← België

Arrest 205918 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 28/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.918 Rolnummer: A. 179727/X-13118 Zaak: Arrest 205918 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 28/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-30 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-07-02 10:28 Fiche Arrest nr 205.918 van 28 juni 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 205.918 van 28 juni 2010 in de zaak A. 179.727/X-13.

  1. In zake:
  2. Alphons DE CLERCK
  3. Lucia MERTENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen de Puydt kantoor houdend te 1080 BRUSSEL Ninoofsesteenweg 153 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:
  4. de gemeente PUURS
  5. de deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  6. Het beroep, ingesteld op 23 december 2006, strekt tot de nietigverklaring van: “
  7. het Besluit dd. 28 september 2006 van Deputatie van de Provincie Antwerpen houdende de niet ontvankelijkheidverklaring van het beroep zoals ingediend door de heer en mevrouw De Clerck - Mertens tegen het besluit dd. 3 januari 2006 houdende de weigering tot regularisatie van bijgebouw manège, op een terrein, gelegen te Dendermondsesteenweg 137, sectie B, nr. 315 (tweede bestreden beslissing), wegens laattijdigheid.
  8. en met samenhang en op zichzelf genomen: het Besluit dd. 3 januari 2006 van het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Puurs houdende de weigering tot het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning, strekkende tot regularisatie bijgebouwen paardenhouderij op een terrein te 2870 Puurs, Dendermondsesteenweg 137, kadasraal gekend afdeling 4, sectie B, nr. 315”. X-13.118-1/19 II. Verloop van de rechtspleging
  9. Bij arrest nr. 173.889 van 6 augustus 2007 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. Bij beschikking van 13 september 2007 wordt aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging verleend voor wat de vernietigingsprocedure betreft. De tweede verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een toelichtende memorie ten aanzien van de eerste verwerende partij en een memorie van wederantwoord ten aanzien van de tweede verwerende partij ingediend. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 februari
  10. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Filip van Dievoert, die loco advocaat Koen de Puydt verschijnt voor de verzoekende partijen, is gehoord. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  11. X-13.118-2/19 III. Feiten
  12. De verzoekende partijen verkrijgen op 12 februari 1993 een vergunning voor het oprichten van een paardenfokkerij op een perceel gelegen te Puurs, Dendermondsesteenweg, kadastraal bekend sectie B, nr.
  13. In 1995 wordt het gehele gebouw ten gevolge van een brand vernield. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Puurs verleent op 9 oktober 1995 de vergunning voor het herbouwen van de paardenfokkerij.
  14. Na het afleveren van de voormelde vergunning worden op het voormelde perceel zonder voorafgaande vergunning gebouwen opgericht. Op 11 mei 2004 (datum van het ontvangstbewijs) wordt bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Puurs een vergunningsaanvraag ingediend, strekkende tot de regularisatie van de gebouwen bij de paardenfokkerij. Enkel de eerste verzoeker heeft het statistisch formulier, het aanvraagformulier en de plannen als aanvrager van de stedenbouwkundige vergunning ondertekend. Enkel aan deze verzoeker wordt een ontvangstbewijs verstrekt. Het betrokken perceel is overeenkomstig het gewestplan Mechelen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976, gelegen in agrarisch gebied. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, of van een vergunde verkaveling.
  15. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Puurs weigert op 3 januari 2006 de gevraagde vergunning overeenkomstig het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar van 22 december
  16. Dit is het tweede bestreden besluit.
  17. Bij aangetekend schrijven van 6 januari 2006 stuurt de gemeente Puurs haar weigeringsbesluit van 3 januari 2006 naar het adres Meerstraat 256 te 1840 Londerzeel, waar de verzoekende partijen op dat ogenblik niet meer wonen.
  18. Bij aangetekend schrijven van 9 januari 2006 stuurt de gemeente Puurs het weigeringsbesluit van 3 januari 2006 naar het adres Dendermondsesteenweg 137 te 2870 Puurs, waar de verzoekende partijen sinds 1 maart 2005 zijn ingeschreven. X-13.118-3/19
  19. Op 10 januari 2006 biedt de postbode de voormelde aangetekende zending aan, op een ogenblik dat de verzoekende partijen afwezig zijn.
  20. Op 11 januari 2006 haalt de eerste verzoeker de zending af.
  21. Op 13 juni 2006 stellen de verzoekende partijen bij de deputatie van de provincieraad van Antwerpen tegen het weigeringsbesluit van 3 januari 2006 beroep in. In het beroepschrift wordt verklaard dat de beslissing van 3 januari 2006 aan de verzoekende partijen “recent” en “informeel” ter kennis werd gebracht.
  22. In een aanvullend schrijven van 8 september 2006 werpen de verzoekende partijen de onregelmatigheid van de betekening op, op grond van de omstandigheid dat deze uitsluitend op naam van de eerste verzoeker is geschied.
  23. Bij besluit van 28 september 2006 verklaart de deputatie van de provincieraad van Antwerpen het beroep niet ontvankelijk wegens laattijdigheid. Dit is het eerste bestreden besluit. IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. Ambtshalve - de ontvankelijkheid van het beroep in hoofde van de tweede verzoekster
  24. Uit de bespreking van het tweede onderdeel van het eerste middel, verder onder randnummer 21, blijkt dat de eerste verwerende partij de eerste verzoeker terecht als enige aanvrager van de regularisatievergunning heeft aangemerkt. Ambtshalve dient te worden vastgesteld dat de tweede verzoekster niet over de vereiste hoedanigheid beschikt. Het beroep is onontvankelijk in zoverre het door de tweede verzoekster is ingediend. Onder “de verzoeker” wordt hierna enkel de eerste verzoeker begrepen. B. De ontvankelijkheid van het beroep in zoverre het is gericht tegen het tweede bestreden besluit en wat betreft het belang van de eerste verzoeker
  25. De verzoeker stelt in het verzoekschrift met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep in zoverre het is gericht tegen het tweede bestreden besluit wat volgt: X-13.118-4/19 “c. De ontvankelijkheid voor wat betreft de tweede bestreden beslissing Uw Raad oordeelde reeds dat indien een besluit van de minister tegen een besluit van de Bestendige Deputatie die een aanvraag inzake een bouwvergunning inwilligt, als niet-ontvankelijk afwijst, wordt het annulatieberoep ook terecht ingesteld tegen het besluit van de Bestendige Deputatie, omdat deze uitvoerbaar wordt na de verwerping van het beroep ertegen (...); Dat naar analogie dient te worden gewerkt; Dat in casu door de verwerping van het beroep van de Deputatie van de Provincie Antwerpen tegen de weigeringsbeslissing van de gemeente Puurs, het weigeringsbesluit van gemeente Puurs uitvoerbaar wordt na het verstrijken van de beroepstermijn tegen de beslissing van de Deputatie; Dat onderhavig beroep eveneens ingediend dient te worden ten aanzien van de tweede bestreden beslissing; Dat een beroep in die zin tijdig is ingediend voor zover deze binnen de zestig dagen na de mededeling van de eerste bestreden beslissing werd ingediend (...). Dat voorliggend annulatiesberoep - ook voorzover ze gericht is tegen de tweede bestreden beslissing - tijdig en ontvankelijk is”.
  26. De tweede verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord de volgende onontvankelijkheidsexcepties op: “II. Ontvankelijkheid
  27. Het belang Verzoekers motiveren hun belang bij de vernietiging van zowel het besluit van de deputatie van 28 september 2006 als van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 3 januari 2006, door te verwijzen naar het feit dat het om hun percelen en gebouwen gaat. Naast het gegeven dat een verzoekende partij blijk dient te geven van een persoonlijk en rechtstreeks belang, is het belang verder, algemeen beschouwd, het voordeel dat de verzoeker verwacht uit het verdwijnen van de schade die voor hem is ontstaan uit de bestreden beslissing, welke verdwijning het verhoopte gevolg is van de gevorderde vernietiging. Een verzoeker heeft overigens slechts belang bij een procedure bij de Raad van State indien hij ook belang heeft bij de ingeroepen middelen. 1.
  28. voorwerp van de vordering Doordat verzoekers én de vernietiging nastreven van het besluit van de deputatie van 28 september 2006 én, met samenhang en op zichzelf genomen, van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 3 januari 2006, staat het belang in de zin van vermeld voordeel ter discussie. Gelet op het wezenskenmerk van het georganiseerd administratief beroep is het onmogelijk om van beide beslissingen de vernietiging te vorderen: Krachtens artikel 53, § 1, van het op 22 oktober 1996 gecoördineerd decreet betreffende de ruimtelijke ordening staat tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen een administratief beroep open bij de deputatie. Beslissingen waartegen een georganiseerd administratief beroep openstaat, zijn niet vatbaar voor vernietiging. Enkel de definitieve, in laatste aanleg getroffen beslissing is een voor vernietiging vatbare administratieve rechtshandeling in de zin van artikel 14, § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De deputatie heeft uitspraak gedaan over het bij haar ingesteld beroep op 28 september
  29. Die beslissing is geen loutere ‘vaststelling van feiten’, vergelijkbaar met een proces-verbaal; het is de ‘administratieve rechtshandeling’ die ingevolge de devolutieve werking van het administratief X-13.118-5/19 beroep in de plaats is getreden van het besluit van het college van burgemeester en schepenen en waarvan de vernietiging kan gevorderd worden bij toepassing van art. 14 van de Gecoördineerde wetten op de Raad van State. Aangezien ingevolge artikel 15 van de Gecoördineerde wetten op de Raad van State de vergunningverlenende overheid zich dient te gedragen naar het arrest van de Raad van State ten aanzien van het daarin beslechte rechtspunt, zou het in samenhang laten vernietigen van beide beslissingen overigens leiden tot de vraag welk bestuur dan de beoordeling opnieuw zou moeten doen, mocht het uiteindelijk tot een vernietiging komen. Overigens, is het er verzoekers ten aanzien van de deputatie hierom te doen dat zij voor recht willen gezegd krijgen dat zij in de fout is gegaan doordat zij de betekening van het besluit van het college van burgemeester en schepenen als rechtmatig heeft beschouwd. Mocht het zo zijn dat uw Raad oordeelt dat dit standpunt dient te worden bijgetreden, dan betekent dit dat verzoekers’ termijn om te reageren tegen de individuele beslissing vanwege de gemeente tot heden nog niet ingegaan is. Ook in dit geval dus, zou de deputatie het bij haar aangetekend beroep onontvankelijk dienen te hebben verklaard, zij het om een andere reden. Verzoekers verliezen derhalve duidelijk aan belang. De vernietiging van het besluit in eerste aanleg op zich laten vorderen omdat dit inhoudelijk de aanvraag beoordeelt, impliceert dan weer dat de vordering ten aanzien van het besluit van de deputatie om die reden onontvankelijk is én dat, in het geval van een vernietiging, de aanvraag opnieuw in eerste aanleg dient beoordeeld te worden, waarna terug een administratief beroep bij de deputatie open staat, ook al is er geen nieuwe aanvraag. Het door verzoekers in dit kader aangevoerd arrest (...) staat niet alleen haaks op de ‘vaste rechtspraak’ inzake het georganiseerd administratief beroep. Het heeft bovendien betrekking op een positieve beslissing over een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning, die dan terug uitvoerbaar werd nadat het hoger beroep van het college van burgemeester en schepenen door de Vlaamse minister onontvankelijk werd verklaard omdat het niet tezelfdertijd en niet aangetekend ter kennis werd gebracht van de aanvrager. Het voordeel dat verzoekers verwachten uit het vernietigen van beide beslissingen is er niet. 1.
  30. verzoeker Het belang van verzoeker 1, de heer Alphons de Clerck, ten aanzien van de vordering tot het vernietigen van het besluit van het college van burgemeester en schepenen is nog des te meer in vraag te stellen omwille van de volgende passage met betrekking tot de feiten in het verzoekschrift: ‘(...) Op 3 januari weigert de gemeente ...en motiveert als volgt (...) De weigeringsbeslissing is opgemaakt op naam van de heer Alphons De Clerck, ofschoon de aanvraag werd gedaan op naam van de heer en mevrouw De Clerck-Mertens. Op 10 januari 2006 werd de beslissing per aangetekend schrijven overgemaakt aan de heer de Clerck, die deze zending een dag later ging afhalen op het plaatselijke postkantoor. De beslissing van de gemeente Puurs werd nooit bekendgemaakt aan mevrouw Lucia Mertens. De gemeentelijke overheid maakt begin juni 2006, en ditmaal op informele wijze en dus bij gewoon schrijven, nogmaals kopie over aan de heer en mevrouw De Clerck-Mertens’ (...). De ten aanzien van uw Raad voor het eerst aangevoerde ‘mogelijke’ twijfel aangaande het feit of er wel een afschrift van de weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen als zodanig bij de door verzoeker 1 afgehaalde zending was gevoegd (...), wordt door verzoekers met het begrip ‘nogmaals’ meteen terug ongedaan gemaakt. Het kan niet anders uitgelegd worden dan dat minstens de heer de Clerck op het postkantoor dd. 11 januari X-13.118-6/19 2006 de beslissing heeft ontvangen. Of dit nu een origineel, dan wel een voor eensluidend verklaard afschrift of een kopie is, is niet relevant”.
  31. In de laatste memorie doet de verzoeker nog gelden wat volgt: “Overwegende dat de Auditeur van mening is dat het beroep tot nietigverklaring van het tweede bestreden besluit niet ontvankelijk is en dit gezien de devolutieve werking van het georganiseerde administratieve beroep; Dat de Auditeur overschot van gelijk zou hebben indien de Deputatie het beroep ontvankelijk en ongegrond zou hebben verklaard; Dat dit echter niet het geval is; Dat de Deputatie van oordeel was dat het administratieve beroep niet ontvankelijk was; Dat daarbij de tweede bestreden beslissing in zijn totaliteit herleeft, dat minstens de weigeringsmotieven impliciet besloten liggen in de onontvankelijkheidsbeslissing; Dat dit anders bekijken zoveel betekent als aanvaarden dat de Deputatie zich kan onttrekken aan de formele en materiële motiveringsplicht van bestuurhandeling, daar de door de Deputatie aangehaalde motieven op generlei wijze een eventuele weigering van de vergunning motiveren; Dat tweede verwerende partij dit ook erkent in haar memorie van antwoord, door geen verweer te voeren tegen het derde onderdeel van het tweede middel, omdat dit onderdeel volgens haar het ‘inhoudelijk aspect’ behandelt van het beroep, ‘dat onbesproken is gebleven door de deputatie’; Dat de eerste bestreden beslissing als weigeringsbeslissing manifest gebrekkig gemotiveerd is; Dat indien het de visie is van Uw Raad dat de weigeringsmotieven van de gemeente impliciet besloten liggen in de onontvankelijkheidsbeslissing van de deputatie, dat zijn deze motieven ook aanvechtbaar voor uw Raad en dan dient het tweede middel in deze zin te worden beoordeeld; Dat indien Uw Raad van mening is dat bij het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep het besluit van de gemeente opnieuw uitwerking krijgt, dan dient ook deze beslissing conform het arrest (...) aanvechtbaar te worden verklaard; Dat voorliggend annulatieberoep - ook voor zover ze gericht is tegen de tweede bestreden beslissing - ontvankelijk is”.
  32. Tegen de tweede bestreden beslissing stond krachtens het toentertijd geldende artikel 53, § 1 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet) administratief beroep open bij de deputatie. Beslissingen waartegen een georganiseerd administratief beroep openstaat, zijn niet vatbaar voor nietigverklaring. Bovendien blijkt dat de verzoeker het door het voormelde artikel 53, § 1 voorziene administratief beroep bij de bestendige deputatie heeft ingesteld en dat de deputatie bij de eerste bestreden beslissing van 28 september 2006 over dit beroep uitspraak heeft gedaan. Ingevolge de devolutieve werking van het administratief beroep is dit besluit in de plaats getreden van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Puurs en moet dit laatste besluit geacht worden niet meer te bestaan. X-13.118-7/19 De terzake door de tweede verwerende partij opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid is gegrond. Het beroep is niet ontvankelijk, in zoverre het gericht is tegen het tweede bestreden besluit. Onder “het bestreden besluit” wordt hierna enkel het eerste bestreden besluit begrepen.
  33. De verzoeker heeft als aanvrager van het bestreden besluit, dat de regularisatie van door hem zonder vergunning opgerichte gebouwen weigert, belang bij het beroep. De exceptie met betrekking tot de onontvankelijkheid van het beroep wegens gebrek aan belang kan niet worden aangenomen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  34. De verzoeker roept in een eerste middel de schending in van artikel 52, §1 van het gecoördineerde decreet, van de materiële en de formele motiveringsplicht zoals opgelegd door de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het zorgvuldigheids-, het vertrouwens- en het redelijkheidsbeginsel. Hij doet dienaangaande gelden wat volgt: “Doordat, eerste onderdeel, de Bestendige Deputatie van de Provincie Antwerpen van oordeel was dat het beroep laattijdig werd ingediend; Doordat, tweede onderdeel, de Bestendige Deputatie de kennisgeving als rechtsgeldig beschouwt; Terwijl, eerste onderdeel, gegronde vragen dienen te worden gesteld bij het verloop van de kennisgeving; Dat de gemeente op 6 januari een aangetekend schrijven stuurde aan eerste verzoeker op zijn oude woonplaats; Dat de gemeentelijke overheid beweert op 9 januari 2006 eerste verzoeker opnieuw te hebben aangeschreven, ditmaal op het correcte adres; Dat eerste verzoeker dit schrijven ging afhalen op 11 januari 2006; Dat echter getwijfeld kan worden of de bewuste beslissing gevoegd was; Dat daarenboven het begeleidende schrijven bijzonder veel verwarring veroorzaakte bij verzoekers, daar zij enkel het volgende vermeldde (...): ‘- afschrift van de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen, van 3 januari 2006 houdende stedenbouwkundige vergunning’ Dat ofschoon er sprake is van een weigeringsbeslissing, het begeleidend schrijven melding maakt van een beslissing houdende een stedenbouwkundige vergunning; Dat zelf indien een kopie van de vergunning zou zijn gevoegd, het begeleidende schrijven verwarring kon stichtten bij verzoekers; Dat in casu verzoekers zich verheugde over de mededeling van het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning, ofschoon hen een X-13.118-8/19 weigeringsbeslissing werd toegestuurd; Dat voorzover de beslissing was gevoegd de motieven aangehaald door de vergunningverlenende overheid niet van die aard waren dat zij hieromtrent meer duidelijkheid konden scheppen (...); Dat derhalve niet kan worden beweerd dat verzoekers op 11 januari 2006 voldoende kennis hadden van de omvang van de tweede bestreden beslissing; Dat Uw Raad al oordeelde dat wanneer de kennisgeving van een bouwvergunning door middel van een brief die verwarring sticht over de omvang van de vergunning, niet kan worden beschouwd als het moment waarop de termijn, waarbinnen beroep moet worden aangetekend, begint te lopen (...); Dat verzoekers pas na verloop van tijd - begin juni 2006 - en na contact met de vergunningverlenende overheid, vernamen dat geen vergunning werd verleend; Dat verzoekers geen kopie van de verleende vergunning in hun bezit hadden, waardoor het vermoeden rijst dat nooit een exemplaar werd overgemaakt op het correcte adres; Dat zij terstond een kopie opvroegen van de beslissing bij de vergunningverlenende overheid; Dat deze begin juni op informele wijze werd verkregen van de gemeentelijke diensten en dat zij op 13 juni 2006 beroep aantekenden bij de Bestendige Deputatie van de Provincie Antwerpen; Dat derhalve tijdig beroep werd aangetekend; Dat de Bestendige Deputatie de in feite en in rechte draagkrachtige motieven ontbreekt om tot de niet ontvankelijkheid van het beroep te beslissen; Dat zij dan ook het redelijkheidsbeginsel schendt nu er geen feiten voor handen zijn die haar beslissing rechtvaardigt; Dat dit onderdeel gegrond is; Terwijl, tweede onderdeel, artikel 52, §1 DROG duidelijk stipuleert dat beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen ter kennis wordt gegeven aan de aanvrager; Dat in casu de aanvraag werd gedaan op naam van eerste én tweede verzoeker; Dat de tweede bestreden beslissing derhalve diende te worden ter kennis gegeven aan zowel eerste als tweede verzoeker; Dat nu de tweede bestreden beslissing niet ter kennis werd gebracht aan de tweede verzoekster, de vergunningverlenende overheid hiermee het artikel 52, § 1 van het DROG schendt; Dat de Bestendige Deputatie in de eerste bestreden beslissing tot feitelijke vaststelling komt dat er zich een probleem voordeed met de kennisgeving van de weigeringsbeslissing, maar hieraan geen enkel gevolg geeft; Dat dit het vertrouwenbeginsel schendt; Dat dit onderdeel gegrond is; Dat dit middel gegrond is”. Beoordeling
  35. Wat het eerste onderdeel van het middel betreft, stelt de raadsman van de verzoeker en diens echtgenote in het beroepschrift bij de deputatie van de provincieraad van Antwerpen met betrekking tot de beslissing van 3 januari 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Puurs houdende de weigering van de vergunning voor de regularisatie van gebouwen bij een paardenfokkerij, wat volgt: X-13.118-9/19 “Op 3 januari 2006 nam het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Puurs een beslissing houdende de weigering van een aanvraag tot regularisatie van ‘bijgebouwen manège’ (...). Deze beslissing werd per brief dd. 6 januari 2006 aangetekend verzonden aan mijn cliënte op een adres te 1840 Londerzeel, Meerstraat 256 ofschoon mijn cliënten reeds meer dan een jaar verhuisd waren naar bovenstaand adres. Recent werd hen deze beslissing dan informeel ter kennis gebracht”. Met een faxbericht verzonden op 24 juli 2005 met het oog op de behandeling van het beroep voor de deputatie van de provincieraad van Antwerpen heeft deze raadsman een nota neergelegd, waarin met betrekking tot de betekening van de tweede bestreden beslissing wordt uiteengezet wat volgt: “Volgens het verslag van de provinciaal stedenbouwkundige ambtenaar verstuurde de gemeente op 9 januari 2006 de bestreden beslissing een tweede maal aan beroepers en dit op het juiste adres. In het administratieve dossier zit effectief een afgiftebewijs van een aangetekende zending afgestempeld op 9 januari
  36. Het adres dat wordt vermeld is: Dendermondsesteenweg 137, 2870 Puurs, wat dus kennelijk het correcte adres betreft. Beroepers blijven evenwel bij hun standpunt geen aangetekend schrijven van de gemeente Puurs te hebben ontvangen ter mededeling van de bestreden beslissing. Zij ontvingen de weigeringsbeslissing op een informele manier begeleid met een schrijven waarop het foutieve adres vermeld staat. Navraag bij de bevoegde postinstanties levert geen bijkomende informatie op. Wel merkte het afgiftekantoor Puurs op dat het bizar was dat dit schrijven niet in hun systeem terug te vinden was. Dit doet twijfels rijzen over de bezorging van het kwestieuze poststuk. Bijkomende informatie lijkt noodzakelijk, maar kan enkel schriftelijk worden aangevraagd én op de daartoe geijkte formulieren. Deze formulieren zijn heden op weg naar de raadsman van beroepers. Indien de Deputatie van oordeel is dat het beroep niet tijdig zou zijn ingediend, lijkt het aangewezen onderhavige zaak uit te stellen. Gezien het belang van de gegevens over de betekening en de onduidelijkheid die nu heerst, is het nuttig te wachten tot er een definitief antwoord komt van De Post”. Een onderzoek ingesteld bij De Post wijst uit dat, in tegenstelling tot hetgeen door de verzoeker en zijn echtgenote in de voormelde nota wordt beweerd, zij wel degelijk een ter post aangetekend schrijven van de gemeente Puurs hebben ontvangen. De resultaten van het onderzoek door de diensten van de ombudsman van De Post zijn hieromtrent formeel, zoals blijkt uit een brief van 10 augustus 2006 gericht aan de raadsman van de verzoeker en zijn echtgenote: “Naar aanleiding van uw brief van 3 augustus hebben wij een grondig onderzoek ingesteld. Dat onderzoek is afgerond en hierbij vindt u de resultaten. Mevrouw Annemie Puttemans, de postmeesteres van Puurs-Mail, heeft op ons verzoek de uitreiking van deze aangetekende zending nagegaan. Daaruit blijkt dat de postman deze aangetekende zending op 10/1/2006 heeft aangeboden, maar de bestemmeling was afwezig. Op 11/1/2006 werd de zending aan het loket van het postkantoor Puurs 1 afgehaald. Als bijlage vindt X-13.118-10/19 u een kopie van dit afleveringsdocument. Het identiteitskaartnummer (...) van de ontvanger van deze zending staat daarop vermeld. Wij hopen u met deze informatie van dienst geweest te zijn en bij deze sluiten wij uw dossier af. Aarzel niet om ons te contacteren, mocht u nog vragen of opmerkingen hebben”. De raadsman van de verzoeker en diens echtgenote heeft daarop in een brief van 8 september 2006 aan de deputatie gemeld wat volgt: “De Ombudsdienst bij De Post stelt dat de aangetekende zending op 10 januari ’06 werd aangeboden bij mijn cliënten maar dat de bestemmelingen afwezig waren. Op 11 januari ’06 zouden deze zendingen evenwel zijn afgehaald door de heer De Clerck. Dit betekent dat de thesis van de Provinciaal Stedenbouwkundig Ambtenaar correct is, als zijnde dat het beroep door mijn cliënten ingediend, laattijdig zou zijn. Evenwel dient te worden opgemerkt dat zowel de beslissing van de gemeente Puurs, als de betekening van deze beslissing, gebeurde uitsluitend op naam van de heer Alfons De Clerck, daar waar de eigenlijke aanvraag gebeurde in naam van de heer en mevrouw De Clerck - Mertens. Derhalve diende de gemeente Puurs niet alleen haar beslissing te nemen t.a.v. beide cliënten maar bovendien de beslissing te betekenen t.a.v. beide cliënten. Nu dit niet is gebeurd, spreken we hier van een onrechtmatige betekening. Deze onrechtmatige betekening houdt in principe niet in dat de regelmatigheid van de akte op zich wordt in vraag gesteld, maar gezien er geen geldige betekening werd gedaan, is het duidelijk dat de beroepstermijn om bij de Bestendige Deputatie in beroep te gaan nog niet liep en mijn cliënten dus op 16 juni jl nog rechtsgeldig in beroep konden gaan. Bovendien kan men zich ernstig vragen stellen waarom de bestreden beslissing op zich eigenlijk enkel in naam van de heer De Clerck is genomen, terwijl de aanvraag duidelijk in naam van beide cliënten is ingediend. Gezien de vaststelling van de onrechtmatigheid van de betekening, en eigenlijk ook onrechtmatigheid van de beslissing, verzoek ik u het onderhavige dossier verder te behandelen en derhalve niet de onontvankelijkheid hiervan uit te spreken”. Het bestreden besluit van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen met betrekking tot de laattijdigheid van het beroep is gemotiveerd als volgt: “Het gemeentelijk administratief dossier van de aanvraag én het standpunt van de gemeente over het beroep, wijzen uit dat het bestreden besluit op 9 januari 2006 opnieuw per aangetekend schrijven is verzonden, deze keer op het adres 2870 Puurs, Dendermondsesteenweg 137, waar de aanvragers sedert 1 maart 2005 ingeschreven zijn. Een aangetekende zending wordt binnen de vierentwintig uur op het adres van de bestemmeling aangeboden (...). Op 14 september 2006 is een aanvullend schrijven van de advocaat op het bestuur ingekomen met als bijlage een schrijven van 10 augustus 2006 vanwege het college van Ombudsmannen bij de Post. Dát schrijven wijst op een grondig onderzoek van de zaak met het volgend resultaat: ‘Mevrouw Annemie Puttemens, de postmeesteres van Puurs-Mail, heeft op ons verzoek de uitreiking van de aangetekende zending nagegaan. Daaruit blijkt dat de postman deze aangetekende zending op 10/1/2006 heeft aangeboden, maar de bestemmeling was afwezig. Op 11/1/2006 X-13.118-11/19 werd de zending aan het loket van het postkantoor Puurs 1 afgehaald. Als bijlage vindt u een kopie van dit afleveringsdocument (...) met identiteitskaartnummer (...) van de ontvanger van deze zending’. Bijgevolg zijn meer dan vijf maanden verstreken tussen de betekening op het juiste adres en het aantekenen van het beroep. Het beroep is dus niet binnen de wettelijk voorziene termijn van dertig dagen ingediend en bijgevolg laattijdig. Meester Koen de Puydt geeft dit toe. Hij tracht nog wel voor recht te horen spreken dat het om een ‘onrechtmatige betekening’ gaat, omdat zowel de beslissing van de gemeente Puurs, als de betekening van deze beslissing uitsluitend op naam van de heer Alfons De Clerck gebeurde, terwijl de aanvraag nochtans gebeurde in naam van de heer en mevrouw De Clerck-Mertens. Hiertegenover staat echter dat, behoudens de architect, slechts één van beide steevast de door de reglementering voorziene documenten (statistisch formulier, aanvraagformulier én de plannen) in het aanvraagdossier heeft ondertekend als aanvrager van de bouwvergunning. Slechts op één document komen twee handtekeningen voor als aanvragers, met name op een brief, ingekomen op het gemeentebestuur op 18 maart 2005, met bijkomende gegevens en verduidelijkingen. Het ontvangstbewijs van de aanvraag en bijgevolg alle verdere administratieve stukken zijn dan ook terecht op naam gezet van wie in de hoedanigheid van aanvrager van bij het begin zijn handtekening zette op de reglementair voorgeschreven stukken. Bijgevolg is er geen sprake van een ‘onrechtmatige betekening’ door louter op naam van de heer Alfons De Clerck te betekenen”. De verzoeker en diens echtgenote hebben op geen enkel ogenblik in de loop van de administratieve procedure opgeworpen dat het voormelde op 9 januari 2006 ter post aangetekend schrijven, waarvan in de loop van de procedure is komen vast te staan dat het ondanks aanvankelijke ontkenning wel degelijk door de verzoeker werd ontvangen, geen afschrift van de weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen bevatte. De verzoeker verschaft ook geen enkele duidelijkheid over het ogenblik en de wijze waarop hij en zijn echtgenote dan wel een afschrift van deze beslissing zouden hebben verkregen. De bewering van de verzoeker dat “getwijfeld kan worden of de bewuste beslissing gevoegd was” is in het licht van het vorenstaande niet geloofwaardig. Uit het vorenstaande blijkt eveneens dat er bij de verzoeker en diens echtgenote in de loop van de administratieve procedure nooit enige verwarring is geweest omtrent de draagwijdte van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Puurs. Het eerste onderdeel van het middel is niet gegrond.
  37. Wat het tweede onderdeel van het middel betreft, vindt de overweging in de bestreden beslissing dat, behoudens de architect, enkel de verzoeker het statistisch formulier, het aanvraagformulier en de plannen als aanvrager van de vergunning heeft ondertekend, steun in het dossier. In de gegeven omstandigheden heeft de eerste verwerende partij op grond van het besluit van de Vlaamse regering van 28 mei 2004 betreffende de dossiersamenstelling van de X-13.118-12/19 aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, dat de ondertekenaar van de stukken aanziet als de aanvrager, op goede gronden kunnen aannemen dat slechts één der echtgenoten namens beide echtelieden als aanvrager heeft gehandeld. De betekening is derhalve niet onrechtmatig gebeurd. Om deze redenen vindt het bestreden besluit wettig steun in de erin vervatte motieven. Een schending van de motiveringsverplichting, noch van het redelijkheidsbeginsel is voorhanden. Het middel is in zijn geheel genomen niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  38. De verzoeker voert in een tweede middel aan wat volgt: “[Gericht tegen de tweede bestreden beslissing] Tweede middel, genomen uit de schending van artikels 9 en 52 §1 lid van het Decreet dd. 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening (DROG), van artikel 11 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen, van artikel 11 van het Besluit van de Vlaamse Regering houdende de vaststelling van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratie-voorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozingen van afvalwater en hemelwater, van artikel 11 van de Omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen; van artikels 1b en 5a van de Omzendbrief R0/202/01 houdende richtlijnen voor het bouwen of oprichten van stallingen voor weidedieren, uit schending van de materiële en de formele motiveringsplicht zoals opgelegd door de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de algemene beginselen ter zake, en uit schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Doordat, eerste onderdeel, de tweede bestreden beslissing werd betekend enkel aan eerste verweerder; Doordat, tweede onderdeel, de vergunningverlenende overheid zijn weigeringsbeslissing als volgt motiveert: ‘- Gelet op de vergunning (U/ref: 264.600

(1)), verleend op 9 oktober 1995; - Gelet op het feit dat de aanvraag de gebouwen van een paardenbedrijf betreft na verwoesting door brand (omzendbrief 9-1 van 1 oktober 1975); - Gelet op het feit dat na het afleveren hiervan, gebouwen werden opgericht zonder voorafgaandelijke vergunning; - Gelet op de ondertussen van kracht worden omzendbrief van 25 januari 2002 betreffende de inrichting en de toepassing van o.a. de gewestplannen; - Gelet op het feit dat uit de door ons bijgevoegde stukken (kadastrale bescheiden) blijkt dat de aanvragers over ca 4 ha grond in eigendom beschikken; X-13.118-13/19 - Gelet op het feit dat zij met hun ingekomen schrijven, R0926 van 18 maart 2005, bevestigen effectief een paardenhouderij van minstens 10 paarden uit te baten; - Gelet op het feit dat zij stellen dat zij over voldoende loopweide beschikken; - Gelet op het feit dat zij stellen dat zij voldoen aan de normen van de omzendbrief; - De gebouwen slechts in stand te houden tot zolang een paardenfokkerij van minstens 10 dieren wordt uitgebouwd; - De feitelijke bewoning spontaan wordt opgegeven vanaf het ogenblik dat de paardenhouderij wordt stopgezet; - Onmiddellijk na het stopzetten van de paardenhouderij een ander inschrijvingsadres wordt gezocht en de gebouwen te laten slopen.’. Doordat, derde onderdeel, en in ondergeschikte orde, de AROHM haar negatieve advies steunt op de volgende beweringen: T Verzoekers vragen de regularisatie van een ‘manège’; T Verzoekers vragen de regularisatie van een ‘cafetaria’; T Verzoekers hebben de gebouwen zoals vergund op 22 februari 1993 nooit conform de vergunning opgericht; T Het Besluit van de Vlaamse Regering dd. 1 oktober 2004 is van toepassing. Terwijl, eerste onderdeel, artikel 52, §1 DROG duidelijk stipuleert dat beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen ter kennis wordt gegeven aan de aanvrager; Dat in casu de aanvraag werd gedaan op naam van eerste én tweede verzoeker; Dat de tweede bestreden beslissing derhalve diende te worden ter kennis gegeven aan zowel eerste als tweede verzoeker; Dat nu de tweede bestreden beslissing niet ter kennis werd gebracht aan de tweede verzoekster, de vergunningverlenende overheid hiermee het artikel 52, § 1 van het DROG schendt; Dat dit onderdeel gegrond is; Terwijl, tweede onderdeel, uit deze motivering niet kan worden opgemaakt waarom het gemeentebestuur de vergunning weigerde; Dat het gemeentebestuur immers eerder op basis van dezelfde motieven een positief advies afleverde aan AROHM; Dat het gemeentebestuur derhalve niet over in rechte en feite draagkrachtige motieven beschikt om de vergunningsaanvraag te weigeren; Dat er minstens een gebrek is aan consistentie in de motivering van het bestuur nu zij zowel een positief advies als een weigeringsbeslissing afleverde op grond van dezelfde motieven (...); Dat de vergunningverlenende overheid daarmee ook het vertrouwensbeginsel schendt (...); Dat dit onderdeel gegrond is. Terwijl, derde onderdeel, deze bewering werden geponeerd zonder de minste correcte feitenvinding, en dit voorzover uw Raad van oordeel is dat de gebrekkige motivering van de vergunningverlenende overheid kan worden opgevangen door de motieven weergegeven in het negatieve advies van de afdeling Land en het advies van AROHM, waarvan het beschikkende gedeelte integraal werd overgenomen in de tweede bestreden beslissing en er derhalve één geheel mee vormen;
  1. Verzoekers baten geen ‘manège’ uit, wel een paardenfokkerij/-houderij. Dat AROHM in haar advies steeds spreekt over een ‘manege’ en niet van een paardenfokkerij of paardenhouderij. Verzoekers baten nochtans een paardenfokkerij/- houderij uit. Dat voor hun verkeerde visie afdeling Land en AROHM zich baseren op de stelling dat het gebouw zoals voorzien in de bouwvergunning van 22 februari X-13.118-14/19 1993, nooit werden gebouwd zoals voorzien; Dat volgens hen het gebouw, vergund door de bouwvergunning van 1993, bestond uit een kweekstal en 21 boxen, terwijl er zich nu een gebouw bevindt met een overdekte piste i.p.v. boxen en een kweekstal; Dat deze stellinginname manifest onjuist is; Dat de overdekte piste waarvan sprake is eigenlijk een stal voor 4 paarden betreft, waar de paarden zelf makkelijk binnen en buiten kunnen lopen; Dat in de gebouwen uitgebaat door de verzoekers enkel paarden worden gefokt (...) en verzorgd; Dat er geen sprake is van commerciële activiteiten die passen in het kader van de vrijetijdsbesteding (lees: manège); Dat Uw Raad ook weet dat de rechtspraak en rechtsleer een uniform idee gevormd heeft over de inpasbaarheid van paardenfokkerijen/-houderijen in agrarisch gebied; Dat waar maneges effectief niet in een agrarisch gebied thuishoren, omdat in een manege de vrijetijdsbesteding centraat staat, kan een paardenfokkerij/-houderij wel in agrarisch gebied worden toegelaten; Dat Uw Raad stelt dat (...): een paardenfokkerij een para-agrarisch bedrijf is en derhalve mag plaats hebben in agrarisch gebied; Dat uw Raad in haar arrest van 23 november 1995 (...), het begrip ‘para-agrarisch bedrijf’ definieert als zijnde een bedrijf waarvan de activiteiten onmiddellijk bij de landbouw aansluit en er op afgestemd is, maar dat het niet vereist is dat het aan de grond gebonden is of in het verlengde ligt van een aan de grond gebonden activiteit, evenmin is het een beletsel dat de onderneming van commerciële, ambachtelijke of industriële aard is (...); Dat in de rechtsleer effectief wordt gesteld dat het niet is omdat een bedrijf kan worden beschouwd als een para-agrarisch bedrijf, het principieel is toegestaan in agrarisch gebied; Dat ten aanzien van een paardenfokkerij men het wel eens is (...); Dat overeenkomstig de inmiddels vaste rechtspraak van de Raad van State een paardenfokkerij als toelaatbaar wordt beschouwd in agrarisch gebied. Dat in tussentijd de uitvoerende macht in een omzendbrief van 25 januari 2002 de visie van de Raad van State bevestigde; Dat de omzendbrief duidelijk maakt dat volwaardige paardenfokkerij/-houderij, met bijhorende nevengeschikte installaties, zoals ruimtes waar paarden afgericht of opgeleid worden, looppistes binnen en buiten, een tredmolen, een groom, een eenvoudig cafetaria van beperkte omvang, enkel ten behoeve van gebruikers van de paardenfokkerij, enz ..., eventueel kunnen worden toegestaan; Dat de evaluatie geval per geval dient te gebeuren (...); Dat m.a.w. de gemeentelijke overheid geval per geval dient te onderzoeken of dergelijke functies toelaatbaar zijn op de kwestieuze percelen; Dat de omzendbrief van 25 januari 2002 voor de beoordeling de criteria waaraan de paardenfokkerijen dienen te voldoen om in dat agrarisch gebied ingeplant te mogen worden de volgende zijn: T Voor de beschikbare weide is de richtnorm 1.000 à 2.500 m2 per dier, met een maximum van 4 grote weidedieren per ha. T Als stallingsoppervlakte is 10 à 15 m² stallingsoppervlakte per weidedier noodzakelijk, met een maximum van 60 m² per ha. T Bovendien is er 5 à 15 m² voederberging per dier noodzakelijk. Dat de installaties van de verzoekers hieraan volkomen voldoen; Dat verzoekers beschikken over 4 ha aan weide die gebruik worden voor grote weidedieren; Dat dit als dusdanig ook door de vergunningverlenende overheid wordt erkend; Dat dit betekent dat zij maximaal 16 grote weidedieren mogen herbergen; Dat in realiteit verzoekers 12 à 14 (in uiterste maximum) paarden herbergen; Dat de vergunningverlenende overheid hiervan op de hoogte is; Dat voor wat betreft de stallen de verzoekers eveneens voldoen aan de cijfers van de omzendbrief; Dat zij maximaal mogen beschikken over een 240 m² aan X-13.118-15/19 stallen; Dat verzoekers beschikken in totaal over 21 stallen, de vergunde en niet-vergunde stallen samengeteld; Dat dit in oppervlakte neerkomt op 200 à 220 m²; Dat zij daarmee voldoen aan de gestelde richtlijnen; Dat de gebouwen en activiteiten van verzoekers duidelijk voldoen aan de voorwaarden voorzien in de omzendbrief van 2002; Dat derhalve de paardenfokkerij/-houderij van verzoekers toelaatbaar is in agrarisch gebied en dit overeenkomstig art. 11 van het Inrichtingsbesluit van 28 december 1972 en artikels 1b en 5a van de Omzendbrief; Dat de negatie hiervan door AROHM en de afdeling Land, een schending inhoudt van deze artikels; Dat minstens het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel geschonden werd, nu de overheid duidelijk terugkomt op haar eigen richtlijnen, haar vaste gedragslijn én haar wettelijke bepalingen; Dat ook werd aangetoond dat het bestuur geen afdoende en volledig onderzoek pleegde naar de concrete situatie van verzoekers; Dat het bestuur zich niet inliet met een correcte feitenvinding; Dat de vergunningverlenende overheid daarmee het zorgvuldigheidsbeginsel schond (...);
  2. Er is sprake van een clubhuis en niet van een zuivere ‘cafetaria’ Dat in de adviezen steeds wordt gesproken van een ‘cafetaria’, daar waar de regularisatieaanvraag gaat om een ruimte van maximaal 55 m², waarin enkele toiletten zijn voorzien, waarin ook 3 tafels staan en enkele stoelen die de kans moeten bieden aan de gebruikers van de stallen om zich even te verpozen; Dat dit niet een cafetaria betreft in de spreekwoordelijke betekenis, zijnde een restaurant waar men aan zelfbediening doet; Dat het hier zeer duidelijk gaat over een cafetaria/clubhuis in de zin van ‘een ruimte van een zeer beperkte omvang die enkel en alleen bedoeld is voor de gebruikers van de paardenfokkerij/-houderij’; Dat overeenkomstig de omzendbrief van 25 januari 2002 een cafetaria van een dergelijke omvang aanvaardbaar is in agrarisch gebied (...); Dat het bestuur geen afdoende en volledig onderzoek pleegde naar de concrete situatie van verzoekers; Dat het bestuur zich niet inliet met een correcte feitenvinding; Dat de vergunningverlenende overheid daarmee het zorgvuldigheidsbeginsel schond (...);
  3. Adviezen houden geen rekening met de vergunning verleend op 9 oktober
  4. Dat in de adviezen van de afdeling Land en AROHM steevast wordt gesteld dat de gebouwen, zoals vergund werden op 22 februari 1993, nooit werden opgericht overeenkomstig de vergunning; Dat dit manifest onjuist is; Dat deze bouwvergunning destijds zeer rigoureus werd nageleefd; Dat er in 1993 wel degelijk een gebouw werd opgetrokken met een kweekstal en 21 boxen; Dat het gebouw 40m lang was en 7 à 8m breed, en dat het een uitspringend zadeldak had; Dat in de adviezen echter uit het oog werd verloren dat dit gebouw verloren ging in de brand van 1995; Dat in datzelfde jaar nog werd een bouwaanvraag ingediend én verkregen door de verzoekers van de gemeente Puurs, en dit voor de wederopbouw van het verloren gegane gebouw; Dat men in de adviezen de bouwvergunning van 1995 gewoon negeert; Dat op basis van hun incorrecte feitenvinding de afdeling Land en AROHM tal van assumpties maken die niet stroken met de waarheid; Dat men zich zelf vergist in het voorwerp van de vergunningsaanvraag; Dat men ervan uitgaat dat de stallen, die zogenaamd niet conform de vergunning van 1993 zouden zijn opgetrokken, deel uitmaken van de regularisatieaanvraag; Dat dit niet het geval is; Dat het gebouw dat deel uitmaakt van de regularisatieaanvraag de stallen betreffen die werden gebouwd in 1995 in afwachting van de behandeling van de aanvraag van stedenbouwkundige vergunning voor de wederopbouw; Dat dit tijdelijk gebouw werd opgetrokken met medeweten en goedkeuring van de X-13.118-16/19 gemeente; Dat destijds zelfs de toenmalige burgemeester ter plaatse is gekomen om zijn goedkeuring te verschaffen; Dat het gebouw dat verloren ging in de brand van 1995 conform de vergunning werd weder opgebouwd; Dat alleen het aantal stallen werd gereduceerd van 21 tot 11; Dat er dus minder werd gebouwd dan toegelaten; Dat in de tijdelijke verblijfplaats van de dieren 10 stallen beschikbaar waren en in de beperkte nieuwe bouw 11, zodat het aantal stallen werd gehaald dat was voorzien in de oorspronkelijke vergunning werd verleend in 1993, namelijk 21; Dat met andere woorden het gebouw dat werd heropgebouwd in 1995 volledig vergund is; Dat daardoor de stellingen die de afdeling Land en AROHM in hun advies opnemen, zoals dat de te regulariseren ‘cafetaria’ gebouwd werd aan de onvergunde stallingen, foutief is; Dat het clubhuis werd gebouwd aan de vergunde stallingen; Dat daarmee ook het argument vervalt dat een cafetaria niet zou kunnen worden vergund omdat ze zou zijn gebouwd aan wederrechtelijk opgerichte gebouwen, die niet kunnen worden uitgebreid; Dat de 10 stallen die kort na de brand werden opgericht teneinde de dieren, die in het bezit waren van de verzoekers, te kunnen stallen tot het afgebrande gebouw opnieuw konden worden opgericht, wel deel uitmaken van de regularisatieaanvraag; Dat dit gebouw enkele meters verwijderd ligt van de vergunde stallingen; Dat het evenmin correct is te stellen dat de te regulariseren stallen zouden zijn opgetrokken in een amalgaam van zo goed als afbraakmaterialen; Dit deze zogenaamde afbraakmaterialen allemaal bestaan - en dit blijkt ook uit de bijgebrachte foto’s - uit zeer homogeen materiaal; Dat dit geen afbraakmateriaal is (...); Dat de constructie zeer degelijk is en voldoet aan de omschrijving van ‘stalling voor weidedieren’ die opgenomen is in de omzendbrief van 25 januari 2002: ‘Een stalling is, anders dan een schuilhok, een omsloten en overdekte ruimte, een houten of stenen gebouw dat dient tot verblijf van weidedieren en waarin één of meerdere van die dieren tegelijk of permanent kunnen verblijven en/of gehuisvest worden. Uit het bouwplan moet duidelijk blijken dat het om stallingen voor weidedieren gaat en dat het geenszins om een constructie gaat die kan gebruikt worden voor het - zelfs tijdelijke - verblijf van mensen. Een stalling mag worden voorzien van bergruimte voor voeder en andere nuttige bijhorigheden, w.o. materiaalberging voor het onderhoud van de weide(n) en/of verzorging van de dieren, beperkte mest of slacht, enz. ...’. Dat de stallingen zoals destijds opgebouwd kort na de brand in 1995, derhalve stallingen zijn die voldoen aan de voorwaarden opgesomd in de omzendbrief van 2002; Dat de stallingen een tijdelijke karakter hebben, maar dat ze wel hetzelfde beschermingsniveau aan de dieren als een permanente stal; Dat de negatie van al deze feiten door AROHM en de afdeling Land, een flagrante schending inhoudt van het zorgvuldigheidsbeginsel (...); Dat de vergunningverlenende overheid ook het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidbeginsel schendt nu zij de door haarzelf uitgereikte vergunning weigert in overweging te nemen en de overheid duidelijk afwijkt van haar vaste gedragslijn en vooropgestelde richtlijnen.
  5. Besluit van de Vlaamse Regering van 1 oktober 2004 is niet van toepassing. Dat in de adviezen wordt gesteld dat er niet is voldaan aan het besluit van 1 oktober 2004, houdende de vaststelling van de gewestelijke stedenbouwkundige ve r or de ning inzake hemelwaterputten, infiltratie-voorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozingen van X-13.118-17/19 afvalwater en hemelwater; Dat deze bewering strijdig is met artikel 11 van datzelfde besluit van 1 oktober 2004; Dat dit artikel het volgende stelt: ‘Van de toepassing van die besluiten is de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunningen vrijgesteld waarvoor het ontvangstbewijs vóór de datum van de inwerkingtreding is afgegeven.’. Dat met andere woorden de aanvragen tot stedenbouwkundige vergunningen waarvan de ontvangst werd bevestigd vóór de inwerkingtreding van het besluit van 1 oktober 2004 - die volgens het besluit zelf plaatsvindt op de 1ste dag van de 3de maand die volgt op de maand waarin het in het Belgisch Staatsblad bekend is gemaakt - ontsnappen aan de toetsing van dit besluit; Dat in casu de bekendmaking op 8 november 2004 plaatsvond, waardoor het besluit maar in werking trad vanaf 1 februari 2005; Dat de aanvraag van verzoekers werd ontvangen op 11 mei 2004 en derhalve vrijgesteld is van toepassing; Dat anders beweren minstens het zorgvuldigheidsbeginsel schendt;
  6. Een tijdelijke verblijfplaats is wel toegelaten Dat in het advies van AROHM het volgende wordt geponeerd: ‘De regularisatie van een al dan niet tijdelijke vrijstaande verblijfplaats is onaanvaardbaar. Slechts het inrichten van een inpandige woonst, in stalconstructie bvb., kán stedenbouwkundig onderzocht worden. Dit onderdeel van de aanvraag is dus eveneens niet verenigbaar met de goede plaatselijke ordening.’. Dat de opmerking als zou een woonst slechts bespreekbaar zijn voor zover ze inpandig is in casu zeer merkwaardig is; Dat tot tweemaal toe aan verzoekers een vergunning werd verleend (in 1993 en in 1995), waarin telkens uitdrukkelijk werd gestipuleerd dat verzoekers absoluut geen woning mochten inrichten in de stalconstructies; Dat verzoekers met andere woorden enkel de hun verleende vergunningen wensten te respecteren toen zij hun vrijstaande verblijfplaats realiseerden; Dat de vergunningverlenende overheid niet jarenlang één stelling kan aanhouden, om uiteindelijk een regularisatie te weigeren op grond van net de tegenovergestelde stelling; Dat de vergunningverlenende overheid met een dergelijke handelswijze het vertrouwensbeginsel schendt (...); Dat zij ook het rechtszekerheidsbeginsel schendt; Dat de stelling bovendien het artikel 11 van de omzendbrief van 8 juli 1997 en het artikel 11 van het Inrichtingsbesluit schendt, daar voor ‘agrarische gebieden’ het volgende wordt vooropgesteld over de woning van de exploitanten: Dat ‘de bedrijfsuitbater (eigenaar, pachter of bedrijfsleider) op het bedrijf moet kunnen wonen. De nodige woongelegenheid daartoe kan dan ook worden opgericht.’. Dat de omzendbrief stelt dat de woning ofwel fysiek geïntegreerd moet zijn in het bedrijf, ofwel integrerend deel moet uitmaken van het gebouwencomplex van het bedrijf, wat het geval is voor het vrijstaande tijdelijke verblijf van de verzoekers; Dat de vergunningverlenende overheid afbreuk doet aan wettelijke bepalingen, minstens het rechtszekerheidbeginsel schendt; Dat andermaal wordt aangetoond dat de concrete situatie van verzoekers volledig wordt genegeerd; Dat de vergunningverlenende overheid daarmee het zorgvuldigheidsbeginsel schendt; Dat uit dit onderdeel duidelijk blijkt dat de motieven van de vergunningverlenende overheid in rechte en in feite niet draagkrachtig zijn; Dat de concrete situatie van verzoekers, de afgeleverde vergunningen en de vigerende wetgeving op flagrante wijze worden genegeerd; Dat de vergunningverlenende overheid door zijn houding het redelijkheidsbeginsel X-13.118-18/19 schendt, nu de verhouding tussen de beslissing en de feiten volledig ontbreekt (...); Dat dit onderdeel gegrond is. Dat dit middel gegrond is”. Beoordeling
  7. Het middel is uitsluitend gericht tegen het besluit van 3 januari 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Puurs waartegen het beroep, om de redenen vermeld onder het randnummer 17, niet op ontvankelijke wijze kan worden ingesteld. Het middel is niet ontvankelijk. BESLISSING
  8. De Raad van State verwerpt het beroep.
  9. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 700 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig juni 2010 door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-13.118-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.918 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.889 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.