← België

Arrest 206216 - Diploma’s - 01/07/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.216 Rolnummer: A. 195729/XII-6130 Zaak: Arrest 206216 - Diploma's - 01/07/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-05 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 11:14 Fiche Arrest nr 206.216 van 1 juli 2010 Onderwijs en cultuur - Diploma's Beslissing : Vernietiging Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 206.216 van 1 juli 2010 in de zaak A. 195.729/XII-6130 In zake: Angi SHAH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Livia Moreau kantoor houdend te Mortsel Kerkstraat 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW KAREL DE GROTE HOGESCHOOL, KATHOLIEKE HOGESCHOOL ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Peeters kantoor houdend te Antwerpen Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep

  1. Het beroep, ingesteld op 4 maart 2010, strekt tot de cassatie van het besluit nr. 2009/130 van 3 februari 2010 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking nr. 5413 van 18 maart 2010 is het cassatieberoep toelaatbaar verklaard. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 juni
  3. XII-6130-1\6 Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Livia Moreau, die verschijnt voor verzoekster en advocaat Tom Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen verwerpt met het bestreden besluit nr. 2009/130 van 3 februari 2010 verzoeksters beroep als onontvankelijk na volgende beoordeling: “Verzoekende partij diende een verzoekschrift in bij de Raad bij aangete- kend schrijven van 22 december 2009 tegen de beslissing van de examencom- missie bijeengekomen in bijzondere zitting van 15 december
  6. Verwerende partij stelt dat de beslissing op 15 december 2009 de dag zelf nog nadat de bijzondere zitting van de examencommissie had plaatsgehad aangetekend werd verstuurd naar de verzoekende partij zoals blijkt uit het neergelegde bewijs van afgifte ter post. Dat derhalve dient aangenomen te worden dat de verzoekende partij heeft kennis genomen van deze beslissing de dag nadien met name op 16 december
  7. Verzoekende partij stelt dat ondanks de afgifte van de aangetekende brief op 15 december, de bestreden beslissing pas aangekomen is op 17 december
  8. Zij verwijst naar een outprint van de website van de post, waar de aangetekende brieven geregistreerd staan aan de hand van de barcode. Op die website staat dat de brief werd uitgereikt op 17 december 2009 en niet op 16 december 2009 zoals de verwerende partij beweert. Op de zitting is gebleken dat de aangetekende brief van de verwerende partij aan het adres van de verzoekende partij werd aangeboden op 16 december
  9. Dit is de dag waarop het feit zich voordoet dat de termijn voor het indienen van het beroep bij de Raad doet lopen. De eerste dag van de termijn van vijf dagen was dus 17 december 2009, de laatste dag maandag 21 december
  10. De verzoekende partij heeft haar beroep op dinsdag 22 december 2009 ingediend. Het beroep is dus laattijdig ingesteld en niet ontvankelijk”. XII-6130-2\6 IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Standpunt van de partijen
  11. In haar enig cassatiemiddel voert verzoekster de schending aan van artikel II.24 van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositierege- ling van de student, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescho- len en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen (hierna: het aanvullingsdecreet). Zij betoogt dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen ten onrechte haar beroep niet ontvankelijk heeft verklaard en heeft geoordeeld dat niet de datum van kennisname, maar wel deze van kennisgeving de termijn voor het indienen van een beroep doet ingaan, en dit in strijd met de bewoordingen van het genoemde artikel II.24 van het aanvullings- decreet. Verzoekster stelt het bewijs te hebben voorgelegd dat zij op 17 december 2009 kennis genomen heeft van de beslissing van 15 december 2009 van de examen-commissie. Zij betoogt beroep aangetekend te hebben op de laatste nuttige dag, zijnde 22 december
  12. In haar memorie van antwoord stelt verwerende partij dat inderdaad niet de kennisgeving doorslaggevend is, maar dat wel de vraag rijst wat onder “kennisname” moet worden begrepen. Verwerende partij meent dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen terecht uitgaat van de datum waarop de betrokkene kennis had kunnen nemen van de beslissing: bij een ter post aangetekende zending, is dit de dag waarop deze aan de woonplaats van de betrokkene wordt aangeboden. Uit eigen onderzoek van de verwerende partij is gebleken dat de brief van 15 december 2009 aan de woonplaats van verzoekster -tevergeefs- is aangeboden op 16 december 2009 en door haar op 17 december 2009 in het postkantoor is opgehaald. Verder is verwerende partij van oordeel dat de beoordeling van de datum waarop verzoekster kennis heeft genomen of geacht wordt kennis te hebben genomen van de beslissing, een feitenkwestie uitmaakt, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd zou zijn.
  13. In haar memorie van wederantwoord repliceert verzoekster aan de hand van haar uiteenzetting in het inleidend verzoekschrift en benadrukt zij nog XII-6130-3\6 dat artikel II.24 van het aanvullingsdecreet enkel spreekt van “kennisneming”, die bij haar gebeurd is op 17 december
  14. Beoordeling
  15. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen verklaart met de bestreden beslissing het beroep van verzoekster niet ontvankelijk, nu dat beroep laattijdig zou zijn ingesteld. Er wordt verzoekster verweten niet binnen de decretaal bepaalde vervaltermijn van vijf kalenderdagen te zijn opgekomen bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. Verzoekster betwist met het voorliggende cassatieberoep dat oordeel van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, die daarmee een exceptie, opgeworpen door de verwerende partij bijvalt. De discussie tussen partijen handelt over de aanvang van de decretaal voorgeschreven vervaltermijn om tegen een ongunstige studievoortgangs- beslissing beroep aan te tekenen. Die vraag gaat aan de beoordeling van de feiten vooraf en de Raad van State vermag als cassatierechter na te gaan of het lagere administratief rechtscollege de decretale bepaling waarvan verzoekster de schending inroept, te dezen correct heeft uitgelegd.
  16. Artikel II.24 van het aanvullingsdecreet bepaalt daaromtrent het volgende: “De beroepen bij de Raad worden ingesteld binnen een vervaltermijn van vijf kalenderdagen, die ingaat de dag na die van kennisname van de in artikel II.14, eerste lid bedoelde beslissing, of, in voorkomend geval, na het verstrijken van de in artikel II.14, tweede lid bedoelde termijn. Indien de vijfde dag van de in het eerste lid bedoelde termijn een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag waarop de postdiensten open zijn”.
  17. De Vlaamse decreetgever hanteert in de aangehaalde bepaling van het aanvullingsdecreet de “kennisname” door de bestuurde als vertrekpunt van de vervaltermijn om beroep in te stellen tegen een studievoortgangsbeslissing. XII-6130-4\6 Waar bij begrippen als “betekening” en “kennisgeving” de regel- gever de aanvang van een vervaltermijn voor de ene partij laat afhangen van de voltooiing van een handeling gesteld door toedoen van de andere partij -de betekening of kennisgeving is voltooid bij de aanbieding van de aangetekende zending aan de woonplaats van de bestuurde, ook al kan die laatste de brief op dat ogenblik door afwezigheid niet in ontvangst nemen-, ligt dat anders bij de term “kennisneming”. Uit het gebruik van die term blijkt immers de wil van de wetgever -te dezen de Vlaamse decreetgever- om de aanvang van de vervaltermijn afhankelijk te maken van een daad die gesteld wordt door de adressaat van die beslissing zelf. Er anders over oordelen, zoals de verwerende partij doet, zou betekenen dat de begrippen “kennisgeving” -hier door de aanbieding aan het adres van verzoekster- en “kennisneming” volkomen samenvallen. Waar de “kennisge- ving” immers duidt op het louter meedelen, de aanzegging van een beslissing, gaat de “kennisneming” evenwel een stap verder door te eisen dat de betrokkene “zich ervan op de hoogte stelt”.
  18. De verwerende partij kan betreuren dat de decreetgever er niet voor geopteerd heeft een objectief, voor iedereen duidelijk en niet rekbaar vertrekpunt van de vervaltermijn om intern beroep in te stellen, aan te nemen, maar zulks komt neer op loutere kritiek op de wet.
  19. De beslissing van de Raad voor betwistingen inzake studievoort- gangsbeslissingen schendt artikel II.24, § 1, van het aanvullingsdecreet, door de tijdigheid van het beroep te beoordelen op grond van de kennisgeving, en niet van de kennisneming, van de beslissing waarvan beroep. Het middel is gegrond. BESLISSING
  20. De Raad van State vernietigt het besluit nr. 2009/130 van 3 februari 2010 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. XII-6130-5\6
  21. Dit arrest zal in de registers van voormeld rechtscollege worden overgeschreven en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde besluit.
  22. De zaak wordt verwezen naar de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, anders samengesteld.
  23. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 1 juli 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert Van Haegendoren, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-6130-6\6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.216 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.