← België

Arrest 206321 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 01/07/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.321 Rolnummer: A. 194159/XIV-31442 Zaak: Arrest 206321 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 01/07/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-16 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 11:15 Fiche Arrest nr 206.321 van 1 juli 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 206.321 van 1 juli 2010 in de zaak A. 194.159/XIV-31.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. BEKAERT, kantoor houdende te 8700 TIELT, Hoogstraat 34 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van beweerde Afghaanse nationaliteit, op 5 oktober 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 31.240 van 7 september 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistin-gen; Gelet op de beschikking nr. 5002 van 9 november 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 10 maart 2010 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 juni 2010; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-31.442-1/9 Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. LANDUYT die, loco Advocaat S. BEKAERT verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché S. BOTTU, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van beweerde Afghaanse nationaliteit, vraagt op 8 juli 2009 asiel aan. 1.
  4. De Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beslist op 24 juli 2009 dat verzoeker niet als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) kan worden erkend en evenmin in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van de Vreemde- lingenwet. 1.
  5. Verzoeker tekent op 6 augustus 2009 tegen deze weigeringsbeslissing hoger beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
  6. Dit beroep wordt opgeroepen op de zitting van 7 september
  7. 1.
  8. Op deze zitting wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, gehoord, waarna de debatten worden gesloten en de beslissing in beraad wordt genomen. 1.
  9. Dezelfde dag neemt de wnd. voorzitter van de IVde Kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het thans bestreden arrest waarbij de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus aan verzoeker worden geweigerd. XIV-31.442-2/9 Dit arrest rust op volgende redengeving : “
  10. Over de gegevens van de zaak 1.
  11. Verzoeker kwam volgens zijn verklaringen op 7 juli 2009 het Rijk binnen en diende op 8 juli 2009 een asielaanvraag in. Op 24 juli 2009 werd een beslissing tot weigering van de hoedanigheid van vluchteling en tot weigering van de subsidiaire beschermings- status genomen. Het onderhavige beroep is gericht tegen deze beslissing. 1.
  12. De bestreden beslissing luidt als volgt: “A. Feitenrelaas U verklaart de Afghaanse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn uit Joynaw, een dorp nabij de stad Pol-i Khomri in de provincie Baghlan. Enkele jaren geleden zou u zijn toegetreden tot de Afghaanse Nationale Politie (ANP). Na een vijftal maanden in de provincie Balkh te hebben gewerkt zou u vervolgens nog ongeveer anderhalf jaar in uw eigen streek werkzaam zijn geweest. Op een gegeven moment zou een dorpsgenoot van u zijn opgepakt door de politie wegens zijn activiteiten voor de Taliban. Na een tiental dagen zou hij zijn vrijgelaten. Nadien zou hij u verantwoordelijk hebben gesteld voor zijn arrestatie en zou hij u hebben bedreigd. Twee jaar en drie maanden geleden zou u het land zijn ontvlucht. Op 7 juli 2009 werd u aangetroffen door de Scheepvaart- politie in Zeebrugge en een dag later verklaarde u zich vluchteling. U legt geen documenten voor ter staving van uw asielaanvraag. B. Motivering Er dient door het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen (CGVS) te worden vastgesteld dat u er niet in geslaagd bent om uw vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of een reëel risico op het lijden van ernstige schade zoals bepaald in de definitie van subsidiaire bescherming aannemelijk te maken. Dat u werkelijk gedurende een tweetal jaar als lid van de Afghaanse Nationale Politie heeft gewerkt, dient sterk te worden betwijfeld. Bijgevolg dienen tevens ernstige vraagtekens te worden geplaatst bij de redenen waarvoor u het land zou hebben moeten verlaten en die hun oorsprong zouden vinden in uw werk als politieagent. Zo is het uiterst merkwaardig dat u niet in de Afghaanse tijdsrekening kan aangeven wanneer u het land heeft verlaten. U zegt herhaaldelijk dat het precies twee jaar en drie maanden geleden is dat u Afghanistan heeft verlaten en dat dit - volgens de westerse kalender - in 2007 moet zijn geweest, maar in de Afghaanse jaarrekening weet u dit in het geheel niet te zeggen (CGVS p.2). Dit is zeer merkwaardig, zeker voor iemand die in een officiële functie als politieagent werkte. Dat u bijgevolg evenmin kan aangeven in welke jaren, volgens de Afghaanse kalender, u voor de politie zou hebben gewerkt, is in deze eveneens opmerkelijk (p.4). Er dient overigens nog aan toegevoegd te worden dat uw stellige overtuiging precies twee jaar en drie maanden geleden Afghanistan te hebben verlaten klemt met uw mening dat dit op het einde van de zomer moet zijn geweest (p.7). Eveneens klemt dit met uw bewering dat u nog in Afghanistan was op het moment dat de in Baghlan zeer bekende (vrouwelijke) commandant Kaftar zich overgaf aan de autoriteiten (p.9). Dit gebeurde nochtans pas in juni 2008 (zie informatie die werd toegevoegd aan de blauwe map van het administratief dossier). Indien u werkelijk politieagent was, zou kunnen verwacht worden dat u zich beter zou herinneren of u op het moment van de overgave van Kaftar al dan niet nog "in charge" was. Zeer bevreemdend is verder de vaststelling dat u er geen enkel idee van heeft welke het symbool of logo van de Afghaanse Nationale Politie is (p.5-9-10). Nochtans is dit symbool zeer prominent aanwezig op de uniformen van de politie, zoals u merkt in de informatie die is toegevoegd aan het administratief dossier. Dat u zelfs het symbool van de organisatie waarvoor u twee jaar werkte niet kent, maakt het zeer ongeloofwaardig dat u effectief lid was van de ANP. U stelt dat u lid was van de ‘Highway Police’. Gevraagd of de Afghaanse politie nog andere onderdelen telt, bevestigt u dat er inderdaad andere branches zijn, maar blijkt u deze niet te kennen (p.11). XIV-31.442-3/9 Ook is het opmerkelijk dat u er enkel van op de hoogte bent dat de veiligheidssituatie in uw regio gedurende een bepaalde periode de verantwoordelijkheid was van Nederlandse militairen. Dat u niet weet dat al in september 2006 de plaatselijke PRT werd overgedragen aan Hongarije is bevreemdend indien ook u werkelijk als politieagent instond voor de veiligheid van de regio (p.5). Evenzo is het merkwaardig dat u er zelfs niet van op de hoogte bent dat sinds vele jaren de ANP wordt getraind onder leiding van de Duitsers (p.9). U stelt zelf nooit een training te hebben gevolgd, maar dat u nooit zou hebben gehoord over de trainingen door de Duitse troepen, is hoogst opmerkelijk. Ook deze informatie werd toegevoegd aan het administratieve dossier. Verder is het bevreemdend dat u na 'Juma Khan Hamdard' geen enkele van de gouverneurs van Baghlan bij naam kent (p. 5-6). Nochtans waren er na zijn ontslag enkele andere gouverneurs op post in de periode dat u zegt als politieagent te hebben gewerkt. Zelfs indien u expliciet met hun namen wordt geconfronteerd (p.6-7), doet dit bij u geen belletje rinkelen. Indien u werkelijk werkte voor de Afghaanse overheid kan verwacht worden dat u hiervan beter op de hoogte zou zijn. Hetzelfde dient gezegd te worden over uw kennis inzake de persoon van 'Azim Hashimi'. U blijkt deze man niet bij naam te kennen, hetgeen merkwaardig is aangezien hij in de bronnen (zie administratief dossier) als hoofd van de politie van Baghlan wordt bestempeld in de periode dat u er werkzaam zou zijn geweest (p.5). Hoewel u stelt dat u als politieagent vooral verantwoordelijk was voor het patrouilleren van de wegen, ondermeer met het oog op het voorkomen van aanvallen van de Taliban, blijkt u verder geen enkel belangrijk Talibanlid of –commandant in de regio van Baghlan bij naam te kennen (p.6). Ook dit is hoogst merkwaardig. Bovenvermelde opmerkingen laten niet toe geloof te hechten aan uw verklaring gedurende een tweetal jaar lid te zijn geweest van de ANP. Bijgevolg dienen ook de grootste vraagtekens te worden geplaatst bij uw voorgehouden problemen, die immers zouden zijn ontsproten aan uw job als politieagent. De heersende twijfel wordt overigens bevestigd door de opvallende desinteresse die u betoont voor het verdere verloop van uw problemen en de situatie van uw familie. Wat er na uw vertrek eventueel nog gebeurde met uw vijand, Qari Daoud, blijkt u in het geheel niet te weten (p.8); u blijkt er zelfs niet naar gevraagd te hebben tijdens een gesprek met uw familie (p.12). Tot slot dient nog gewezen te worden op het feit dat u gedurende vijf maanden in Frankrijk verbleef maar er naar eigen zeggen geen asiel wilde aanvragen, hetgeen uw nood aan bescherming en uw ingeroepen vrees danig relativeert (p.11). Bovenvermelde opmerkingen laten niet toe u de status van vluchteling toe te kennen. Wat uw aanvraag voor de subsidiaire beschermingsstatus betreft, dienen volgende opmerkingen te worden geformuleerd. Uit grondige en uitgebreide research en op basis van een analyse van de beschikbare en geraadpleegde gezaghebbende bronnen en literatuur door CEDOCA, blijkt dat er duidelijke regionale verschillen zijn in de veiligheidssituatie in Afghanistan (zie antwoorddocument afgh2008-057w, dd. 3 november 2008, dat toegevoegd is aan het administratief dossier). Het zwaartepunt van het gewapende conflict is nog steeds gesitueerd in het zuiden en het oosten van Afghanistan. Wel dient opgemerkt dat het gewapende conflict opschuift richting centrum en richting westen van het land. Er zijn berichten dat nu ook in sommige delen van het noorden, in het bijzonder in gedeelten van de provincies Badghis, Faryab, Baghlan en Kunduz de veiligheid door de uitbreidende “insurgency” is verslechterd. De algemene tendens blijft echter dat de “insurgency” in de noordelijke helft van Afghanistan nog steeds van een totaal andere orde is dan in de zuidelijke helft van het land waar het conflict volop woedt. Om die reden kan er voor de beoordeling van de veiligheidssituatie een onderscheid worden gemaakt naargelang van de regio van herkomst. Dit onafhankelijk van de beoordeling van de mogelijkheid van een reëel vestigingsalternatief (rekening houdend met de specifieke situatie van de betrokken personen). XIV-31.442-4/9 Ook het UNHCR maakt in zijn regelmatig geactualiseerd advies een onderscheid per regio. Het advies van het UNHCR “Afghanistan Security Update Relating to Complementary Forms of Protection”, gedateerd op 6 oktober 2008, differentieert de veiligheidssituatie in Afghanistan tot op districtsniveau (zie UNHCR-advies toegevoegd aan het administratief dossier). Het UNHCR roept op om aan Afghanen die afkomstig zijn uit de in hun advies vermelde districten, complementaire vormen van bescherming te bieden gezien de situatie daar als onveilig wordt beoordeeld. U bent afkomstig van het dorp Joynaw in het district Pol-i-Khomri dat behoort tot provincie Baghlan in het noorden van Afghanistan. Het district waarvan u afkomstig bent, staat niet vermeld in het UNHCRadvies. Actueel bestaat er voor burgers die afkomstig zijn van district Pol-i-Khomri geen reëel risico op ernstige schade in de zin van art. 48/4, §2, c van de Vreemdelingenwet. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, kom ik tot de vaststelling dat u niet als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet kan worden erkend. Verder komt u niet in aanmerking voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet.”
  13. Over de gegrondheid van het beroep 2.
  14. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oefent inzake beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, met uitzondering van deze inzake EU-onderdanen, een bevoegdheid uit van volheid van rechtsmacht, die inhoudt dat hij het geschil in zijn geheel uitsluitend op basis van het rechtsplegingsdos- sier en toelaatbare nieuwe gegevens aan een nieuw onderzoek onderwerpt en als administratieve rechter in laatste aanleg uitspraak doet over de grond van het geschil (Wetsontwerp tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, Parl. St. Kamer 2005-2006, nr. 2479/001, 95). Door de devolutieve kracht van het beroep is de Raad niet gebonden door de motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund (RvS 30 oktober 2008, nr. 187.504).
  15. Nopens de status van vluchteling 3.
  16. Verzoeker beroept zich niet op de status van vluchteling in de zin van artikel 1, A

(2)van het Verdrag van Genève van 28 juli
  1. 3.
  2. Uit het administratieve dossier blijkt, zoals de bestreden beslissing terecht stelt, dat verzoekers asielrelaas onzinnig is. Verzoekers bewering gedurende een tweetal jaar gewerkt te hebben als lid van de Afghaanse Nationale Politie wordt door zijn eigen onwetendheid geheel onderuitgehaald. Zo kan minstens verwacht worden dat een politieman zijn diensthoofd kent en de insignes die hij draagt, de verschillende branches binnen de politie en de voornaamste commandanten en opleidingsinstructeurs. Verzoeker betwist zijn onwetendheid niet in het verzoekschrift en doet evenmin een poging deze toe te lichten zodat de motieven van de bestreden beslissing op dit punt overeind blijven. 3.
  3. In acht genomen wat voorafgaat, kan in hoofde van de verzoekende partij geen vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A
(2)van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, in aanmerking worden genomen.
  1. Nopens de subsidiaire bescherming 4.
  2. Verzoeker beroept zich in een enig middel op de “schending van de artikelen 48/4 van de vreemdelingenwet en van artikel 3 EVRM”. 4.
  3. Verzoeker meent dat niet wordt betwist in de bestreden beslissing dat hij van Afghaanse nationaliteit is en afkomstig is uit de provincie Baghlan en vervolgt “De memorie van toelichting bij de vreemdelingenwet stelt dat het voldoende is aan te tonen dat de algemene situatie bedreigend is voor de gehele bevolking van een land aangezien de gronden voor deze vrees niet specifiek zijn voor het individu. (…) Zelfs een klein risico is voldoende om te komen tot een mogelijke schending van artikel 3 EVRM. (…) In de provincie Baghlan is een gewapend conflict aan de gang”. 4.
  4. Met betrekking tot de subsidiaire beschermingsstatus dient te worden vastgesteld dat voor iedere vorm van internationale bescherming, ook voor de subsidiaire bescherming, de plicht tot medewerking berust op de verzoeker. Deze dient ter staving XIV-31.442-5/9 van zijn verzoek zo spoedig mogelijk alle nuttige elementen noodzakelijk voor de beoordeling van zijn verzoek in te dienen. Deze elementen behelzen onder meer alle documenten van verzoeker en die van relevante familieleden met betrekking tot identiteit, nationaliteit, landen en plaatsen van eerder verblijf, eerdere asielverzoeken, reisroutes en reisdocumenten (richtlijnconforme interpretatie van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet met artikel 4, lid 1 en 2 van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004). Bij het ontbreken van deze elementen dient een aannemelijke verklaring gegeven te worden. 4.
  5. Uit het administratieve dossier kan niet blijken dat verzoeker afkomstig is uit Joynaw in het district Pol-i-Khomri en de provincie Baghlan. Verzoeker is onbekend met het gebruik van de Afghaanse kalender. Dat hij in het CGVS-verhoor namen van maanden van buiten kent kan slechts aantonen dat hij niettegenstaande hij beweert ongeletterd te zijn, een goed verstand heeft. Dit wordt ook ter terechtzitting bevestigd waar blijkt dat verzoeker vlot kan rekenen. Verzoeker had minstens zijn vertrek uit Afghanistan correct in de tijd moeten kunnen situeren; dat hij zelfs het seizoen niet correct kan vermelden kan slechts de onwaarachtigheid van zijn vertrek uit Afghanistan versterken. Verzoeker kan evenmin aantonen dat hij of zijn familie in Afghanistan leven of leefden. Ook al was verzoeker geen politieman dan nog had hij enige bekendheid met uiterlijke kenmerken van deze diensten moeten aantonen. Verder kan verwacht worden dat verzoeker de autoriteiten kent van de regio waar hij en zijn familie hun wortels hebben. Dit is niet het geval. Verzoeker is onbekend met onder meer de Talibancom- mandanten die volgens hem het leven in zijn regio bepalen, voor wie hij diende te vluchten en voor wie hij thans subsidiaire bescherming vraagt. Evenmin weet verzoeker niet welke buitenlandse troepen verantwoordelijk zijn voor de veiligheidssituatie van de regio, noch komen de namen van talrijke belangrijke, publieke figuren uit zijn regio hem bekend voor. Verzoeker toont dan ook niet aan bekend te zijn met Joynaw, noch met het district Pol-i-Khomri, noch met de provincie Baghlan, noch met Afghanistan. Ten slotte is verzoekers opvallende desinteresse voor het verdere verloop van zijn voorgehouden problemen met de Taliban en de situatie van zijn familie niet te rijmen met het beweerde reële gevaar voor hun veiligheid. Dit klemt te meer nu verzoeker gehuwd is en vier kinderen heeft. 4.4.
  6. Verzoeker maakt dan ook niet aannemelijk dat de afweging van het reële risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 dient te gebeuren ten opzichte van de situatie in Afghanistan. De verwijzingen in het verzoekschrift naar algemene rapporten dienaangaande (UNHCR ‘Eligibility guidelines for assessing the international protection needs of asylum-seekers from Afghanistan’ van december 2007 en van juli 2009, een artikel uit ‘De Standaard’, d.d. 27 april 2009, ‘Taliban vallen overheidsdien- sten in Noord-Afghanistan aan’, het reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, d.d. 6 augustus 2009, het UNHCR ‘Protection Leaflet, Afghanistan’ d.d.1 februari 2009) zijn dan ook niet dienend. Zoals hoger geoordeeld voert verzoeker geen nuttige elementen aan over zijn onwetendheid/onbekendheid met zijn beweerde leefomgeving en zijn de verklaringen dermate onvoldoende dat zijn beweerde nationaliteit bedrieglijk voorkomt. Noch uit verzoekers verklaringen noch uit de andere elementen van het dossier blijkt dat hij voldoet aan de criteria van artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 met betrekking tot de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus, zoals ingevoegd bij artikel 26 van de wet van 15 september 2006, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 6 oktober
  7. 4.
  8. De aangehaalde middelen zijn ongegrond. (...)”. XIV-31.442-6/9
  9. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  10. Overwegende dat in het eerste middel verzoeker laat gelden dat het bestreden arrest genomen is met schending van de artikelen 39/2 en 39/76 van de Vreemdelingenwet doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich niet heeft beperkt tot het administratief dossier; dat hij terzake verwijst naar het arrest nr. 184.167 van 13 juni 2008 waarin werd gesteld dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen onderzoeksbe- voegdheid heeft en zelf niet kan overgaan tot onderzoeksmaatregelen. 2.1.
  11. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de bewering dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich heeft gesteund op informatie buiten het rechtsplegingsdossier elke feitelijke grondslag mist, dat de Raad immers op basis van de gegevens die hij kon terugvinden in het rechtsplegingsdossier concludeerde dat verzoeker niet aannemelijk maakte afkomstig te zijn uit JOYNAW in het disctrict POL-i-KHOMRI en de provincie BAGHLAN, dat niets de voorzitter verhinderde verzoeker enige bijkomende vragen ter zitting te stellen, dat artikel 14 van het koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen immers stelt dat de voorzitter de partijen ondervraagt indien dit noodzakelijk is; 2.1.
  12. Overwegende dat, met uitzondering van een verwijzing naar een ter terechtzitting gedane vaststelling, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich uitsluitend baseert op gegevens opgenomen in het administratief dossier dat hem door de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werd voorgelegd; dat de vaststelling dat verzoeker ter terechtzitting “vlot kan rekenen” enkel wordt aangehaald ter bevestiging van hetgeen volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook al uit het CGVS-verhoor was gebleken, met name dat verzoeker “niettegenstaande hij beweert ongeletterd te zijn, een goed verstand heeft”; dat, zelfs in de veronderstelling dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistin- gen niet mag steunen op een ondervraging van de vreemdeling ter terechtzitting, dit in casu niet tot cassatie van het bestreden arrest kan leiden, aangezien deze ondervraging geen weerslag heeft gehad op het bestreden arrest; dat er enkel ten overvloede wordt naar verwezen; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
  13. Overwegende dat in het tweede middel verzoeker aanvoert dat de rechten van verdediging, in het bijzonder de regels van het tegensprekelijk debat, zijn geschonden doordat tot op de datum van de zitting en de sluiting der debatten geen enkele partij argumenteerde dat hij niet van Afghanistan afkomstig zou zijn: hem werd noch de tijd noch de faciliteiten ter beschikking gesteld ter voorbereiding van zijn verdediging tegen de stelling dat hij niet van Afghanistan afkomstig zou zijn, de Raad voor Vreemdelingenbetwis- XIV-31.442-7/9 tingen diende ofwel de beroepen beslissing te vernietigen en het dossier aan de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen voor verder onderzoek terug te zenden ofwel de debatten te heropenen om de partijen toe te laten terzake standpunt in te nemen; 2.2.
  14. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan concluderen dat de vreemdeling zijn identiteit en nationaliteit niet bewijst, ook al werd daar nooit eerder aan getwijfeld, dat door het hoger beroep tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen het geschil in zijn geheel aan een nieuw onderzoek wordt onderworpen en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet gebonden is door de motieven waarop de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal is gesteund, dat geenszins vereist is dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de motieven, op grond waarvan hij voornemens is een aanvraag als ongeloofwaardig af te wijzen, vooraf ter kennis brengt van de vreemdeling; 2.2.
  15. Overwegende dat door het hoger beroep tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de zaak met alle feitelijke en juridische vragen in haar geheel aan een nieuwe beoordeling van de Raad voor Vreemdelin- genbetwistingen wordt onderworpen; dat deze niet is gebonden door de motieven van de Commissaris-generaal en dus op eigen gronden uitspraak kan doen; dat verzoeker er dan ook rekening had moeten mee houden dat zijn beweerde afkomst op basis van de gegevens van het administratief dossier in beroep onvoldoende bewezen kon worden geacht; dat, zoals de verwerende partij terecht antwoordt, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geenszins verplicht is de motieven op grond waarvan hij voornemens is een beroep te verwerpen, vooraf ter kennis te brengen van de vreemdeling; dat het tweede middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  16. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  17. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een juli tweeduizend en tien, door : XIV-31.442-8/9 de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-31.442-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.321 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.