id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.069 Rolnummer: A. 128117/X-11155 Zaak: Arrest 206069 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-30 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-07-02 10:51 Fiche Arrest nr 206.069 van 29 juni 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 206.069 van 29 juni 2010 in de zaak A. 128.117/X-11.155. In zake: Jan CREVE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Matthias Storme kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen en bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Igor Rogiers kantoor houdend te 9270 KALKEN Kalkendorp 17a tegen: 1. de gemeente BEVEREN 2. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hugo Sebreghts kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de n.v. VAN WELLEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carlos De Wolf kantoor houdend te 9680 MAARKEDAL Etikhovestraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 16 oktober 2002, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 12 augustus 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Beveren houdende afgifte van de stedenbouwkundige vergunning voor het oprichten van een asfalt- en betoncentrale met steenslagbehandeling op een perceel gelegen te Beveren-Doel, Blikken-haven 1748, kadastraal bekend sectie E, nrs. 209/2, 243/2, 243/3, 243/4 en 243/5. X-11.155-1/29 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 120.599 van 13 juni 2003 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Bij arrest nr. 192.692 van 27 april 2009 worden de debatten heropend en wordt het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek. Adjunct-auditeur An Van den broeck heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 maart 2010. Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaten Matthias Storme en Igor Rogiers, die verschijnen voor de verzoekende partij, advocaten Hugo Sebreghts en Sven Vernaillen, die verschijnen voor de verwerende partijen, en advocaat Carlos De Wolf, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. X-11.155-2/29 III. Feiten 3. Wat de feitelijke gegevens van de zaak betreft, kan worden volstaan met het verwijzen naar de uiteenzetting ervan in het arrest nr. 192.692 van 27 april 2009. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 4.1. In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van: - de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (hierna: de vogelrichtlijn), in het bijzonder de artikelen 1, 3.1 en 3.2, 4.1, 4.2, 4.4 en 13; - de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: de habitatrichtlijn), in het bijzonder artikel 3.1, artikel 5, artikel 6, artikel 7, artikel 9 en artikel 11; - het besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 1988 tot aanwijzing van speciale beschermingszones in de zin van artikel 4 van de vogelrichtlijn, meer bepaald voor zover het vogelrichtlijngebied nr. 13 “Schorren en Polders van de Beneden- Schelde” wordt aangewezen; - het besluit van de Vlaamse regering van 14 februari 1996 tot aanwijzing van de habitatrichtlijngebieden in de zin van de habitatrichtlijn; - artikel 1 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet); - de algemene zorgvuldigheidsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur; - voor zover van toepassing, de artikelen 36bis en 36ter van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. 4.2. Wat betreft het “belang bij het eerste middel” zet de verzoeker in het verzoekschrift uiteen wat volgt: “Samenvatting 1. De bouwvergunning is onwettig wegens strijdigheid met Europese rechtsnormen, met name met de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (HRL), evenals de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 X-11.155-3/29 inzake het behoud van de vogelstand (VRL). Er is ook strijdigheid met het Verdrag van Bern van 19 september 1979 (zie daarvoor het tweede middel). 2. De bouwvergunningen en de werken vinden plaats in gebieden die bij Besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 1988 als speciale beschermingszone onder vogelrichtlijn (afgekort SBZ-V) werden aangeduid. De noodzaak van deze bescherming is niet langer betwist en werd door de Vlaamse overheid in antwoord op de Europese Commissie toegegeven. Dit wordt bevestigd in het advies van de gemachtigde ambtenaar dd. 5 augustus 2002 en in het advies van de Afdeling Natuur dd. 25 juli 2002. 3. De bestreden beslissing houdt de aantasting en vernietiging mee van een aantal leefgebieden, die onder deze vogelrichtlijn. Aan de voorwaarden om een dergelijke aantasting conform het Europees recht toe te staan is in het geheel niet voldaan: Genoemde richtlijnen waren op het ogenblik van de vergunning, i.e. na 21 c.q. 10 jaar, nog steeds niet omgezet in de Vlaamse wetgeving. De Belgische Staat en het Vlaams Gewest zijn reeds door de Europese Commissie gedagvaard voor het Hof van Justitie EG wegens de niet omzetting van de Habitatrichtlijn in intern recht (zaak C-324/01), en wegens het ontbreken van een beschermingsregime bij het aanwijzen van vogelrichtlijn (C-451/01). Welnu, het is een regel van Europees recht dat een lidstaat (of deelstaat) niet kan profiteren van zijn eigen nalatigheid en evenmin een beroep kan doen op een uitzondering op een bepaalde regeling wanneer men niet de eerst de regeling zelf naleeft. Dit wil meer bepaald zeggen dat de Vlaamse overheid géén beroep kan doen op een uitzondering die zij volgens een richtlijn mag voorzien in haar wetgeving, zolang zij die richtlijn en die uitzondering niet effectief in haar wetgeving heeft opgenomen. Aangezien de uitzondering van art. 6 Habitatrichtlijn niet is opgenomen in de Vlaamse wetgeving vóór het Decreet van 19 juli 2002 (B.S. 31 augustus 2002) mocht de Vlaamse overheid er zich niet op beroepen. Bovendien is aan de door art. 6 van de Habitatrichtlijn gestelde voorwaarden voor aantasting niét voldaan, omdat - er geen passende beoordeling is gebeurd; - er zijn geen compensaties, laat staan dat er een voorafgaandelijke realisatie van de compensaties is voorgeschreven, terwijl uit de Europese regels duidelijk volgt dat een gelijktijdige realisatie niet volstaat en de alternatieve leefgebieden en habitats vooraf moeten worden gerealiseerd (zie het reeds geciteerde auditoraatsrapport inzake het intussen geschorste gewestplanbesluit dd. 8 september 2000 en de reeks ingebrekestellingen door de Europese Commissie); 0. Belang hij het eerste middel. Mocht verwerende partij betwisten dat verzoekende partij belang heeft bij dit middel, dan moet het volgende worden opgemerkt. Voor dit middel kan het belang reeds worden afgeleid uit het belang bij de vordering. Het belang vloeit tevens voort uit volgende vaststellingen: Het wegvallen van het statuut SBZ c.q. het aantasten van SBZ, heeft verschillende verstrekkende gevolgen. Dit statuut maakt(
- e)immers het gebied onaantastbaar. Verzoeker is er komen wonen na de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn, dus op een ogenblik dat de quasi-onaantastbaarheid van het gebied was vastgelegd. Het wegvallen van het statuut van SBZ, dan wel de aantasting c.q. vernieling ervan, maakt tevens het keurslijf voor de Vlaamse overheid inzake ruimtelijke ordening minder streng: dit heeft een ernstige aantasting van rechtszekerheid voor verzoekers tot gevolg. Zoals gezegd heeft de bescherming als vogelrichtlijngebied zeer belangrijke rechtsgevolgen. X-11.155-4/29 Zo bv. de verplichting in art. 3.2.b inzake ruimtelijke ordening overeenkomstig de ekologische eisen van leefgebied. Ook is er concreet een zeker jachtverbod in vogelrichtlijnen. Er is een verbod op loodhagel. Er is een milieu-effectenrapportage-plicht voor werken die waterhuishouding beïnvloeden. Er is een verstrengde bemestingsnormen-uitrijregeling in het kader van het MAP. Enz... Verzoeker verliest deze bescherming door de bestreden beslissing. Zij verliezen tevens het unieke landschap waarvoor zij destijds kozen. Er gewezen worden op het gevolg van een SBZ voor het behoud van het landschap en de landschapselementen, doordat er een vergunning vereist is voor vegetatiewijzing ingevolge art. 9 van het Besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998. Zowel de feitelijke gevolgen als de rechtsgevolgen zijn dus verregaand. Een SBZ-V staat borg voor een tamelijk goede leef- en woonkwaliteit, aangezien er nu eenmaal een belangrijke instandhoudingsplicht is ten aanzien van dergelijke gebieden (zie onder meer art. 4.1 en art. 13 van de Vogelrichtlijn en art. 6.1 en 11 van de Habitatrichtlijn). Het gaat hier dus om een sociaal gezien gunstig nevenaspect. Het vogelrichtlijngebied kan als een soort bufferzone worden beschouwd. Vermeld moet ook nog worden dat een gevariëerde en rijke vogelstand bijdraagt tot een beter evenwicht in de agrarische huishoudens (verzoeker boert op kleine schaal, bv. tal van vogels bestrijden insecten in weilanden en akkers), en een aangenamer leven. Verzoekende partij heeft bovendien het vereiste belang alleen al daardoor dat volgens art. 23 derde lid, 4° Grondwet éénieder recht heeft op de bescherming van een gezond leefmilieu, en de Vlaamse overheid krachtens art. 1.2.1. van het Vlaams decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid jegens onder meer verzoekers de verplichting heeft om in al haar beslissingen een hoog niveau te garanderen van bescherming van mens en milieu - en in het bijzonder van de ecosystemen die betrekking hebben op de voedselvoorziening, de gezondheid en de andere aspecten van het menselijk leven - tegen milieuverontreiniging of onttrekking (van bodem, water, lucht of licht)”. 4.3. De verwerende partijen werpen in hun memorie van antwoord een exceptie van niet ontvankelijkheid wegens gebrek aan belang bij het middel op, die zij uiteenzetten als volgt: “36. Iedere verzoekende partij die zich tot Uw Raad wendt, moet niet enkel (algemeen) laten blijken van belang bij het instellen van de procedure zelf, doch dient tevens over een belang te beschikken bij ieder van de ingeroepen middelen. 37. Verzoekende partij start de bespreking van het eerste middel met een poging om haar belang bij dit middel aan te tonen (...). De argumentatie die terzake door verzoekende partij wordt gevoerd kan niet overtuigen. 38. Het is vaste rechtspraak van de Raad van State dat een verzoekende partij een persoonlijk belang moet hebben bij de aanvechting van een administratieve rechtshandeling. Uit deze vereiste van een persoonlijk belang vloeit voort dat er een voldoende geïndividualiseerd verband moet bestaan tussen de bestreden beslissing en de verzoekende partij zelf. Dit is ingegeven X-11.155-5/29 vanuit de idee om een actio popularis uit te sluiten, zijnde de mogelijkheid voor een burger om op te komen ‘voor het belang van allen’. De wetgever heeft deze mogelijkheid trouwens zelf uitgesloten. 39. Verzoekende partij heeft allerminst een persoonlijk belang bij onderhavig middel. Het doel van de Vogel- en Habitatrichtlijn is namelijk de instandhouding van de natuurlijke in het wild levende vogelsoorten en het inrichten van beschermingszones om deze instandhouding te verzekeren. De doelstellingen van de 2 richtlijnen worden hieronder kort geparafraseerd. 40. Wat betreft de Vogelrichtlijn (verkort): ‘RICHTLIJN van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (79/409/EEG) DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 235, Overwegende dat in de verklaring van de Raad van 22 november 1973 betreffende een actieprogramma van de Europese Gemeenschappen op het gebied van het milieu wordt voorzien in specifieke acties voor de vogelbescherming, (...); Overwegende dat een groot aantal in het wild levende vogelsoorten op het grondgebied van de Gemeenschap een achteruitgang van hun populatie vertonen die bij bepaalde soorten zeer snel verloopt, en dat deze achteruitgang een ernstige bedreiging vormt voor het behoud van het natuurlijk milieu, met name wegens het biologisch evenwicht dat hierdoor wordt bedreigd; Overwegende dat de natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten voor het overgrote deel trekvogels zijn, dat dergelijke soorten een gemeenschappelijk erfgoed vormen en dat de doeltreffende bescherming van de vogels een typisch grensoverschrijdend milieuvraagstuk is dat een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid impliceert; Overwegende dat de te treffen maatregelen van toepassing dienen te zijn op de verschillende factoren die van invloed kunnen zijn op het populatieniveau van de vogels, namelijk de weerslag van de activiteiten van de mens, en met name de vernietiging en de verontreiniging van hun verblijfplaatsen, het vangen en vernietigen door de mens en de handel die uit deze praktijken voortvloeit, en dat het nodig is deze maatregelen aan te passen aan de situatie van de verschillende soorten in het kader van een op hun instandhouding gericht beleid; Overwegende dat het voor het behoud van alle vogelsoorten noodzakelijk is verblijfplaatsen te beschermen, in stand te houden of te herstellen die voldoende gediversifieerd zijn en qua oppervlakte toereiken; dat voor bepaalde vogelsoorten speciale beschermingsmaatregelen ten aanzien van de verblijfplaats dienen te worden getroffen om hun voortbestaan en voortplanting in het verspreidingsgebied veilig te stellen; dat bij deze maatregelen ook de trekvogels inbegrepen zouden moeten worden, en dat deze maatregelen gecoördineerd dienen te worden met het oog op de vorming van een coherent geheel; HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD : Art. 1. 1. Deze richtlijn heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lid-Staten waarop het Verdrag van toepassing is. Zij betreft de bescherming, het beheer en de regulering van deze soorten en stelt regels voor de exploitatie daarvan. 2. Deze richtlijn is van toepassing op vogels, hun eieren, hun nesten en hun leefgebieden. X-11.155-6/29 3. Deze richtlijn is niet van toepassing op Groenland.’ 41. Wat betreft de Habitatrichtlijn (verkort): ‘RICHTLIJN 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (79/409/EEG) DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 130 S, (...) Overwegende dat behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, met inbegrip van de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, een wezenlijk doel van algemeen belang is waarnaar de Gemeenschap overeenkomstig artikel 130 R van het Verdrag streeft; Overwegende dat de natuurlijke habitats op het Europese grondgebied van de Lid-Staten steeds meer achteruitgaan en dat een toenemend aantal wilde soorten ernstig bedreigd is; dat het noodzakelijk is op communautair niveau maatregelen te nemen voor de instandhouding van de bedreigde habitats en soorten, aangezien deze tot het natuurlijk erfgoed van de Gemeenschap behoren en de bedreiging voor hun voortbestaan vaak van grensoverschrijdende aard is; Overwegende dat er speciale beschermingszones moeten worden aangewezen om volgens een welbepaald tijdschema een coherent Europees ecologisch netwerk tot stand te brengen, ten einde het herstel of de handhaving van de natuurlijke habitats en soorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te waarborgen; Overwegende dat elk plan of programma dat een significant effect kan hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van een aangewezen gebied of een gebied dat in de toekomst aangewezen zal zijn, op passende wijze moet worden beoordeeld; HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD : (...) Definities Art. 2. 1. Deze richtlijn heeft tot doel bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het instandhouden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de Lid-Staten waarop het Verdrag van toepassing is. 2. De op grond van deze richtlijn genomen maatregelen beogen de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantensoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. 3. In de grond van deze richtlijn genomen maatregelen wordt rekening gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden.’ 42. Het lijdt geen twijfel dat de Vogel - en Habitatrichtlijn werden ingevoerd uit hetzij algemeen belang, hetzij het belang van de vogelsoorten in het bijzonder. Verzoekende partij lijkt aldus met huidige procedure op te komen voor hetzij een algemeen belang, hetzij het belang van de vogelsoorten. Het is vaste rechtspraak van de Raad van State dat een beroep ter bescherming van het algemeen belang wordt uitgesloten. (...) 44. Verzoekende partij doet niet blijken van een bijzondere hoedanigheid die haar het recht zou toekennen op ontvankelijke wijze op te komen voor het algemeen belang. Haar verzoekschrift, of toch minstens het eerste middel, is een ontoelaatbare actio popularis. De ‘vertaling’ ervan naar ‘aantasting van het leefklimaat’ is niet aanvaardbaar. Er is immers geen geïndividualiseerd belang X-11.155-7/29 zoals reeds in het algemeen m.b.t. de vordering is aangetoond. Er is geen uitzicht op de vergunde werken, er is geen visuele hinder. Er is geen van het algemene havengeluid te onderscheiden geluidshinder (dat zou trouwens geen stedenbouwkundige doch een milieuhinder zijn). De afstand tot de vergunde werken is te groot. Het leefklimaat wordt niet meer aangetast dan door de haven in het algemeen. 45. Moest geoordeeld worden dat de Vogel - en Habitatrichtlijn enkel werden ingevoerd ter bescherming van de vogelsoorten en niet in het algemeen belang, dan moet opgemerkt worden dat verzoekende partij geen vertegenwoordiger is van een VZW of andere vereniging die als statutair doel de bescherming van vogelsoorten heeft. De bescherming van vogelsoorten is vreemd aan het belang van verzoekende partij. 46. In beide gevallen is huidig middel, dat een schending aanvoert van de Vogel - en Habitatrichtlijn, onontvankelijk wegens gebrek aan persoonlijk, geïndividualiseerd belang. 47. In de bespreking van haar belang stelt verzoekende partij op pagina 25 van haar verzoekschrift verder dat het wegvallen van het statuut SBZ verschillende verstrekkende gevolgen heeft. Zij haalt in het midden van het blad een aantal voorbeelden van beschermingsmaatregelen die wegvallen: verbod op jacht, op loodhagel, MER als waterhuishouding wordt beïnvloed, verstrengde bemestingsnormen ... maar vergeet eraan toe te voegen dat geen enkele ervan in casu concreet van toepassing was. Ter weerlegging van deze stelling moet bovendien uitdrukkelijk benadrukt worden dat het statuut SBZ niet wordt opgeheven door de bestreden beslissing! Alle maatregelen die gelden in dit gebied, blijven onverkort van kracht. Verzoekende partij geeft hier dat ook een volledig foute voorstelling van de werkelijkheid. Er wordt gesteld dan men is komen wonen ná de aanduiding tot SBZ in een uniek landschap. Verwonderlijk, in dat uniek landschap is men de industrialisatie aan het voorbereiden sedert het begin van de jaren ’80. De bewustwording is blijkbaar slechts laat ontwaakt. Overigens is er een passende beoordeling plaatsgevonden zoals hierna wordt aangetoond, en zijn er natuurcompensaties hiervoor vergund en worden ze aangelegd. Het betreft een passende beoordeling in de zin van art. 6, lid 3, van de Habitatrichtlijn. 48. Zelfs als het statuut van SBZ zou weggevallen zijn, of dat het statuut zou aangetast zijn, dan nog brengt de bestreden beslissing hem geen nadeel toe. Indien aldus wordt geoordeeld dat het statuut van SBZ zou weggevallen c.q. aangetast zijn, is dit immers niet het gevolg van de bestreden beslissing zelf. Verzoekende partij meent dan ook ten onrechte dat door de bestreden beslissing aan het omstreden terrein een industriële bestemming gegeven wordt. Het terrein waarop de werken gepland zijn heeft reeds sedert 1978 (gewestplan Sint-Niklaas-Lokeren) een industriële bestemming, en bovendien, werd deze industriële bestemming altijd bevestigd. 49. Als er al sprake is van een beslissing die, zoals verzoekende partij stelt, het statuut van SBZ-V doet wegvallen, betreft het hierbij de vroegere ophoging van het terrein tot 5 à 6 meter boven het oude maaiveld, de beslissing waarbij vergunning werd verleend om het bestaande terrein verder bouwrijp te maken door ontbossing en afwerking van de ophoging. Immers, door deze vergunning werd het bestaande terrein in zijn volledigheid uitgebouwd en omgevormd tot industriegebied. De basisuitvoering ervan met aanleg van de ringdijken en de eerste ophogingen, waaronder een volledige afwerking tot 50 meter uit de kaaimuur van het Doeldok, dateren reeds van het begin van de jaren 1980-85. Verzoeker houdt niet de onwettigheid van die beslissing voor. Het nadeel is daar ontstaan. Net zoals wonen in een SBZ-V perfect mogelijk is, is ook industrie daar mogelijk, recreatie, landbouw ... De aanwezigheid van slechtvalken op de wanden van de koeltorens van de kerncentrale van Doel zijn precies een bewijs van het voorgaande. Een ander voorbeeld is dat heel wat van X-11.155-8/29 de gebieden die aangewezen zijn als SBZ-V in meerdere of mindere mate bestaan uit een op kunstmatige wijze tot stand gekomen landschap dat aan de (ornithologische) criteria voor aanwijzing als SBZ-V voldoet, ondanks, maar soms ook dankzij de aanwezigheid in het gebied van andere dan natuurfuncties, zoals landbouw en soms ook industrie, als gebruiker en zelfs als hoofdgebruiker. Wat het Vlaamse Gewest betreft, werden meerdere van dergelijke gebieden bij besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 1988 tot aanwijzing van speciale beschermingszones in de zin van artikel 4 van de Vogelrichtlijn aangewezen als SBZ-V. Naast het betrokken gebied, kan louter bij wijze van voorbeeld de zone bekend onder de naam ‘Krekengebied’ worden vermeld, aangewezen als SBZ-V bij voormeld besluit. In de IBA 89, een in opdracht van de Europese Unie opgestelde inventaris van gebieden die van groot belang zijn voor het behoud van de vogelstand in de Europese Gemeenschap en die door het Hof van Justitie als maatstaf wordt aanvaard om na te gaan in hoeverre een lidstaat zijn aanwijzingsplicht in het kader van de Vogelrichtlijn is nagekomen, wordt aangegeven dat deze zone in belangrijke mate bestaat uit akkerland, gekenmerkt door nauw verbonden dijken met populierenrijen. 50. Het nadeel dat verzoekende partij meent te lijden, vloeit aldus niet voort uit de beslissing die voor Uw raad wordt bestreden. Het is vaste rechtspraak dat het aangevoerde nadeel moet voortvloeien uit de bestreden beslissing. In casu is dit niet het geval, waardoor het middel ook om die reden onontvankelijk is”. 4.4. In zijn memorie van wederantwoord dupliceert de verzoeker wat betreft het belang bij het eerste middel: “1. Verzoekende partij heeft reeds in zijn verzoekschrift uitvoerig diens belang bij het eerste middel aangetoond. Verzoeker verwijst naar en volhardt in dit verzoekschrift doch wenst nog kort te repliceren op de litanie van verwerende partij. Laat het verwerende partij nu eindelijk voor eens en altijd duidelijk zijn dat de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn uiteraard tot doel hebben o.a. het behoud van vogel en diersoorten na te streven, maar dat de producten van dit streven ook voordelig zijn voor de mens en dit zowel in het algemeen als concreet. Wat dit laatste betreft is het zo dat één van de producten van de (uitvoering van) genoemde richtlijnen het aanwijzen van Speciale Beschermingszones is. De beschermingsmaatregelen en verplichtingen die gelden t.a.v. dergelijke gebieden zijn zeer groot. Het is duidelijk dat het aanwijzen van SBZ niet alleen de vogeltjes en beestjes gelukkig maakt maar ook bijzonder voordelig is voor de omwonenden. En dit net zoals bij natuurgebieden. Een SBZ is - normaliter - een garantie dat de zone beschermd wordt en niet vernietigd. De omwonenden van dergelijk gebied, zoals verzoeker, genieten uiteraard ook van deze bescherming omwille van de strenge reglementering. Zij genieten van de gevolgen van de bescherming: kwalitatief hoogstaande natuurwaarden, hetgeen hen een leef- en woonklimaat meebrengt. Het is dan ook logisch dat verzoeker belang heeft bij het aanvechten van een bouwvergunning met als voorwerp het oprichten van een asfalt en betoncentrale met steenslagbehandeling, net zoals hij belang zou hebben mocht dit gebeuren wanneer het gebied de interrechtelijke bestemming natuurgebied zou kennen. De bestemming natuurgebied is er uiteraard ook in de eerste plaats voor dieren en planten maar ook de mens vaart erbij. Verzoeker heeft destijds gekozen voor een rustige, natuurvolle omgeving. Deze keuze werd nadien als het ware beloond door de aanwijzing als SBZ X-11.155-9/29 hetgeen normaliter een garantie betekent, minstens voor het behoud van de natuur(waarden). Hij heeft dan ook belang bij het middel dat betrekking heeft op schendingen van de wetgeving die de bescherming van het bewuste gebied regelt. Dit verzoekschrift, en dit middel, is dan ook in de eerste plaats gericht op de bescherming van verzoeker zelf, en niet van de vogels (verzoeker is wel natuurliefhebber). 2. Verwerende partij meent verder dat de verplichtingen die een SBZ meebrengt, zoals inzake MER en bemesting, enz... niet van toepassing zijn. Hierbij passen twee bemerkingen . Vooreerst verklaart verwerende partij de niet-toepasselijkheid ervan niet. Verzoeker kan alvast melden dat hij en de landbouwers uit de Scheldelinkeroeverpolders wel verplicht zijn deze reglementeringen toe te passen. Anderzijds somt verwerende partij genoemde maatregelen dan weer op om aan te tonen dat de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn reeds sinds lange tijd zijn omgezet net omdat genoemde verplichtende reglementeringen werden uitgevaardigd. Het is het één of het ander.... 3. Er kan ook worden verwezen naar in het verzoekschrift vermelde schorsingsarrest (...): ‘dat op het eerste gezicht niet kan worden ontkend dat de specifieke beschermingsmaatregelen die in vogelrichtlijngebieden van toepassing zijn een impact hebben op het leefklimaat in het betrokken gebied; dat deze impact niet beperkt is tot de grenzen van het vogelrichtlijngebied, maar zich ook uitstrekt over de aanpalende gebieden; dat verzoekende partijen die van het wettelijk vereiste belang bij de gevraagde schorsing doen blijken ook doen blijken van het vereiste belang bij het middel waarin de schending wordt aangevoerd van richtlijnen die gevolgen hebben wat betreft de bestemmingen die aan het betrokken gebied kunnen worden gegeven’. Verzoekende partij heeft dus belang bij het middel dat ontleend is aan de schending van de wetgeving ter bescherming van zijn omgeving. Voor het overige verwart verwerende partij het belang bij het middel met het belang bij de vordering. Zo ziet verzoeker de relevantie niet in van de totstandkoming van het Doeldok bij de beoordeling van het belang bij een middel”. 4.5. De tussenkomende partij werpt eveneens een exceptie van niet ontvankelijkheid van het middel op wegens gebrek aan belang, die zij uiteenzet als volgt: “In de rechtsleer wordt gesteld : ‘Het volstaat niet dat een verzoekende partij het rechtens vereiste belang heeft bij de vordering tot vernietiging en schorsing van een administratieve beslissing, opdat de Raad van State zal overgaan tot het onderzoek van de aangevoerde middelen. Het is vaste rechtspraak dat de verzoeker bovendien een belang dient te hebben bij elk der aangevoerde middelen.’ (...). In casu heeft de bestreden beslissing betrekking op een gebied dat bij Besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 1988 als speciale beschermingszone werd aangeduid. Verzoekende Partij werpt de schending op van diverse artikelen die de bescherming of het behoud van natuurwaarden (in Vogelrichtlijngebied) tot X-11.155-10/29 doel hadden. Verzoekende Partij beweert dat met de bestreden beslissing deze bescherming verloren gaat. Welnu, in hoofdstuk 2 werd reeds aangetoond dat de beschadiging van de betreffende natuurwaarden, al dan niet gelegen in zogenaamde specifieke beschermingszones, een gevolg is van het Besluit van de Vlaamse Regering d.d. 18 maart 2002 houdende de aflevering van een vergunning voor het ontbossen en het opspuiten van het gebied waarin de betreffende asfalt- en betoncentrale is gelegen. M.a.w. verliest Verzoekende Partij reeds de bescherming van de betreffende natuurwaarden met het Besluit van 18 maart 2002, zodat voormelde bepalingen uitsluitend kunnen geschonden zijn door ‘bouwvergunning B’, verleend bij Besluit van 18 maart 2002. Immers, de bestreden beslissing kan toch onmogelijk bepalingen inzake natuurbehoud schenden, wanneer zij betrekking heeft op een gebied waar alle begroeiing reeds is verdwenen! Op grond van de eis dat het belang ‘persoonlijk’ moet zijn, wordt in principe het beroep ter bescherming van het algemeen belang, zelfs al is het persoonlijk belang daarvan een onderdeel, uitgesloten (...). M.a.w. dient Verzoekende Partij bij de vordering tot vernietiging een persoonlijk belang te hebben dat zich onderscheidt van het belang van allen. Verzoekende Partij werpt in haar middel de schending op van de Europese Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de EG van 2 april 1979, in het bijzonder artikel 1 , artikel 3 lid 1 en 2, 4 leden 1,2 en 4 en 13 (hierna de ‘Vogelrichtlijn’) en de Europese Richtlijn 92/43/EG van de Raad van de EG van 21 mei 1992, in het bijzonder artikel 3.1, artikel 5, artikel 6, artikel 7, artikel 9 en artikel 11 (hierna de ‘Habitatrichtlijn’). In de rechtsleer wordt omtrent de ratio legis van de Vogelrichtlijn gesteld : ‘1. Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, hierna genoemd Vogelrichtlijn, behoeft eigenlijk niet meer te worden voorgesteld. De Vogelrichtlijn heeft luidens haar art. 1 betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lid-Staten. Zij betreft de bescherming, het beheer en de regulering van deze soorten en stelt regels voor de exploitatie daarvan. De Vogelrichtlijn is van toepassing op vogels, hun eieren, hun nesten en hun leefgebieden. Zij bevat zowel maatregelen ter behoud van de leefgebieden van vogelsoorten als maatregelen ter beperking van de jacht op en de handel in vogelsoorten. 2. Uit art. 1 zelf, de considerans, de voorgeschiedenis van de Vogelrichtlijn en de rechtspraak van het Hof van Justitie laat zich afleiden dat ‘het behoud van alle vogelsoorten’ de prioritaire doelstelling van de Vogelrichtlijn is. De tweede zin van art. 1, lid 1, waarin trouwens ook eerst sprake is van ‘bescherming’, en vervolgens van ‘beheer’ en ‘regulering’, vormt een nadere uitlegging van de eerste zin.’ (...). De Habitatrichtlijn luidt als volgt : ‘Art. 2. 1. Deze richtlijn heeft tot doel bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het instandhouden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de Lid-Staten waarop het Verdrag van toepassing is. 2. De op grond van deze richtlijn genomen maatregelen beogen de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantensoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. 3. In de grond van deze richtlijn genomen maatregelen wordt rekening gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden.’ Uit voormelde rechtsleer en de tekst van de Habitatrichtlijn, blijkt duidelijk dat de Vogel- en Habitatrichtlijn tot doel hebben alle vogelsoorten (wilde fauna X-11.155-11/29 en flora in het algemeen) te beschermen. Verzoekende Partij heeft als individueel natuurlijk persoon niet de vereiste hoedanigheid om op te komen voor de bescherming van alle vogelsoorten en fauna en flora op een perceel dat 300 m tot 500 m van zijn woning gelegen is. Zijn persoonlijk belang valt in casu samen met het belang van allen. Enkel een natuurvereniging die als maatschappelijk doel heeft het beschermen van vogelsoorten binnen een afgebakend gebied waarin het betrokken perceel valt, zou kunnen inroepen dat de teloorgang van die bescherming haar een nadeel berokkent. De loutere oprichting van de gebouwen van de beton- en asfaltcentrale heeft bovendien geen invloed op de aanwezige vogelsoorten in de onmiddellijke omgeving van Verzoekende Partij. Verzoekende Partij beschikt niet over het vereiste belang bij het eerste middel”. Beoordeling 4.6. Het bouwterrein maakt deel uit van de bij besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 1988 aangewezen speciale beschermingszone “Schorren en Polders van de Beneden-Schelde” in de zin van artikel 4 van de vogelrichtlijn. Anderzijds maakt dit terrein geen deel uit van het gebied “Schelde- en Durme-estuarium van de Nederlandse grens tot Gent” dat bij besluit van de Vlaamse regering van 24 mei 2002 tot vaststelling van de gebieden die in uitvoering van artikel 4, lid 1, van de habitatrichtlijn aan de Europese Commissie zijn voorgesteld als speciale beschermingszones, is voorgesteld als speciale beschermingszone. 4.7. Op 14 december 2001 heeft de decreetgever het decreet voor enkele bouwvergunningen waarvoor dwingende redenen van groot algemeen belang gelden (hierna: het nooddecreet), aangenomen. Artikel 2 van dit decreet bepaalt dat de in dit artikel opgesomde werken, handelingen en inrichtingen nodig om het Deurganckdok, zoals aangegeven in kaart 1, aan te leggen en operationeel te maken, van dwingend groot algemeen en strategisch belang worden verklaard. Hiertoe behoren tevens “de compenserende maatregelen in toepassing van artikel 6, leden 2, 3 en 4, van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992, inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, zoals aangegeven in kaarten 4 en 5” (artikel 2, 5/). Artikel 5 bepaalt dat de stedenbouwkundige vergunningen die in uitvoering van dit decreet worden verleend, door de decreetgever bekrachtigd dienen te worden. Artikel 7 legt, in uitvoering van de artikelen 3 en 4 van de vogelrichtlijn, van artikel 6, vierde lid van de habitatrichtlijn en de artikelen 14 en 16, § 1 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, aan de X-11.155-12/29 aanvragers van de stedenbouwkundige vergunning bedoeld in dit decreet de verplichting op om “alle nodige maatregelen te nemen om de compenserende maatregelen te realiseren en om te waarborgen dat de algemene samenhang van Natura 2000 bewaard blijft”. 4.8. Bij besluit van 18 maart 2002 van de Vlaamse regering wordt aan de afdeling Zeeschelde van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap de stedenbouwkundige vergunning verleend voor “het uitvoeren van baggerwerken ter hoogte van het Deurganckdok - fase 1, 2 en 3; baggeren van een verbindingsgeul met de Schelde; afwerking van de bergingszones S8, S9, S10, S11, S12 en C34; aanleg en ophoging van de bergingszones S13, S14, S15, S16, C45, C59, C60, C61, C62 en C63; bouw van een afsluitdam in het Doeldok; dempen van een gedeelte van Doeldok; ontbossing bergingszone C 34 (...) de verruiming in de Schelde van de Drempel van Frederik en Zandvliet (bouwaanvraag B)”, de zogenaamde “Bouwvergunning B”. 4.9. Het bouwterrein maakt deel uit van de “bergingszone C 63” van de voormelde stedenbouwkundige vergunning. De voormelde vergunning voorziet tevens in compenserende maatregelen zoals vereist door het voornoemde artikel 7 van het nooddecreet. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en het beroep tot nietigverklaring van onder meer de voormelde stedenbouwkundige vergunning worden respectievelijk bij de arresten nr. 120.811 van 24 juni 2003 en nr. 154.603 van 7 februari 2006 verworpen. 4.10. Deze stedenbouwkundige vergunning wordt -samen met andere door de Vlaamse regering verleende stedenbouwkundige vergunningen-, overeenkomstig de procedure bepaald in het nooddecreet, bekrachtigd bij decreet van 29 maart 2002 houdende bekrachtiging van de stedenbouwkundige vergunningen verleend door de Vlaamse regering op 18 maart 2002 in toepassing van het nooddecreet. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring van het voormelde decreet van 29 maart 2002 worden door het Grondwettelijk Hof verworpen, respectievelijk bij de arresten nr. 174/2002 van 27 november 2002 en nr. 151/2003 van 26 november 2003. X-11.155-13/29 4.11. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de bestreden stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft op een terrein dat deel uitmaakt van de bergingszone C 63 waarvoor de hiervoor vermelde zogenaamde “Bouwvergunning B” de vergunning heeft verleend voor het aanleggen en het ophogen ervan met het oog op het realiseren van de bestemming van het betrokken zeehavengebied, dat in deze vergunning in uitvoering van het hiervoor vermelde artikel 7 van het nooddecreet de nodige compenserende maatregelen zijn voorzien “om te waarborgen dat de algemene samenhang van Natura 2000 bewaard blijft”, alsook dat deze vergunning ingevolge het verwerpen van de daartegen ingestelde beroepen bij de Raad van State en het Grondwettelijk Hof, definitief is geworden. 4.12. De verzoeker doet derhalve niet blijken van het vereiste belang bij het middel afgeleid uit de schending van regelgeving waarvan de toepassing, wat het betrokken bouwterrein betreft, haar definitief beslag reeds heeft gevonden in de voormelde definitief geworden “Bouwvergunning B”. 4.13. De excepties zijn in de aangegeven mate gegrond. 4.14. Het middel is niet ontvankelijk. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 4.15. In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 4 en 9 van het Verdrag van Bern inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk leefmilieu in Europa, goedgekeurd bij de wet van 20 april 1989 en van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoeker zet in dit middel onder meer uiteen wat volgt: “1. Geschonden bepalingen. Volgens art. 4 van het Verdrag dient iedere lidstaat de nodige maatregelen te treffen om de bedreigde natuurlijke leefmilieus in bijzonder van soorten die voorkomen in de bijlagen I en II in stand te houden. De achteruitgang van deze gebieden dient zoveel mogelijk te worden vermeden of verminderd. Bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de bescherming van de gebieden die van belang zijn voor de trekkende soorten in Bijlagen II en III en die gunstig liggen ten opzichte van de trekroutes, zoals overwinterings-, rust-, voeder- of broedplaatsen. X-11.155-14/29 Art. 4 van het Verdrag van Bern heeft directe werking (G. VAN HOORICK, Internationaal en Europees Natuurbehoudrecht’, 1997, 183; N. NIESSEN, Habitatbescherming, 16-82). Volgens art. 9 van het Verdrag zijn enkel uitzonderingen mogelijk indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de afwijkingen geen aantasting met zich meebrengen van het voortbestaan van de desbetreffende populatie: nl. omwille van het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid, of andere openbare belangen van essentiële aard; ten behoeve van onderwijs en onderzoek, enz. In zoverre deze bepalingen een verbod inhouden van ingrepen die deze leefmilieus aantasten, zijn deze bepalingen voldoende duidelijk om rechtstreekse werking te hebben, minstens de zgn. negatieve vertikale rechtstreekse werking, d.w.z. een verbod voor de overheid om daden te stellen in strijd met deze regels”. Beoordeling 4.16. Ten gronde dient te worden vastgesteld dat het voormelde Verdrag van Bern geen rechtstreekse werking heeft in de interne Belgische rechtsorde. Immers, blijkens de preambule, is het Verdrag een kaderovereenkomst waarbij de verdragsluitende partijen zich ertoe verbinden, bij het vaststellen van hun nationale doelstellingen en programma’s, de in het verdrag nader bepaalde maatregelen te treffen, die erop gericht zijn de verschillende diersoorten die steeds minder in het wild voorkomen en die soms met uitsterven bedreigd zijn in stand te houden en een vorm van internationale samenwerking tot stand te brengen teneinde in het bijzonder de trekkende diersoorten te behouden. Artikel 6 van het Verdrag van Bern vangt aan als volgt: “Iedere Verdragsluitende Partij neemt passende en noodzakelijke maatregelen in de vorm van wetten en voorschriften om te zorgen voor bijzondere bescherming van de in het wild voorkomende diersoorten, genoemd in bijlage II. Waar het deze soorten betreft, is met name verboden (...)”. De omstandigheid dat die bepaling vervolgens een aantal concrete verbodsbepalingen opsomt, doet niets af aan de vaststelling dat er een optreden nodig is van de internrechtelijke regelgever om die verbodsbepalingen in een afdwingbare regel in het interne recht om te zetten. De burger kan zich derhalve niet rechtstreeks op de schending van het Verdrag van Bern beroepen. 4.17. Het middel is niet gegrond. X-11.155-15/29 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 4.18. In een derde middel voert de verzoeker de schending aan van: - het besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989 houdende bepaling voor het Vlaamse Gewest van de categorieën van werken en handelingen, andere dan hinderlijke inrichtingen, waarvoor een milieu-effectrapport is vereist voor de volledigheid van de aanvraag om bouwvergunning; - de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel; - artikel 4 van de richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten. De verzoeker zet dit middel uiteen als volgt: “Samenvatting doordat een milieu-effectenrapport diende te worden opgesteld voor de volledigheid van de aanvraag van de bouwvergunning. terwijl dit niet werd gedaan zodat de bouwaanvraag onvolledig was. Toelichting Het is niet betwist dat de bouwvergunning en de uit te voeren werken en op te richten gebouwen en installaties gelegen is binnen de perimeter van een Vogelrichtlijngebied (...). Volgens art. 2 van het Besluit van 23 maart 1989 moet in een aantal gevallen, voor de volledigheid van de samenstelling van het dossier van de aanvraag om bouwvergunningen, een milieu-effectrapport worden opgesteld. In het geval het gaat om een vogelbeschermingsgebied vastgesteld in toepassing van de EG-richtlijn 79/409/EEG van 2 april 1979 en/of ‘Ramsar’- gebied, zoals in casu, dient een MER te worden opgesteld in de volgende gevallen: - waterhuishoudingsprojecten die er het waterregime van beïnvloeden (art. 2, 15/); - wanneer de aanleg van een hoofdtransportleiding voor vloeistof of gas er wordt voorzien (art. 2, 9/); - wanneer in het gebied ruilverkavelings en/of landinrichtingsprojecten gebeuren (art. 2, 14/); - wanneer een landbouwproject wordt gedaan m.b.t. de bestemming van woeste gronden of seminatuurlijke gebieden voor intensieve landbouw in zoverre de oppervlakte 10 ha of meer bedraagt en het project er geheel of gedeeltelijk gelegen is (art. 2, 18/); - wanneer in geheel of gedeeltelijk in het gebied skiliften en kabelspoorwegen in zoverre de lengte 1 km of meer bedraagt (art. 2, 20/). Maar in casu is de bestreden bouwvergunning en het bewuste project véél erger en milieu-schadelijker dan al deze gevallen samen! In casu voorziet het project in o.a.: - de bebouwing c.q. vernieling van meer dan 10 hectare Vogelrichtlijngebied en uiterst negatieve invloeden op nog vele andere tientallen ha SBZ-V. - het aanleggen van een ondergronds voorraadbekken met bluswater; X-11.155-16/29 - het aanleggen van een ondergronds voorraadbekken met sproeiwater; - een transport installaties; - 8 cementsilo’s van 100 ton/stuk en 10 doseersilo’s van 16 ton/stuk; - transportbanden tot 30 m. hoogte; - oppompen van grondwater op 200 m. (zie trouwens ook Besluit van 23 maart 1989 houdende organisatie van het MER); - volgens de beschrijvende nota bij de bouwaanvraag zou er tevens een spoorinfrastructuur worden gelegd; - enz. enz. (zie bestreden beslissing evenals milieuvergunning). Men kan in alle ernst en redelijkheid dan ook niet volhouden dat de bouwaanvraag geen MER diende te bevatten. Er dient te worden gewezen op de rechtspraak van Uw Raad in zake de bouwvergunning voor kippenbedrijf (...): ‘De overheid, bij wie een aanvraag is ingediend voor een bouwvergunning om een nieuwe kippenkwekerij op te richten en een veefokkerij uit te breiden, moet in haar beoordeling van de goede ruimtelijke ordening, rekening houden met de bescherming van het leefmilieu en moet bijgevolg de overlast evalueren die door het gebruik van de installaties kan ontstaan. Deze evaluatie kan de overheid ertoe aanzetten om de bouw van de installatie te weigeren, indien het gebruik ervan de bescherming van het leefmilieu ernstige schade dreigt toe te brengen. Daartoe zal de overheid zich baseren ofwel op de evaluatienota van de gevolgen, ofwel op de effectenstudie indien deze vereist is of indien er belangrijke risico’s zijn voor effecten voor het leefmilieu’ en ‘Overwegende dat de overheid in die omstandigheden dus een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door geen milieu-effectenonderzoek op te leggen. De beslissing is tevens in strijd met de bepalingen van de genoemde richtlijnen betreffende de MER-plicht die bepalen dat bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn in het bijzonder moet in overweging worden genomen: gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG en Richtlijn 92/43/EEG) (Bijlage III betreffende de in artikel 4, lid 3, bedoelde selectiecriteria)”. Beoordeling 4.19. In essentie voert de verzoeker aan dat er een milieueffectrapport diende te worden opgesteld voor de volledigheid van de aanvraag tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning. 4.20. De verzoeker laat evenwel na in het verzoekschrift aan te geven op welke wijze het voormelde besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989 werd geschonden, nu hij zich ertoe beperkt een aantal punten uit artikel 2 te citeren en daarbij te stellen dat de bestreden stedenbouwkundige vergunning en het bewuste project veel erger en milieu-schadelijker zijn dan al deze gevallen samen. Evenmin wordt in het verzoekschrift uiteengezet hoe de bestreden beslissing een inbreuk uitmaakt op het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel en artikel 4 van de richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu- X-11.155-17/29 effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten. De verzoeker beperkt zich tot het louter poneren dat er een schending is. De verzoeker geeft in zijn uiteenzetting van het middel op geen enkele wijze concreet aan op welke wijze de ingeroepen regels door de bestreden rechtshandeling worden geschonden. 4.21. Het middel is derhalve niet ontvankelijk. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 4.22. In een vierde middel voert de verzoeker de schending aan van: - artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM; - de artikelen 16, 22 en 23, vierde lid van de Grondwet; - artikel 1.2.1, § 2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM); - artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (New York, 19 december 1966), goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981 en bij decreet van 25 januari 1983. De verzoeker zet dit middel uiteen als volgt: “Samenvatting doordat de bestreden beslissing op geen enkele wijze rekening houdt met het recht op eerbiediging van het privé-leven en de huisvesting, terwijl een inbreuk op deze rechten slechts kan verantwoord worden door draagkrachtige overwegingen van nationale veiligheid, economisch welzijn, bescherming van openbare orde, goede zeden, gezondheid en de rechten en vrijheden van anderen alsmede ter voorkoming van strafbare feiten, wat niet het geval is. doordat eenieder recht heeft op de bescherming van een gezond leefmilieu, terwijl de bestreden beslissing een inbreuk op dit grondrecht inhoudt. Toelichting 1. Uit de uiteenzetting van de feiten, het belang en het nadeel bleek reeds duidelijk de belangrijke impact die de bestreden beslissing zal hebben op het leefklimaat en de persoonlijke levenssfeer van verzoeker. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven en zijn huis (art. 8 E.V.R.M.). Deze bepaling wordt door het EHRM erg ruim uitgelegd en omvat ook milieubescherming. 1.1. Ernstige milieuschade kan iemands welzijn aantasten en hem dermate het genot van zijn woonplaats ontnemen dat schade wordt toegebracht aan zijn privé- en gezinsleven, zelfs zonder dat de gezondheid van de betrokkene X-11.155-18/29 daarom ernstig in gevaar wordt gebracht. Alhoewel de Staat in het raam van zijn beoordelingsmacht rekening kan houden met het belang bij het economisch welzijn van een gemeente, is hij verplicht een juist evenwicht tot stand te brengen tussen dat belang en het effectieve genot van het recht op eerbiediging van de woonplaats en het privé- en gezinsleven (E.H.R.M. 9 december 1994 (Lopez Ostra / Spanje)). Er moet tevens een juist evenwicht zijn tussen nationaal gezien economische belangen en de individuele rechten van buurtbewoners. Milieubescherming is een erg gevoelig domein, en in die context legt het de overheid de verplichting op om inbreuken op privé- en gezinsleven en woonst te minimaliseren. De overheid moet zoeken naar alternatieve oplossingen en in het algemeen ernaar streven om haar doelstellingen te bereiken op de wijze die de mensenrechten het minst belast (E.H.R.M. 2 oktober 2001 (Hatton e.a. / Verenigd Koninkrijk) - deze zaak betrof de Heathrow luchthaven). In casu gaat het overduidelijk om een aantasting van de rechten beschermd door art. 8 EVRM: geluidshinder, overlast verkeer, gevaarlijke activiteiten, enz. De werken zorgen ook voor een enorme psychologische dreiging. De werken schuiven langzaam op naar de woning van verzoeker. Alleen al vanuit dat oogpunt is de bestreden beslissing strijdig met de aangevoerde E.V.R.M.-bepalingen. Het is ook vooral deze enorme psychologische bedreiging, die de rust van het normale gezinsleven zeer stoort. 1.2. Nochtans poneert artikel 8 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden uitdrukkelijk dat eenieder recht heeft op de eerbiediging van zijn privaat en huiselijk leven. Inbreuken op dit grondrecht zijn slechts mogelijk indien zij bij wet gebeuren, noodzakelijk zijn voor en in proportie staan tot een belang dat woordelijk wordt vermeld in de tweede paragraaf van dit artikel. 1.3. Blijkens de bewoordingen van de bestreden beslissingen dient men ervan uit te gaan dat de inbreuken zijn ingegeven vanuit puur economisch belang. Voor zover er al redenen van economisch welzijn zouden spelen, is de aantasting in ieder geval niet noodzakelijk en wel onevenredig met het aangevoerde economisch welzijn. Krachtens art. 8 EVRM rust de bewijslast dat aan de voorwaarden van het tweede lid is voldaan op de overheid zelf. Welnu, de Vlaamse overheid levert het vereiste bewijs niet. 2. Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom (art. 1, eerste aanvullend protocol E.V.R.M.). Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling (art. 16 G.W.). Het is evident dat het eigendomsrecht van verzoekende partij wordt geschonden daar door het bestreden decreet de omgeving van verzoekers wordt vernield. 3. Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de wet of het decreet, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten inzonderheid: 4/ het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu (art.23 G.W.) De werken betekenen tevens een schending van het recht op een gezond leefmilieu: art. 23, 3, 4/ heeft minstens op één punt rechtstreekse werking, namelijk het stand-still-beginsel: de overheid mag het bestaande beschermingsniveau niet afbouwen (...). De bestreden beslissing doen hieraan ongetwijfeld afbreuk. X-11.155-19/29 Er dient tevens te worden gewezen op (het) arrest (...) van Uw Raad: ‘Art. 23 G.W. houdt voor eenieder het recht in op de bescherming van een gezond leefmilieu. Dit grondrecht lijkt o.m. in te houden dat de versoepeling van de bestaande milieunormen slechts als verenigbaar met de Grondwet kan worden geacht, indien daarvoor dwingende redenen voorhanden zijn. Het uit die bepaling voortvloeiende standstillbeginsel is voor het Vlaamse Gewest neergelegd in het Decr. Vl. R. 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’. Art. 1.2.1. § 2 van genoemd decreet luidt als volgt: ‘Op basis van een afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten streeft het milieubeleid naar een hoog beschermingsniveau. Het berust onder meer op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen hij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, het standstillbeginsel en het beginsel dat de vervuiler betaalt’. De vergunningverlenende overheid dient deze beginselen indachtig te zijn wanneer vergunningen aflevert. Hieraan is niet voldaan wanneer men een bouwvergunning aflevert voor een beton- en asfaltcentrale waarbij wordt voorzien in de vernietiging van 10 hectare SBZ. Besluit : Het gaat hier om een manifeste schending van de in het middel aangehaalde bepalingen”. Beoordeling 4.23. In de memorie van wederantwoord doet de verzoeker afstand van het onderdeel van het middel waarin de schending van het Verdrag van New York wordt aangevoerd. 4.24. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt: “Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling”. Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM bepaalt: “Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorafgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren”. 4.25. Wat de ingeroepen schending van de voormelde bepalingen betreft, dient te worden vastgesteld dat uit de stukken van het dossier blijkt dat de X-11.155-20/29 verzoeker de door hem betrokken woning, gelegen te Beveren, Oud Arenberg 111, op grond van een “gebruikstoelating” ter bede mag gebruiken en dat hij derhalve geen eigenaar is. Hij kan zich dan ook niet beroepen op een schending van de genoemde bepalingen, die betrekking hebben op het eigendomsrecht. 4.26. Artikel 8.1 EVRM bepaalt wat volgt: “Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling”. Artikel 8.2 EVRM bepaalt: “Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ‘s lands veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen”. Artikel 22 van de Grondwet bepaalt: “Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht”. 4.27. Zelfs aangenomen dat het toekennen van de bestreden stedenbouwkundige vergunning voor de verzoeker een aantasting, in de zin van het voormelde artikel 8.1 EVRM, van zijn privé- en gezinsleven zou kunnen uitmaken, omdat “de werken zorgen (...) voor een enorme psychologische dreiging (nu
- ze)langzaam op(schuiven) naar de woning van verzoeker (welke dreiging) de rust van het normale gezinsleven zeer stoort”, dan nog heeft de verzoeker daarmee niet aannemelijk gemaakt, laat staan aangetoond, dat het verlenen van de bestreden stedenbouwkundige vergunning een niet toegestane inmenging zou impliceren in zijn privé- en gezinsleven. Er bestaat geen betwisting over dat de wetgeving inzake de ruimtelijke ordening, op grond waarvan de bestreden stedenbouwkundige vergunning is verleend, een regeling is in de zin van artikel 8.2 EVRM, die nodig is in het belang van de openbare veiligheid, het economisch welzijn van het land, de bescherming van de gezondheid en van de rechten en vrijheden van anderen. Zoals reeds gesteld, maakt de bestreden beslissing deel uit van het project dat de aanleg van het Deurganckdok aan de linkeroever van de Schelde en X-11.155-21/29 het operationeel maken ervan omvat. Teneinde dit project te realiseren werd het nooddecreet aangenomen. De vorderingen tot schorsing en de beroepen tot nietigverklaring ingesteld tegen dit decreet werden door het Grondwettelijk Hof verworpen bij de arresten nr. 116/2002 van 26 juni 2002 en nr. 94/2003 van 2 juli 2003. 4.28. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt wat volgt: “Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten inzonderheid: (...) 4/ het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu; (...)”. 4.29. Luidens de voormelde bepaling dient het recht op onder meer “de bescherming van een gezond leefmilieu” te worden gewaarborgd door de wet of het decreet. Deze bepaling heeft derhalve geen directe werking en kan dan ook niet dienstig worden ingeroepen. 4.30. Artikel 1.2.1, § 2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid bepaalt: “Op basis van een afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten streeft het milieubeleid naar een hoog beschermingsniveau. Het berust onder meer op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, het standstill-beginsel en het beginsel dat de vervuiler betaalt”. 4.31. De voormelde bepaling heeft betrekking op het nemen van maatregelen inzake “milieubeleid”. De schending van deze beginselbepaling kan dan ook niet dienstig worden ingeroepen ten aanzien van een beslissing over een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning, die geen beleidsmatige beslissing inzake milieubeleid, doch een individuele rechtshandeling is op grond van de regelgeving inzake ruimtelijke ordening. 4.32. Het middel is niet gegrond. X-11.155-22/29 E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel 4.33. In een vijfde middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 3, 8 en 14 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu en van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoeker zet dit middel uiteen als volgt: “Toelichting 1. Bepalingen van het dekreet. Art. 3 van het Decreet Natuurbehoud stelt dat de Vlaamse Hoge Raad voor Natuurbehoud tot taak heeft de regering te adviseren over alle aangelegenheden bedoeld in dit decreet. Art. 8 van het Decreet Natuurbehoud formuleert het stand-stillbeginsel inzake de milieukwaliteit die nodig is voor het behoud van de natuur. Dit betekent uiteraard een maximaal behoud van de verscheidenheid van planten en dieren, de zgn. biodiversiteit zoals omschreven in art. 2, 2/ en 10/ van het Decreet Natuurbehoud. Art. 14 van het Decreet Natuurbehoud brengt met zich mee dat wanneer natuurelementen kunnen worden vernietigd of ernstig geschaad, dan iedereen verplicht is om maatregelen te treffen om deze schade te voorkomen, te beperken of te herstellen. Zij hebben minstens een zgn. negatieve vertikale rechtstreekse werking, d.w.z. een verbod voor de overheid om daden te stellen in strijd met deze regels. Ook indien zij als dusdanig de overheid niet tot positieve maatregelen verplichten, verbieden zij wel maatregelen die de bestaande toestand op milieugebied verslechteren. 2. Toepassing. De bestreden beslissingen zijn zonder twijfel een drastische ingreep in de milieukwaliteit van de betrokken gebieden. Dergelijke beslissing moet dan minstens ook goed voorbereid en geadviseerd worden. Vanuit oogpunt zorgvuldig bestuur is dit een minimale vereiste. Uit het MTHEN en het eerste middel (en zelfs uit de bouwaanvraag) blijkt duidelijk dat er belangrijke natuurwaarden in het gedrang komen. Dit natuurschoon dreigt te moeten wijken voor hectare kantoorgebouwen en silo’s en installaties enz. Voor zover bekend aan verzoeker is er geen advies van de Vlaamse Hoge Raad voor Natuurbehoud bekend (schending van art. 3 decreet Natuurbehoud). Voor de bestreden beslissing is er geen passende voorbereiding geweest. Onbetwistbaar kon de bestreden bouwvergunning geweigerd worden teneinde het natuurschoon evenals de laatste ongerepte poldergronden te vrijwaren en te bewaren. Dit zou niet onredelijk zijn, vermits er nog verscheidene ongebruikte terreinen op de linkeroever te vinden zijn. De genoemde drastische ingrepen zijn ook flagrant in strijd met het standstillbeginsel in art. 8 van het Decreet Natuurbehoud omschreven. Op die wijze kan men dus niet spreken van het behoud van de natuurwaarden. Opmerkelijk is tenslotte dat er zelfs geen beperkingen zijn ingebouwd wat de werken betreft, bv. de broedperiode. Dus zal in het broedseizoen ieder nest X-11.155-23/29 van een vogel of kolonievogel zomaar worden vernietigd door graafwerken en dergelijke. Minstens dienen werken tijdens het broedseizoen opgeschort te worden. Zelfs dat is niet voorzien, wat de kennelijke inbreuk op de voorkomingsplicht qua natuurschade aantoont”. Beoordeling 4.34. De tussenkomende partij werpt op dat de verzoeker geen belang heeft bij dit middel nu het bestreden besluit de voormelde wetsartikelen inzake natuurbehoud niet kan schenden, aangezien het werd genomen nadat de fauna en flora op het betreffende perceel reeds helemaal waren verdwenen tengevolge van het uitvoeren van de “Bouwvergunning B”. 4.35. Om de redenen hiervoor uiteengezet onder de randnummers 4.6 en volgende heeft de verzoeker geen belang bij het middel. De exceptie is gegrond. 4.36. Het middel is niet ontvankelijk. F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel 4.37. In een zesde middel voert de verzoeker de schending aan van: - de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; - de algemene zorgvuldigheidsplicht, de plicht tot redelijke belangenafwegingen en de algemene motiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur; - de artikelen 103 en 127 DRO; - de artikelen 6, 10, 11 en 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 4 november 1997 tot vaststelling van de samenstelling van het dossier voor de aanvraag om een bouwvergunning; - de artikelen 1 en 2 van het gecoördineerde decreet en artikel 38 DRO; - het verbod op machtsafwending. De verzoeker zet dit middel uiteen als volgt: “Samenvatting doordat het openbaar onderzoek en de vergunning steunen op een geschorst Gewestplan, Toelichting X-11.155-24/29 1. Op het ogenblik van het openbaar onderzoek gold het Gewestplanbesluit van 8 september 2000 die quasi gans de streek tot aan de Nederlandse grens ombestemde in Zeehavengebied. De door de betreden beslissing getroffen gebieden werden ombestemd tot Zeehavengebied type 2. De zone ten noorden en ten noordwesten van deze gebieden werd ombestemd van Havenuitbreidingsgebied met agrarische overdruk tot Zeehavengebied type 2. Het openbaar onderzoek dat voorafgaat aan het afleveren van een bouwvergunning heeft onder andere als doel derden de mogelijkheid te bieden hun opmerkingen te laten gelden met betrekking tot de overeenstemming van het project met de van kracht zijnde reglementering (...). Concreet betekent dit dat de vraag of én welk bewaar wordt ingediend in grote mate, doch niet uitsluitend, wordt bepaald door het geldende gewestplan. Wanneer deze reglementering belangrijke wijzigingen heeft ondergaan na het voeren van het openbaar onderzoek volgt daaruit dat de verplichting om de beslissing met zorg te nemen aan de tegenpartij oplegt na te gaan of het dossier van de aanvraag tot bouwvergunning niet is voorbijgestreefd en of het niet aangewezen is het te vervolledigen door het publiek toe te laten opnieuw zijn opmerkingen te laten gelden (...). Bijgevolg zal in casu de vraag of én welk bewaar wordt ingediend uiteraard anders worden ingevuld wanneer de ganse omgeving zeehavengebied is, dan wanneer het ganse gebied boven de bewuste zone waarop de aanvraag betrekking heeft landbouwgebied is (weliswaar landbouw met overdruk). Bovendien was er ondertussen ook al een Nooddecreet en Decretaal bekrachtigde bouwvergunningen waarvan bouwvergunning B dan ook nog betrekking heeft op o.a. dezelfde percelen als de bestreden bouwvergunning. Begrijpe wie kan...! In casu werd het Gewestplanbesluit van 8 september 2000 geschorst op 30 juli 2002. Op het ogenblik van de bestreden beslissing was dit Gewestplanbesluit reeds 13 dagen geschorst. De gemeente Beveren had hier uiteraard kennis van. Verzoeker kan zich niet van de indruk ontdoen dat verwerende partij snel de litigieuze bouwvergunning heeft willen doordrukken. Vandaar ook dat VAN WELLEN later zijn aanvraag tot uitbreiding inzake de milieuvergunning heeft ingetrokken. Er is dus schending van art. 103 Decreet van 18 mei 1999, dat het houden van een degelijk openbaar onderzoek expliciet voorschrijft. Minstens motiveert de bestreden vergunning niet waarom geen rekening te worden gehoud met het feit dat het onderliggend Gewestplan werd geschorst. In elk geval is de Gemeente Beveren niet zorgvuldig geweest”. Beoordeling 4.38. Artikel 1 van het gecoördineerde decreet is met ingang van 1 mei 2000 opgeheven door artikel 171 DRO. Het bestreden besluit dateert van 12 augustus 2002. Het middel, in zoverre afgeleid uit de -overigens niet nader uiteengezette- schending van artikel 1 van het gecoördineerde decreet, is niet ontvankelijk. In zoverre de verzoeker de schending aanvoert van artikel 2 van het gecoördineerde decreet, van de artikelen 38, 103 en 127 DRO, van de artikelen X-11.155-25/29 6, 10, 11 en 13 van het voormelde besluit van de Vlaamse regering van 4 november 1997 en van het verbod op machtsafwending, dient te worden vastgesteld dat in het verzoekschrift nergens wordt uiteengezet op welke wijze de voormelde bepalingen door het bestreden besluit zouden zijn geschonden. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk. 4.39. De verzoeker klaagt in de uiteenzetting van het middel in essentie aan dat geen nieuw openbaar onderzoek werd georganiseerd nadat de Raad van State bij arrest nr. 109.563 van 30 juli 2002 de schorsing van de tenuitvoerlegging had bevolen van het besluit van de Vlaamse regering van 8 september 2000 houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Sint-Niklaas-Lokeren op het grondgebied van de gemeenten Beveren, Sint-Gillis-Waas en Stekene, in zoverre het het grondgebied van de gemeente Beveren betreft, en dat evenmin werd gemotiveerd waarom met dit feit geen rekening werd gehouden. 4.40. De schorsing van de tenuitvoerlegging gaat pas in op het ogenblik van de betekening van het arrest aan de verwerende partij. Te dezen werd het voormelde arrest nr. 109.563 aan de tweede verwerende partij betekend op 8 augustus 2002. Daarenboven werd het thans bestreden besluit genomen door de eerste verwerende partij, die terecht doet gelden dat zij geen partij was in de voormelde vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het voormelde besluit van de Vlaamse regering van 8 september 2000, zodat dit arrest haar slechts tegenstelbaar is geworden vanaf het ogenblik van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad van 8 november 2002, dit is bijna drie maanden nadat het bestreden besluit door de eerste verwerende partij werd genomen. Het feit dat de vergunningverlenende overheid het voormelde arrest nr. 109.563 van 30 juli 2002 niet bij de beoordeling van de aanvraag heeft betrokken, kan haar dan ook niet worden tegengeworpen. 4.41. Het middel is niet gegrond. G. Zevende middel Uiteenzetting van het middel X-11.155-26/29 4.42. In een zevende middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 18, § 3 en 19 DRO en van het besluit van de Vlaamse regering van 23 september 1997 houdende definitieve vaststelling van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, evenals de toepassing van artikel 159 van de Grondwet op het voormelde besluit van 23 september 1997 en op het decreet van 17 december 1997 houdende bekrachtiging van de bindende bepalingen van het voormelde besluit van de Vlaamse regering van 23 september 1997, in zoverre het strijdig is met de vogelrichtlijn. De verzoeker zet dit middel uiteen als volgt: “Samenvatting doordat het College van Burgemeester en Schepenen bij de toekenning van de bouwvergunning niet zomaar mocht afwijken van het richtinggevend gedeelte van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, dat de 1/ voorafgaandelijke uitwerking van een ruimtelijk uitvoeringsplan voor het zeehavengebied oplegt en 2/ de maximale vrijwaring van de structurele natuurelementen. terwijl het uitvoeringsplan voor de zeehaven tot op heden ontbreekt, en de natuurwaarden helemaal niet gevrijwaard worden. Eerste onderdeel: strijdigheid met RSV. 1. Volgens art. 18 § 3 D.O.R.O. (voorheen 7 par. 3 DRP) is het richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan het deel waarvan een overheid bij het nemen van een beslissing niet mag afwijken tenzij omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de natuurlijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen. 2. Het RSV werd zoals hoger gezegd definitief vastgesteld bij besluit van de Vlaamse regering van 23 september 1997. Op p. 459 van het richtinggevend gedeelte wordt bepaald dat ‘In het ruimtelijk uitvoeringsplan voor het zeehavengebied en de omgeving, wordt de afbakening, de ruimtelijke inrichting en de reservering van gebieden vastgelegd. De bestemmingen aangegeven op de vigerende gewestplannen worden in het ruimtelijk uitvoeringsplan voor de zeehavens zodanig gedifferentieerd dat : - de milieuhygiënische impact naar de nabij gelegen bebouwing door een interne zonering geminimaliseerd wordt; - bufferzones worden aangeduid waarin mogelijkheden worden aangegeven en gerealiseerd; - (...) de structurele natuurelementen (o.a. Ramsargebieden, Schelde-oevers) maximaal gevrijwaard blijven; - de ecologische infrastructuur blijft functioneren.’ Ook wordt op p. 457 v. van het RSV gesteld dat het noodzakelijk is dat rekening wordt gehouden met de lokalisatie- en inplantingsvoorwaarden gesteld in het ruimtelijk uitvoeringsplan voor de zeehavens. Het antwoord op deze ruimtelijke voorwaarden maakt een integraal deel uit van de besprekingen voor ieder project in de Vlaamse Havencommissie (...). 3. Er is tot op heden geen ruimtelijk uitvoeringsplan voor het zeehavengebied uitgewerkt. Bovendien zijn de vergunde werken in strijd met het beginsel van de maximale vrijwaring van natuurwaarden. 4. De noodzaak van afwijking van deze bepalingen - nl. door een bouwvergunning toe te kennen vooraleer het ruimtelijk uitvoeringsplan voor het X-11.155-27/29 zeehavengebied is uitgewerkt en met toelating de Schelde-over te vernietigen - is niet aangetoond. Tweede onderdeel: toepassing 159 G.W. t.a.v. RSV. Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) bepaalt op blz. 458 het zeehavengebied de oppervlakte omvat van de havens zoals aangegeven in het K.B. van 2 september 1993. Op dit punt is het RSV in strijd met de vogelrichtlijn daar art. 3.2.b gebiedt dat de ruimtelijke ordening wordt afgestemd op de ecologische eisen van leefgebieden binnen en buiten de beschermingszones... Op blz. 459 is i.v.m. de differentiatie van de zeehavengebieden echter met geen woord gerept over deze verplichte doorwerking van het vogelrichtlijngebied zoals het sinds 17 oktober 1988 is vastgesteld. Dit heeft volgens dat besluit een oppervlakte van ongeveer 7000 ha. Wel is er bv. sprake van de Ramsargebieden, maar dit gaat enkel over de ‘schorren van Doel’, dit is in feite het gebied ten Noorden van Doel. Dus ook de stelling op blz. 459 van het RSV dat slechts 5% aan ecologische infrastructuur moet besteed worden, kan de baan niet houden (die 5% wordt trouwens reeds overschreden wanneer men de strikte habitats zou uitrekenen). Dus op dit punt moet het RSV, zoals vastgesteld hij Besluit van de Vlaamse regering dd. 23 september 1997, onverbindend worden verklaard (art. 159 G.W.). De omschrijving van het zeehavengebied komt voor in het richtinggevend gedeelte van het RSV, dat dus enkel hij besluit van de Vlaamse regering en niet met een decreet is vastgesteld”. Beoordeling 4.43. Het toentertijd geldende artikel 19, § 6 DRO bepaalt: “De ruimtelijke structuurplannen vormen geen beoordelingsgrond voor de werken en handelingen, bedoeld in artikelen 99 en 101, noch voor het stedebouwkundig uittreksel en attest, bedoeld in artikel 135”. De ruimtelijke structuurplannen kunnen derhalve geen beoordelingsgrond vormen voor aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning. De eventuele schending van een bepaling van een ruimtelijk structuurplan kan dan ook geen grond opleveren tot onwettigheid van een verleende stedenbouwkundige vergunning. 4.44. Het middel faalt naar recht. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. X-11.155-28/29 De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig juni 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Pierre Lefranc, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-11.155-29/29 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.069 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.120.599 ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.692 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div