rekening met de vergunning verleend op 9 oktober
- Dat in de adviezen van de afdeling Land en AROHM steevast wordt gesteld dat de gebouwen, zoals vergund werden op 22 februari 1993, nooit werden opgericht overeenkomstig de vergunning; Dat dit manifest onjuist is; Dat deze bouwvergunning destijds zeer rigoureus werd nageleefd; Dat er in 1993 wel degelijk een gebouw werd opgetrokken met een kweekstal en 21 boxen; Dat het gebouw 40m lang was en 7 à 8m breed, en dat het een uitspringend zadeldak had; Dat in de adviezen echter uit het oog werd verloren dat dit gebouw verloren ging in de brand van 1995; Dat in datzelfde jaar nog werd een bouwaanvraag ingediend én verkregen door de verzoekers van de gemeente Puurs, en dit voor de wederopbouw van het verloren gegane gebouw; Dat men in de adviezen de bouwvergunning van 1995 gewoon negeert; Dat op basis van hun incorrecte feitenvinding de afdeling Land en AROHM tal van assumpties maken die niet stroken met de waarheid; Dat men zich zelf vergist in het voorwerp van de vergunningsaanvraag; Dat men ervan uitgaat dat de stallen, die zogenaamd niet conform de vergunning van 1993 zouden zijn opgetrokken, deel uitmaken van de regularisatieaanvraag; Dat dit niet het geval is; Dat het gebouw dat deel uitmaakt van de regularisatieaanvraag de stallen betreffen die werden gebouwd in 1995 in afwachting van de behandeling van de aanvraag van stedenbouwkundige vergunning voor de wederopbouw; Dat dit tijdelijk gebouw werd opgetrokken met medeweten en goedkeuring van de X-13.118-16/19 gemeente; Dat destijds zelfs de toenmalige burgemeester ter plaatse is gekomen om zijn goedkeuring te verschaffen; Dat het gebouw dat verloren ging in de brand van 1995 conform de vergunning werd weder opgebouwd; Dat alleen het aantal stallen werd gereduceerd van 21 tot 11; Dat er dus minder werd gebouwd dan toegelaten; Dat in de tijdelijke verblijfplaats van de dieren 10 stallen beschikbaar waren en in de beperkte nieuwe bouw 11, zodat het aantal stallen werd gehaald dat was voorzien in de oorspronkelijke vergunning werd verleend in 1993, namelijk 21; Dat met andere woorden het gebouw dat werd heropgebouwd in 1995 volledig vergund is; Dat daardoor de stellingen die de afdeling Land en AROHM in hun advies opnemen, zoals dat de te regulariseren ‘cafetaria’ gebouwd werd aan de onvergunde stallingen, foutief is; Dat het clubhuis werd gebouwd aan de vergunde stallingen; Dat daarmee ook het argument vervalt dat een cafetaria niet zou kunnen worden vergund omdat ze zou zijn gebouwd aan wederrechtelijk opgerichte gebouwen, die niet kunnen worden uitgebreid; Dat de 10 stallen die kort na de brand werden opgericht teneinde de dieren, die in het bezit waren van de verzoekers, te kunnen stallen tot het afgebrande gebouw opnieuw konden worden opgericht, wel deel uitmaken van de regularisatieaanvraag; Dat dit gebouw enkele meters verwijderd ligt van de vergunde stallingen; Dat het evenmin correct is te stellen dat de te regulariseren stallen zouden zijn opgetrokken in een amalgaam van zo goed als afbraakmaterialen; Dit deze zogenaamde afbraakmaterialen allemaal bestaan - en dit blijkt ook uit de bijgebrachte foto’s - uit zeer homogeen materiaal; Dat dit geen afbraakmateriaal is (...); Dat de constructie zeer degelijk is en voldoet aan de omschrijving van ‘stalling voor weidedieren’ die opgenomen is in de omzendbrief van 25 januari 2002: ‘Een stalling is, anders dan een schuilhok, een omsloten en overdekte ruimte, een houten of stenen gebouw dat dient tot verblijf van weidedieren en waarin één of meerdere van die dieren tegelijk of permanent kunnen verblijven en/of gehuisvest worden. Uit het bouwplan moet duidelijk blijken dat het om stallingen voor weidedieren gaat en dat het geenszins om een constructie gaat die kan gebruikt worden voor het - zelfs tijdelijke - verblijf van mensen. Een stalling mag worden voorzien van bergruimte voor voeder en andere nuttige bijhorigheden, w.o. materiaalberging voor het onderhoud van de weide(n) en/of verzorging van de dieren, beperkte mest of slacht, enz. ...’. Dat de stallingen zoals destijds opgebouwd kort na de brand in 1995, derhalve stallingen zijn die voldoen aan de voorwaarden opgesomd in de omzendbrief van 2002; Dat de stallingen een tijdelijke karakter hebben, maar dat ze wel hetzelfde beschermingsniveau aan de dieren als een permanente stal; Dat de negatie van al deze feiten door AROHM en de afdeling Land, een flagrante schending inhoudt van het zorgvuldigheidsbeginsel (...); Dat de vergunningverlenende overheid ook het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidbeginsel schendt nu zij de door haarzelf uitgereikte vergunning weigert in overweging te nemen en de overheid duidelijk afwijkt van haar vaste gedragslijn en vooropgestelde richtlijnen.
- Besluit van de Vlaamse Regering van 1 oktober 2004 is niet van toepassing. Dat in de adviezen wordt gesteld dat er niet is voldaan aan het besluit van 1 oktober 2004, houdende de vaststelling van de gewestelijke stedenbouwkundige ve r or de ning inzake hemelwaterputten, infiltratie-voorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozingen van X-13.118-17/19 afvalwater en hemelwater; Dat deze bewering strijdig is met artikel 11 van datzelfde besluit van 1 oktober 2004; Dat dit artikel het volgende stelt: ‘Van de toepassing van die besluiten is de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunningen vrijgesteld waarvoor het ontvangstbewijs vóór de datum van de inwerkingtreding is afgegeven.’. Dat met andere woorden de aanvragen tot stedenbouwkundige vergunningen waarvan de ontvangst werd bevestigd vóór de inwerkingtreding van het besluit van 1 oktober 2004 - die volgens het besluit zelf plaatsvindt op de 1ste dag van de 3de maand die volgt op de maand waarin het in het Belgisch Staatsblad bekend is gemaakt - ontsnappen aan de toetsing van dit besluit; Dat in casu de bekendmaking op 8 november 2004 plaatsvond, waardoor het besluit maar in werking trad vanaf 1 februari 2005; Dat de aanvraag van verzoekers werd ontvangen op 11 mei 2004 en derhalve vrijgesteld is van toepassing; Dat anders beweren minstens het zorgvuldigheidsbeginsel schendt;
- Een tijdelijke verblijfplaats is wel toegelaten Dat in het advies van AROHM het volgende wordt geponeerd: ‘De regularisatie van een al dan niet tijdelijke vrijstaande verblijfplaats is onaanvaardbaar. Slechts het inrichten van een inpandige woonst, in stalconstructie bvb., kán stedenbouwkundig onderzocht worden. Dit onderdeel van de aanvraag is dus eveneens niet verenigbaar met de goede plaatselijke ordening.’. Dat de opmerking als zou een woonst slechts bespreekbaar zijn voor zover ze inpandig is in casu zeer merkwaardig is; Dat tot tweemaal toe aan verzoekers een vergunning werd verleend (in 1993 en in 1995), waarin telkens uitdrukkelijk werd gestipuleerd dat verzoekers absoluut geen woning mochten inrichten in de stalconstructies; Dat verzoekers met andere woorden enkel de hun verleende vergunningen wensten te respecteren toen zij hun vrijstaande verblijfplaats realiseerden; Dat de vergunningverlenende overheid niet jarenlang één stelling kan aanhouden, om uiteindelijk een regularisatie te weigeren op grond van net de tegenovergestelde stelling; Dat de vergunningverlenende overheid met een dergelijke handelswijze het vertrouwensbeginsel schendt (...); Dat zij ook het rechtszekerheidsbeginsel schendt; Dat de stelling bovendien het artikel 11 van de omzendbrief van 8 juli 1997 en het artikel 11 van het Inrichtingsbesluit schendt, daar voor ‘agrarische gebieden’ het volgende wordt vooropgesteld over de woning van de exploitanten: Dat ‘de bedrijfsuitbater (eigenaar, pachter of bedrijfsleider) op het bedrijf moet kunnen wonen. De nodige woongelegenheid daartoe kan dan ook worden opgericht.’. Dat de omzendbrief stelt dat de woning ofwel fysiek geïntegreerd moet zijn in het bedrijf, ofwel integrerend deel moet uitmaken van het gebouwencomplex van het bedrijf, wat het geval is voor het vrijstaande tijdelijke verblijf van de verzoekers; Dat de vergunningverlenende overheid afbreuk doet aan wettelijke bepalingen, minstens het rechtszekerheidbeginsel schendt; Dat andermaal wordt aangetoond dat de concrete situatie van verzoekers volledig wordt genegeerd; Dat de vergunningverlenende overheid daarmee het zorgvuldigheidsbeginsel schendt; Dat uit dit onderdeel duidelijk blijkt dat de motieven van de vergunningverlenende overheid in rechte en in feite niet draagkrachtig zijn; Dat de concrete situatie van verzoekers, de afgeleverde vergunningen en de vigerende wetgeving op flagrante wijze worden genegeerd; Dat de vergunningverlenende overheid door zijn houding het redelijkheidsbeginsel X-13.118-18/19 schendt, nu de verhouding tussen de beslissing en de feiten volledig ontbreekt (...); Dat dit onderdeel gegrond is. Dat dit middel gegrond is”. Beoordeling
- Het middel is uitsluitend gericht tegen het besluit van 3 januari 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Puurs waartegen het beroep, om de redenen vermeld onder het randnummer 17, niet op ontvankelijke wijze kan worden ingesteld. Het middel is niet ontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 700 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig juni 2010 door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-13.118-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.918 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.889 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div