id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.092 Rolnummer: A. 188116/X-13770 Zaak: Arrest 206092 - Plannen van aanleg - 29/06/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-06 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-02 11:00 Fiche Arrest nr 206.092 van 29 juni 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 206.092 van 29 juni 2010 in de zaak A. 188.116/X-13.
- In zake: de n.v. HUGO DE SCHUTTER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen en Kris Wauters kantoor houdend te 3500 HASSELT Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:
- de gemeente KAPELLE-OP-DEN-BOS
- het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 BRUSSEL Leopold II laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 5 mei 2008, strekt tot de nietigverklaring van: “- het besluit van de Gemeenteraad van Kapelle-Op-Den-Bos van 26.03.06 houdende de definitieve aanvaarding van het bijzonder plan van aanleg zonevreemde bedrijven; - het ministerieel besluit houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg, zonevreemde bedrijven van de gemeente Kapelle-Op-Den-Bos genomen op 15.02.08”. II. Verloop van de rechtspleging
- De tweede verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ten aanzien van de eerste verwerende partij en een memorie van wederantwoord ten aanzien van de tweede verwerende partij ingediend. X-13.770-1/11 Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De tweede verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 maart
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kris Wauters, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Elke Baillien, die loco advocaat Stijn Butenaerts verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De verzoekende partij baat een inrichting uit met als activiteit het verkopen en het onderhouden van land- en tuinbouwmachines die is gevestigd te Ramsdonk, op een perceel kadastraal bekend sectie A, nrs. 284/h en 284/f. Het voormelde perceel is overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse deels gelegen in woongebied en deels in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, of van een vergunde verkaveling.
- Op 23 oktober 2006 beslist de gemeenteraad van de gemeente Kapelle-op-den-Bos “het afwijkend sectoraal BPA zonevreemde bedrijven voorlopig te aanvaarden”. X-13.770-2/11 Volgens de verantwoordingsnota, horend bij het voornoemde ontwerpplan, wordt het bedrijf van de verzoekende partij “niet als para-agrarisch bedrijf (...) beschouwd” en wordt het in het ontwerpplan opgenomen.
- Ingevolge de tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaren gericht tegen het opnemen van het bedrijf van de verzoekende partij in het ontwerp bijzonder plan van aanleg, stelt de Gecoro in een advies van 15 februari 2007 voor om “dit bedrijf uit het BPA te lichten en een apart BPA op te starten met een alternatief voorstel”.
- Na te hebben overwogen dat “de gemeente het advies van de GECORO volgt”, beslist de gemeenteraad van de gemeente Kapelle-op-den-Bos op 26 maart 2007 om “het sectoraal BPA zonevreemde bedrijven bestaande uit een verantwoordingsnota en per bedrijf uit een plan met bestaande toestand (en) een bestemmingsplan met stedenbouwkundige voorschriften (...) definitief te aanvaarden”, doch niet “voor het bedrijf Land- en Tuinbouwmachines De Schutter nv”. Dit is het eerste bestreden besluit.
- Op 15 februari 2008 beslist de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening wat volgt: “Enig artikel. Het bijzonder plan van aanleg ‘zonevreemde bedrijven’ genaamd, van de gemeente Kapelle-op-den-Bos, bestaande uit elf plannen van de bestaande en juridische toestand en elf bestemmingsplannen met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften, wordt goedgekeurd, met uitsluiting van - het met blauw omrand stedenbouwkundig voorschrift in alle deelplannen: ‘Nieuwe bestemmingen moeten qua stedenbouwkundige hinder, dezelfde of een minder storend zijn dan de bestaande en mag niet meer verkeer met zich meebrengen.’, - de met blauw omrande woorden ‘of zadeldak’ in de voorschriften Art. 1.
- van het deelplan ‘Al-Al’, - de deelplannen schrijnwerkerij ‘De Schutter NV’, ‘De Smedt Beton’ en ‘Verhaegen’ en de bijhorende voorschriften”. Dit is het tweede bestreden besluit. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
- De tweede verwerende partij werpt in de memorie van antwoord de volgende exceptie van onontvankelijkheid van het beroep wegens gemis aan belang op: X-13.770-3/11 “Overeenkomstig artikel 19, eerste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een vordering tot nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling slechts voor de afdeling administratie van de Raad van State worden gebracht door een partij die doet blijken van een benadeling of een belang. De verzoekende partij is er dan ook toe gehouden door middel van concrete en duidelijke gegevens aan te tonen waarin zijn persoonlijk belang bestaat. In casu dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij nalaat te preciseren waarin zijn belang zou bestaan. Dit is des te prangender nu tweede verwerende partij dient vast te stellen dat verzoekende partij over geen enkel rechtstreeks en persoonlijk belang beschikt. Conform vaste rechtspraak van Uw Raad heeft immers slechts een verzoekende partij wiens eigendom gelegen is binnen de omschrijving van een plan van aanleg of in de onmiddellijke omgeving ervan, het belang om de vernietiging te vorderen van een bestemmingsvoorschrift dat hem grieft. Er moet worden vastgesteld dat het perceel van verzoekende partij niet werd opgenomen in het BPA, noch in de onmiddellijke omgeving ervan ligt (...), zodat zij over geen enkel rechtstreeks en persoonlijk belang beschikt. Alleszins dient te worden vastgesteld dat verzoekende partij geen enkel belang heeft bij de ingeroepen middelen aangezien deze op geen enkele wijze ingaan tegen zijn uitsluiting uit het BPA. De vordering van verzoekende partij is dan ook onontvankelijk”.
- De verzoekende partij repliceert in de memorie van wederantwoord wat haar belang betreft als volgt: “Verzoekende partij wenst in dit onderdeel het door tweede verwerende partij opgeworpen gebrek aan belang te weerleggen en verwijst voor het overige met betrekking tot de ontvankelijkheid naar haar verzoekschrift. Verzoekende partij heeft een rechtstreeks en persoonlijk belang bij de ingestelde vordering en bij de aangevoerde middelen. Een BPA wordt opgesteld om de bestaande toestand en de bestemming van een gebied te bepalen. De stedenbouwkundige voorschriften betreffende oa. de plaatsing van de gebouwen, de wegen en de groene ruimten worden hierin vastgelegd. Verzoekende partij heeft een bedrijf in het verkopen en het onderhoud van land- en tuinbouwmachines. Het bedrijf is deels gelegen in woongebied en deels in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De activiteit van verzoekende partij kan als zonevreemd worden gekwalificeerd omdat er op dit moment geen BPA geldt voor dit bedrijf of gebied. Het BPA Zonevreemde bedrijven Kapelle-op-den-bos is goedgekeurd en realiseert de bestemming van de zone. Dit houdt in dat alle bedrijven die binnen deze zone gehuisvest zijn, bestemmingseigen zijn geworden en overeenkomstig de voorschriften de bedrijfsactiviteit kunnen verder zetten. Ten eerste spreekt gezien de totstandkoming van het BPA het persoonlijk en rechtstreeks belang van verzoekende partij voor zich. Het bedrijf van verzoekende partij werd door de bestreden beslissing op het laatste moment uit het BPA gehaald. Als het bedrijf van verzoekende partij op het laatste moment niet uit dit BPA zou gehaald zijn, zou de toestand zone-eigen geworden zijn. Door de uitsluiting uit het BPA is de huidige situatie voor verzoekende partij nefast en heeft zij er alle belang bij de vernietiging van de bestreden beslissingen. Eventueel zouden de bevoegde overheden kunnen staande houden dat de activiteiten, uitgeoefend door verzoekende partij ter plaatse, niet verenigbaar zijn met bestemming van het gebied. In die zin zou men X-13.770-4/11 verzoekende partij eventueel kunnen verplichten om de activiteiten stop te zetten. Ten tweede is het bedrijf gelegen in de ‘onmiddellijke omgeving’ van het BPA. De verzoeker wiens eigendom paalt aan het beheersingsgebied van het door hem bestreden BPA heeft wel een belang. Dat het BPA de onmiddellijke omgeving behelst is overduidelijk aangezien al de bedrijven rond het bedrijf van verzoekende partij liggen. Deze bedrijven hebben omwille van dit BPA, in tegenstelling tot het bedrijf van verzoekende partij, nu een zone-eigen bestemming. Ten slotte is er op dit moment geen vooruitzicht op de bestemming van de zones waarin het bedrijf van verzoekende partij gelegen is. In het artikel 14 laatste lid wordt bepaald dat er na 1 mei 2008 geen afwijkende BPA’s meer definitief door de gemeenteraad aangenomen kunnen worden. Aangezien er nog geen goedgekeurd ruimtelijk structuurplan van Kappelle-op-den-bos is, kan er momenteel geen ruimtelijk uitvoeringsplan worden opgesteld. Verzoekende partij verkeert omwille van de bestreden beslissing in een onzekere situatie die had kunnen voorkomen worden en lijdt hierdoor een nadeel”.
- Anders dan de verzoekende partij voorhoudt, bevindt haar eigendom zich niet in de onmiddellijke omgeving van de overige door de bestreden besluiten definitief aanvaarde, respectievelijk goedgekeurde, deelplangebieden. De verzoekende partij heeft wel het vereiste belang bij haar beroep, in zoverre haar bedrijf een zone-eigen karakter wordt onthouden, nadat het eerst in het ontwerpplan werd opgenomen. Waar de exceptie stelt dat de verzoekende partij geen belang heeft bij de ingeroepen middelen “aangezien deze op geen enkele wijze ingaan tegen zijn uitsluiting uit het BPA”, valt de beoordeling ervan samen met het onderzoek van de middelen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij roept in een eerste middel de schending in van “het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22.10.1996 (...), o.a. artikel 21, lid 3 ”: “Middel gebaseerd op de schending van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22.10.1996 (hierna DROG), o.a. artikel 21, lid 3; Doordat de tweede verwerende partij in de tweede bestreden beslissing zich wat betreft de inkleuring van het perceel van verzoekende partij heeft beperkt tot te stellen dat de gemeenteraad van eerste verwerende partij dit perceel heeft X-13.770-5/11 uitgesloten van het bijzonder plan van aanleg (BPA) en bijgevolg geen beslissing meer noodzakelijk is betreffende dit perceel; Terwijl op grond van artikel 21, lid 3 DROG de beslissing tot definitieve vaststelling van het BPA slechts uitvoering kan krijgen als deze is goedgekeurd door de Vlaamse regering; Dat de goedkeuring de rechtshandeling is waarbij de toezichthoudende overheid verklaart dat een beslissing van een onder toezicht staand bestuur uitwerking mag hebben, omdat ze noch de wet schendt, noch het algemene belang schaadt; Dat de Vlaamse regering aldus niet enkel de wettigheid moet nagaan van het gemeenteraadsbesluit voor die percelen die zijn opgenomen in het BPA, doch ook de wettigheid moet nagaan voor die percelen die zijn uitgesloten door de gemeenteraad; Dat het eerste middel gegrond is; Toelichting : De gemeenteraad heeft de bevoegdheid om definitief een BPA vast te stellen. Op grond van artikel 21, lid 3 DROG, kan deze beslissing slechts uitwerking hebben als deze is goedgekeurd door de Vlaamse regering. In de voorbereidende werken bij de Stedenbouwwet van maart 1962 heeft de wetgever deze goedkeuring als volgt gekarakteriseerd : ‘De noodzaak van de goedkeuring der gemeentelijke plannen van aanleg door de Koning vindt haar grond in de klassieke regelen van de administratieve voogdij, zoals ze over de meeste handelingen van de gemeenteoverheden werden uitgeoefend’. De meest gezaghebbende rechtsleer heeft het administratief toezicht als volgt omschreven : ‘Onder ‘administratief toezicht’ wordt verstaan het geheel van de middelen waarover de toezichthoudende overheid beschikt, hetzij om de organen van de gedecentraliseerde diensten te verplichten de wet na te leven en het algemeen belang te eerbiedigen, hetzij om hun onwilligheid te breken. De controle van de toezichthoudende overheid betreft normaliter zowel de opportuniteit of de overeenstemming met het algemeen belang, als de wettigheid van de door lagere bestuursorganen verrichte rechtshandelingen’. Volgens de Raad van State is de goedkeuring de rechtshandeling ‘waarbij de toezichthoudende overheid verklaart dat de beslissing van een onder toezicht staand bestuur uitwerking mag hebben, omdat ze noch de wet schendt, noch het algemeen belang schaadt’ De Raad voegde hier nog in een ander arrest aan toe dat de goedkeuringsbeslissing op zich geen bestaanswaarde heeft en het bijzonder plan van aanleg een gemeentelijk besluit blijft. In het eerste middel moet uit het geheel van deze rechtspraak zeker worden geconcludeerd dat als de bevoegde Vlaamse minister zijn toezichtsbevoegdheid uitoefent, deze taak niet enkel mag beperkt zijn tot het nagaan van de wettelijkheid van het BPA voor die percelen die definitief anders zijn ingekleurd door de gemeenteraad, doch hij de wettigheid moet nagaan van de volledige beslissing en dus ook voor die onderdelen die betrekking hebben op percelen die niet werden weerhouden door de gemeenteraad. Dit verplichtte tweede verwerende partij om een uitspraak te doen over de wettigheid van de eerste bestreden beslissing wat betreft het uitsluiten van het perceel van verzoekende partij. Door hierover geen uitspraak te doen en zelfs uitdrukkelijk te stellen dat dit niet hoefde, miskende tweede verwerende partij haar bevoegdheid, zoals opgelegd conform artikel 21 DROG”. X-13.770-6/11 Beoordeling
- De goedkeuring is de rechtshandeling waarbij de toezichthoudende overheid verklaart dat een beslissing van een onder toezicht staand bestuur uitwerking mag hebben, omdat ze noch de wet schendt, noch het algemeen belang schaadt. De procedure tot aanneming van gemeentelijke plannen van aanleg behoort tot de gemeentelijke bevoegdheid. Teneinde aan een definitief aangenomen bijzonder plan van aanleg verbindende kracht te verlenen, dient een zodanig plan door de Vlaamse regering te worden goedgekeurd.
- Uit de gegevens van de zaak blijkt dat, ingevolge de tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaren gericht tegen het opnemen van het bedrijf van de verzoekende partij in het ontwerp bijzonder plan van aanleg, de Gecoro in het advies van 15 februari 2007 heeft voorgesteld “dit bedrijf uit het BPA te lichten en een apart BPA op te starten met een alternatief voorstel” en dat, na te hebben overwogen dat “de gemeente het advies van de GECORO volgt”, de gemeenteraad van de gemeente Kapelle-op-den-Bos bij het eerste bestreden besluit heeft beslist het kwestieuze bijzonder plan van aanleg definitief te aanvaarden, behoudens wat het bedrijf van de verzoekende partij betreft.
- In het tweede bestreden besluit wordt overwogen “dat het deelplan ‘De Schutter NV’ uitgesloten werd uit de definitieve aanvaarding door de gemeenteraad; dat het derhalve geen deel uitmaakt van het huidig voorwerp van goedkeuring”. Hieruit blijkt dat de tweede verwerende partij heeft geoordeeld dat de uitsluiting van het deelplan “De Schutter NV” niet aan haar goedkeuringstoezicht was onderworpen. Uit de tekst van het toentertijd geldende artikel 21, eerste, derde en vierde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, blijkt dat dit oordeel terecht is.
- In de laatste memorie stelt de verzoekende partij nog dat “In zover het uitgangspunt zou moeten zijn, uitgangspunt dat op dit ogenblik niet wordt verdedigd door de eerste auditeur afdelingshoofd, dat geen goedkeuring moet worden verleend aan de beslissing waarbij een perceel wordt uitgesloten uit het bijzonder plan van aanleg, suggereert verzoekende partij een volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: ‘Schendt artikel 21, lid 3 van het Decreet betreffende ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 de artikelen 10 en 11 eventueel in samenhang met artikel 16 van de Grondwet en een van het eerste aanvullend protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens doordat de X-13.770-7/11 Vlaamse regering geen goedkeuring zou moeten verlenen aan de beslissing van de gemeenteraad, waarbij een perceel grond oorspronkelijk opgenomen in het ontwerp bijzonder plan van aanleg, hiervan in de uiteindelijke beslissing wordt uitgesloten, terwijl deze Vlaamse regering wel haar goedkeuring moet verlenen aan de beslissing van de gemeenteraad voor die percelen die wel zijn opgenomen in het bijzonder plan van aanleg’”. De verzoekende partij was in de mogelijkheid om in limine litis de Raad van State te verzoeken de in haar laatste memorie gestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof voor te leggen. De gestelde vraag raakt de openbare orde niet, terwijl het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag, zeker wanneer die de openbare orde niet raakt, om proceseconomische redenen en omwille van de vereiste van de wapengelijkheid van de procespartijen, in limine litis moet worden geformuleerd, of minstens in het eerste processtuk waarin de bedoelde partij dit vermocht te doen. Het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof is om deze redenen onontvankelijk.
- Het middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij neemt een tweede middel “uit de schending van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996, o.a. artikelen 12, 14, 19 en 21 lid 3”, “uit de schending van het decreet van 18.7.2003 betreffende het integraal waterbeleid, o.a. de artikelen 3 en 8”, “uit de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, o.a. het materiaal (sic) motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel” en “uit de onbevoegdheid”, “Doordat de bevoegde Vlaamse minister in de tweede bestreden beslissing enerzijds een poging doet tot ruimtelijke afweging en anderzijds de watertoets uitvoert; Eerste onderdeel : Terwijl in toepassing van artikel 14 lid 5 DROG de gemeenteraad bevoegd is om bij de definitieve vaststelling van het BPA een ruimtelijke afweging te maken mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen; Dat de Vlaamse minister als toezichthoudende overheid niet de bevoegdheid heeft om als eerste deze toets te doen, wanneer de gemeenteraad dit, zoals in casu, niet heeft gedaan; Dat de rol van de minister beperkt is tot het nagaan of de beslissing van de gemeenteraad wettig of opportuun was; Dat de Vlaamse minister geen zelfstandige bevoegdheid heeft terzake; Dat bijgevolg de minister zijn bevoegdheid overschrijdt en de gemeenteraad anderzijds haar bevoegdheid niet heeft uitgeoefend; X-13.770-8/11 Dat het eerste onderdeel gegrond is; Tweede onderdeel : Terwijl artikel 8, § 1, le lid van het decreet van 18 juli 2003 bepaalt: ‘De overheid die over een vergunning, een plan of programma moet beslissen, draagt er zorg voor, door het weigeren van de vergunning of door goedkeuring te weigeren aan het plan of programma dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd’; Dat de decreetgever deze verplichting verder als volgt heeft omschreven: ‘Dit artikel geeft uitvoering aan het principe van de integratie van het integraal waterbeleid bij de planvoering en vergunningverlening. Telkens wanneer er een beslissing wordt genomen op andere beleidsterreinen van het Vlaamse Gewest en van de overige besturen, moet er op basis van dit artikel rekening worden gehouden met het integraal waterbeleid. De betrokken overheid moet dan als het ware het dossier aan een ‘watertoets’ onderwerpen vooraleer een beslissing te nemen. Deze ‘watertoets’ kan in het algemeen worden opgevat als het proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de mogelijke schadelijke effecten van plannen, programma’s of vergunningsbesluiten op het watersysteem. De grootste winst ligt dus bij de vroegtijdige informatievoorziening en afweging. Daarmee fungeert de ‘watertoets’ ook als en belangrijk preventief instrument’; Dat op grond van artikel 21, lid 3 DROG de Vlaamse regering, i.e. de bevoegde Vlaamse Minister, enkel bevoegd is om goedkeuring te verlenen aan het definitief vastgesteld B.P.A.; dat hij daarbij niet in de plaats mag treden van de gemeente; Dat het bijgevolg aan de gemeenteraad toekomt om rekening te houden bij haar beslissing tot definitieve vaststelling van het B.P.A. met het integraal waterbeleid; dat in het kader van deze procedure een zo vroeg mogelijke informatieverstrekking aan derden kunnen garanderen betreffende de waterproblematiek; dat dergelijke vroegtijdige informatie de belanghebbenden ook de kans geeft met kennis van zaken bezwaren te uiten betreffende deze problematiek; dat de beslissing houdende definitieve goedkeuring van het B.P.A. op geen enkele wijze rekening houdt met het integraal waterbeleid; dat aldus de gemeenteraad in de tweede bestreden beslissing de bepalingen van artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 schendt; Dat aldus de eerste bestreden beslissing geen rekening houdt met de ratio legis en de bepalingen van artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003, daar de watertoets in huidige zaak niet als een preventief instrument voorafgaand aan elke beslissing betreffende de vaststelling van een B.P.A. heeft gefungeerd; Dat de tweede bestreden beslissing een overschrijding inhoudt van de bevoegdheid, die conform artikel 21, lid 3 DROG werd toegekend aan de Vlaamse regering; dat immers de bevoegde Minister niet gemachtigd was om los van de gemeenteraad, zonder dat deze laatste een uitspraak had gedaan over dat integraal waterbeleid, een beslissing dienaangaande te nemen; dat aldus de Minister zich in de plaats stelt van de gemeenteraad en dus verder gaat dan zijn goedkeuringsbevoegdheid hem toegekend op grond van artikel 21, lid 3 DROG; Toelichting: Terzake kan worden verwezen naar het eerste middel. De bevoegdheid van tweede verwerende partij beperkt zich tot het nagaan van de wettigheid van de gemeenteraadsbeslissing. In dat kader heeft hij niet de mogelijkheid om zelf het dossier te onderzoeken en in de plaats van de gemeenteraad bepaalde toetsingen te doen”. X-13.770-9/11 Beoordeling
- De door de verzoekende partij aangevoerde onwettigheden hebben geen betrekking op de uitsluiting van haar bedrijf uit het kwestieuze bijzonder plan van aanleg, minstens toont de verzoekende partij dit niet aan. Het blijkt derhalve niet dat de verzoekende partij een belang heeft bij het middel dat inpasbaar is in het belang bij haar beroep, zoals aangenomen onder randnummer
- Het middel is onontvankelijk. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij roept in een derde middel de schending in van “het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22.10.1996, o.a. artikel 14, lid 5”, “het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening van 18.5.1999, o.a. de artikelen 4 en 19, § 3” en “de beginselen van behoorlijk bestuur, o.a. het materieel motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel”, “Doordat uit geen enkele van de betwiste bestreden beslissingen blijkt dat verwerende partijen een ruimtelijke afweging hebben gemaakt, mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen; Terwijl op grond van artikel 14 lid 5 DROG een gemeente geen sectoraal BPA kan aannemen en de minister die niet kan goedkeuren, wanneer er geen ruimtelijke afweging gebeurt op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen; Dat op grond van het materieel motiveringsbeginsel een eventueel toch gemaakte afweging moet steunen op juiste feitelijke gegevens en rechtens aanvaardbare motieven; Dat bij gebreke aan dergelijke motieven verzoekende partij betwist dat dergelijke draagkrachtige motieven aanwezig zouden zijn; Dat uit geen enkel stuk blijkt dat de genomen beslissingen in overeenstemming zouden zijn met de principes zoals uiteengezet in het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, meer bepaald in het richtinggevend en bindend gedeelte; Dat het middel gegrond is”. Beoordeling
- Om de reden vermeld onder randnummer 18 is het middel onontvankelijk. X-13.770-10/11 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig juni 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-13.770-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.092 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div