id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.935 Rolnummer: A. 191896/XIV-31050 Zaak: Arrest 205935 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-30 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-07-02 10:31 Fiche Arrest nr 205.935 van 28 juni 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 205.935 van 28 juni 2010 in de zaak A. 191.896/XIV-31.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat B. SOENEN, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 597 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 23 maart 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 23.496 van 24 februari 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 4395 van 4 mei 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 5 januari 2010 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 februari 2010; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-31.050-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat H. VAN NIJVERSEEL, die loco advocaat B. SOENEN verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché S. BOTTU, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 16 december 2007 en zich op 17 december 2007 vluchteling verklaart; dat de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 21 november 2008 een beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus neemt; Overwegende dat de verzoekende partij op 15 december 2008 tegen die weigeringsbeslissing beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met een arrest van 24 februari 2009 verwerpt; dat dit het bestreden arrest is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending van artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) opwerpt; dat zij die bepaling citeert en aanvoert dat de motivering faalt omdat de arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet alleen de concrete feiten maar ook de toepasselijke rechtsregels moeten vermelden, evenals de wijze waarop de toepassing van die regels op de feiten tot de uiteindelijke beslissing heeft geleid, dat met het bestreden arrest het recht op subsidiaire bescherming wordt ontzegd omdat er voor burgers van het district Nili in de provincie Daikundi geen reëel risico op ernstige schade zou bestaan vermits dat district niet op de lijst van onveilige regio’s van het UNHCR voorkomt, dat de situatie in het land van herkomst, Afghanistan, en niet de recente verblijfplaats als uitgangspunt moet worden genomen, dat het onderzoek door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zeer eenzijdig is gebeurd door enkel de adviezen van het UNHCR met betrekking tot het district van de verzoekende partij te onderzoeken, dat er volgens de website Wikipedia wel problemen in Daikundi en in Nili zijn, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet heeft geantwoord op de informatie van de verzoekende XIV-31.050-2/5 partij over de onveiligheid in Nili, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen evenmin heeft geantwoord op de grief van de verzoekende partij dat zij enkel door onveilige gebieden naar Nili kan terugkeren, dat aldus selectief gebruik wordt gemaakt van het advies van het UNHCR, dat de verzoekende partij wel degelijk voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt vermits de veiligheidsmacht ISAF bevestigt dat de veiligheidssituatie in Afghanistan snel achteruitgaat en vermits uit een rapport van het CSIS van 23 februari blijkt dat de situatie in het zuiden en het oosten het gevaarlijkst is maar ook in Kabul, in het noorden en in de centrale provincies verslechterd is, dat de onveiligheid van een terugkeer naar Afghanistan of naar bepaalde gebieden ervan ook uit verslagen van Amnesty International blijkt, dat het Belgische ministerie van Buitenlandse Zaken het toenemend geweld bevestigt, dat de dreiging van een algemene situatie voor de gehele bevolking in het licht van de subsidiaire bescherming volstaat, zonder dat de gronden voor vrees specifiek voor de aanvrager moeten gelden, dat een” veilige terugweg” gegarandeerd moet zijn, dat er volgens het advies van het UNHCR enkel onveilige gebieden grenzen aan de regio van de verzoekende partij, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daar geen aandacht aan heeft geschonken en dat het aangrenzende district volledig onder controle van de Taliban staat; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord haar informatie over het district Nili en het aangrenzende district Gezab citeert en aanvoert dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen haar informatie selectief hanteert door er wel naar te verwijzen om te stellen dat in Daikundi hoofdzakelijk Hazara woonachtig zijn maar niet met betrekking tot de (on)mogelijkheid van een veilige terugweg en dat dit ook in strijd is met het rapport van het UNHCR van 8 oktober 2008; 2.
- Overwegende dat het enige middel uitsluitend betrekking heeft op de weigering van de subsidiaire beschermingsstatus, zodat het ook enkel in die mate wordt onderzocht; Overwegende, waar de verzoekende partij aanvoert dat voor het al dan niet toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus als uitgangspunt “het land van herkomst, NIET de recente verblijfplaats” geldt, dat artikel 48/5, § 3, van de Vreemdelingenwet het volgende bepaalt: “Er is geen behoefte aan bescherming indien er in een deel van het land van herkomst geen gegronde vrees bestaat voor vervolging of geen reëel risico op ernstige schade, en indien van de verzoeker redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij in dat deel van het land blijft. XIV-31.050-3/5 Er wordt rekening gehouden met de algemene omstandigheden in het land en met de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen.”; Overwegende dat derhalve, anders dan de verzoekende partij voorhoudt, wel rekening kan worden gehouden met de toestand in het deel van het land waar de aanvrager normaal verblijft en met zijn persoonlijke omstandigheden, ook al is geen bewijs van een individuele bedreiging vereist; Overwegende dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift tot beroep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had aangevoerd dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen selectief tewerk ging bij de analyse van de veiligheidssituatie, dat de mogelijkheid van een veilige terugweg niet was onderzocht en dat “het gezien de situatie in Afghanistan, de regio van verzoeker, de afwezigheid van een veilige terugweg niet meer dan terecht is dat de verzoeker de subsidiaire bescherming wordt toegekend”; dat de verzoekende partij die stelling niet nader heeft gestaafd of ontwikkeld; dat in het bestreden arrest in antwoord daarop wordt gesteld dat de aanvrager dient aan te tonen dat hij nood aan subsidiaire bescherming heeft, hetgeen in casu niet is gebeurd, dat het district Nili, vanwaar de verzoekende partij afkomstig is, niet als onveilig in de lijst van het UNHCR wordt vermeld, dat volgens het gehoorverslag een broer, twee zussen en een schoonbroer van de verzoekende partij in Nili verblijven, dat de antwoordnota van CEDOCA aan de hand van verschillende nationale en internationale bronnen werd opgesteld en dat de verzoekende partij niet met concrete elementen het verkeerde of selectieve gebruik van informatie van het UNHCR aantoont; dat, waar de verzoekende partij zich in haar verzoekschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tot algemene beweringen heeft beperkt, het voormelde antwoord in het bestreden arrest voldoet aan de vereisten van de motiveringsplicht als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen; dat de informatie waarnaar de verzoekende partij thans in de memorie van wederantwoord verwijst, niet als dusdanig voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen werd aangevoerd, zodat deze laatste er in het bestreden arrest ook niet op moest antwoorden; dat het enige middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij met de verwijzing naar bepaalde verslagen tracht aan te tonen dat de situatie in haar district in Afghanistan onveilig is en dat ook de terugweg daarheen binnen Afghanistan onveilig is; dat de verzoekende partij aldus een nieuwe feitelijke appreciatie vraagt, terwijl de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden; dat het enige middel in die mate niet-ontvankelijk is, XIV-31.050-4/5 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig juni tweeduizend en tien, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-31.050-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.935 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.