id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.210 Rolnummer: A. 189310/XII-5520 Zaak: Arrest 206210 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 01/07/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-12 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-07-02 11:30 Fiche Arrest nr 206.210 van 1 juli 2010 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 206.210 van 1 juli 2010 in de zaak A. 189.310/XII-5520 In zake: Willy PREMEREUR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean Laurent kantoor houdend te 1060 Brussel Defacqzstraat 78 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJKE DIENST VOOR BRANDWEER EN DRINGENDE MEDISCHE HULP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Geoffroy Generet kantoor houdend te 1000 Brussel Ter Kamerenlaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 11 augustus 2008, strekt tot de nietigverklaring van “het Ministerieel besluit van 29 april 2008 tot bevordering van de Heer Frans Bogemans tot de graad van adjudant in het nederlandstalig kader van de Brusselse Hoofdstedelijke dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp (DBDMH) met effect vanaf 1 januari 2001”. II. Verloop van de rechtspleging
- Verzoeker heeft een toelichtende memorie ingediend. Auditeur Bart Weekers heeft een verslag opgesteld. De verzoeker en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. XII-5520-1\6 Met een beschikking van 15 februari 2010 wordt aan de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulpverlening bevolen om uiterlijk op 15 maart 2010 het administratief dossier, inbegrepen de bestreden beslissing, neer te leggen. De verwerende partij legt het administratief dossier neer. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 mei
- Staatsraad Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hind Ghali, die loco advocaat Jean Laurent verschijnt voor de verzoeker, is gehoord. Auditeur Bart Weekers heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- In de loop van 2001 beslist de Brusselse hoofdstedelijke regering, na een bekendmaking van de vacatures onder de personeelsleden, om R. Sterckx, V. Meskens, F. Bogemans en I. Van Volsem met ingang van 1 januari 2001 te benoemen tot detachementschef in het Nederlandstalige kader van de Brusselse hoofdstedelijke dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp. Verzoeker, die ook kandidaat was maar geacht wordt niet aan de benoemingsvoorwaarden te voldoen, stelt tegen die bevorderingen het beroep gekend onder nr. A. 103.742 in. In zijn verslag over de zaak stelt de auditeur de vernietiging van de bevorderingen voor, op grond onder meer van het derde onderdeel van verzoekers eerste middel, waarin de onwettigheid wordt aangevoerd van de graad van detachementschef waarin de bestreden benoemingen zijn gebeurd. XII-5520-2\6 Om reden van de in dit derde onderdeel van het eerste middel aangevoerde “wederrechtelijkheid” wordt de benoeming van -alleen- F. Bogemans ingetrokken, bij ministerieel besluit van 3 september
- Bij arrest nr. 184.604 van 24 juni 2008 wordt verzoekers beroep tegen de bevorderingen van Sterckx, Meskens, Bogemans en Van Volsem verworpen. Overwogen wordt: “Nadat de verwerende partij eerder reeds meedeelde de bestreden bevordering van F. Bogemans te hebben ingetrokken [...], wordt bij besluit van 28 februari 2008 verzoeker zelf bevorderd in de graad van adjudant in het Nederlandstalig kader van de Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp. Naar verzoeker ter zitting van 8 januari 2008 liet voorvoelen en op de zitting van 3 juni 2008 bevestigt, heeft hij in die omstandigheden geen belang meer bij het beroep. Het moet bijgevolg als onontvankelijk worden verworpen”. Bij ministerieel besluit van 29 april 2008 werd intussen F. Bogemans opnieuw bevorderd, tot adjudant, met ingang van 1 januari
- Dit is de thans bestreden beslissing. IV. Belang Standpunt van de partijen
- In een brief van 23 januari 2009 evenals in de laatste memorie werpen verwerende partijen op dat verzoeker zonder het vereiste belang is aangezien hij sinds 28 februari 2008 in de graad van adjudant is benoemd en aangezien F. Bogemans bij ministerieel besluit van 28 november 2008 tot vervroegd pensioen is toegelaten.
- In zijn verzoekschrift voert verzoeker ter verantwoording van zijn belang in de eerste plaats aan dat F. Bogemans zich ten gevolge van de terugwerkende kracht van zijn benoeming “in termen van anciënniteit en verworven ervaring [kan] beroepen op een voordeel ten opzichte van de Heer Premereur”. Tevens geniet, volgens verzoeker, F. Bogemans een baremieke anciënniteit die belangrijker is en dus interessanter dan de zijne. In een brief van 24 februari 2009 motiveert verzoeker zijn belang aldus : XII-5520-3\6 “- hij heeft er belang bij op retroactief te worden bevorderd in 2001 in de hypothese dat de bevordering van de heer Bo[g]emans zou moeten worden geannuleerd. Een kaderpost zou dus vacant blijven voor het verleden. Door zich retroactief in 2001 op te stellen, zou de Heer Premereur de post kunnen bekomen voor 2001 tot 2008 (datum van zijn bevordering). - hij heeft er zeker moreel belang bij aangezien de tegenpartij alle procedures gebruikt heeft om de Heer Bo[g]emans te bevorderen, met retroactief effect van 7 jaar, zonder een oproep tot kandidaten, en door laattijdig de bevordering te publiceren om zodoende een verlies aan belang te beogen. Het betreft hier een misbruik van procedure die morele schade heeft veroorzaakt in hoofde van verzoeker. - de vernietiging zal de gerechtelijke procedure strekkende tot schadeloosstelling, die door verzoeker zal worden ingesteld lastens de tegenpartij tengevolge van deze onwettelijke bevordering vergemakkelijken”. Beoordeling
- Het loutere feit dat F. Bogemans ten gevolge van de bestreden bevordering een grotere “baremieke anciënniteit” geniet dan verzoeker, is op zichzelf onvoldoende om verzoeker een voldoende belang te verschaffen bij de vernietiging van de bevordering. Anders zou het zijn indien mocht blijken dat verzoeker door deze grotere anciënniteit een nadeel lijdt of kan lijden, zoals in het geval dat beiden met elkaar in competitie zouden (kunnen) komen en verzoeker dan het risico zou lopen dat F. Bogemans de voorkeur krijgt om reden van de bedoelde anciënniteit en ervaring. Het blijkt evenwel niet, noch wordt het ten minste beweerd, dat zich een dergelijk geval van concurrentie heeft voorgedaan. Evenmin kan het zich nog in de toekomst voordoen. Immers werd F. Bogemans vanaf 1 november 2008 in verlof voorafgaand aan het pensioen gesteld. Verzoeker toont niet aan van de grotere anciënniteit en ervaring van F. Bogemans een nadeel te hebben ondervonden dat zijn belang bij het voorliggend beroep kan schragen.
- Dat er voor de bestreden benoeming geen oproep tot de kandidaten zou zijn gebeurd, is een bewering die eraan voorbijgaat dat de benoeming zich wezenlijk voordoet als een retroactieve regularisatie van de eerder in 2001 aan Bogemans verleende -en op 3 september 2007 ingetrokken- bevordering. Die bevordering werd voorafgegaan door een oproep aan de kandidaten. XII-5520-4\6
- Tezamen met Bogemans, werden in 2001 ook Sterckx, Meskens en Van Volsem met ingang van 1 januari 2001 bevorderd. Hún bevordering, alhoewel behept met dezelfde onwettigheid die de intrekking van de benoeming van Bogemans verantwoordde, werd door verwerende partij blijkbaar niet ingetrokken. Het heeft verzoeker er niet van afgehouden zich zonder verder belang bij zijn beroep (in de zaak A. 103.742) tegen die bevorderingen te achten, van zodra hij zelf in de graad van adjudant benoemd zou zijn. Precies in afwachting van die benoeming is de terechtzitting waarop het beroep behandeld zou worden, verschillende keren uitgesteld. Eens zelf in de graad van adjudant bevorderd, met ingang van 1 januari 2008, bevestigde verzoeker geen belang meer te hebben bij de vernietiging van de bevorderingen vanaf 1 januari 2001 van Sterckx, Meskens en Van Volsem. Met deze houding gaat het belang dat verzoeker tháns aanvoert als zou de vernietiging van de herbenoeming van Bogemans een kaderpost kunnen vrijmaken zodat verzoeker zelf vanaf 1 januari 2001 -in plaats van vanaf 1 januari 2008- bevorderd zou kunnen worden, ogenschijnlijk niet samen. Waar de reden van de tegenspraak niet spontaan duidelijk is en evenmin door verzoeker wordt verhelderd, kan aan het betrokken moreel belang geen geloof of gewicht worden toegekend.
- De houding die verzoeker in het beroep A. 103.742 heeft aangenomen, spreekt ook het moreel belang tegen waarvoor hij nu steun zoekt in het feit dat de verwerende partij in het kader van die zaak verzweeg dat de intrekking van de bevordering van F. Bogemans intussen alweer was gevolgd door een nieuwe bevordering, met ingang op dezelfde datum als eerst, en in het feit dat verwerende partij daarmee zogezegd de verwerping van het beroep trachtte uit te lokken wegens verlies van belang. Als immers meer vernoemd beroep werd verworpen, dan was dat niet het minst -namelijk wat drie van de vier bestreden bevorderingen betrof, te weten die van Sterckx, Meskens en Van Volsem- hieraan te wijten dat verzoeker zelf te kennen had gegeven zonder verder belang erbij te zijn nu ook hij bevorderd was geworden, vanaf 1 januari
- XII-5520-5\6
- Blijft nog het argument dat een vernietiging ertoe kan bijdragen de gerechtelijke procedure tot het verkrijgen van schadeloosstelling te vergemakkelijken. Het is een voordeel dat vreemd is aan de finaliteit van een annulatieberoep, die er immers in bestaat onwettige bestuurshandelingen uit het rechtsverkeer te doen verdwijnen. Het vermag hoogstens een indirect, en dus ontoereikend, belang te verantwoorden.
- De exceptie is gegrond. Het beroep is onontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 1 juli 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert van Haegendoren, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-5520-6\6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.210 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.