id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.079 Rolnummer: A. 182704/X-13257 Zaak: Arrest 206079 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-08 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-02 10:55 Fiche Arrest nr 206.079 van 29 juni 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 206.079 van 29 juni 2010 in de zaak A. 182.704/X-13.257. In zake: 1. Luc DE MAESSCHALK 2. Katrien PITTOORS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Jongbloet kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Jan Jacobsplein 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 GENT Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 24 april 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 1 maart 2007 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende, eensdeels, inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen de beslissing van 14 september 2006 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij het door de verzoekende partijen ingestelde beroep tegen het uitblijven van een beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Lo- Reninge met betrekking tot een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning voor het verbouwen van een woning gelegen te Lo-Reninge, Zandfoortstraat 7, kadastraal bekend sectie D, nr. 105/e, wordt ingewilligd, en anderdeels, vernietiging van voornoemde beslissing van de bestendige deputatie. X-13.257-1/12 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 178.193 van 27 december 2007 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Sofie De Doncker heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 april 2010. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pieter Jongbloet, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Paul Aerts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Sofie De Doncker heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Op 26 april 2005 (datum van het ontvangstbewijs) dienen de verzoekende partijen bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Lo- Reninge een aanvraag in tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het verbouwen van een woning op een perceel dat is gelegen aan de X-13.257-2/12 Zandfoortstraat 7 te Lo-Reninge (Pollinkhove) en dat kadastraal bekend is onder sectie D nr. 105/e. Tijdens het openbaar onderzoek, dat wordt gehouden van 2 mei 2005 tot en met 2 juni 2005, worden geen bezwaarschriften ingediend. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Lo- Reninge brengt op 14 juni 2005 een gunstig preadvies uit over de aanvraag. In de algemene conclusie van dat advies wordt gesteld dat de aanvraag in overeenstemming is (of kan gebracht worden mits het opleggen van de nodige voorwaarden) met de wettelijke bepalingen, alsook met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving. Met een brief van 2 augustus 2005 wordt “(v)oor de gemachtigde ambtenaar” aan het college van burgemeester en schepenen van de stad Lo-Reninge gemeld dat inzake de adviesaanvraag van 16 juni 2005 van het voormelde college een verlenging van de adviestermijn noodzakelijk is omdat het “een complexe aangelegenheid” betreft. Daarop meldt de gemachtigde ambtenaar met een niet gedateerde brief aan het college van burgemeester en schepenen van de stad Lo-Reninge dat “(h)et ingediende bouwaanvraagdossier (...) volledig (
- is)en de procedure tot behandeling van deze aanvraag (...) correct (
- is)verlopen”, dat hij zich “volledig aan(sluit) bij de planologische en ruimtelijke motivering van deze aanvraag, zoals opgebouwd door het college van burgemeester en schepenen” en dat “(b)ijgevolg (...) deze aanvraag ‘Gunstig’ (wordt) geadviseerd”. Op 30 augustus 2005 wordt het volgende proces-verbaal van vaststelling opgesteld: “Ik, ondergetekende Tom De Roep, ambtenaar bij afdeling ROHM West- Vlaanderen, behoorlijk beëdigd en handelend krachtens de delegatie, mij verleend bij Besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2000 (B.S. 13/05/2000), verklaar bij het uitoefenen van mijn functie op het grondgebied van LO-RENINGE, (i)n het gezelschap van dhr. Piet Vanhoutte eveneens ambtenaar bij de afdeling ROHM West-Vlaanderen vastgesteld te hebben dat op het perceel gelegen: LO-RENINGE 2/afd., sectie D, nummer(s): 105E, Zandfoortstraat nr. 7 volgende werken en handelingen wederrechtelijk in uitvoering waren en in stand werden gehouden: Wijzigen van functie door het omvormen van een oude schuur tot volwaardige woning. Op (e)en bouwplan horende bij een afgeleverde stedenbouwkundige vergunning d.d. 15/10/2002 voor het slopen van 3 loodsen werden de bestaande gebouwen op het erf benoemd volgens hun functie, zo ook de ‘woning huisnr. 7’. Op een bouwplan horende bij een afgeleverde vergunning d.d. 02/09/2003 voor het slopen van een berging en loods, krijgt de woning plots de bestemming ‘te slopen berging’, en een schuur- stalcomplex de vermelding woning X-13.257-3/12 huisnr. 7. (bij het plaatsbezoek werd vastgesteld dat de te slopen berging (de oude woning) werd gesloopt en dat de te slopen loods niet gesloopt werd). Op het plan horende bij een stedenbouwkundige aanvraag voor het verbouwen woning wordt de te verbouwen woning gesitueerd in een gebouw dat op het plan d.d. 15/10/2002 niet als woning wordt bestempeld. Het gebouw dat in (sic) 15/10/2002 werd benoemd als woning is niet meer op het bouwplan opgenomen omdat het ondertussen gesloopt is. De plannen bij deze aanvragen werden door dezelfde architect opgemaakt. Op 30/08/2005 werd een bezoek gebracht aan de gemeentelijk administratieve diensten, alwaar wij ontvangen werden door mevr. Trooster de aldaar bevoegde ambtenaar voor ruimtelijke ordening. Hierbij werden 2 bouwaanvragen onderzocht, één voor het bouwen van 2 sleufsilo’s uit 1983, en één voor het uitbreiden van een landbouwloods uit 1985. Op beide plannen wordt het woonhuis gesitueerd in het gesloopte gebouw, en op één van de plannen is de huidige woning aangeduid als stal. Uit de uitgebreide fotodossiers die bij voorgaande aanvragen hoorden, blijkt inderdaad dat de oude woning gesloopt werd en dat een oude stalling werd omgevormd tot woning. Dit gebeurde wederrechtelijk. Uit de vorm en uitzicht van de huidige woning blijkt inderdaad dat het een omgevormde schuur betreft (o.a. de hoogte en vorm van de ramen). Tijdens het plaatsbezoek werd tevens vastgesteld dat de werkelijke toestand afwijkt van de voorstelling op het plan bij de huidige aanvraag voor het verbouwen van een woning. (ramen, volumes en inplanting). Deze bouwwerken werden uitgevoerd in opdracht van: De Maesschalk Luc wonende te LO-RENINGE Zandfoortstraat nr 7 en Uzeel Robin wonende te DIKSMUIDE IJzerdijk (Ru) nr 13 ARCHITECT: Matthys Chris, Markt 24 te 8647 Lo-Reninge. Voornoemde werken en handelingen werden uitgevoerd: zonder vergunning Voornoemde werken en handelingen maken bijgevolg een overtreding uit in toepassing van artikel 99, respectievelijk artikel 146 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en zijn wijzigingen. Op deze inbreuken zijn de strafbepalingen voorzien in Titel V, Hoofdstuk I van voornoemd decreet van toepassing. Daarom heb ik proces-verbaal opgesteld om te dienen volgens recht. Waarvan akte, De verbalisant Tom De Roep Adjunct van de directeur”. De gemachtigde ambtenaar brengt op 21 september 2005 een ongunstig advies uit over de aanvraag. In het overwegend gedeelte wordt daartoe gesteld: “(...) HISTORIEK Op 15.10.2002 werd een vergunning afgeleverd voor het slopen van 3 loodsen. Op 02.09.2003 werd een vergunning afgeleverd voor het slopen van een berging en een loods. BESCHRIJVING VAN DE BOUWPLAATS, DE OMGEVING EN DE AANVRAAG Op het perceel staat een gedesaffecteerde hoeve. Op het inplantingsplan van 2002 staat een vrijstaande woning naast bestaande bergingen en stallen. Op het X-13.257-4/12 inplantingsplan van 2003 wordt gevraag(
- d)om de woning, die blijkbaar nu berging is geworden, te slopen. De huidige aanvraag beoogt het uitbreiden van gebouwen, die blijkbaar nu woning zijn geworden. BEOORDELING VAN DE GOEDE RUIMTELIJKE ORDENING Overwegende dat uit de gegevens blijkt dat de vroegere stallingen wederrechtelijk werden verbouwd en tot woning werden omgevormd; dat het in feite de uitbreiding betreft van gebouwen niet in functie van de landbouw; dat niet voldaan is aan de uitzonderingsmaatregelen. ALGEMENE CONCLUSIE Het betreft in wezen niet de uitbreiding van een vergunde woning maar van bergingen/stallingen, die wederrechtelijk werden om(ge)vormd tot woning”. Gelet op het voormelde ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar, weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Lo- Reninge in zitting van 27 september 2005 de vergunning. Tegen dat weigeringsbesluit van 27 september 2005 stellen de verzoekende partijen een beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen. Echter trekken ze dit beroep in, aangezien een voorbespreking leert dat hoe dan ook de bestendige deputatie van oordeel is dat de beoogde uitbreiding de draagkracht van het gebied overschrijdt nu ze verder insnijdt in het open landschap. 4. Op 22 februari 2006 (datum van het ontvangstbewijs) dienen de verzoekende partijen met betrekking tot het voormelde perceel een nieuwe stedenbouwkundige vergunningsaanvraag in bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Lo-Reninge. In de verklarende nota wordt nu gesteld dat “de aanvraag strekt tot regularisering van de door de vorige eigenaar doorgevoerde residentialisering van een landbouwbedrijf, tot regularisatie van een door de vorige eigenaar doorgevoerde bestemmingswijziging van bedrijfsgebouw naar woning, na sloping van de oorspronkelijke bedrijfswoning en tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning voor het verbouwen van het als woning ingerichte gebouw”. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Lo-Reninge brengt in zitting van 4 april 2006 een gunstig preadvies uit over de voormelde nieuwe aanvraag. In de algemene conclusie van dat advies wordt gesteld dat de aanvraag in overeenstemming is (of kan gebracht worden mits het opleggen van de nodige voorwaarden) met de wettelijke bepalingen, alsook met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving. Tegen het uitblijven van een beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Lo-Reninge inzake hun aanvraag van X-13.257-5/12 22 februari 2006, dienen de verzoekende partijen op 2 juni 2006 bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen een beroep in. Die bestendige deputatie verklaart bij besluit van 14 september 2006 het beroep van de verzoekende partijen ontvankelijk en gegrond en verleent bijgevolg de stedenbouwkundige vergunning. In dat besluit wordt daartoe overwogen: “3.Inhoudelijke bespreking a. Juridische grondslag en beoordeling De plaats van de aanvraag bevindt zich op een perceel gekadastreerd 2de afdeling Pollinckhove, sectie D, nummer 105/e, ten noorden van de IJzer en ten zuidoosten van Lo-Reninge. De onmiddellijke omgeving wordt gekenmerkt door een open gaaf landschap. Op de bouwplaats bevindt zich een gedesaffecteerd hoevecomplex. Het betreft een L-vormige constructie met een totale oppervlakte van 473,24 m² en een totaal volume van 1911m³. Het ontwerp voorziet in de verbouwing van een zonevreemde woning binnen het bestaande bouwvolume. De verbouwing bestaat in het plaatsen van een porte-fenêtre in de westelijke vleugel (2,44m hoog) en de verbouwing van een bestaande garage tot een keuken. Hierbij wordt aan de zuidgevel een raam geplaatst en wordt een bestaande venster vergroot. Het geheel wordt afgewerkt met cederplanchetten. Aan de noordgevel van de nieuwe keuken bevindt zich een glaspartij. De aanvraag staat in functie tot residentieel gebruik en is bijgevolg strijdig met de bestemming van het gewestplan (landschappelijk waardevol agrarisch gebied). De bestemming van het gewestplan vormt op zichzelf geen weigeringsgrond voor het verbouwen van een bestaand gebouw binnen het bestaande bouwvolume voor zover voldaan is aan de uitzonderingsbepalingen van artikel 145bis DRO. Meer bepaald dient de woning hoofdzakelijk vergund te zijn, ook wat de functie betreft. (art. 145bis §1 lid 3 b DRO). De gemachtigde ambtenaar heeft met betrekking tot het hoofdzakelijk vergund karakter een ongunstig advies verleend naar aanleiding van een vorige aanvraag. Het ongunstig advies was gemotiveerd op grond van het feit dat op 2 september 2003 een stedenbouwkundige vergunning werd verleend voor de afbraak van een loods en de oorspronkelijke bedrijfswoning. Evenwel kan men op de vergunde plannen vaststellen dat de gesloopte woning werd aangeduid als berging en dat de stalling werd aangeduid als woning. Hieruit kan redelijkerwijs worden geconcludeerd dat in 2003 een functiewijziging van stalling naar woning werd vergund. Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de woning wel degelijk hoofdzakelijk is vergund ook wat de functie betreft. De aanvraag voldoet dan ook aan alle voorwaarden vereist door artikel 145bis DRO. Evenwel dient de aanvraag tevens verenigbaar te zijn met de goede ruimtelijke ordening. B. Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening De gevraagde werken strekken tot het omvormen van een garage tot een keuken, het wijzigen van enkele gevelopeningen en dit binnen het bestaande bouwvolume. Hierdoor is de ruimtelijke impact op de onmiddellijke omgeving zeer beperkt. De aanvraag is dan ook verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening”. X-13.257-6/12 Op 2 oktober 2006 tekent de gemachtigde ambtenaar hoger beroep aan tegen het voormelde inwilligingsbesluit van 14 september 2006 en dit “(g)elet op het feit dat het verbouwen van een stal tot woning strijdig is met artikel 145bis”. Dit beroepschrift, dat geen bijlage bevat, is ondertekend als volgt : “Namens de Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening, Voor V. Lenoir, met verlof, De gemachtigde adjunct van de directeur, J. Vandaele”. Bij het bestreden besluit van 1 maart 2007 willigt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening het beroep van de gemachtigde ambtenaar in en vernietigt hij het voormelde besluit van 14 september 2006 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen. In het bestreden besluit wordt onder meer overwogen: “Overwegende dat de betekening van de beslissing van de bestendige deputatie gebeurde op 18 september 2006; dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar ingesteld werd binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing; dat het dienvolgens ontvankelijk is; Overwegende dat appellant vooreerst de ontvankelijkheid betwist van het door de gemachtigde ambtenaar ingesteld beroep; dat hij in dat verband aanvoert dat: - de brief die hij ontvangen heeft geen ‘afschrift’ is van het beroepschrift dat aan de Minister werd overgemaakt; dat betrokkene allerminst hieruit kan afleiden of ook de Minister een beroep ontving, en zo ja wat de inhoud ervan is, en op welke datum dat geschiedde, eenvoudigweg omdat hij geen afschrift ontving van de brief die naar de Minister werd gestuurd; - het ingestelde beroep is ondertekend door de heer J. Vandaele, gemachtigde van de Directeur V. Lenoir, namens de Minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening; dat uit het beroep dat werd ingesteld blijkt dat bij dit beroep ook geen bijlagen werden gevoegd; dat in ieder geval bij het exemplaar dat de heer De Maesschalk van het beroep ontv(i)ng geen bijlagen waren gehecht; dat bij het beroep dus ook niet het stuk was gevoegd waaruit blijkt dat de heer Vandaele conform de geldende wettelijke bepalingen gemachtigd was om dit beroep in te stellen; - het beroep van de gemachtigde ambtenaar tevens onontvankelijk is in de mate dat het ingesteld is namens de Vlaamse Minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening, en het beroep aldus wordt ingesteld door de Vlaamse Minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening, bij zichzelf; Overwegende dat dienaangaande dient gesteld dat uit het onderzoek blijkt dat het beroepschrift van 2 oktober 2006 van de gemachtigde ambtenaar identiek aan beide partijen werd betekend en dat hierin duidelijk de beroepsmotieven werden meegedeeld; dat het beroepschrift geen bijlage bevat; dat hierover geen probleem kan bestaan gezien appellant ook geen gebruik gemaakt heeft van de mogelijkheid tot inzage van het dossier om zich te vergewissen over de juistheid van beide stukken; dat aangaande het tweede middel kan meegedeeld worden dat uit een bijgebracht document blijkt dat bij besluit van 28 september 2006 mevrouw V. Lenoir, gemachtigde ambtenaar van het Agentschap R-O Vlaanderen West-Vlaanderen, de bevoegdheid overdraagt aan de heer J. Vandaele, adjunct van de directeur voor de periode van 2 oktober 2006 tot en met 4 oktober 2006; dat tenslotte dient verwezen te worden naar artikel 4 van het ministerieel besluit van 1 februari 1995 houdende ‘aanwijzing X-13.257-7/12 van de gemachtigde ambtenaar inzake ruimtelijke ordening’; dat, overeenkomstig dit ministerieel besluit, de juiste formulering voor de ondertekening van het beroepschrift werd gebruikt; dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar wel degelijk ontvankelijk is”. IV. Onderzoek van het eerste middel Uiteenzetting van het middel 5. De verzoekende partijen voeren in hun verzoekschrift het volgende eerste middel aan: “Eerste middel, genomen uit de schending van artikel 53 § 2 van het Decreet van 22 oktober 1996 houdende de Coördinatie van de stedenbouwwet, Doordat, het exemplaar van het beroepsschrift dat beroepers en hun raadsman ontvingen, en blijkbaar ook het beroep dat de Minister ontving is ondertekend door J Vandaele, voor V Lenoir, met verlof, En doordat, artikel 53 DRO de bevoegdheid om beroep in te stellen tegen een besluit van de bestendige deputatie van een Provincieraad waarbij een stedenbouwkundige vergunning wordt verleend rechtstreeks aan de gemachtigde ambtenaar toewijst (...), en artikel 4 §1 van het Ministerieel Besluit houdende aanwijzing van de Gemachtigde Ambtenaren inzake ruimtelijke ordening dd. 1 februari 1995 bepaalt dat in geval van afwezigheid of verhindering van een gemachtigde ambtenaar de bevoegdheden waarmee hij is bekleed voor de duur van zijn afwezigheid of verhindering door de gemachtigde ambtenaar worden opgedragen aan de door hem aangeduide ambtenaar van minstens rang A 1, met uitzondering van de Afdelingshoofden, En doordat, artikel 4 §1 in fine Ministerieel Besluit houdende aanwijzing van de Gemachtigde Ambtenaren inzake ruimtelijke ordening dd. 1 februari 1995 oplegt dat een copie van deze aanduiding moet worden gezonden aan de Vlaamse Minister, waaruit blijkt dat deze aanduiding moet gebeuren bij formeel besluit. En doordat, noch het exemplaar van het beroepsschrift zoals het aan eerste verzoeker werd betekend, noch het exemplaar van het beroepsschrift zoals het aan de raadsman van beroepers werd betekend copie bevat van het besluit van de gemachtigde ambtenaar waarbij de heer J. Vandaele conform artikel 4 §1 van het Ministerieel Besluit dd. 1 februari 1995 wordt opgedragen de bevoegdheden van de gemachtigde ambtenaar gedurende haar periode van afwezigheid of verhindering uit te oefenen, Terwijl, artikel 53 §2 DRO zoals gewijzigd door artikel 67 van het decreet van 21 november 2003 vereist dat de stukken die integrerend deel uitmaken van een beroep van de gemachtigde ambtenaar op straffe van nietigheid deel uit moeten maken van de kennisgeving van het beroep van de gemachtigde ambtenaar bij de voor ruimtelijke ordening bevoegde Minister, En terwijl, onder stukken die het beroep ondersteunen en die integrerend deel uitmaken van het beroep in de zin van artikel 53 §2 DRO minstens die stukken moeten worden verstaan die de betrokkene in staat moeten stellen bij de ontvangst van het beroep na te kijken of dit beroep regelmatig is ingesteld in de mate dat het ingesteld binnen de wettelijke termijn, bij de juiste instantie en door de bevoegde persoon. En terwijl, de Ministeriële Omzendbrief dd. 5 september 2003 (RO2003/1) met betrekking tot de modaliteiten tot het instelling van het hoger beroep door X-13.257-8/12 het College van Burgemeester en Schepenen en/of door de gemachtigde ambtenaar zelf duidelijk vermeldt dat de kennisgeving van het bij de minister ingestelde beroep aan de aanvrager tot bedoeling heeft de aanvrager in staat te stellen na te gaan of het beroep van het College van Burgemeester en Schepenen of van de gemachtigde ambtenaar regelmatig werd ingesteld (cfr. Ministeriële Omzendbrief 2003/1 dd. 5 september 2003, titel 3 §1) En terwijl, uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt dat de aanvrager in de mogelijkheid moet zij(
- n)om op zicht van het beroepsschrift na te gaan of het beroep tegen de beslissing waarbij hem een vergunning werd verleend uitgaat van een tot het instellen van dat beroep bevoegde ambtenaar en derhalve van substantiële aard is ( ...); En terwijl, het Arbitragehof in zijn arrest nr. 101/2003 dd. 17 juli 2003 voor de redelijke verantwoording van het verschil in behandeling van de beroepen ingesteld door de Gemachtigde Ambtenaar zelf enerzijds en de beroepen van het College van Burgemeester en Schepenen en de aanvrager zelf anderzijds, (waar in het eerste geval de gemachtigde ambtenaar de stukken gevoegd bij zijn beroep wel moet overmaken en in het andere geval deze stukken niet moet overmaken), zélf verwijst naar de mogelijkheid waarover de aanvrager moet beschikken om na te gaan of het beroep regelmatig is ingesteld (...); En terwijl, de betrokken aanvrager enkel dan op zicht van het beroepschrift met bijlagen kan nagaan of het beroep uitgaat van een tot het instellen van dat beroep bevoegde ambtenaar, indien de beslissing waarbij de bevoegdheden van de Gemachtigde ambtenaar worden overgedragen aan de ambtenaar die het beroep ondertekende effectief is gevoegd bij het afschrift van het beroep dat aan de aanvrager wordt betekend. En terwijl, aldus de beslissing dd. 28 september 2006, die luidens de tekst van het bestreden besluit werd ‘bijgebracht’, en waarvolgens de gemachtigde ambtenaar, mevrouw Lenoir, haar bevoegdheden van 2 oktober 2006 tot 4 oktober 2006 overdraagt aan de heer Vandaele, een stuk is dat integrerend deel uitmaakt van het beroep, nu het noodzakelijk is om de aanvrager in staat te stellen na te gaan of het beroep van de gemachtigde ambtenaar regelmatig werd ingesteld, en dus op straffe van nietigheid bij het beroep van de Gemachtigde Ambtenaar en bij de notificatie van copie van dit beroep aan de aanvrager diende te worden gevoegd, Zodat, de door de gemachtigde ambtenaar aangestelde ambtenaar, door na te laten het ingestelde beroep en het aan eerste verzoeker en zijn raadsman genotificeerde exemplaar van dit beroep te laten vergezellen van de beslissing dd. 28 september 2006, waaruit blijkt dat de bevoegdheden van de gemachtigde ambtenaar hem werden overgedragen tussen 2 oktober 2006 en 4 oktober 2006, zodat hij op 2 oktober 2006 effectief beschikte over de bevoegdheid om zulk beroep in te stellen, een in artikel 53 §2 DRO op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorschrift heeft geschonden, en zijn beroep daardoor onontvankelijk is. Beoordeling 6. Het toentertijd geldende artikel 53, §2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet) bepaalt: “§ 2. Het college van burgemeester en schepenen alsook de gemachtigde ambtenaar kunnen bij de Vlaamse regering in beroep komen binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van de bestendige deputatie tot X-13.257-9/12 verlening van een vergunning. Dit beroep, evenals de termijn voor instelling van het beroep, schorst de vergunning. Het wordt tezelfder tijd ter kennis van de aanvrager en van de Vlaamse regering gebracht. Komt de gemachtigde ambtenaar in beroep, dan geeft deze daarvan bovendien kennis aan het college. De kennisgeving aan de aanvrager bevat minstens : 1° op straffe van nietigheid een afschrift van het beroepschrift, waaruit blijkt op welke datum het beroep werd ingesteld en welke de redenen zijn waarop het beroep is gegrond, met eventuele bijlagen, opgesteld ter ondersteuning van dit beroep en die er een integrerend deel van uitmaken; 2° een inventaris van de overige stukken die aan de Vlaamse regering en niet aan de aanvrager worden toegezonden; 3° welke instantie het beroep bij de Vlaamse regering voorbereidend onderzoekt, dat hij op het adres van deze instantie kan vragen om gehoord te worden bij de Vlaamse regering of haar gemachtigde, om het dossier in te kijken en om er afschriften uit te bekomen. Indien de aanvrager, de Vlaamse regering of de instantie die het beroep bij de Vlaamse regering voorbereidend onderzoekt, vaststelt dat aan de verplichting van het eerste lid, 2° en 3°, niet is voldaan, kan hieraan alsnog worden verholpen. Onverminderd de definitieve rechterlijke beslissingen waarin schending van vormvoorschriften werd vastgesteld, is het voorgaand lid eveneens van toepassing op beroepen, ingesteld voor het van kracht worden van deze bepaling, en tevens op de beroepen waarover opnieuw zal worden beslist na een vernietigingsarrest van de Raad van State. (...) De aanvrager of zijn raadsman, alsook het college of zijn gemachtigde worden op hun verzoek door de Vlaamse regering of diens gemachtigde gehoord. Wanneer een partij vraagt te worden gehoord, worden ook de andere partijen opgeroepen. Van de beslissing van de Vlaamse regering wordt aan de partijen kennis gegeven binnen zestig dagen na afgifte bij de post van de aangetekende zending die het beroep bevat. Ingeval de partijen worden gehoord, wordt de termijn met vijftien dagen verlengd. Bij gebreke kan de aanvrager de zaak bij aangetekende brief aan de Vlaamse regering rappeleren”. Artikel 4 van het besluit van 1 februari 1995 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden houdende aanwijzing van de gemachtigde ambtenaren inzake ruimtelijke ordening, bepaalt : “§1. In geval van afwezigheid of verhindering van een gemachtigde ambtenaar, worden de bevoegdheden waarmee hij of zij is bekleed, voor de duur van de afwezigheid of verhindering opgedragen aan de door de gemachtigde ambtenaar aangeduide ambtenaar van minstens rang A1, met uitzondering van de afdelingshoofden. In geval van afwezigheid of verhindering van de Directeur-generaal in zijn hoedanigheid van gemachtigde ambtenaar worden zijn bevoegdheden opgedragen aan het afdelingshoofd Vergunningen van de Administratie Ruimtelijke Ordening en Huisvesting. Een afschrift van deze aanduiding wordt medegedeeld aan de Vlaamse minister. §2. De ambtenaar die aangeduid is om een gemachtigde ambtenaar bij afwezigheid of verhindering te vervangen, tekent met de volgende formule : ‘Namens de Vlaamse minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening, Voor (naam en graad van de gedelegeerde gemachtigde ambtenaar), X-13.257-10/12 De gemachtigde (graad van de ambtenaar die voornoemde ambtenaar vervangt), (naam van de ambtenaar die voornoemde ambtenaar vervangt)’”. 7. In het administratief dossier bevindt zich een besluit van 28 september 2006 van de gemachtigde ambtenaar. Dat besluit verwijst naar artikel 4, §1 van het voornoemde ministerieel besluit van 1 februari 1995 en naar “de afwezigheid van de gemachtigde ambtenaar uit de dienst, wegens verlof tijdens de periode van 2 oktober 2006 tot en met 4 oktober 2006”. Voorts overweegt het “dat met het oog op continuïteit van bestuur moet worden voorzien in haar vervanging tijdens voornoemde periode” en “dat J. VANDAELE, adjunct van de directeur, door zijn jarenlange ervaring binnen het Agentschap R-O Vlaanderen - R-O West- Vlaanderen - ruimtelijke ordening, als valabel ambtenaar kan worden beschouwd om de betrokken vervangingsopdracht naar behoren te vervullen”. In een enig artikel wordt dan besloten wat volgt: “J. VANDAELE, adjunct van de directeur, wordt opgedragen tijdens de periode van 2 oktober 2006 tot en met 4 oktober 2006, de bevoegdheden waar te nemen van de gemachtigde ambtenaar, die alsdan met verlof is. Een afschrift van dit besluit wordt heden medegedeeld aan de Vlaamse minister”. Blijkens de stukken van het administratief dossier is, telkens met een brief van 28 september 2006, een afschrift van het voormelde besluit medegedeeld aan de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening, aan de administrateur-generaal bij het Agentschap R-O Vlaanderen en aan de aangeduide vervanger. Uit het voorgaande blijkt dat J. Vandaele, adjunct van de directeur, bevoegd was om de beroepsakte te ondertekenen. De enkele omstandigheid dat het machtigingsbesluit van 28 september 2006 niet samen met de beroepsakte aan de verzoekende partijen ter kennis werd gebracht, kan niet tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden. Dat machtigingsbesluit kan immers niet worden beschouwd als een bijlage die is opgesteld ter ondersteuning van het beroep en die er integrerend deel van uitmaakt, zoals bedoeld in het toentertijd geldende artikel 53, §2, tweede lid, 1/ van het gecoördineerde decreet. Het eerste middel is niet gegrond. 8. Het is noodzakelijk voor de oplossing van het geschil dat ook de overige middelen en middelonderdelen door een lid van het auditoraat worden onderzocht en dat daarover verslag wordt uitgebracht. X-13.257-11/12 BESLISSING 1. De Raad van State heropent de debatten. 2. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig juni 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-13.257-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.079 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.178.193 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.213.531 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div