id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.333 Rolnummer: A. 173429/VII-37576 Zaak: Arrest 206333 - Energie - 01/07/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-13 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-02 11:20 Fiche Arrest nr 206.333 van 1 juli 2010 Economische zaken - Energie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 206.333 van 1 juli 2010 in de zaak A. 173.429/VII-37.
(96)5 genomen die bepaalt dat onbelemmerde migraties voor deze soorten mogelijk moet zijn. De Beekprik staat ook op de Rode Lijst van de op wereldschaal bedreigde soorten (UCN 1996). Een verstoring van het biotoop van dergelijke zeldzame soorten door 'het werken in open sleuf' om met de gasleiding de beken te kruisen of het 'inkokeren van beken' zijn mijns inziens in geen geval te verantwoorden en in strijd met de wettelijke bescherming van soorten van internationaal belang. Mia Meirsschaut Licentiate biologie Broekstraat 9 9570 Deftinge' Gelet op voorafgaande overwegingen kan dan ook niet anders dan worden geconcludeerd dan dat de realisatie van onderhavige aardgasvervoerinstallatie wel degelijk een 'betekenisvolle aantasting van de SBZ kan' veroorzaken. De Bestreden Beslissing schendt dan ook op onmiskenbare wijze artikel 36ter §5 van het Decreet Natuurbehoud. 'Overeenkomstig onze afspraak bestaat het eerste gedeelte van onze opdracht erin om ons uit te spreken of wij mogelijkheden zien om op wetenschappelijke grond en met gedegen elementen de voorliggende VII-37.576-19/36 conclusie van niet significantie aan te vechten. Overeenkomstig het hoger gestelde zien wij hiertoe mogelijkheden en achten wij het redelijk om op basis van vastgestelde leemten in de kennis en andere onvolledigheden hiertoe te concluderen. Een vollediger analyse van ons zou deel kunnen uitmaken van een uitbreiding van onze opdracht waarbij we niet enkel verder onderbouwen dat de conclusie van de voorliggende passende beoordeling niet zonder meer aanvaard kan worden maar waarin tevens een analyse wordt gedaan van mogelijke alternatieven'. (...) Verzoekende Partij zal dan ook onverwijld overgaan tot het uitbreiden van de opdracht van AEOLUS teneinde AEOLUS in mogelijkheid te stellen haar bevinding, met name dat 'de conclusie van het MER TECHNUM betreffende de 'passende beoordeling' niet zondermeer kan worden aanvaard’, verder uit bouwen alsook een analyse van de alternatieven door te voeren. Verzoekende Partij verzoekt uw Raad dan ook, met eerbied, haar het recht voor te behouden, wanneer het bijkomend verslag van AEOLUS is tussengekomen, aan uw Raad alsook aan Verwerende Partij en Tussenkomende Partij, hiervan kopie te bezorgen. Er dient evenwel nu reeds onmiskenbaar te worden vastgesteld dat het MER TECHNUM zonder draagkrachtige motivering tot het besluit komt dat de aanleg van de aardgasvervoerinstallatie geen betekenisvolle aantasting van het SBZ tot gevolg heeft. Afsluitend wenst Verzoekende Partij ook stil te staan bij de toch enigszins opmerkelijke analyse van Verwerende Partij die wordt ontwikkeld onder randnrs. 46 tot 49. Verwerende Partij meent dat, op basis van de bepalingen van de Habitatrichtlijn, een onderscheid dient gemaakt te worden tussen de bepalingen die van toepassing zijn op de bescherming of instandhouding van zones (de zgn. speciale beschermingszones) en op de bescherming van soorten (d.w.z. de beschermde dier- en plantensoorten). Welnu, door de vaststelling dat bepaalde soorten een bijzondere bescherming genieten als individuele soort en bovendien ook aanwezig zijn binnen een speciale beschermingszone, zouden zij enkel vallen onder de beschermingsmaatregelen die voor hun individuele soort zijn voorzien, en zouden de beschermingsmaatregelen die van toepassing zijn voor de speciale beschermingszone niet van toepassing zijn. Of anders uitgedrukt: wanneer binnen een speciaal beschermingsgebied ook individueel beschermde soorten aanwezig zijn, zijn de bepalingen van de speciale beschermingszone niet van toepassing. Zo stelt Verwerende Partij m.n. (blz. 14 van de memorie van antwoord): 'De Gewone grootoorvleermuis en de Gewone dwergvleermuis behoren tot de soorten die in bijlage IV van de Habitatrichtlijn zijn opgesomd. Bijlage III van het Decreet Natuurbehoud bevat de overeenkomstige opsomming van soorten voor Vlaanderen. De soorten uit bijlage IV van de richtlijn, in casu de Gewone grootoorvleermuis en de Gewone dwergvleermuis. vallen dus onder bescherming van de soorten door de artikelen 12 tot en met 16 van de Habitatrichtlijn maar niet onder de bescherming van de speciale beschermingszones. zoals bedoeld in artikel 6 van de Habitatrichtlijn'. (...) Welnu, het is evident dat deze argumentatie van Verwerende Partij niet kan overtuigen. Immers, een correcte toepassing van de bepalingen van de Habitatrichtlijn vereist, in dergelijk geval (d.w.z. de combinatie van een speciale beschermingszone en individueel beschermde dier- en plantensoorten) een gecumuleerde toepassing van de bepalingen van de Habitatrichtlijn, eerder dan een beperkende toepassing, zoals door Verwerende Partij voorgestaan. VII-37.576-20/36 En met name het feit dat in de speciale beschermingszone ook individueel beschermde dier- en plantensoorten aanwezig zijn, is ongetwijfeld van aard om tot het besluit te komen dat er prima facie het vermoeden is van 'een betekenisvolle aantasting von de speciale beschermingszone'. Verwerende Partij kan trouwens ook helemaal niet worden bijgetreden in een 'omgekeerde redenering' waarbij, uitgaande van de aanwezigheid van bijzondere beschermde dier- en plantensoorten in een speciale beschermingszone, de bepalingen betreffende een passende beoordeling zoals opgenomen in artikel 6 van de Habitatrichtlijn en artikel 36ter van het Decreet Natuurbehoud 'op geen enkele manier kunnen geschonden zijn'. Verzoekende Partij blijft dan ook van oordeel dat de Bestreden Beslissing niet gesteund is op in feite en in rechte aanvaardbare en draagkrachtige motieven. De memorie van antwoord van Verwerende Partij bevat in wezen de bevestiging van deze ernstige wettigheidskritiek. In essentie komt Verwerende Partij niet verder dan het aanvoeren dat het uw Raad niet toekomt om in de plaats te treden van de beoordelende overheid en dat er geen sprake zou zijn van een 'kennelijke beoordelingsfout'. De door Verzoekende Partij aangehaalde adviezen worden hierbij zonder overtuigende argumentatie ter zijde gesteld, zodat Verzoekende Partij haar middel verder op wetenschappelijke basis wenst te onderbouwen, m.n. door het voorleggen van een aanvullend wetenschappelijk advies, uitgewerkt door het Studiebureau AEOLUS. Bovendien schendt de Bestreden Beslissing ook artikel 36ter, §5 van het Decreet Natuurbehoud, nu, gegeven de betekenisvolle aantasting van het SBZ, de bepalingen van voormeld artikel niet werden nageleefd of in achtgenomen bij het nemen van de Bestreden Beslissing". 9. In haar verzoekschrift tot tussenkomst gaat de NV Fluxys, de eerste tussenkomende partij, niet in op het middel. Zij diende ook geen memorie in. 10. De VZW Milieufront Omer Wattez, de tweede tussenkomende partij, roept in haar memorie eveneens de schending in van artikel 6 van de habitatrichtlijn. Zij stelt dat in het MER wordt bevestigd dat de ingekorven vleermuis, de meervleermuis, de rivierdonderpad en de beekprik - alle beschermde habitatsoorten - op verschillende plaatsen langs het tracé voorkomen, dat vooral de bovenlopen van de Zwalm belangrijk zijn als leef- en uitbreidingsgebied van de rivierdonderpad en de beekprik, dat door het geplande tracé van de aardgasleiding drie biologisch zeer waardevolle bronbeken van de Zwalm doorsneden zullen worden, dat te dezen sprake is van een plan of project in de zin van de habitatrichtlijn, dat indien de Raad van State zulks niet zou aannemen het past dienaangaande een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen, dat de goedkeuring van een MER door de cel MER geen toegelaten delegatie is van de bevoegdheid van de minister van Leefmilieu, dat uit tal van passages van het MER blijkt dat de uitvoering van het voorgenomen project gepaard zal gaan met een ernstige aantasting van de speciale beschermingszone, inzonderheid op het vlak van het bos- en groenbestand, de beekvalleien en bijhorende waterfauna VII-37.576-21/36 (rivierdonderpad en beekprik), dat een alternatief tracé mogelijk is, dat artikel 6.4 van de habitatrichtlijn wordt geschonden vermits er geen dwingende redenen van groot openbaar belang voorhanden zijn, dat het bestreden besluit in hoofdorde moet worden getoetst aan artikel 6 van de habitatrichtlijn daar artikel 36ter van het natuurbehouddecreet door de vereiste van het niet-aantasten van de natuurlijke kenmerken terug te brengen tot "geen betekenisvolle aantasting" geen correcte omzetting inhoudt van voormelde richtlijn en dat desgevallend het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie zich opdringt. 11. De verzoekende partij alsook de tweede tussenkomende partij sluiten zich in hun laatste memories aan bij de conclusies van het auditoraatsverslag. 12. In haar laatste memorie brengt de verwerende partij vooreerst in herinnering dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de arresten C-6/04 van 20 oktober 2005 en C-98/03 van 10 januari 2006 heeft geoordeeld dat voor het vereiste van een passende beoordeling van de gevolgen van een plan of project als voorwaarde geldt dat de waarschijnlijkheid of het risico bestaat dat dit plan of project significante gevolgen heeft voor het betrokken gebied, dat zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat er sprake is van gebrekkige informatie omdat het MER de meest recente gegevens in verband met afvissing niet vermeldt, blijkt dat in de passende beoordeling en de milderende maategelen van het MER in ieder geval rekening werd gehouden met de aanwezigheid van zowel de beekprik als de rivierdonderpad in de Dorenbosbeek en de Verrebeek, dat wat betreft de Molenbeek de gegevens inzake afvissing pas bekend waren na uitvoering van het MER, dat het MER wel degelijk aandacht besteedt aan het voorkomen van vleermuizen, dat slechts de ingekorven vleermuis onder de bescherming valt van artikel 6, § 3, van de habitatrichtlijn, dat het in het kader van het opstellen van het MER niet mogelijk was om over te gaan tot een volledige inventarisatie van de op het tracé voorkomende soorten, dat een terreinbezoek heeft toegelaten te besluiten dat de effecten voor vleermuizen beperkt negatief zijn, dat de door de MER- deskundigen gebruikte methode om leemten in de veldgegevens aan te vullen door middel van bestaande inventarisaties en literatuur in alle redelijkheid aanvaardbaar lijkt teneinde tot passende conclusies te komen, dat hoewel de studie betreffende het "alternatief tracé via Ghislenghien" zeer laat in de MER-procedure werd overgemaakt er wel degelijk rekening mee is gehouden zoals blijkt uit het verslag van de cel Milieueffectrapportage van 30 november 2005 houdende goedkeuring van het MER, dat uit artikel 36ter, §§ 4 en 5, van het natuurbehouddecreet voorts blijkt dat slechts indien een plan of programma een betekenisvolle aantasting van de VII-37.576-22/36 natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, moet blijken dat er voor de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone geen minder schadelijke alternatieve oplossingen zijn, dat door het in acht nemen van de in het MER voorgestelde maatregelen de beekprik en de rivierdonderpad slechts tijdelijk verstoord zullen worden in hun habitat, dat een zekere mate van verstoring die de instandhouding van de betrokken soorten niet in het gedrang brengt aanvaardbaar is, dat om betekenisvol te zijn de verstoring moet bijdragen tot de afname op lange termijn van de grootte van de populatie van de betrokken soort in het gebied of tot een geringe afname waardoor in vergelijking met de begintoestand de soort niet langer een levensvatbare component van de natuurlijke habitat kan blijven, dat zulks in casu niet het geval is aangezien het gaat om een tijdelijke situatie die zich na uitvoering van de vereiste werken zal herstellen, dat de studies waaraan de verzoekende partij haar kritiek ontleent niet meer wetenschappelijke onderbouwing verschaffen in vergelijking met het goedgekeurde MER, dat de discussie tussen de deskundigen onderling voornamelijk betrekking lijkt te hebben op de keuze van de milderende maatregelen (open sleuf-methode versus persing), dat de verzoekende partij geen kennelijke beoordelingsfout aantoont, dat de studie die in opdracht van de verzoekende partij werd uitgevoerd niet te allen tijde volledig objectief kan worden genoemd, dat niet alle negatieve gevolgen voor de beschermde soorten ook betekenisvol zijn in de zin van de habitatrichtlijn en het natuurbehouddecreet, dat de term betekenisvol immers betekent dat een zekere mate van verstoring aanvaardbaar wordt geacht in het licht van een aantal factoren zoals met name de specifieke bijzonderheden en milieukenmerken van het beschermde gebied en dat te dezen de instandhoudingsdoelstellingen van de habitatrichtlijn worden bereikt indien de milderende maatregelen worden nageleefd. Beoordeling 13. Artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn bepaalt wat volgt : "Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden". VII-37.576-23/36 Artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn is omgezet door artikel 36ter, §§ 3 en 4, van het natuurbehouddecreet, waarvan de tekst als volgt luidt : "§ 3. Een vergunningsplichtige activiteit die, of een plan of programma dat, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma’s, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, dient onderworpen te worden aan een passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone. De verplichting tot het uitvoeren van een passende beoordeling geldt ook indien wegens het verstrijken van de lopende vergunning van de vergunningsplichtige activiteit een nieuwe vergunning moet worden aangevraagd. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de passende beoordeling. Indien een vergunningsplichtige activiteit of een plan of programma onderworpen is aan de verplichting tot milieueffectrapportage overeenkomstig de wetgeving in uitvoering van de project-MERrichtlijn of de plan-MER- richtlijn, geschiedt de passende beoordeling in het kader van de milieueffectrapportage. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen in verband met de herkenbaarheid van de passende beoordeling in het milieueffectrapport. Indien een vergunningsplichtige activiteit of een plan of programma niet onderworpen is aan de verplichting tot milieueffectrapportage overeenkomstig de wetgeving in uitvoering van de project-MERrichtlijn of de plan-MER- richtlijn, vraagt de administratieve overheid steeds het advies van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen in verband met de inhoud en de vorm van de passende beoordeling. §4. De overheid die over een vergunningsaanvraag, een plan of programma moet beslissen, mag de vergunning slechts toestaan of het plan of programma slechts goedkeuren indien het plan of programma of de uitvoering van de activiteit geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone kan veroorzaken. De bevoegde overheid draagt er steeds zorg voor dat door het opleggen van voorwaarden er geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan ontstaan". Luidens artikel 2, 40/, van het natuurbehouddecreet moet onder plan of programma verstaan worden : "een document waarin beleidsvoornemens, beleidsontwikkelingen of grootschalige overheids-, particuliere of gemengde activiteiten worden aangekondigd en dat wordt opgemaakt en vastgesteld, gewijzigd of herzien op initiatief of onder toezicht van het Vlaamse Gewest, de provincies, de intercommunales, de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en/of de gemeenten, en/of van de federale overheid of waarvoor medefinanciering voorzien is door de Europese Gemeenschap of door het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap in het kader van de internationale samenwerking, voor zover het voorgenomen plan of programma aanzienlijke milieu- of veiligheidseffecten kan hebben op het grondgebied van het Vlaamse Gewest". VII-37.576-24/36 Aangezien met het thans bestreden besluit het tracé van een nieuwe aardgasvervoerinstallatie op het grondgebied van het Vlaamse Gewest wordt vastgesteld en niet betwist wordt dat het voorgenomen project aanzienlijke milieu- effecten kan hebben, inzonderheid doordat het voorgestelde tracé van de aardgasleiding de speciale beschermingszone (SBZ-H) "Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse Bossen" doorkruist, is de bestreden beslissing te beschouwen als een plan of programma in de zin van het natuurbehouddecreet. De mogelijke effecten van het voorgenomen project dienen derhalve voorwerp te zijn van een zogenaamde "passende beoordeling". De habitatrichtlijn omschrijft niet wat onder een "passende beoordeling" moet worden verstaan. In een arrest van 7 september 2004 heeft het Hof van Justitie verduidelijkt dat de passende beoordeling van de gevolgen van een plan of project voor het betrokken gebied meebrengt dat "voordat voor dit plan of project toestemming wordt verleend, op basis van de beste wetenschappelijke kennis ter zake, alle aspecten van het plan of het project die op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten de instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied in gevaar kunnen brengen, moeten worden geïnventariseerd", dat de bevoegde nationale autoriteiten op basis van de passende beoordeling slechts toestemming geven voor de activiteit "wanneer zij de zekerheid hebben verkregen dat de activiteit geen schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied" en dat zulks het geval is "wanneer er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat er geen schadelijke gevolgen zijn" (HvJ C-127/02, Landelijke Vereniging tot Behoud van de Waddenzee, Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Vogels v. Nederland, 2004). Zowel de habitatrichtlijn als het natuurbehouddecreet stellen de instandhouding voorop van de "natuurlijke kenmerken" van de speciale beschermingszone. Luidens artikel 2, 30/, van het natuurbehouddecreet moet onder een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone verstaan worden "een aantasting die meetbare en aantoonbare gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, in de mate er meetbare en aantoonbare gevolgen zijn voor de staat van instandhouding van de soort(
- en)of de habitat(
- s)waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is aangewezen of voor de staat van instandhouding van de soort(
- en)vermeld in bijlage III van dit decreet voor zover voorkomend in de betreffende speciale beschermingszone". Uit wat voorafgaat vloeit voort dat niet elk, eventueel slechts tijdelijk, nadelig gevolg van een voorgenomen project op een VII-37.576-25/36 speciale beschermingszone noodzakelijkerwijze strijdt met de geldende instandhoudingsdoelstellingen. Te dezen is de passende beoordeling opgenomen in het MER "Aardgasvervoerleiding Brakel-Haaltert" (november 2005) dat de NV Technum heeft opgemaakt in opdracht van de NV Fluxys. De negatieve effecten van het project op het betrokken habitatrichtlijngebied worden in het MER als volgt beschreven : "Deeltrajecten 1, 3, 6 en 16 zijn gelegen in valleigebieden van respectievelijk de Vaanbuikbeek en de Molenbeek (Vhag 5041), de Dorenbosbeek, de Verrebeek en de Broekbeek. Deeltrajecten 1 en 6 bevinden zich volgens het gewestplan in agrarisch gebied, de deeltrajecten 3 en 16 worden als landschappelijk waardevol agrarisch gebied aangeduid. De percelen die gekruist worden zijn vooral weilanden bestaande uit soortenarme permanente cultuurgraslanden en akkerlanden. Aangezien deze weilanden en akkers na de aanleg van de leiding in de oorspronkelijke staat hersteld worden en terug in landbouwgebruik komen, zijn er geen permanente effecten te verwachten. Aangezien het habitatrichtlijngebied overeenkomt met de valleigebieden van de doorkruiste beken, worden hier de grootste knelpunten verwacht. Dit geldt voornamelijk voor de Dorenbosbeek (deeltraject 3) en de Verrebeek (deeltraject 6), die bekend staat als habitatgebied voor de Beekprik en de Rivierdonderpad. De negatieve effecten die kunnen optreden door verstoring van hun habitat als gevolg van de aanleg van de leiding zijn echter beperkt. Er wordt aangenomen dat voor verschillende vissoorten, waaronder de Rivierdonderpad, een inkokering (van maximaal 70
- m)niet als een migratieknelpunt beschouwd kan worden (Knaepkens G., Bervoets L., Verheyen E. & Eens, M. 2002). De inkokering in het geval van dit project is bovendien van tijdelijke aard, waardoor de effecten voor de aanwezige vispopulaties beperkt tot verwaarloosbaar zijn. Het is bovendien onwaarschijnlijk dat de Rivierdonderpad voorkomt op de plaats waar de waterloop doorsneden wordt. De Rivierdonderpad verkiest immers eerder die delen van de waterlopen waar stenen opgehoopt worden langsheen de oever. De overige waterlopen in het habitatrichtlijngebied (de Vaanbuikbeek, de Molenbeek (Vhag 5041) en de Broekbeek) zijn niet erkend als habitatgebied voor vissoorten. Uit de discipline water is gebleken dat binnen de deeltrajecten 1, 3 en 6 bemaling noodzakelijk zal zijn. De natuurwaarde op de plaats van de kruising van het tracé met het habitatrichtljngebied in de deeltrajecten 1, 3 en 6 is echter niet van die aard dat een tijdelijke bemaling hier een blijvend effect zal veroorzaken. Voor het eerste gedeelte van deeltraject 16, dat behoort tot het habitrichtlijngebied, is het effect van bemaling niet van belang aangezien de leiding hier aangelegd wordt met een horizontaal gestuurde boring. In het eerste gedeelte van deeltraject 16 wordt over zeer korte lengte een zuidelijke uitloper van het natuurgebied 'Moenebroek' doorkruist. Dit natuurreservaat behoort bijna integraal tot het habitatrichtlijngebied 'Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen. Het perceel dat doorkruist wordt bestaat uit een rietveldje gelegen langs de N42. Voor het doorkruisen van zowel de N42 als het naastliggende perceel natuurgebied wordt gebruik gemaakt van een onderdoorpersing. Op die manier blijven de bestaande bomendreef langs de weg en het perceel met riet integraal bewaard en zijn de VII-37.576-26/36 effecten op fauna en flora hier te verwaarlozen. Na kruising van de N42 en de percelen natuurgebied zal de leiding verder aangelegd worden in open sleuf. Dit gedeelte van deeltraject 16 behoort echter niet tot het habitatrichtlijngebied. Bijlage IV soorten In bijlage IV van de habitatrichtlijn zijn een aantal dier- en plantensoorten opgesomd die van communautair belang zijn en strikt beschermd moeten worden. In deze paragraaf wordt bekeken of er dergelijke soorten effecten zullen ondervinden ten gevolge van de aanleg van de aardgasvervoerleiding tussen Brakel en Haaltert. Welke van de bijlage IV-soorten voorkomen in de omgeving van het geplande tracé werd reeds besproken in 'Deel A5 Referentiesituatie'. Met uitzondering van een aantal vleermuizen komen er in de omgeving van het tracé geen zoogdieren voor die opgenomen werden in bijlage IV. Er zijn langsheen het tracé geen echte uitschieters bekend met betrekking tot het voorkomen van vleermuizen. Er is enkel bekend dat Gewone grootoorvleermuis en Gewone dwergvleermuis in de omgeving van het tracé aangetroffen kunnen worden, deze soorten behoren tot bijlage IV. Op minder dan 3 km ten noorden van UTM5-hok ES52B is een kolonie van Ingekorven vleermuis gekend. Vermits deze soort tot 15 km van de kolonie gaat jagen is het niet uitgesloten dat het tracé van de leiding zich in de jachtgebieden bevindt. Vleermuizen stellen verschillende eisen aan hun milieu naargelang de soort. Dood hout, oude bomen en kleine landschapselementen zijn voor vleermuizen ecologisch gezien zeer waardevol. Open ruimten vormen een aanzienlijke barrière voor de verschillende soorten vleermuizen en worden zelden overgestoken. Het project geeft geen aanleiding tot het ontstaan van brede open ruimten. De strook die vrijgehouden wordt van diepwortelende beplanting vormt bijgevolg geen barrière voor vleermuizen. De vegetatie die plaatselijk verwijderd moet worden, betreft veelal een jonge vegetatie die van minder belang is voor vleermuizen. De aanleg van de geplande gasleiding doorsnijdt enkele bosgebieden (deeltrajecten 19, 22, 23, 26, 33 en 34). Het gaat hier om kleinere bosgebieden die nu al sterk geïsoleerd liggen. Verdere versnippering door de aanleg van de gasleiding zou een negatieve invloed kunnen hebben op het voorkomen van de Gewone grootoorvleermuis, de Gewone dwergvleermuis en de Ingekorven vleermuis. Voor amfibieën en reptielen zijn er in de omgeving van de geplande gasleiding geen specifieke belangrijke plaatsen aangeduid. In de nabijheid van het volledige tracé kunnen de volgende soorten worden waargenomen: Gewone pad, Alpenwatersalamander, Kleine watersalamander, Groene kikker, Bruine kikker, Vuursalamander, Hazelworm, Levendbarende hagedis en Vinpootsalamander. De laatste drie soorten zijn zeldzame Rode lijst-soorten. Vuursalamander heeft de status 'kwetsbaar'. De overige soorten zijn momenteel niet bedreigd. In de buurt van het geplande tracé worden geen amfibieën- of reptielensoorten waargenomen die behoren tot bijlage IV. Aangezien er geen bijzondere habitats voor amfibieën of reptielen voorkomen in de nabijheid van het tracé, kan men stellen dat voorgenoemde soorten geen significante negatieve effecten zullen ondervinden ten gevolgde van het project". Het MER stelt een aantal "mitigerende of milderende maatregelen" voor die specifiek met betrekking tot het doorkruisen van de speciale beschermingszones (deeltrajecten 1, 3, 6 en 16) het volgende inhouden : VII-37.576-27/36 "Deeltraject 1 bevindt zich in agrarisch gebied, waarbij de geplande aardgasleiding voornamelijk ecologisch minder waardevolle vochtige weilanden doorkruist. Ter hoogte van de kruising met de vallei van de Vaanbuikbeek en de Molenbeek (Vhag 5041) behoort deeltraject 1 echter tot het habitatrichtlijngebied 'Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen'. Voor de aanleg van de geplande leiding zullen deze waterlopen enkele weken over een lengte van 30 m ingekokerd worden. Om het habitatrichtlijngebied zo min mogelijk te schaden wordt voorgesteld om de waterlopen na aanleg van de gasleiding zo vlug mogelijk zorgvuldig te herprofileren en in de oorspronkelijke staat weer aan te leggen. Deeltrajecten 3 en 6 bevinden zich respectievelijk in het valleigebied van de Dorenbosbeek en de Verrebeek. De kruising met deze twee beken vormen knelpunten binnen deze deeltracés. Belde waterlopen staan immers bekend als habitatgebied voor de Beekprik en de Rivierdonderpad. Het doorkruisen van de Dorenbosbeek en de Verrebeek heeft tot gevolg dat de waterlopen voor enkele weken over een afstand van 30 m zullen ingekokerd worden. De Dorenbosbeek staat bekend als habitat voor de Beekprik en de Rivierdonderpad. Het doorkruisen van de Dorenbosbeek via de 'open sleuf' methode, houdt in dat de Dorenbosbeek voor ongeveer 10 weken over een afstand van 30 m ingekokerd zal worden. Aangezien de voortplantingstrek bij de Beekprik tijdens het voorjaar (april tot juni, afhankelijk van de temperatuur) plaatsvindt, is het aangewezen tijdens deze periode iedere verstoring van de waterloop te vermijden. Wanneer de kruising van de waterlopen in de planning voorzien wordt in de periode vanaf maart tot einde juli, wordt door het Instituut voor Natuurbehoud aangeraden om de beek voor de inkokering elektrisch af te vissen en de gevangen vissen en rondbekken elders in de beek terug vrij te laten. Vermits de beekprik een moeilijk vangbare soort is, zal men minimaal drie elektrische bevissingen moeten uitvoeren alvorens over te gaan tot de inkokering. Men zal over een afstand van 100 m afvissingen uitvoeren. Op die manier kunnen de beekpriklarven uit het slib gevist worden. Buiten de voortplantingsperiode moeten enkel afvissingen gebeuren ter hoogte van de eigenlijke inkokering met het oog op beekpriklarven. Wanneer het kruisen van de waterloop aanvangt in de periode tussen augustus en februari, kan de inkokering gelijktijdig met het verloop van de werf plaatsvinden. De inkokering mag geen verval van meer dan 5 cm veroorzaken. Om de invloed van de inkokering op de structuurkwaliteit van de waterloop te minimaliseren moet deze na afloop van de werken zo vlug mogelijk zorgvuldig geherprofileerd worden. Aangezien de oeverbegroeiing ter hoogte van de kruising slecht ontwikkeld is en snel tot herstel kan komen en wanneer de milderende maatregelen strikt uitgevoerd worden, wordt het niet noodzakelijk geacht om hier een uitvoeringsalternatief te verkiezen. Voor het uitvoeren van de elektrische afvissingen zal Fluxys contact opnemen met het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer. In deeltraject 16 wordt het valleigebied van de Broekbeek (in het begin van het tracé) aangeduid als habitatrichtlijngebied. Hier doorkruist de geplande aardgasleiding enkele percelen die een zuidelijke uitloper vormen van het meer noordelijk gelegen natuurgebied 'Moenebroek'. Aangezien hier gebruik wordt gemaakt van een horizontaal gestuurde boring zijn de effecten voor de discipline fauna en flora te verwaarlozen en moeten geen bijkomende milderende maatregelen worden voorgesteld". VII-37.576-28/36 Met betrekking tot de passende beoordeling concludeert het MER : "Het hoofddoel van de Europese richtlijnen is het behoud van de biologische diversiteit. Elke lidstaat dient bijgevolg voorzorgsmaatregelen in acht te nemen om significante achteruitgang en verstoring in de speciale beschermingszones te vermijden. Activiteiten in habitat- en vogelrichtlijngebieden blijven echter mogelijk op voorwaarde dat het einddoel met name het waarborgen van de handhaving en het herstel van natuurlijke habitattypen en soorten van communautair belang, niet geschaad wordt. Met betrekking tot het voorliggende project kan gesteld worden dat, op voorwaarde dat bij de aanleg van de aardgasleiding de voorgestelde milderende maatregelen strikt toegepast worden, de effecten op de speciale beschermingszones niet van die aard zijn dat de betreffende instandhoudingsdoelstellingen in het gedrang komen". De cel Milieueffectrapportage van de afdeling Algemeen Milieu- en Natuurbeleid heeft het MER op 30 november 2005 goedgekeurd. In het goedkeuringsverslag schrijft de cel MER onder meer : "Bij 'fauna-flora' worden volgens de relevantie de 34 deelgebieden van het tracé beschreven met aandacht voor de passages van VEN- en Habitatrichtlijngebied en de beekvalleien" (p. 6), "De passende beoordeling wordt ruimschoots ingevuld ook met aandacht voor de Bijlage IV soorten. De beekprik en de rivierdonderpad krijgen speciale aandacht waarbij de nodige maatregelen in de beekvalleien worden voorgesteld voor deeltrajecten 1, 3, 6 en 16" (p. 7) en "De milderende maatregelen worden op de afzonderlijke kaart 10 samengebracht. Aandacht gaat dus naar werkstrookversmalling, herstel en compensatie van aanplantingen, kleinschalige landschapselementen en de boscompensatie, beekherstel en voorafgaandelijke afvissing" (p. 8). De verzoekende partij betwist op meerdere punten de deugdelijkheid van het MER en daarmee ook de deugdelijkheid van de passende beoordeling zoals voorgeschreven door de habitatrichtlijn en het natuurbehouddecreet. De Raad van State kan, in het kader van zijn wettigheidstoezicht, zijn beoordeling op het punt van de intrinsieke degelijkheid van een MER niet in de plaats stellen van die van de cel MER. Het wettigheidstoezicht van de Raad van State beperkt zich in de eerste plaats tot een controle van de juistheid van de feitelijke uitgangspunten van het MER en van de volledigheid van de in aanmerking genomen gegevens rekening houdend met de doelstelling van het MER. Voorts vermag de Raad van State ook na te gaan of het bestuur binnen de perken van de redelijkheid tot zijn passende beoordeling is kunnen komen. VII-37.576-29/36 In het inleidend verzoekschrift poneert de verzoekende partij dat het MER "kennelijk te oppervlakkig en kennelijk te weinig wetenschappelijk onderbouwd" is. Ter adstructie van het middel verwijst de verzoekende partij naar een schrijven van 23 augustus 2005 van de voorzitter van de milieuraad van de gemeente Brakel alsook naar een verklaring van een licentiate biologie. Met voormeld schrijven en voormelde verklaring, waarvan de inhoud zich in wezen beperkt tot het kwalificeren van de bronbeken van de bovenloop van de Zwalm als biologisch zeer waardevol onder meer wegens de aanwezigheid van een aantal beschermde vissoorten, toont de verzoekende partij niet aan dat het MER, waarin het biologisch waardevol karakter van het betrokken gebied niet wordt betwist en de aanwezigheid van beschermde vissoorten uitdrukkelijk wordt bevestigd, volledig voorbij is gegaan aan de instandhoudingsdoelstellingen van het natuurbehouddecreet, laat staan dat de erin vervatte passende beoordeling, die het nemen van een aantal milderende maatregelen vooropstelt, kennelijk onredelijk is. Samen met de memorie van wederantwoord heeft de verzoekende partij een zogenaamd "spoedadvies" van 31 oktober 2006 neergelegd waarin de projectleiders Natuur/Mer van de BVBA Aeolus onder meer het volgende verklaren : "De passende beoordeling vertoont een aantal gebreken. Tegelijkertijd dient gesteld dat desalniettemin de passende beoordeling grosso modo voldoet aan de Vlaamse normen voor de opmaak ervan. Bovenstaande elementen lijken paradoxaal maar het is een gegeven dat passende beoordelingen, zoals ze in Vlaanderen worden opgemaakt, doorgaans beperkte analyses zijn die vaak te beschouwen zijn als 'expert judgement' en niet het resultaat zijn van uitgebreid onderzoek. Dergelijke beperkte analyses worden door de beoordelende overheid meestal als voldoende aanvaard. Soms echter wordt de lat hoger gelegd en wordt gevraagd dat specifiek onderzoek plaatsvindt alvorens te komen tot onderbouwde conclusies. M.a.w. zouden de conclusies van de voorliggende passende beoordeling aangevochten kunnen worden met als essentiële argumentatie dat er onvoldoende kennis beschikbaar is ten aanzien van het effectief voorkomen van de aangemelde diersoorten binnen het betreffende habitatrichtlijngebied en meer bepaald binnen de contouren van het betreffende projectgebied. Vanuit dergelijke redenering zou gekomen kunnen worden tot een conclusie van het vaststellen van essentiële leemten in de kennis wat juridisch tot het toepassen van het voorzorgsprincipe zou moeten leiden zodat het project momenteel, zonder bijkomende kennisinzichten, geen doorgang zou mogen vinden. (...)". VII-37.576-30/36 Het "spoedadvies" plaatst vervolgens een aantal kritische bedenkingen bij de passsende beoordeling van de effecten op de vleermuizen, de beekprik en de rivierdonderpad. De deskundigen van de BVBA Aeolus schrijven ook : "Overeenkomstig onze afspraak bestaat het eerste gedeelte van onze opdracht erin om ons uit te spreken of wij mogelijkheden zien om op wetenschappelijke grond en met gedegen elementen de voorliggende conclusie van niet significantie aan te vechten. Overeenkomstig het hoger gestelde zien wij hiertoe mogelijkheden en achten wij het redelijk om op basis van vastgestelde leemten in de kennis en andere onvolledigheden hiertoe te concluderen. Een vollediger analyse van ons zou deel kunnen uitmaken van een uitbreiding van onze opdracht waarbij we niet enkel verder onderbouwen dat de conclusie van de voorliggende passende beoordeling niet zonder meer aanvaard kan worden maar waarin tevens een analyse wordt gedaan van mogelijke alternatieven". Vastgesteld wordt dat hoewel de verzoekende partij in haar inleidend verzoekschrift gewag maakt van "kennelijke" leemtes in het MER, die leemtes zelfs na tussenkomst van een door haar aangestelde expert blijkbaar niet onmiddellijk afdoende geduid kunnen worden maar voorwerp dienen te zijn van verder onderzoek, hetgeen de Raad van State in eerste instantie toelaat de ernst en de relevantie van de vermeende leemtes te relativeren. Voorts vereisen zowel de habitatrichtlijn als het natuurbehouddecreet dat voor de passende beoordeling rekening wordt gehouden met de (beste) voorhanden zijnde wetenschappelijke kennis. Op de initiatiefnemer van een plan of project dat onderworpen wordt aan een passende beoordeling, rust derhalve niet de verplichting om de eventuele leemtes in de bestaande wetenschappelijke kennis zelf aan te vullen met bijkomend onderzoek dat voldoet aan de kwaliteitsvereisten die in het betrokken onderzoeksdomein gesteld worden. In dat verband bepaalt artikel 4.3.7, § 1, 4/, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ten andere dat het project-MER onder meer bestaat uit "een opgave van de moeilijkheden, technische leemten of ontbrekende kennis die de initiatiefnemer en/of het team van erkende deskundigen eventueel hebben ondervonden bij het verzamelen en verwerken van de vereiste informatie en de gevolgen daarvan voor de wetenschappelijkheid van het rapport". In paragraaf 2 van hetzelfde artikel wordt bovendien bepaald dat het MER slechts informatie dient te bevatten "voor zover de bestaande kennis en de bestaande effectanalyse- en beoordelingsmethodes rederlijkerwijze toelaten om deze informatie te verzamelen en te verwerken". VII-37.576-31/36 Inzake de leemten in de kennis vermeldt het MER (p. 308) dat "voor de bespreking van de (avi-)faunistische gegevens werd voortgegaan op bestaande inventarisaties, aangevuld met gegevens uit de literatuur en terreinwerk" en dat het "voor de hand (ligt) dat het binnen het tijdsbestek van dit MER niet mogelijk is om een volledige inventaris van de (avi)fauna op te stellen". De bedoelde (avi-)faunistische gegevens hebben onder meer betrekking op de vleermuizen. De verzoekende partij betwist niet dat de MER de bestaande kennis terzake in aanmerking heeft genomen. Integendeel bevestigt de studie van de BVBA Aeolus dat het MER "alle beschikbare waarnemingen" bevat. Zoals reeds werd gesteld, valt het buiten het bestek van het MER om op basis van bijkomend wetenschappelijk onderzoek na te gaan hoe volledig deze waarnemingen zijn. Dergelijk onderzoek was te dezen nog minder aangewezen nu de door de verzoekende partij aangestelde deskundigen zelf tot de conclusie komen dat de effecten voor vleermuizen "beperkt negatief" zijn en dat de effecten gelijkaardig zullen zijn indien voor het alternatieve tracé zou worden gekozen. Op 9 oktober 2008 heeft de raadsman van de verzoekende partij, op vraag van het auditoraat, een studie genaamd "Passende beoordeling Fluxys gasleiding tussen Brakel en Haaltert", door de BVBA Aeolus opgesteld op 28 februari 2007, aan de Raad van State toegezonden. Met betrekking tot de effecten op de beschermde vissoorten (beekprik en rivierdonderpad) leest men in die studie wat volgt : "Waar het tracé de vier beken kruist zal de gasleiding in open sleuf worden aangelegd. Dit zal significant negatieve effecten op de aanwezige habitatrichtlijnsoorten veroorzaken omdat tijdens de aanleg hun leefgebied tijdelijk, gedurende 10 weken, zo goed als vernietigd wordt. Om tot niet significante effecten te besluiten schrijven het MER en de passende beoordeling die erin vervat zit volgende milderende maatregel voor: beken tijdelijk inkokeren en voorafgaand het in te kokeren traject afvissen. Bij timing van de werken in het voorjaar moet deze afvissing over een grotere lengte, namelijk 100 m, uitgevoerd worden. De vraag die ons rest is: 'Is deze milderende maatregel voldoende om tot niet significantie van de verschillende effecten te kunnen besluiten?'. Uitgaande van de soortbesprekingen van beide vissoorten kunnen we hiermee ten dele akkoord gaan. P Zowel beekprik als rivierdonderpad zijn weinig mobiele soorten. Indien het in te kokeren traject volledig wordt leeggevist door een erkende deskundige (om electrisch te vissen) voorafgaandelijk aan de inkokering is er geen gevaar op mortaliteit van een exemplaar van beide soorten tijdens de inkokering. P De inkokering, die voor beide soorten een migratieknelpunt is, zal slechts tijdelijk zijn. Na de aanleg die 10 weken duurt zal de initiatiefnemer de VII-37.576-32/36 inkokering immers verwijderen en het beektraject zo snel mogelijk herprofileren. Desondanks blijven er een aantal punten waardoor we niet kunnen besluiten tot niet significantie van de effectenonzekerheden die niet volledig verdwijnen verbonden aan het project: • De beekprik is een soort die zeer moeilijk electrisch te vangen is. Zelfs na drie afvissingen is er geen 100 % resultaat, dit zal eerder 50 % zijn => ook na drie afvissingen bestaat een kans op mortaliteit onder beekprikken in het doorkruiste traject; • Het substraat zal na de herprofilering niet hetzelfde zijn dan voor de inkokering. Vermits de beekprik toch belangrijke eisen hieraan stelt is het niet zeker dat de soort na de herprofilering nog een geschikt habitat terugvindt. Hetzelfde geldt voor de rivierdonderpad omdat deze soort ook eisen stelt aan de korrelgrootte verdeling. Omwille van deze twee onzekerheden vinden we dat er, ondanks de milderende maatregelen, significant negatieve effecten verbonden zijn aan het project zoals nu voorgesteld (inclusief milderende maatregelen van het MER). Om die reden is een persing te verkiezen boven het kruisen in open sleuf. In de eerste plaats voor Molenbeek (VHAG 5041) en Verrebeek omdat hier de twee beschermde soorten zijn gevangen. Voor de Vaanbuisbeek, niet aangemeld als habitat maar ook niet onderzocht, is persing uit voorzorg te verkiezen, tenzij uit een eerste afvissing in de trekperiode van beekprik blijkt dat de soort hier ook niet voorkomt. Dan is de voorgestelde milderende maatregel wel voldoende. Voor Dorenbosbeek, aangemeld als habitat maar beide soorten niet gevangen, is de voorgestelde milderende maatregel eveneens aanvaardbaar. Qua timing doet zich bij inkokering tevens een probleem voor. De inkokering over 30 m vormt een migratiebarrière voor beide soorten. Bij inkokering tijdens de migratieperiode zijn er dus ook negatieve effecten. Deze spelen enkel voor de beekprik omdat die over grotere afstanden trekt in de voortplantingsperiode en ieder individu slechts 1 voortplantingsperiode meemaakt: eens volwassen eten beekprikken niet meer en na de eiafzet sterven ze af. De rivierdonderpad trekt eerder over kleinere afstanden, maximaal 20 m, waardoor bij afvissing van een voldoende ruim traject geen problemen te verwachten zijn. Om die reden vinden we dat inkokering van de beken tijdens de trekperiode van beekprik niet kan plaatsvinden. Gegeven het feit dat ze moeilijk electrisch te vangen is, geldt dit ook voor de Dorenbosbeek die qua habitatkwaliteit geschikt is voor beide soorten. Deelbesluit : Voor de kruising van Molenbeek en Verrebeek is een persing te verkiezen boven kruising in open sleuf waarbij de beek tijdelijk wordt ingekokerd en het gekruiste traject wordt leeggevist met drie afvissingen. Niet significante effecten kunnen we ook dan immers niet uitsluiten. Voor Dorenbosbeek en Vaanbuisbeek, deze laatste beek na een screening op het voorkomen van beekprik en rivierdonderpad, gaan we akkoord met de voorgestelde milderende maatregelen als deze buiten de perioden maart - juni plaatsvindt". De studie besluit omtrent de "effecten op vissen" : "Het project zoals de initiatiefnemer Fluxys voorstelde genereert significant negatieve effecten op de speciale beschermingszone door het kruisen van vier beken met open sleuf. De voorgestelde milderende maatregelen in het MER zijn volgens ons onvoldoende om te garanderen dat er geen significant negatieve effecten optreden als gevolg van de aanleg met volledige inkokering van de beken. VII-37.576-33/36 • Bij herprofilering is het niet gegarandeerd dat het substraat nog geschikt is voor beekprik of rivierdonderpad • Het is niet realistisch dat alle beekprikken op het traject gevangen worden tijdens drie electrische afvissingen omdat deze soort een ingegraven levenswijze kent • er ontstaat een tijdelijk migratieknelpunt bij aanleg in het voorjaar Omdat het IBW, in 2006 opgegaan in het INBO, in Molenbeek en Verrebeek beekprik en rivierdonderpad vingen bij recente afvissingen, is het voor die beken aangeraden om te kruisen via een persing. In Dorenbosbeek, waar beide soorten tijdens recente afvissingen niet zijn gevangen, is de voorgestelde milderende maatregel van het MER aanvaardbaar. Voor Vaanbuisbeek kan een gerichte afvissing meer duidelijkheid geven over welke milderende maatregel wenselijk is. Indien beekprik en/of rivierdonderpad voorkomen volgt uit bovenstaande redenering dat enkel een persing het uitblijven van significant negatieve effecten garandeert. Bij afwezigheid van beide soorten kan de aanleg in open sleuf met tijdelijk inbuizen van de beek gebeuren. In het goedgekeurde MER zijn gegevens van recente afvissingen niet opgenomen. Voor de Molenbeek is dit logisch omdat de meest recente afvissing pas in 2006 plaatsvond. Maar de afvissingen van de Verrebeek en Dorenbosbeek dateren van vóór het MER. Hierin is het MER dus onvolledig geweest. Het MER stelt dat, uitgaande van de structuurkwaliteit van deze beken, de rivierdonderpad waarschijnlijk niet voorkomt in deze beken. Deze conclusie blijkt op basis van beschikbare gegevens dus voorbarig en foutief te zijn". In wezen stelt voormelde studie zich kritisch op ten aanzien van de in het MER voorgestelde milderende maatregelen (voorafgaande afvissing en tijdelijke inkokering van de beken). De Raad van State kan voor de beoordeling van de doeltreffendheid van de voorgestelde milderende maatregelen niet in de plaats treden van terzake erkende deskundigen. Te dezen volstaat het vast te stellen dat de BVBA Aeolus in elk geval "ten dele" akkoord is met de MER-deskundige en dat de visies van de deskundigen uiteenlopen waar een aantal "effectenonzekerheden" al dan niet in rekening moeten worden gebracht. Met die onzekerheden toont de verzoekende partij evenwel niet aan dat de passende beoordeling van het MER waarbij wordt besloten dat de instandhoudingsdoelstellingen niet in het gedrang komen wanneer de voorgestelde maatregelen strikt worden nageleefd, kennelijk onredelijk is. Het middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 14. In haar memorie voert de tweede tussenkomende partij een bijkomend middel aan waarin wordt betoogd dat de verwerende partij haar VII-37.576-34/36 bevoegdheden te buiten is gegaan door zich in de plaats van de Vlaamse regering uit te spreken over het al dan niet bestaan van een dwingende reden van groot openbaar belang (eerste onderdeel), dat de aanleg van een gaspijpleiding niet verenigbaar is met de bepalingen van het toepasselijke gewestplan (tweede onderdeel) en dat het bestreden besluit ten onrechte de schijn opwekt dat de nieuwe gasvervoerinstallatie kan worden aangelegd terwijl voor de werken in kwestie nog een stedenbouwkundige vergunning vereist is (derde onderdeel). 15. In haar laatste memorie vraagt de tweede tussenkomende partij het aangevoerde middel te onderzoeken in de mate dat het de openbare orde raakt. Beoordeling 16. Op grond van artikel 21bis, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de tussenkomende partij ter ondersteuning van het verzoek geen andere middelen aanvoeren dan die welke in het inleidende verzoekschrift zijn uiteengezet. Met het door de tweede tussenkomende partij aangevoerde middel, dat het door de verzoekende partij vastgestelde kader van het geding duidelijk te buiten gaat, kan dan ook geen rekening worden gehouden. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomsten, begroot op 250 euro, elk voor de helft. De verzoekers in tussenkomst worden verwezen in de kosten van hun verzoek tot tussenkomst, begroot op 250 euro, elk voor de helft. VII-37.576-35/36 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een juli tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, waarnemend kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-37.576-36/36 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.333 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div