← België

Arrest 205932 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/06/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:A

van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, - art. 7 §§1 en 2 van het Koninklijk besluit van 17 mei 2007 tot vaststelling van de uitvoerings- modaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Doordat in het bestreden arrest het volgende wordt geoordeeld: - Het arrest zet onder de hoofding "4. Gegrondheid van het beroep" vooreerst uiteen dat de door huidig verweerder in een eerste middel aangevoerde schending van de formele motiveringsver- plichting niet aannemelijk is. Vervolgens wordt vastgesteld dat huidig verweerder in een tweede middel een schending aanvoert van de materiële motiveringsverplichting. - De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zet op bijzonder summiere wijze uiteen wat de grieven van huidig verweerder zijn en welke de repliek van huidig verzoeker is. XIV-31.174-2/12 - Vervolgens citeert de rechter in vreemdelingenzaken de inhoud van de bepalingen van art.

§1van de Wet dd.

15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, evenals van art. 7 §§1 en 2 van het K.B. dd. 17.05.2007 voormeld. - Het oordeel van de rechter in vreemdelingenzaken luidt verder als volgt: "De Raad stelt vast dat uit het door verweerder neergelegde administratief dossier blijkt dat verzoeker bij zijn aanvraag om op medische gronden tot een verblijf gemachtigd te worden een `vaststellingsattest' voegde. In dit attest stelt een arts dat er bij verzoeker tekens zijn van chronisch nierparenchymlijden. Tevens werd een medisch getuigschrift overgemaakt waaruit blijkt dat verzoeker lijdt aan een chronische kwaal die niet verbeterbaar is en dat, op het ogenblik dat het getuigschrift werd opgesteld, nog niet kon vastgesteld worden of een medische behandeling vereist was. De gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid kan derhalve niet voorhouden dat de nodige medische inlichtingen niet bij de aanvraag om tot een verblijf gemachtigd te worden werden gevoegd. De Raad wijst er voorts op dat de appreciatie van de aangevoerde medische problematiek, inclusief de beoordeling van de mogelijkheid of de noodzaak van een behandeling, overeenkomstig artikel

, 1, tweede lid, van de Vreemdelingenwet, alleen toekomt, aan een ambtenaar-geneesheer. Enkel deze ambte- naar-geneesheer kan de medische attesten inhoudelijk beoordelen en - indien de medische situatie van de aanvrager onvoldoende duidelijk blijkt uit de overgemaakte medische attesten - een aanvullend onderzoek (laten) doorvoeren (Parl St. Kamer 2005-2006, nr. 2478/001, 35). In casu werd de bestreden beslissing echter genomen zonder dat het advies van de ambte- naar-geneesheer werd ingewonnen. De vaststelling dat in een medisch attest geen verdere toelichting verschaft wordt over de eventuele noodzaak van een toekomstige medische behandeling laat in casu niet toe de aanvraag onontvankelijk te verklaren. De gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid heeft de voorgelegde bewijsstuk- ken incorrect beoordeeld en heeft op kennelijk onredelijke wijze geoordeeld dat de aanvraag om machtiging tot verblijf om medische redenen onontvankelijk is. Het tweede middel is gegrond " De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst aldus naar de inhoud van de wettelijke en reglementaire bepalingen die terzake van toepassing zijn, en naar de inhoud van het medisch getuigschrift, en besluit op basis hiervan: "De gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid kan derhalve niet voorhouden dat de nodige medische inlichtingen niet bij de aanvraag om tot een verblijf gemachtigd te worden werden gevoegd " In casu dient evenwel te worden vastgesteld dat uit de initieel bestreden administratieve beslissing duidelijk blijkt dat deze genomen werd op grond van volgend determinerend motief: ""De aanvraag ging niet vergezeld van volgende inlichtingen: in de aanvraag is er geen sprake van een specifieke medische behandeling die gegeven wordt of noodzakelijk is. " De rechter in vreemdelingenzaken gaat hierop niet in doch uit de diverse passages van het arrest, zoals onder meer: - "De Raad wijst er voorts op dat de appreciatie van de aangevoerde medische problematiek, inclusief de beoordeling van de mogelijkheid of de noodzaak van een behandeling, overeenkom- stig artikel

, § 1, tweede lid, van de Vreemdelingenwet, alleen toekomt, aan een ambtenaar-geneesheer" - "Enkel deze ambtenaar-geneesheer kan de medische attesten inhoudelijk beoordelen (...)" blijkt verder dat de rechter in vreemdelingenzaken kennelijk de mening is toegedaan dat in de bestreden beslissing de inhoud van het medisch getuigschrift wordt beoordeeld, terwijl de beoordeling van zulke inhoud niet toekomt aan de gemachtigde, doch wel aan de ambtenaar- geneesheer. Verzoeker betwist geenszins dat de beoordeling en de appreciatie van de inhoud van het medische getuigschrift aan de ambtenaar-geneesheer toekomt. Verzoeker merkt evenwel op dat de gemachtigde op geen enkel ogenblik een inhoudelijke beoordeling van het medisch getuigschrift heeft gemaakt. Dit blijkt allerminst uit de initieel bestreden administratieve beslissing. XIV-31.174-3/12 Hoger werd reeds verwezen naar het duidelijke determinerende motief van de initieel bestreden administratieve beslissing, met name dat de aanvraag niet ontvankelijk is conform art. 7 §2 van het K.B. dd. 17.05.2007 gezien de in §1 van dit artikel vermelde documenten en inlichtingen slechts gedeeltelijk werden gevoegd, meer bepaald is er geen sprake van een specifieke medische behandeling. Dit motief is in rechte onderbouwd, doch de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat hier op geen enkel ogenblik nader op in. Het determinerende motief van de bestreden beslissing vindt nochtans duidelijk steun in de wet en in het KB., terwijl de rechter in vreemdelingenzaken een verkeerde toepassing heeft gemaakt van deze wettelijke en reglementaire bepalingen, zoals hierna ook zal blijken. Artikel

van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 stipuleert immers dat: "§ I. De in België verblijvende vreemdeling die beschikt over een identiteitsdocument en die op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft, kan een machtiging tot verblijf in het Rijk aanvragen bij de minister of zijn gemachtigde." (vetschrift en onderlijning toegevoegd) Artikel 7 van het K.B. van 17.05.2007 voormeld bepaalt vervolgens: "§l. De aanvraag van de machtiging tot verblijf bedoeld in artikel

, §l, van de wet, moet ingediend worden door middel van een aangetekend schrijven gericht aan de gemachtigde van de minister. De aanvraag gaat vergezeld van de volgende documenten en inlichtingen : 1/ hetzij een afschrift van zijn nationaal paspoort of van zijn identiteitskaart, hetzij de motivering die toelaat betrokkene vrij te stellen van deze voorwaarde op grond van artikel

, § 1, derde lid, van de wet; 2/ een medisch getuigschrift aangaande zijn ziekte bedoeld in artikel

, 51, van de wet. 3/ enige andere dienstige informatie of enig ander dienstig stuk met betrekking tot zijn ziekte waarover hij beschikt op het moment van de indiening van zijn aanvraag; § 2. Onverminderd artikel

, § 3, van de wet, verklaart de gemachtigde van de minister de aanvraag onontvankelijk indien de in § 1 vermelde documenten en inlichtingen niet of slechts gedeeltelijk bij de inleidende aanvraag werden gevoegd, of indien deze aanvraag niet werd ingediend door middel van een aangetekend schrijven." De vreemdeling dient aldus een medisch stuk voor te brengen aangaande zijn ziekte 'bedoeld in artikel

§1

'. Gezien de concrete inhoud van art.

§1

, noopt de gezamenlijke lezing van art.

§1van de Wet voormeld en art.

7 §1 van het K.B. voormeld tot de vaststelling dat uit het voorgelegde medisch stuk moet blijken dat: - de ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit; OF - de ziekte een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling; EN - er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft. Indien deze stukken niet of slechts gedeeltelijk voorliggen, wordt de aanvraag onontvankelijk verklaard. De door de vreemdeling voorgelegde stukken dienen immers van aard te zijn aan de ambtenaar-geneesheer toe te laten een medisch onderzoek ten gronde te voeren en een appreciatie te doen van de ziekte van de betrokkene, van de ernst van deze ziekte en van de behandelingsmogelijkheden in het land van herkomst. De gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid dient derhalve vooreerst na te gaan of de bij de aanvraag voorgelegde stukken voldoende zijn om aan de ambte- naar-geneesheer toe te laten een inhoudelijk onderzoek te voeren, en verklaart de aanvraag onontvankelijk indien hij vaststelt dat dit niet het geval is. De 'ziekte bedoeld in art.

§1

van de Wet' is- niet alleen de ziekte die een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling, maar is tevens de ziekte waarvoor geen adequate behandeling is in het land van herkomst of het land waar de vreemdeling verblijft. Zowel de wet als het K.B. zijn terzake duidelijk en laten geen appreciatiemarge. XIV-31.174-4/12 Indien aldus op geen enkele wijze wordt vermeld welke behandeling de betrokkene volgt of dient te volgen, is de ambtenaar-geneesheer in de onmogelijkheid om desbetreffend enig onderzoek te voeren, meerbepaald is deze alsdan niet in staat te beoordelen of er inderdaad voor de betrokkene een 'reëel risico' bestaat in de zin van de wet. Welnu, de vaststelling of dergelijke essentiële informatie al dan niet wordt vermeld in het medisch getuigschrift, maakt uiteraard geen deel uit van de appreciatie van het 'reëel risico' door de ambtenaar-geneesheer, maar wel van het onderzoek of alle nuttige inlichtingen `aangaande de ziekte bedoeld in artikel

§ 1' voorliggen.

Vanzelfsprekend hoeft men geen arts te zijn om vast te stellen dat de noodzakelijke informatie over de ziekte en de behandeling in het medisch getuigschrift ontbeert. Het is evident dat zulks niet de beoordeling van de inhoud van het medisch getuigschrift uitmaakt. Indien men de stelling van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou doortrekken, zou dit impliceren dat de gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid over geen enkele mogelijkheid zou beschikken om vast te stellen of de betrokkene een medisch getuigschrift heeft voorgebracht aangaande zijn ziekte 'bedoeld in artikel

§1

'. Immers zou de gemachtigde alsdan niet kunnen / mogen lezen of er in het medisch getuigschrift wel alle noodzakelijke informatie vermeld wordt die de ambtenaar-geneesheer nodig heeft. Zodoende zou de gemachtigde nagenoeg geen enkele aanvraag onontvankelijk kunnen verklaren, dit van zodra een medisch getuigschrift — ook al staat er niets in — wordt voorgelegd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermocht aldus niet, zonder miskenning van de wettelijke vereisten, te stellen: "De vaststelling dat in een medisch attest geen verdere toelichting verschaft wordt over de eventuele noodzaak van een toekomstige medische behandeling laat in casu niet toe de aanvraag onontvankelijk te verklaren." Dit is duidelijk niet de bedoeling van de wetgever geweest en strookt ook niet met de interpretatie en de toepassing die verzoeker sedert het in voege treden van artikel

van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen heeft gemaakt van het ontvankelijkheidsvereiste van een aanvraag o.g.v. artikel

voormeld, in deze interpretatie en toepassing ook gevolgd door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Zoals de rechter in vreemdelingenzaken zelf aangeeft, blijkt uit de medische getuigschriften die verweerder had voorgelegd niet meer dan dat "er bij verzoeker tekens zijn van chronisch nierparenchymlijden" en dat "verzoeker lijdt aan een chronische kwaal die niet verbeterbaar is". De inhoud van dit stuk is in het bestreden arrest, op pg. 4, overgenomen, zonder er op enigerlei wijze te worden tegengesproken of in twijfel te worden getrokken, en vermag als zodanig ook in graad van administratieve cassatie te worden vastgesteld. Dit stuk wordt ook als bijlage 3 aan dit verzoekschrift gehecht. Uit deze medische attesten blijkt derhalve geenszins op duidelijke wijze welke behandeling betrokkene volgt of dient te volgen, zodat de ambtenaar-geneesheer dan ook onmogelijk kan vaststellen of deze behandeling voorhanden is in het land van oorsprong. Besluitend dient dan ook te worden vastgesteld dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest met miskenning van de nochtans expliciete inhoud van de wettelijke en reglementaire bepalingen terzake heeft geoordeeld dat het gegeven dat geen enkele medische behandeling wordt vermeld niet van aard is om een aanvraag om machtiging tot verblijf o.g.v. art.

van de Wet dd. 15.12.1980 onontvankelijk te verklaren. De verwijzing naar de voorbereidende werkzaamheden in het bestreden arrest is in casu niet dienstig, gezien deze verwijzing betrekking heeft op het medisch onderzoek dat ten gronde wordt gevoerd door de ambtenaar-geneesheer en op de appreciatie van de inhoud van het medisch getuigschrift, aspecten die allen de gegrondheid van de aanvraag betreffen, terwijl dit in casu niet aan de orde is. Verzoeker wenst er volledigheidshalve tevens op te wijzen dat hij geenszins voorhoudt dat een medische behandeling aan de gang moet zijn op het ogenblik van het indienen van de aanvraag o.g.v. art.

opdat deze aanvraag ontvankelijk zou kunnen zijn. Enkel, het weze herhaald, dient melding gemaakt te worden van een behandeling teneinde aan de ambtenaar- geneesheer toe te laten te onderzoeken of deze behandeling voorhanden is in het land van oorsprong. XIV-31.174-5/12 Aldus miskende de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de duidelijke inhoud van de artikelen

van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied,- het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en 7 §§1 en 2 van het K.B. dd. 17.05.2007 door te oordelen dat er wel een medisch getuigschrift in de zin van art.

§1

voorligt en aldus de aanvraag ontvankelijk dient te worden verklaard en door te oordelen dat de gemachtigde van de Minister 'een standpunt inneemt over de gegrondheid van deze aanvraag', ook al laat het voorgelegde medisch getuigschrift aan de ambtenaar-geneesheer niet toe na te gaan of er voor de betrokkene een behandeling voorhanden is. Het eerste middel is gegrond.”; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “ Enig middel, genomen uit de schending van de materiële motiveringsplicht. Verweerder volhardt in zijn ingeroepen middelen, zoals bevestigd door de RvV. In de bestreden beslissing van de DVZ werd verkeerdelijk vermeld dat de aanvraag tot machtiging van verblijf niet vergezeld ging van een medisch getuigschrift. De DVZ verweerde zich door te stellen dat in de bestreden beslissing niet gesteld wordt dat geen enkel medisch stuk werd neergelegd, maar dat de bestreden beslissing niet werd vergezeld van documenten waaruit blijkt dat een medische behandeling werd gegeven of noodzakelijk is. Zoals tevens werd vastgesteld door de RvV voegde verweerder bij zijn aanvraag tot machtiging van verblijf op basis van artikel

een vaststellingsattest toe. In dat attest stelt een arts dat er bij verzoeker tekens zijn van chronisch nierparenchymlijden. Tevens werd een medisch getuigschrift overgemaakt waaruit duidelijk blijkt dat verweerder lijdt aan een chronische kwaal die niet verbeterbaar is en dat, op het ogenblik dat het getuigschrift werd opgesteld, nog niet kon vastgesteld worden of een medische behandeling vereist was. De gemachtigde van de minister kan dus niet voorhouden dat de nodige medische inlichtingenniet bij de aanvraag werden gevoegd. Daarbij berust de appreciatie van de aangevoerde medische problematiek, inclusief de mogelijkheid of de noodzakelijk van een behandeling bij een ambtenaar-geneesheer. De bestreden beslissing werd genomen zonder dat het advies van de ambtenaar-geneesheer werd ingewonnen. De vaststelling dat in het medisch attest geen verder toelichting werd verschaft over de toekomstige medische behandeling, laat niet toe de aanvraag onontvankelijk te verklaren. Zoals gesteld in het arrest van de RvV heeft de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid de voorgelegde bewijsstukken incorrect beoordeeld en heeft zodoende op kennelijk onredelijke wijze geoordeeld dat de aanvraag om machtiging tot verblijf om medische redenen onontvankelijk is.”; 2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het middel herhaalt; 2.1.4. Overwegende dat artikel

, §1 van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: “§ 1 De in België verblijvende vreemdeling die beschikt over een identiteitsdocument en die op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft, kan een machtiging tot verblijf in het Rijk aanvragen bij de minister of zijn gemachtigde. XIV-31.174-6/12 De vreemdeling dient alle nuttige inlichtingen aangaande zijn ziekte over te maken. De beoordeling van het bovenvermeld risico en van de mogelijkheden van behandeling in het land van oorsprong of het land waar hij verblijft, gebeurt door een ambtenaar-geneesheer 3[of een geneesheer aangeduid door de minister of zijn gemachtigde]3 die daaromtrent een advies verschaft. Hij kan zonodig de vreemdeling onderzoeken en een bijkomend advies inwinnen van deskundigen. De voorwaarde dat de vreemdeling beschikt over een identiteitsdocument is niet van toepassing op: - de asielzoeker wiens asielaanvraag niet definitief werd afgewezen of die tegen deze beslissing een overeenkomstig artikel 20 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, toelaatbaar cassatieberoep heeft ingediend en dit tot op het ogenblik waarop een verwerpingsarrest inzake het toegelaten beroep is uitgesproken; - de vreemdeling die zijn onmogelijkheid om het vereiste identiteitsdocument te verwerven in België, op geldige wijze aantoont”; Overwegende dat artikel 7, § 1 en §2 van het koninklijk besluit tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: “§ 1 De aanvraag van de machtiging tot verblijf, bedoeld in artikel

, § 1, van de wet, moet ingediend worden door middel van een aangetekend schrijven gericht aan de gemachtigde van de minister. De aanvraag gaat vergezeld van de volgende documenten en inlichtingen: 1/ hetzij een afschrift van zijn nationaal paspoort of van zijn identiteitskaart, hetzij de motivering die toelaat betrokkene vrij te stellen van deze voorwaarde op grond van artikel

, § 1, derde lid, van de wet; 2/ een medisch getuigschrift aangaande zijn ziekte bedoeld in artikel

, § 1, van de wet; 3/ enige andere dienstige informatie of enig ander dienstig stuk met betrekking tot zijn ziekte waarover hij beschikt op het moment van de indiening van zijn aanvraag; 4/ het adres van zijn feitelijke verblijfplaats in België. § 2 Onverminderd artikel

, § 3, van de wet, verklaart de gemachtigde van de minister de aanvraag onontvankelijk indien de in § 1 vermelde documenten en inlichtingen niet of slechts gedeeltelijk bij de inleidende aanvraag werden gevoegd, of indien deze aanvraag niet werd ingediend door middel van een aangetekend schrijven. In het tegenovergestelde geval geeft de gemachtigde van de minister de instructie aan de gemeente om de betrokkene in te schrijven in het vreemdelingenregister, en hem in het bezit te stellen van een attest van immatriculatie model A. Dit attest wordt ingehouden indien de betrokkene zonder geldige reden geen gevolg geeft aan een uitnodiging van de behandelende ambtenaar-geneesheer of deskundige”; Overwegende dat uit de samenlezing van voormelde bepalingen blijkt dat de verzoekende partij de aanvraag om machtiging tot verblijf in de volgende gevallen niet-ontvankelijk verklaart: - in de gevallen opgesomd in artikel

§3

van de Vreemdelingenwet, - indien de in §1 van artikel 7 van het voornoemd koninklijk besluit vermelde documenten en inlichtingen niet of slechts gedeeltelijk bij de inleidende aanvraag zijn gevoegd, - indien de aanvraag niet met een aangetekend schrijven werd verstuurd; Overwegende dat de verzoekende partij de aanvraag om machtiging tot verblijf bijgevolg niet-ontvankelijk verklaart overeenkomstig artikel 7 § 1, van het XIV-31.174-7/12 koninklijk besluit van 17 mei 2007, indien bij de aanvraag van de vreemdeling geen “medisch getuigschrift aangaande zijn ziekte bedoeld in artikel

, §1, van de wet”, is gevoegd; dat de vraag evenwel rijst wat onder het medische getuigschrift omtrent de ziekte bedoeld in artikel

, §1, dient te worden verstaan, en meer in het bijzonder of dit attest reeds de medische behandeling dient te vermelden; Overwegende dat artikel

§1

, eerste lid, van de Vreemdelingenwet melding maakt van een in België verblijvende vreemdeling die op zodanige wijze lijdt aan “een ziekte dat deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of zijn fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft”; dat hieruit blijkt dat het moet gaan om een ziekte die een reëel risico inhoudt voor het leven of de fysieke integriteit van de aanvrager of een ziekte die een reëel risico inhoudt voor een onmenselijke of vernederende behandeling én dat er geen adequate behandeling is in het land van herkomst of het land waar hij verblijft; Overwegende dat artikel

§1

, tweede lid, van de Vreemdelingenwet stelt dat de vreemdeling alle nuttige inlichtingen omtrent zijn ziekte dient over te maken; dat deze bepaling enkel spreekt over “alle nuttige inlichtingen aangaande zijn ziekte”, maar dat zij niet preciseert over welke inlichtingen het gaat; dat artikel 7, §1, 2/ van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 evenmin voorwaarden oplegt waaraan het medische getuigschrift dient te voldoen; dat bijgevolg noch uit de wet, noch uit het koninklijk besluit van 17 mei 2007 volgt dat uit het door de aanvrager neergelegde medische getuigschrift moet blijken welke behandeling wordt gevolgd of moet worden gevolgd; dat de verzoekende partij derhalve ten onrechte stelt dat haar stelling dat het medisch getuigschrift reeds dient te vermelden welke behandeling de betrokkene volgt of dient te volgen, steun vindt in zowel de wet als het koninklijk besluit; Overwegende dat in de memorie van toelichting betreffende het wetsontwerp tot wijziging van de Vreemdelingenwet, waarbij artikel

wordt ingevoegd, wordt uiteengezet dat “het onderzoek van de vraag of er een gepaste en voldoende toegankelijke behandeling bestaat in het land van oorsprong of verblijf (...) geval per geval (gebeurt), rekening houdend met de individuele situatie van de aanvrager, en wordt geëvalueerd binnen de limieten van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens” en dat “de appreciatie van de bovenvermelde elementen wordt overgelaten aan een ambtenaar-geneesheer die een advies verstrekt aan de ambtenaar die de beslissingsbevoegdheid heeft over de verblijfsaanvraag”; dat het bijgevolg de ambtenaar- XIV-31.174-8/12 geneesheer is die, naast de ernst van de ziekte, zal onderzoeken of er een adequate behandeling voor deze ziekte bestaat in het land van oorsprong of verblijf, desnoods na advies te hebben ingewonnen bij deskundigen; dat hij in dit kader zelf zal nagaan welke de gepaste behandeling is; dat het geenszins noodzakelijk is dat deze informatie reeds is vermeld in het medische getuigschrift; dat, indien de behandeling reeds zou moeten worden aangegeven in het medische attest, de ambtenaar-geneesheer zou zijn gebonden door de door de behandelende arts van de vreemdeling aangegeven behandeling, hetgeen onverenigbaar is met zijn ruimere appreciatiebevoegdheid; dat, aangezien de ambtenaar- geneesheer niet gebonden kan worden geacht door deze behandeling, het evenmin noodzakelijk is dat deze behandeling, hoewel het nuttige informatie kan zijn, reeds wordt vermeld; dat een bepaalde medische toestand bovendien in de loop van de behandeling van de aanvraag kan evolueren en dat zeker niet alleen de toestand en de eventuele behandeling of behandelingsplan op het ogenblik van de aanvraag in beschouwing moeten worden genomen; Overwegende dat uit artikel

, §1, tweede lid van de vreemdelingenwet blijkt dat de beoordeling van de mogelijkheid of de noodzaak van een medische behandeling alleen toekomt aan de ambtenaar-geneesheer; dat het ontbreken van informatie omtrent de medische behandeling bijgevolg geen aanleiding kan geven tot het niet-ontvankelijk verklaren van de aanvraag overeenkomstig artikel 7,§2 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.

  1. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Verzoeker beroept zich in een tweede middel op een schending van - de rechtsregels die de jurisdictionele motiveringsplicht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege beheersen, te weten: o art. 149 van de gecoördineerde Grondwet ; o art. 39/65, eerste lid, van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; o en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven (zie Cass. 10 november 1997, AR S.97.0050.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971110.4, Arr. Cass. 1997, 1110) ; - het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Doordat in het bestreden arrest als volgt wordt geoordeeld: - Het arrest zet onder de hoofding "
  2. Gegrondheid van het beroep" vooreerst uiteen dat de door huidig verweerder in een eerste middel aangevoerde schending van de formele motiveringsverplichting niet aannemelijk is. Vervolgens wordt vastgesteld dat huidig verweerder in een tweede middel een schending aanvoert van de materiële motiveringsverplichting. - De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zet op bijzonder summiere wijze uiteen wat de grieven van huidig verweerder zijn en welke de repliek van huidig verzoeker is. XIV-31.174-9/12 - Vervolgens citeert de rechter in vreemdelingenzaken de inhoud van de bepalingen van art.

§1van de Wet dd.

15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, evenals van art. 7 §§1 en 2 van het K.B. dd. 17.05.2007 voormeld. - Verder verwijst de rechter in vreemdelingenzaken naar de inhoud van het medisch attest, en besluit hij hieruit: "De gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid kan derhalve niet voorhouden dat de nodige medische inlichtingen niet bij de aanvraag om tot een verblijf gemachtigd te worden werden gevoegd" - De rechter in vreemdelingenzaken vervolgt: "De Raad wijst er voorts op dat de appreciatie van de aangevoerde medische problematiek inclusief de beoordeling van de mogelijkheid of de noodzaak van een behandeling, overeenkomstig artikel

, § 1, tweede lid, van de Vreemdelingenwet, alleen toekomt, aan een ambtenaar-geneesheer. Enkel deze ambtenaar-geneesheer kan de medische attesten inhoudelijk beoordelen en - indien de medische situatie van de aanvrager onvoldoende duidelijk blijkt uit de overgemaakte medische attesten - een aanvullend onderzoek (laten) doorvoeren (ParISt. Kamer 2005-2006, nr. 2478/001, 35). In casu werd de bestreden beslissing echter genomen zonder dat het advies van de ambtenaar-geneesheer. werd ingewonnen." Over de opmerkingen en repliek van de oorspronkelijk verwerende partij (huidig verzoeker) in de nota met opmerkingen dd. 13 februari 2009 wordt met geen woord gerept. Op geen enkel ogenblik blijkt dat de rechter in vreemdelingenzaken het door verzoeker desbetreffend in zijn nota met opmerkingen gevoerde betoog heeft onderzocht, laat staan beoordeeld. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dient als administratief rechtscollege echter te voldoen aan de motiveringsvereisten van art. 149 van de Grondwet, alsook van art. 39/

  1. eerste lid, van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en het algemeen rechtsbeginsel van de lurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven. (Cass. 9 oktober 1959, Arr. Verbr. 1960, concl. en Pas. 1960, I, 170 concl.) Als administratief rechtscollege heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een jurisdictionele motiveringsplicht, hetgeen inhoudt dat elk ontwikkeld middel afzonderlijk en pertinent dient te worden onderzocht en beantwoord. Als administratief rechtscollege dient de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te voldoen aan de strenge motiveringsvereisten van art. 149 van de Grondwet. (Cass. 9 oktober 1959, Arr. Verbr. 1960, concl. en Pas. 1960, I, 170 concl.; ALEN, A., Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Antwerpen, Kluwer, 1999, nr. 286 C: "De motiveringsplicht wordt beschouwd als een algemeen rechtsbeginsel, dat moet worden nageleefd door elke rechter, niet alleen door de gewone hoven en rechtbanken, maar ook door de administratieve en andere rechtscolleges, zelfs wanneer de wetten er niet uitdrukkelijk een verplichting daartoe heeft opgelegd".) De motivering van vonnissen is een wezenlijke waarborg tegen willekeur en geldt als bewijs dat de rechter de hem voorgelegde middelen zorgvuldig heeft onderzocht en zijn uitspraak beredeneerd heeft (Cass., 12 mei 1932, Pas. 1932, I, 166). De verplichting tot motiveren is een vormvereiste. Aan deze verplichting wordt evenwel niet voldaan, indien zij het Hof van Cassatie niet toelaat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen (Cass., 19 oktober 2000). Uit de motieven van het aangevochten arrest blijkt allerminst of de rechter in vreemdelingenzaken al dan niet het verweer van verzoeker, zoals uiteengezet in de nota met opmerkingen van 13 februari 2009, in overweging heeft genomen, laat staan beoordeeld. De rechter in vreemdelingenzaken antwoordt niet eens op dit verweer, zelfs niet summier Art. 780 Ger. W. schrijft voor dat een vonnis op straffe van nietigheid het antwoord op de conclusie of middelen van de partij bevat. Gezien art. 149 Grondwet, minstens het daaruit afgeleide algemeen beginsel van motivering, ook geldt voor administratieve rechtscolleges, dient een administratief rechtscollege een equivalente waarborg te bieden. Cfr. overigens specifiek art. 57/22 Wet van 15 december
  2. De motivering van een administratief rechtscollege kan dus door Uw Raad als cassatierechter, aan perfect dezelfde voorwaarden onderworpen worden, als vonnissen en arresten van de burgerlijke rechtbanken en hoven. (R.v.S. XIV-20.981-3/6) XIV-31.174-10/12 Inzake de inhoud van de jurisdictionele motiveringsverplichting, kan er verwezen worden naar ALEN, A., op cit. 286a: "de motiveringsplicht beschermt de partijen tegen mogelijke willekeur, omdat de Rechter erdoor wordt verplicht om op een duidelijke en ondubbelzinnige manier de gronden te vermelden waarop zijn beslissing steunt en om de eisen en verweermiddelen van de partijen te beantwoorden." (Cfr. HERBOTS, J., "Cassatie wegens motiveringsgebreken", T. P.R. 1971, 1-26.) Aldaar geeft HERBOTS de vier betekenissen van de motiveringsplicht met als derde betekenis "De Rechter moet een bevredigend antwoord geven aan de door partijen in hun conclusies opgeworpen middelen". Art. 149 Grondwet en het daarin vervatte algemeen beginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht, leunt uiteraard sterk aan bij de rechten van verdediging. Administratieve jurisdicties moeten de in de debatten naar voor gebrachte argumentatie ontmoeten. (VANDE LANOTTE, J. en CEREXPIE, E., De motiveringsplicht van bestuurshandelingen, Brugge, Die Keure, 1992, 11-12). De motiveringsverplichting van de rechter dient een garantie te vormen dat de door de verdediging uiteengezette middelen effectief met zorg zijn aangehoord en onderzocht. Verzoeker kan uit de motivering van het bestreden arrest evenwel niet afleiden of de rechter in vreemdelingenzaken de uiteenzetting dienaangaande van de oorspronkelijk verwerende partij mee in overweging heeft genomen bij haar beoordeling. De rechter in vreemdelingenzaken antwoordt alleszins niet op de uiteenzetting van de oorspronkelijk verwerende partij. De rechter in vreemdelingenzaken gaat voorbij aan de uiteenzetting van verzoeker in de nota met opmerkingen, en laat deze buiten beschouwing. Het gebrek aan vermelding op afdoende en gedegen wijze van de motieven op grond waarvan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tot het aangevochten arrest is gekomen, in acht genomen het verweer van de (toenmalige) verwerende partij, maakt het voor de verzoekende partij in cassatie onmogelijk om een deugdelijk verweer te voeren op het arrest en maakt het voor de Raad van State, als Cassatierechter, eveneens onmogelijk om zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, vaststelling die op zich al volstaat om tot administratieve cassatie te besluiten. (R.v.St. nr. 66.369, 22.05.1997) Er werd niet op duidelijke en ondubbelzinnige manier vermeld noch blijkt het impliciet uit de bewoordingen van het bestreden arrest dat de rechter in vreemdelingenzaken het verweer van de oorspronkelijk verwerende partij, huidig verzoeker, in overweging heeft genomen, heeft onderzocht en tot slot heeft beoordeeld. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen schendt dan ook de rechtsregels,. die zijn motiveringsplicht als administratief rechtscollege beheersen, te weten art. 149 gecoördineerde Grondwet, art. 39/65, eerste lid, Vreemdelingenwet en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven. De schending van de jurisdictionele motiveringsplicht brengt tevens, zoals hoger uiteengezet, een schending met zich mee van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Het tweede middel is gegrond.”; 2.2.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het middel herhaalt; 2.2.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij zich beperkt tot de algemene bewering dat haar betoog, uiteengezet in haar nota met opmerkingen, niet is onderzocht, laat staan beoordeeld, zonder in concreto aan te geven welke argumenten niet zijn onderzocht; dat zij verder een aantal algemene theoretische beschouwingen omtrent de jurisdictionele motiveringsplicht geeft; dat de verzoekende partij aldus evenwel geen schending van de aangehaalde bepalingen of beginselen aannemelijk maakt; dat het tweede middel ongegrond is, XIV-31.174-11/12 BESLUIT: Artikel
  5. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig juni tweeduizend en tien, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-31.174-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.932 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971110.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.