id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.047 Rolnummer: A. 191924/XIV-30994 Zaak: Arrest 206047 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-08-04 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-07-02 10:48 Fiche Arrest nr 206.047 van 29 juni 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 206.047 van 29 juni 2010 in de zaak A. 191.924/XIV-30.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat L. DENYS, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat 154 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Migratie- en Asielbeleid, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Roemeense nationaliteit, op 24 maart 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 23.601 van 25 februari 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 4265 van 1 april 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 1 februari 2010 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 maart 2010; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-30.994-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. ROBERT, die loco advocaat L. DENYS verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat M. JOPPEN, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij op 25 augustus 2008 een aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijde- ring van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) indient; dat de minister van Migratie- en Asielbeleid op 08 september 2008 een beslissing tot weigering van de vestiging met bevel om het grondgebied te verlaten neemt; Overwegende dat de verzoekende partij op 26 september 2008 tegen de voornoemde weigeringsbeslissing beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met een arrest van 25 februari 2009 verwerpt; dat dit het bestreden arrest is; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang met artikel 26 van het BUPO-verdrag, van artikel 149 van de Grondwet en van artikel 39/65 van de Vreemdelingenwet opwerpt; dat zij dit als volgt toelicht: “In zijn eerste middel voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had verzoeker opgeworpen dat er een discriminerende behandeling bestaat tussen de vreemdeling, zoals verzoeker, die het voorwerp is van een verwijderingsmaatregel ten gevolge van artikel 25/2 van het K.B. van 8 oktober 1981 enerzijds, en van een verwijderingsmaatregel ten gevolge van toepassing van artikel 25, § 2 van hetzelfde K.B. Het bestreden arrest beweert dat verzoeker niet met feitelijke en concrete gegevens aantoont dat gelijke gevallen ongelijk werden behandeld, dat verzoeker enkel de nietigverklaring vordert van de weigering van de aanvraag om machtiging tot verblijf en niet van het bevel om het grondgebied te verlaten van 3.3.2008; verzoeker toont niet aan dat verweerder verkeerdelijk toepassing heeft gemaakt van artikel 25/2, § 3 van het K.B. van 8 oktober
- In zijn beroep tot nietigverklaring haalt verzoeker op bladzijde 3 de tekst aan van de bestreden beslissing. De laatste zin daarvan luidt als volgt: "Bijgevolg dient betrokkene gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten, hem betekend op 3/3/2008". Eigenaardig genoeg is deze laatste zin in het bestreden arrest bladzijde 2 bovenaan weggevallen. XIV-30.994-2/6 De bestreden beslissing van tegenpartij houdt dus wel degelijk een verwijderingsmaatregel in, daar ze verzoeker oplegt om het grondgebied te verlaten door gevolg te geven aan het bevel hem afgegeven op 3.3.
- Dat het bevel om het grondgebied te verlaten van 3.3.2008 niet werd bestreden, doet niet terzake, nu de weigering van de aanvraag om machtiging tot verblijf zelf verzoeker oplegt om het grondgebied te verlaten. Het bevel van 3.3.2008 was overigens bestreden in het eerste beroep ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Door te stellen dat verzoeker niet aantoont dat verweerder bij het nemen van de weigeringsbeslissing artikel 25/2, § 3 voornoemd, verkeerd heeft toegepast, toont het bestreden arrest aan dat er een verkeerde lezing werd gemaakt van het middel. Het middel strekt er immers niet toe om te zeggen dat artikel 25/2, § 3 geschonden werd, maar wel dat er een discriminerend onderscheid bestaat tussen artikel 25/2, § 3 enerzijds en van artikel 25/2 van het K.B. van 8.10.1981 anderzijds. Zoals op bladzijde 2 van het arrest wordt vermeld, betoogt verzoeker in dit verband dat in het ene geval een bijlage 13 wordt afgegeven en in het andere geval een bijlage 14, terwijl tegen een bijlage 14 een schorsend beroep kan worden ingediend en tegen een bijlage 13 niet, waardoor er een ongelijke behandeling is en terwijl verzoeker heeft aangetoond in de motivering van het middel in het beroep tot nietigverklaring dat de gevallen gelijk zijn daar ze allebei genomen zijn in uitvoering van artikel 9, 2de lid, van de Vreemdelingenwet. Het bestreden arrest is bijgevolg niet gemotiveerd daar het niet toelaat te weten waarom het middel van verzoeker verworpen wordt. Hierdoor worden artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de Vreemdelingenwet geschonden. Door niet de discriminatie vast te stellen door verzoeker aangetoond, worden eveneens de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang met artikel 26 BUDO-verdrag geschonden.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “
- "het middel dat werd ontwikkeld in de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet dienstig is, daar het niet werd gericht tegen de oorspronkelijke beslissing". Of een middel dienstig werd ingeroepen in de procedure voor de RvV werd beoordeeld door deze administratieve rechtbank, die hierover niets besliste, waardoor verweerder dit niet kan inroepen voor de Raad van State, vermits het geen deel uitmaakt van de motivering van het bestreden arrest.
- dat het middel niet gericht werd tegen de bijlage 13 van 3.3.
- Dit doet niet ter zake, zoals reeds hierboven werd aangetoond. Essentieel is dat in de bestreden beslissing verzoeker opgelegd wordt om gevolg te geven aan een bevel om het grondgebied te verlaten, op 3.3.2008 afgegeven onder de vorm van een bijlage 13, en dat verzoeker geen verwijderingsmaatregel ontvangt onder de vorm van een bijlage 14, waardoor discriminatie ontstaat. Verweerder heeft niet betoogd voor de RvV dat de verplichting waarvan sprake in de bestreden beslissing om het grondgebied te verlaten een zuiver bevestigende beslissing zou zijn van het bevel van 3.3.2008, wat het ook niet is daar ondertussen verweerder de vraag om in België te verblijven aan een nieuw onderzoek heeft onderworpen, wat precies het voorwerp uitmaakt van de bestreden beslissing.
- op blz. 4 van de memorie van antwoord betoogd verweerder dat er geen discriminatie is. Hierbij geeft verweerder een motivering die geen deel uitmaakt van het bestreden arrest, en verweerder kan dan ook niet het gebrek aan motivering in het bestreden arrest vervangen door een eigen motivering ingeroepen in het raam van een cassatieberoep bij de Raad van State.”; XIV-30.994-3/6 2.1.
- Overwegende dat de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bestreden beslissing van de minister van Migratie- en Asielbeleid van 8 september 2008 geen bevel om het grondgebied te verlaten bevat; dat in die beslissing enkel wordt gesteld dat de verzoekende partij gevolg dient te geven aan het eerder betekend bevel om het grondgebied te verlaten van 3 maart 2008; dat de verwijzing naar een eerder bevel, zonder een nieuw bevel te bevatten, betekent dat de beslissing van 8 september 2008 zelf geen verwijderingsmaatregel bevat; dat dergelijke verwijzing geen rechtsgevolgen heeft; Overwegende dat in het bestreden arrest terecht wordt overwogen dat het voorwerp van het beroep tot nietigverklaring enkel de beslissing tot weigering om machtiging tot verblijf van 8 augustus 2009 is en niet het bevel om grondgebied te verlaten van 3 maart 2008; dat aldus is voldaan aan de motiveringsplicht als vormvereiste voor juridisctionele beslissingen; dat de verzoekende partij derhalve geen schending van artikel 149 van de Grondwet of van artikel 39/65 van de Vreemdelingenwet aannemelijk maakt; dat het eerste middel in die mate ongegrond is; Overwegende, nu in het bestreden arrest op wettige wijze is vastgesteld dat de bestreden beslissing van 8 september 2008 geen bevel om het grondgebied te verlaten bevatte, dat de verzoekende partij wat dat betreft niet dienstig naar een eventueel discriminerend onderscheid tussen enerzijds artikel 25/2, § 3 en anderzijds artikel 25, § 2, van het Vreemdelingenbesluit kan verwijzen; dat die bepalingen allebei betrekking hebben op een bevel om het grondgebied te verlaten, hetgeen in casu niet aan de orde is; dat de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van artikel 26 van het BUPO- verdrag wat betreft een eventueel discriminerend onderscheid tussen een bevel om het grondgebied te verlaten op basis van artikel 25/2, § 3, dan wel artikel 25, § 2, van het Vreemdelingenbesluit dus evenmin dienstig kan worden aangevoerd en dat het eerste middel in die mate niet-ontvankelijk is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, (E.V.R.M.) van artikel 149 van de Grondwet en van artikel 39/65 van de Vreemdelingenwet opwerpt; dat zij dit als volgt toelicht: “In zijn tweede middel van het verzoekschrift tot nietigverklaring voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had verzoeker aan de beslissing van tegenpartij verweten artikel 8 EVRM te schenden. In zijn arrest betwist de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet dat er tussen verzoeker en zijn gezinsleden in België, met name zijn moeder en zijn zuster, een gezinsleven bestaat. XIV-30.994-4/6 Het middel wordt enkel verworpen omwille van het feit dat het verzoekschrift tot nietigverklaring enkel als voorwerp zou hebben de verwerping van een aanvraag om machtiging tot verblijf, en niet een bevel om het grondgebied te verlaten, terwijl een weigeringsbeslissing geen verwijderingsmaatregel in houdt, zodat een schending van artikel 8 voornoemd niet dienstig wordt aangevoerd. Zoals in het eerste middel betoogd, houdt de bestreden beslissing (in de laatste zin) wel degelijk een verwijderingsmaatregel in, zodat het bestreden arrest de motiveringsplicht schendt, alsmede artikel 8 EVRM, daar de beslissing van tegenpartij waartegen het beroep tot nietigverklaring ingediend, wel degelijk inhoudt dat verzoeker niet kan blijven bij zijn gezinsleden in België en dit land moet verlaten.”; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “In de memorie van antwoord betoogt verweerder dat de bestreden beslissing geen verwijdering van het grondgebied inhoudt, hetgeen geheel onjuist is zoals hierboven aangetoond. Verweerder verklaart ook dat verzoeker niet aantoont hoe de art 39/65 Vw. en 149 GW, zijnde de motiveringsplicht, geschonden zou zijn, terwijl het middel wel degelijk inhoudt dat aan het bestreden arrest verweten wordt niet te antwoorden op het middel ingeroepen in het annulatieberoep dat de bestreden beslissing een verwijderingsmaatregel inhoudt.”; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij opnieuw de voorgehouden verwijderingsmaatregel aanhaalt; dat naar de behandeling van het eerste middel hierboven kan worden verwezen waarin is gesteld dat in het bestreden arrest terecht het ontbreken van een verwijderingsmaatregel in de aanvankelijk bestreden beslissing van 8 september 2008 kon worden vastgesteld; dat met die vaststelling aan de motiveringsplicht als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen is voldaan; dat een schending van artikel 8 van het E.V.R.M. niet aan de orde is, precies bij gebrek aan een verwijderingsmaatregel in de beslissing waarop het bestreden arrest betrekking heeft; dat het tweede middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-30.994-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig juni tweeduizend en tien, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.994-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.047 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.