id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.208 Rolnummer: A. 148454/XII-4076 Zaak: Arrest 206208 - Plaatselijk openbaar ambt (provinciën, gemeenten, enz.) - Reglementen - 01/07/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-12 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-07-02 11:29 Fiche Arrest nr 206.208 van 1 juli 2010 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt (provinciën, gemeenten, enz.) - Reglementen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 206.208 van 1 juli 2010 in de zaak A. 148.454/XII-4076 In zake: het GEMEENTELIJK AUTONOOM PARKEERBEDRIJF ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Eric Van Hooydonck kantoor houdend te Antwerpen Emiel Banningstraat 23 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 5 maart 2004, strekt tot de nietig- verklaring van het besluit van 13 februari 2004 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken waarbij vernietigd wordt de beslissing van 2 juli 2003 van de raad van bestuur van het Gemeentelijk Autonoom Parkeerbedrijf Antwerpen (hierna: GAPA) houdende het personeelsstatuut en het arbeidsreglement. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 133.787 van 12 juli 2004 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. XII-4076-1\12 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Bert Thys heeft een verslag opgesteld. Verzoeker en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 januari
- Staatsraad Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bjorn Cloots, die loco advocaat Eric Hooydonck verschijnt voor verzoeker, en advocaat Nathalie De Clercq, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Bart Weekers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Het GAPA is een autonoom gemeentebedrijf met rechts- persoonlijkheid, opgericht bij besluit van 22 oktober 2001 van de gemeenteraad van de stad Antwerpen. Het heeft als statutair doel: “het ontwikkelen, beheren en exploiteren van parkeergelegenheden op en buiten de openbare weg, gelegen op het grondgebied van de Stad Antwerpen, en het treffen van alle nodige beslissingen en het stellen van alle daden die nodig of nuttig zijn om dit doel te bereiken”. Bij beslissing van 2 juli 2003 stelt de raad van bestuur van GAPA het personeelsstatuut en het arbeidsreglement vast. XII-4076-2\12 De beslissing wordt op 25 november 2003 bij besluit van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken in haar tenuitvoerlegging geschorst. Op 13 januari 2004 besluit de raad van bestuur van GAPA, zijn geschorste besluit gedeeltelijk te rechtvaardigen (artikel 1). In artikel 2 van het besluit geeft de raad van bestuur de opdracht aan het directiecomité om besluiten te ontwerpen voor de wijziging van het personeelsstatuut en het arbeidsreglement waardoor tegemoet gekomen wordt aan de bezwaren van de minister aangaande de “beweerde strijdigheid van de regeling van de loopbaanonderbreking met de Herstelwet van 22 januari 1985”, de “beweerde onduidelijkheid van artikel 37 van het personeelsstatuut inzake evaluatie en artikel 14 van het arbeidsreglement over de vrijgevigheden”, en de “beweerde onrechtmatigheid van artikel 3 van het arbeidsreglement voortvloeiend uit de vooropgestelde regel dat het attest van goed gedrag en zeden alleen bij aanwerving kan worden geëist”. Op 13 februari 2004 neemt de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken de thans bestreden beslissing om het besluit van 2 juli 2003 van de raad van bestuur van GAPA tot vaststelling van het personeelsstatuut en het arbeidsreglement te vernietigen omdat het “in strijd is met de grondwet en de beginselen van behoorlijk bestuur, het gelijkheidsbeginsel, het objectiviteitsbeginsel, de zorgvuldigheidsplicht en bijgevolg met de sectorale akkoorden afgesloten in het bevoegde Comité C1, en om deze reden ook strijdig met het algemene beleid van de Vlaamse regering en zodoende strijdig met het algemeen belang, gelet op artikel 27septies van het decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten”. Concreet betreffen de bezwaren: de afwezigheid in het personeelsstatuut van regelingen ter objectivering van de wervingen; de vereiste in het personeelsstatuut van een diploma lager secundair onderwijs of daarmee gelijkgesteld onderwijs voor een betrekking in niveau D; de vereiste in het personeelsstatuut van een bijkomend functioneringsgesprek wanneer een medewerker tijdens het evaluatiegesprek ongunstig is beoordeeld, “ongeacht een gunstige beoordeling in beroep”; de niet-overeenstemming van het hoofdstuk in het personeelsstatuut in verband met de loopbaanonderbreking met de wettelijke regeling die in de lokale sector van toepassing is en vastgelegd is in hoofdstuk IV, afdeling 5 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen; de XII-4076-3\12 vereiste in het arbeidsreglement voor de werknemer om te allen tijde tijdens de dienstbetrekking op vraag van de werkgever een attest van goed zedelijk gedrag voor te leggen; de regeling in het arbeidsreglement van de eindejaarspremie; de “eigenaardige” bepaling in artikel 14 van het arbeidsreglement aangaande de daar bedoelde vrijgevigheden. IV. Belang
- In de memorie van antwoord merkt verwerende partij op dat verzoeker geen belang kan laten gelden met betrekking tot de kritiek in het ministerieel vernietigingsbesluit waarmee hij instemt. In de laatste memorie gaat verwerende partij nog verder: aangezien verzoeker beweerdelijk “half akkoord gaat met het vernietigingsbesluit” zou hij zelfs zonder élk belang zijn: “Door het niet betwisten van vier van de zeven bezwaren blijft minstens een niet-afsplitsbaar deel van de vernietigingsmotieven -en dus ook de vernietiging- overeind”.
- In het bestreden ministerieel besluit oefent verwerende partij op zeven punten kritiek uit op verzoekers personeelsstatuut en arbeidsreglement. In plaats echter van alleen de bekritiseerde passussen te vernietigen, gaat zij er in de bestreden beslissing toe over om het gehele personeelsstatuut en het gehele arbeidsreglement te vernietigen. Als moet worden aangenomen dat, zoals verwerende partij betoogt en de Raad van State kan bijvallen, de vernietigingsmotieven onsplitsbaar zijn en ze alle tezamen de ministeriële vernietiging schragen, dan volgt daaruit dat bij onwettigheid van een deel ervan, meteen het gehele besluit is aangetast. Derhalve doet het voor het belang van verzoeker niet terzake dat hij mogelijk niet van alle motieven de onwettigheid aantoont of dat hij -zoals uit artikel 2 van het rechtvaardigingsbesluit van 13 januari 2004 blijkt- zelfs zou instemmen met sommige ervan. De exceptie is ongegrond. XII-4076-4\12 V. Eerste middel Standpunt van partijen
- In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van het niet-verbindend karakter van de sectorale akkoorden, het niet-verbindend karakter van omzendbrieven, de relativiteit van de overeenkomsten (art.1134 B.W.), het redelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het verbod van contractuele binding van publiekrechtelijke bevoegdheden, de verplichting tot het bekendmaken van normen en het beginsel patere legem quam ipse fecisti. Verzoeker bestrijdt dat het bestreden besluit de naleving van de sectorale akkoorden verplicht stelt. Onder meer licht hij toe dat de sectorale akkoorden juridisch niet rechtstreeks afdwingbaar zijn, dat het enkele feit dat de autonome gemeentebedrijven werden onderworpen aan de regelgeving betreffende het syndicale overleg in de openbare sector daaraan niets verandert, dat het bevreemdend zou zijn dat de autonome gemeentebedrijven sectorale akkoorden zouden moeten naleven, bij de totstandkoming waarvan zij niet behoorlijk werden betrokken. Bekritiseerd wordt onder meer ook dat, waar in het schorsingsbesluit nog een min of meer duidelijk onderscheid werd gemaakt tussen, eensdeels, opportuniteitsbezwaren wegens de vermeende schending van de sectorale akkoorden en, anderdeels, wettigheidsbezwaren wegens de schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en bepaalde gespecificeerde sociaalrechtelijke wetgevingen, het vernietigingsbesluit beide door mekaar haalt en nu “totaal onbegrijpelijk” redeneert dat de schending van de sectorale akkoorden “volgt uit” de beweerde schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, het gelijkheidsbeginsel, het objectiviteitsbeginsel en de zorgvuldigheidsplicht. Het is onaanvaardbaar, betoogt verzoeker nog, dat de toezichthoudende overheid haar eerder schorsingsbesluit hineininterpretiert door in het vernietigingsbesluit te schrijven dat de reden voor de schorsing ligt in het feit dat GAPA enkele fundamentele beginselen heeft geschonden die bovendien grondwettelijk zijn gewaarborgd. Daarmee verlaat de toezichthoudende overheid de motivering in verband met de opportuniteit om de naleving van de sectorale XII-4076-5\12 akkoorden af te dwingen, en giet zij er “een sausje van zogezegde wettigheidscontrole” over. Dat de sectorale akkoorden een “vertolking” zijn van en een “invulling” geven aan het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en de beginselen van objectiviteit, gelijke toegang tot het openbaar ambt en gelijk loon voor gelijk werk, is volgens verzoeker naast de kwestie. Zo het al juist zou zijn, is niet aangetoond dat deze “invulling” en “vertolking” de enige correcte of de enig mogelijke zou zijn. De genoemde grondwettelijke en andere rechtsbeginselen worden niet noodzakelijk geschonden door een bestuur dat ze op een andere wijze implementeert dan werd verkozen in de sectorale akkoorden, die er immers maar één enkele mogelijke “invulling” of “vertolking” van inhouden, naast vele andere mogelijke vormen van rechtspositieregeling die even correct kunnen zijn.
- In de memorie van antwoord reageert de verwerende partij dat de sectorale akkoorden de waarde hebben van een politieke verbintenis, dat ze het beleid van de Vlaamse regering vertegenwoordigen in materies die tot de grondregelingen behoren waarover, krachtens de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en het koninklijk besluit van 28 september 1984 ter uitvoering daarvan, dient te worden onderhandeld in het comité C1, dat onderhandeling over een materie waaromtrent bij de lokale overheden een volstrekte beleidsvrijheid zou bestaan, zinloos is, dat het afdwingen van respect voor deze akkoorden allerminst de autonomie van de gemeenten of van de gemeentebedrijven aantast, dat nergens uit blijkt dat de personeelsleden van de gemeentebedrijven uitgesloten zouden zijn van het toepassingsgebied van de sectorale akkoorden. Tevens zet de verwerende partij uiteen dat in het bestreden besluit niet wordt verwezen naar de bindende kracht van de omzendbrieven, maar naar de sectorale akkoorden zelf, dat verzoeker heel weinig concrete gegevens aanbrengt ter staving van zijn stelling dat er sprake zou zijn van een abrupte beleidswijziging, dat steeds systematisch wordt nagegaan of de overheden de sectorale akkoorden naleven, dat de omstandigheid dat een regeling aan de mazen van het net zou ontsnapt zijn nog geen bewijs is van een abrupte beleidswijziging van de toezichthoudende overheid, dat er overigens geen gelijkheid in de onwettigheid kan bestaan. Ook betwist de verwerende partij het schorsingsbesluit te hebben herschreven en meent zij dat er alleen bijkomende uitleg is gegeven. Ten andere is XII-4076-6\12 de bestreden beslissing niet het schorsingsbesluit maar de vernietigingsbeslissing. Dat het naast de kwestie zou zijn dat de sectorale akkoorden een invulling zijn van principes van gelijkheid, is onjuist: “Een gelijk systeem voor alle personeelsleden in overheidsdienst, dient uiteraard het gelijkheidsprincipe. Het gaat er dus niet om dat ook een andere invulling zou kunnen gegeven worden aan het gelijkheidsprincipe. Feit is dat er een akkoord bereikt werd over deze concrete invulling van de principes en dat een algemene toepassing op alle personeelsleden in overheidsdienst de gelijkheid dient”.
- In de laatste memorie merkt verwerende partij onder andere nog op dat de sectorale akkoorden een weergave zijn van belangrijke aspecten van haar algemeen beleid wat het personeel betreft van alle provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, waartoe ook de autonome gemeentebedrijven behoren, dat het weliswaar denkbaar is dat een autonoom gemeentebedrijf om reden van zijn specialiteit in een afwijkende regeling kan voorzien, maar dat de vraag rijst of verzoeker zo “speciaal” is dat hij zich niet moet conformeren aan het algemeen beleid van de Vlaamse overheid en zelfs niet aan de algemene principes van de algemene krachtlijnen, dat hoe dan ook hét ogenblik om die “specialiteit” te verantwoorden het rechtvaardigingsbesluit na een schorsing door de toezichthoudende overheid was, dat die rechtvaardiging in de bestreden beslissing is onderzocht, gewogen en te licht bevonden. Er wordt in het bestreden besluit niet gezegd, zo voegt verwerende partij nog toe, “dat de ‘Gemeenschappelijke Krachtlijnen’ of het algemeen beleid van de overheid ter zake een dwingende rechtsnorm zou zijn. Er wordt evenmin gesteld dat er geen afwijkingen mogelijk zouden zijn. Integendeel wordt nagegaan of in het ‘rechtvaardigingsbesluit’ een ‘rechtvaardiging’ wordt gegeven voor de afwijkingen en wordt deze beoordeeld”. Beoordeling
- Wanneer de raad van bestuur van een autonoom gemeentebedrijf een door de toezichthoudende overheid geschorst besluit gemotiveerd rechtvaardigt, kan overeenkomstig artikel 27sexies van het decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten (hierna: het decreet van 28 april 1993) de Vlaamse regering het geschorste besluit waarin de raad van bestuur “de wet schendt of het algemeen belang schaadt” vernietigen. XII-4076-7\12 Gelet op artikel 27septies zijn als strijdig met het algemeen belang te beschouwen: de besluiten die strijdig zijn “met de beginselen van een behoorlijk en goed bestuur of die strijdig zijn met het algemene beleid of met de belangen van de hogere overheid”. Deze formulering, die op artikel 30, § 5, van het decreet teruggaat, doet er niet aan af dat een optreden op basis van het algemeen belang wezenlijk een opportuniteitstoezicht betreft.
- Te dezen vernietigt het bestreden ministerieel besluit verzoekers beslissing van 2 juli 2003 omdat ze “in strijd is met de grondwet en de beginselen van behoorlijk bestuur, het gelijkheidsbeginsel, het objectiviteitsbeginsel, de zorgvuldigheidsplicht en bijgevolg met de sectorale akkoorden afgesloten in het bevoegde Comité C1, en om deze reden ook strijdig met het algemene beleid van de Vlaamse regering en zodoende strijdig met het algemeen belang, gelet op artikel 27septies van het decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten”. Zoals die redengeving zich laat lezen, is het motief voor de vernietiging de schending van de wet. Deze schending heeft dan kennelijk automatisch tot gevolg (“bijgevolg”) dat ook de vermelde sectorale akkoorden geschonden zijn, waaromtrent eerder in het vernietigingsbesluit is overwogen dat ze “slechts een vertolking zijn en een invulling geven” aan die wet. Uit een en ander wordt vervolgens op zijn beurt geconcludeerd (“om deze reden”) tot de strijdigheid van verzoekers beslissing met het algemene beleid van de Vlaamse regering, en daarom ook (“zodoende”) tot de strijdigheid met het algemeen belang. Waar verzoeker in dit verband van een amalgaam van opportuniteits- en wettigheidsbezwaren gewaagt, verweert verwerende partij zich in de memorie van antwoord als volgt: “Een beslissing kan echter perfect onder de noemer worden geplaatst van verschillende rechtsschendingen. [...] In het bestreden besluit worden de rechtsschendingen punt voor punt gemotiveerd. Kort samengevat: 1/ de sectorale akkoorden maken deel uit van het algemeen beleid van de overheid, waarbij naar gelijkheid wordt gestreefd; 2/ in de sectorale akkoorden zijn principes van gelijkheid vervat; 3/ het gelijkheidsprincipe is grondwettelijk gewaarborgd; 4/ het niet respecteren van de principes van gelijkheid is niet handelen als zorgvuldig bestuur; 5/ het schenden van het algemeen belang [beleid?] van de overheid is het schenden van het algemeen belang”. XII-4076-8\12 Als die uitleg iets verduidelijkt, dan is het dat verwerende partij effectief slechts via de vaststelling van de niet-eerbiediging van de gelijkheidsregel en de zorgvuldigheidsplicht -met andere woorden: van de wet- tot het motief van de schending van het algemeen beleid, inbegrepen de sectorale akkoorden, en van het algemeen belang is gekomen. Het mag dan ook geen verwondering wekken dat verwerende partij de motieven voor de aangevochten vernietigingsbeslissing met zoveel woorden onder de “noemer” plaatst van “rechtsschendingen”, wat de schending van het algemeen belang niét is.
- Toetst men evenwel de concrete kritiek die de bestreden beslissing uitoefent op verzoekers personeelsstatuut en arbeidsreglement, wat althans de drie punten betreft waarmee verzoeker het oneens blijft, dan blijkt die kritiek niet op een schending van de wet of het recht neer te komen, maar alleen op een schending van de sectorale akkoorden als zodanig.
- Volgens de bestreden beslissing schendt deel II, Werving, van punt A van verzoekers personeelsstatuut het gelijkheidsbeginsel om de volgende reden: “Overwegende dat artikel 10 van de Belgische grondwet inzake toegang tot openbare functies een principieel gelijke behandeling voorschrijft van alle Belgen; hetgeen op dit ogenblik moet gelezen worden als zijnde uitgebreid tot alle burgers van de landen die lid zijn van de Europese Unie of die daarmee gelijkgesteld zouden moeten worden; Overwegende dat die grondwettelijke verplichting tot gevolg heeft dat elke openbare rechtspersoon in zijn statuten en reglementen een regeling moet opnemen die de gelijke behandeling van alle kandidaten voor een functie kan waarborgen op basis van een objectieve selectieprocedure die toelaat dat iedereen die aan de vooraf vastgelegde wervingsvoorwaarden voldoet, in principe tijdig op de hoogte kan zijn van het bestaan van de vacature en dat vervolgens alle kandidaten aan vooraf vastgestelde objectieve en neutrale wervingsprincipes en selectiemethodes worden onderworpen; Overwegende dat de sectorale akkoorden die werden afgesloten in het bevoegde en reeds vermelde Comité C1 ook bepalingen bevatten in verband met de objectivering van de wervingen; Overwegende dat rekening houdend met het reeds vermelde beginsel van de principiële gelijke toegankelijkheid tot het openbaar ambt, de objectivering van de wervingen, gerealiseerd moet worden door minstens te voorzien in het opleggen van een minimum aantal algemene vereisten per niveau, het beschikken over een functiebeschrijving met profiel en takenpakket, benoemingsvoorwaarden voor de vacante betrekking, het vaststellen van selectiecriteria aansluitend bij de functiebeschrijving, het vaststellen van een selectieprocedure waarin een variëteit aan selectietechnieken kan aan bod komen, het laten gebeuren van deze selectie door een selectiecommissie die enkel bestaat uit deskundigen waarvan minstens 50% extern aan het bestuur en al dan niet bijgestaan door een erkend selectiebureau; XII-4076-9\12 Overwegende dat ‘DEEL II werving’ van het personeelsstatuut geen van voornoemde regelingen bevat, zodat bijgevolg de objectieve toegang tot het openbaar ambt niet gewaarborgd is en aldus het gelijkheidsbeginsel geschonden wordt”. Met andere woorden schendt het personeelsstatuut de gelijkheid omdat de gelijkheidsregel niet erin is uitgewerkt op de welbepaalde manier waarop volgens de sectorale akkoorden de wervingen -in het licht van het beginsel van de principiële gelijke toegankelijkheid tot het openbaar ambt- “mede gerealiseerd” horen te worden, te weten door -aldus die akkoorden-: “
- Het opleggen van een minimum aantal algemene vereisten per niveau.
- Het beschikken over een functiebeschrijving met profiel en takenpakket, benoemings- en bevorderingsvoorwaarden voor de vacante betrekking.
- Het vaststellen van selectiecriteria aansluitend bij de functiebeschrijving.
- Het vaststellen van een selectieprocedure. In de selectieprocedure kan een variëteit aan selectietechnieken aan bod komen, die toelaten functiegerichte kennis, vaardigheden en attitudes te toetsen.
- De selectie gebeurt door een selectiecommissie. Deze selectiecommissie bestaat enkel uit deskundigen waarvan minstens 50% extern is aan het bestuur, behalve wanneer de gemeente-, OCMW-, of provincieraad op basis van een gemotiveerde verantwoording die verband houdt met de specificiteit van de te begeven betrekking beslist van deze laatste regel af te wijken. Conform de decretale regeling kunnen de lokale overheden voor hun selectie een beroep doen op een erkend selectiebureau (i.h.b. voor het psycho-technisch gedeelte). Raadsleden of leden van het uitvoerend college van het betrokken gemeente-, OCMW-, of provinciebestuur kunnen het examen als waarnemer bijwonen. Zij nemen niet deel aan de beoordeling en de deliberatie”. Terecht bedenkt verzoeker dat de grondwettelijke en andere rechtsbeginselen “niet noodzakelijk geschonden [worden] door een bestuur dat ze op een andere wijze implementeert dan werd verkozen in de sectorale akkoorden, die er immers maar één enkele mogelijke ‘invulling’ of ‘vertolking’ van inhouden”, naast andere mogelijke vormen van rechtspositieregeling die even correct kunnen zijn.
- Nog volgens het aangevochten besluit is de indeling in niveaus volgens diploma in artikel 3 van het personeelsstatuut “niet correct”. De reden hiervoor is: “dat voor niveau D een diploma lager secundair onderwijs of daarmee gelijkgesteld wordt vereist, daar waar voor dit niveau geen diploma vereist wordt volgens het KB van 22 november 1991 (bijlage I van het KB van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel) zoals geciteerd in de sectorale akkoorden”. XII-4076-10\12 Ook hier komt de beweerde schending van de wet neer op niets anders dan de schending van de sectorale akkoorden, die bepalen: “Het personeel wordt ingedeeld in vijf niveaus. Tot een zelfde niveau behoren het geheel van de graden in de hiërarchie waarvoor bij de aanwerving een zelfde diplomaniveau vereist is, overeen- komstig de bepalingen van het KB van 22 november 1991 (bijlage I bij het KB van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel). [...] niveau D en E: geen diplomavoorwaarden behalve wanneer in de functiebeschrijving specifieke vereisten opgenomen zijn”.
- Ten slotte bekritiseert het aangevochten besluit eveneens dat artikel 12 van het arbeidsreglement bepaalt dat de werknemers recht hebben op een volledige dertiende maand als eindejaarspremie. Reden van de kritiek is noch min noch meer “dat de sectorale akkoorden afgesloten in voormeld Comité C1 een andere regeling omtrent de eindejaarstoelage voorzien, zoals toegelicht bij Ministeriële Omzendbrief BA 2002/15 van 22 november 2002”.
- De precieze “wet” waaraan verwerende partij in deze drie voormelde gevallen de hand beoogt te houden, blijken zonder meer de sectorale akkoorden te zijn. Deze akkoorden zijn nochtans op zich niet verbindend; ze hebben een wezenlijk politiek karakter. Ze wijzigen uit zichzelf niet de rechtsverhoudingen en zijn geen bron van rechten en verplichtingen, noch voor de overheid die bevoegd is om regelgevend op te treden met betrekking tot de aangelegenheden die het voorwerp uitmaken van die akkoorden, noch voor de betrokken lokale besturen, noch voor hun personeel. Tevergeefs benadrukt verwerende partij dat zij de meer vermelde sectorale akkoorden, bij de uitoefening van de toezichtsbevoegdheid die zij put uit artikel 27sexies van het decreet van 28 april 1993 mag aanwenden als een “referentiekader”, dat belangrijke aspecten van haar algemeen beleid met betrekking tot het personeel van alle provinciale en plaatselijke overheidsdiensten veruitwendigt en waarvan de schending aan te merken zou zijn als een miskenning van het algemeen belang. Tevergeefs, omdat uit wat voorafgaat is gebleken dat de bestreden beslissing wezenlijk op de schending van de wet berust, waarbij de XII-4076-11\12 sectorale akkoorden onrechtmatig als die wet zijn gehanteerd - namelijk als dwingende rechtsnormen waarvan niet mag worden afgeweken. Het middel is in die mate gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van 13 februari 2004 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken waarbij vernietigd wordt de beslissing van 2 juli 2003 van de raad van bestuur van het Gemeentelijk Autonoom Parkeerbedrijf Antwerpen houdende het personeelsstatuut en het arbeidsreglement.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 1 juli 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert van Haegendoren, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-4076-12\12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.208 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.787 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div