id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.334 Rolnummer: A. 179572/VII-37609 Zaak: Arrest 206334 - Energie - 01/07/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-13 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 11:20 Fiche Arrest nr 206.334 van 1 juli 2010 Economische zaken - Energie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 206.334 van 1 juli 2010 in de zaak A. 179.572/VII-37.
(96)5 genomen die bepaalt dat onbelemmerde migraties voor deze soorten mogelijk moet zijn. De Beekprik staat ook op de Rode Lijst van de op wereldschaal bedreigde soorten (UCN 1996). Een verstoring van het biotoop van dergelijke zeldzame soorten door 'het werken in open sleuf ' om met de gasleiding de beken te kruisen of het 'inkokeren van beken' zijn mijns inziens in geen geval te verantwoorden en in strijd met de wettelijke bescherming van soorten van internationaal belang. Mia Meirsschaut Licentiate biologie Broekstraat 9 9570 Deftinge' Wat de milieu-impact van het alternatief tracé betreft, komt AEOLUS in haar omstandig verslag d.d. 28 februari 2007 tot navolgende conclusie (...): VII-37.609-26/43 'Omdat het voorgestelde alternatieve tracé niet door een SBZ loopt, zijn er sensu stricto geen significante negatieve effecten verbonden. Ten opzichte van de beekprik, rivierdonderpad en de vleermuizen stellen we het volgende vast: - Ook dit tracé kruist enkele waterloopjes, hiervan zijn geen gegevens beschikbaar omtrent het voorkomen van beekprik of rivierdonderpad. Dit is een leemte die maakt dat we effecten niet kunnen uitsluiten. De kans op effecten is evenwel kleiner omdat de beekjes niet zijn aangemeld als leefgebied voor deze diersoorten. - De effecten van de aanleg van dit tracé op de vleermuizen zijn vergelijkbaar met deze van het basistracé'. (...) Gelet op voorafgaande overwegingen kan dan ook niet anders dan te worden geconcludeerd dat de realisatie van onderhavige aardgasvervoerinstallatie wel degelijk een 'betekenisvolle aantasting van de SBZ kon' veroorzaken. De Bestreden Beslissing schendt dan ook op onmiskenbare wijze artikel 36ter, §5 van het Decreet Natuurbehoud. Afsluitend wenst Verzoekende Partij ook stil te staan bij de toch enigszins opmerkelijke analyse van Verwerende Partij die wordt ontwikkeld onder randnrs. 51 tot 53 in haar memorie van antwoord d.d. 30 maart 2007. Verwerende Partij meent dat, op basis van de bepalingen van de Habitatrichtlijn, een onderscheid dient gemaakt te worden tussen de bepalingen die van toepassing zijn op de bescherming of instandhouding van zones (de zgn. speciale beschermingszones) en op de bescherming van soorten (d.w.z. de beschermde dier- en plantensoorten). Welnu, door de vaststelling dat bepaalde soorten een bijzondere bescherming genieten als individuele soort en bovendien ook aanwezig zijn binnen een speciale beschermingszone, zouden zij enkel vallen onder de beschermingsmaatregelen die voor hun individuele soort zijn voorzien, en zouden de beschermingsmaatregelen, die van toepassing zijn voor de speciale beschermingszone, niet van toepassing zijn. Of anders uitgedrukt: wanneer binnen een speciaal beschermingsgebied ook individueel beschermde soorten aanwezig zijn, zijn volgens Verwerende Partij de bepalingen van de speciale beschermingszone niet van toepassing. Zo stelt Verwerende Partij m.n. (blz. 20 - 21 van de memorie van antwoord): 'De Gewone grootoorvleermuis en de Gewone dwergvleermuis behoren tot de soorten die in bijlage IV van de Habitatrichtlijn zijn opgesomd. Bijlage III van het Decreet Natuurbehoud bevat de overeenkomstige opsomming van soorten voor Vlaanderen. De soorten uit bijlage IV van de richtlijn, in casu de Gewone grootoorvleermuis en de Gewone dwergvleermuis, vallen dus onder bescherming van de soorten door de artikelen 12 tot en met 16 van de Habitatrichtlijn maar niet onder de bescherming van de speciale beschermingszones, zoals bedoeld in artikel 6 van de Habitatrichtlijn'. (...) Welnu, het is evident dat deze argumentatie van Verwerende Partij niet kan overtuigen. Immers, een correcte toepassing van de bepalingen van de Habitatrichtlijn vereist, in dergelijk geval (d.w.z. de combinatie van een speciale beschermingszone en individueel beschermde dier- en plantensoorten) een gecumuleerde toepassing van de bepalingen van de Habitatrichtlijn, eerder dan een beperkende toepassing, zoals door Verwerende Partij voorgestaan. En met name het feit dat in de speciale beschermingszone ook individueel beschermde dier- en plantensoorten aanwezig zijn, is ongetwijfeld van aard om tot het besluit te komen dat er prima facie het vermoeden is van 'een betekenisvolle aantasting van de speciale beschermingszone'. Verwerende Partij kan trouwens ook helemaal niet worden bijgetreden in een 'omgekeerde redenering' waarbij, uitgaande van de aanwezigheid van VII-37.609-27/43 bijzondere beschermde dier- en plantensoorten in een speciale beschermingszone, de bepalingen betreffende een passende beoordeling, zoals opgenomen in artikel 6 van de Habitatrichtlijn en artikel 36ter van het Decreet Natuurbehoud, 'op geen enkele manier kunnen geschonden zijn'. Verzoekende Partij blijft dan ook van oordeel dat de Bestreden Beslissing niet gesteund is op in feite en in rechte aanvaardbare en draagkrachtige motieven". 10. In haar memorie stelt de tussenkomende partij dat de verwerende partij op grond van haar discretionaire bevoegdheid de resultaten van de passende beoordeling toetst en oordeelt of er al dan niet zekerheid bestaat dat het verlenen van de vergunning geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van het habitatrichtlijngebied zal veroorzaken, dat zulks het geval is wanneer er wetenschappelijk gezien redelijkerwijze geen twijfel bestaat dat er geen schadelijke gevolgen zijn, dat de verzoekende partij op ontoelaatbare wijze haar eigen appreciatie in de plaats stelt van deze van de vergunningverlenende overheid, dat de verzoekende partij geenszins aantoont dat de verwerende partij een kennelijk onredelijk besluit zou hebben genomen, dat de verwerende partij zich heeft laten voorlichten door deskundigen en dat de Raad van State deze voorlichting niet zelf kan overdoen, dat het MER getuigt van deskundigheid en wetenschappelijkheid, dat de door de verzoekende partij aangezochte deskundigen niet aantonen dat de conclusies van de passende beoordeling in het MER kennelijk onjuist of onredelijk zouden zijn, dat het verslag van de heer Vanderstuyf en de opmerkingen van mevrouw Meirsschaut slechts een opsomming geven van de diersoorten die in het kwestieuze gebied voorkomen en geenszins aantonen dat het project een betekenisvolle en ernstige aantasting van de natuurlijke kenmerken van het habitatrichtlijngebied zullen veroorzaken, dat voormeld verslag en opmerkingen eenzijdig zijn opgesteld en de nodige objectiviteit en wetenschappelijkheid missen, dat in het MER het voorgestelde alternatief tracé onderzocht en vergeleken is moet het basistracé, dat het traject van de geplande aardgasleiding de Sassegembeek niet kruist, dat de passende beoordeling van het MER wetenschappelijk is onderbouwd en aantoont dat er redelijkerwijze geen twijfel over bestaat dat er geen betekenisvolle aantasting te verwachten is, dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het middel in zoverre zij zich beklaagt over de mogelijke weerslag van de deeltracés 19, 22, 23, 26 en 33 die niet op haar grondgebied gelegen zijn, dat in het MER wordt vastgesteld dat er vleermuizensoorten in de omgeving van het tracé aangetroffen kunnen worden, dat het MER evenwel tegelijk duidelijk aangeeft waarom het project geen betekenisvolle nadelige invloed heeft op deze soorten, dat het doorsnijden van de bosgebieden geen betekenisvolle invloed heeft op de instandhouding van de vleermuizen, dat de gewone grootoorvleermuis en de gewone VII-37.609-28/43 dwergvleermuis niet onder de bescherming vallen van artikel 6 van de habitatrichtlijn, dat hetzelfde geldt voor de zogenaamde Rode lijst-soorten van amfibieën en reptielen, dat de tijdelijke inkokering van de Vaanbuikbeek en de Molenbeek geen significante invloed zal hebben op het habitatrichtlijngebied, dat de effecten van de tijdelijke inkokering van de Dorenbosbeek op de beekprik en de rivierdonderpad nauwkeurig zijn onderzocht in het MER, dat op grond van terreinonderzoek en wetenschappelijke literatuur werd besloten dat de ecologische impact verwaarloosbaar is, dat daarenboven milderende maatregelen werden opgelegd, dat het MER op dat punt geen tegenstrijdigheden bevat, dat het verslag van het studiebureau Aeolus evenmin bewijst dat er van een betekenisvolle aantasting van het habitatrichtlijngebied sprake is, dat ook aan de wetenschappelijkheid en objectiviteit van voormeld verslag getwijfeld kan worden omdat het werd opgemaakt voor de procesdoeleinden van de verzoekende partij, dat bedoeld verslag zelf leemtes bevat, dat de passende beoordeling van het MER aandacht heeft geschonken aan de gegevens verstrekt door overheidsinstellingen en aan de beschikbare wetenschappelijke literatuur, dat het MER wel is ingegaan op het voorkomen van vleermuizen in en rond het habitatrichtlijngebied en de mogelijke effecten heeft onderzocht van het verdwijnen van kleine landschapselementen, dat het studiebureau Aeolus de bevindingen van het MER op dat punt niet weerlegt, dat het MER het bestaan van de beekprik en de rivierdonderpad in de Dorenbosbeek, de Verrebeek en de Molenbeek bevestigt en dat de mogelijke effecten van het project op voornoemde soorten worden onderzocht. 11. In haar laatste memorie brengt de verwerende partij vooreerst in herinnering dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de arresten C-6/04 van 20 oktober 2005 en C-98/03 van 10 januari 2006 heeft geoordeeld dat voor het vereiste van een passende beoordeling van de gevolgen van een plan of project als voorwaarde geldt dat de waarschijnlijkheid of het risico bestaat dat dit plan of project significante gevolgen heeft voor het betrokken gebied, dat zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat er sprake is van gebrekkige informatie omdat het MER de meest recente gegevens in verband met afvissing niet vermeldt, blijkt dat in de passende beoordeling en de milderende maategelen van het MER in ieder geval rekening werd gehouden met de aanwezigheid van zowel de beekprik als de rivierdonderpad in de Dorenbosbeek en de Verrebeek, dat wat betreft de Molenbeek de gegevens inzake afvissing pas bekend waren na uitvoering van het MER, dat het MER wel degelijk aandacht besteedt aan het voorkomen van vleermuizen, dat slechts de ingekorven vleermuis onder de bescherming valt van artikel 6, § 3, van de habitatrichtlijn, dat het in het kader van het opstellen van het VII-37.609-29/43 MER niet mogelijk was om over te gaan tot een volledige inventarisatie van de op het tracé voorkomende soorten, dat een terreinbezoek heeft toegelaten te besluiten dat de effecten voor vleermuizen beperkt negatief zijn, dat de door de MER- deskundigen gebruikte methode om leemten in de veldgegevens aan te vullen door middel van bestaande inventarisaties en literatuur in alle redelijkheid aanvaardbaar lijkt teneinde tot passende conclusies te komen, dat hoewel de studie betreffende het "alternatief tracé via Ghislenghien" zeer laat in de MER-procedure werd overgemaakt er wel degelijk rekening mee is gehouden zoals blijkt uit het verslag van de cel Milieueffectrapportage van 30 november 2005 houdende goedkeuring van het MER, dat uit artikel 36ter, §§ 4 en 5, van het natuurbehouddecreet voorts blijkt dat slechts indien een plan of programma een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, moet blijken dat er voor de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone geen minder schadelijke alternatieve oplossingen zijn, dat door het in acht nemen van de in het MER voorgestelde maatregelen de beekprik en de rivierdonderpad slechts tijdelijk verstoord zullen worden in hun habitat, dat een zekere mate van verstoring die de instandhouding van de betrokken soorten niet in het gedrang brengt aanvaardbaar is, dat om betekenisvol te zijn de verstoring moet bijdragen tot de afname op lange termijn van de grootte van de populatie van de betrokken soort in het gebied of tot een geringe afname waardoor in vergelijking met de begintoestand de soort niet langer een levensvatbare component van de natuurlijke habitat kan blijven, dat zulks in casu niet het geval is aangezien het gaat om een tijdelijke situatie die zich na uitvoering van de vereiste werken zal herstellen, dat de discussie tussen de deskundigen onderling voornamelijk betrekking lijkt te hebben op de keuze van de milderende maatregelen (open sleuf-methode versus persing), dat de verzoekende partij geen kennelijke beoordelingsfout aantoont, dat de studie die in opdracht van de verzoekende partij werd uitgevoerd niet te allen tijde volledig objectief kan worden genoemd, dat niet alle negatieve gevolgen voor de beschermde soorten ook betekenisvol zijn in de zin van de habitatrichtlijn en het natuurbehouddecreet, dat de term betekenisvol immers betekent dat een zekere mate van verstoring aanvaardbaar wordt geacht in het licht van een aantal factoren zoals met name de specifieke bijzonderheden en milieukenmerken van het beschermde gebied en dat te dezen de instandhoudingsdoelstellingen van de habitatrichtlijn worden bereikt indien de milderende maatregelen worden nageleefd. 12. De tussenkomende partij zet in haar laatste memorie uiteen dat de verzoekende partij de Raad van State tracht te misleiden door vaak te verwijzen naar het MER waar de schadelijke milieueffecten van het project worden beschreven VII-37.609-30/43 terwijl wordt voorbijgegaan aan die passages van het MER waarin rekening wordt gehouden met de opgelegde milderende maatregelen, dat in het middel de schending wordt ingeroepen van rechtsregels die niet tot de bevoegdheid en de taak van de verwerende partij behoren maar onder de bevoegdheid en controle ressorteren van het Vlaamse Gewest, dat de bestreden vervoersvergunning geen plan of programma is in de zin van het natuurbehouddecreet en dat om die reden een MER noch een passende beoordeling nodig waren, dat het MER en de passende beoordeling evenmin voorbereidend zijn ten opzichte van de bestreden vervoersvergunning, dat geen enkele wettelijke bepaling immers een MER en een passende beoordeling vereist voor het verlenen van een vervoersvergunning, dat het bestreden besluit niet vernietigd kan worden op grond van het aangevoerde middel, dat getwijfeld moet worden aan de objectiviteit en het wetenschappelijk karakter van de verslagen van Aeolus, dat die verslagen immers werden opgesteld op vraag van de verzoekende partij met het oog op het voeren van voorliggend geding, dat het MER op basis van de kenmerken van de te kruisen beken wetenschappelijk kon oordelen dat de kruising geen probleem vormde, dat op de plaats waar de aardgasleiding de Dorenbosbeek en de Verrebeek doorkruist immers stenige materialen ontbreken waardoor de rivierdonderpad op die plaatsen niet voorkomt, dat door het uitvoeren van milderende maatregelen, zoals door rekening te houden met de trektijd van de vissen en door het voorafgaand elektrisch afvissen, een betekenisvolle aantasting kan worden vermeden, dat niet wordt aangetoond dat het werken met de open sleuf- techniek kennelijk onredelijk is, dat het MER wat betreft de vleermuizen duidelijk stelt waarom er geen betekenisvolle schade wordt veroorzaakt, dat het alternatieve tracé overigens niet minder nadelige effecten zou hebben, dat de geciteerde passages van het MER betrekking hebben op de deeltracés 19, 22, 23, 26 en 33 die niet gelegen zijn in het habitatrichtlijngebied noch op het grondgebied van de verzoekende partij, dat de gewone grootoorvleermuis en de gewone dwergvleermuis niet onder de bescherming van artikel 6 van de habitatrichtlijn vallen, dat het MER niet besluit tot een betekenisvolle aantasting die de instandhouding van de habitat van beschermde soorten in het gedrang brengt en dat het voorgestelde alternatief tracé wel degelijk werd onderzocht, maar dat het bij gebrek aan ecologische meerwaarde in vergelijking met het oorspronkelijke tracé niet kon worden aangenomen. Beoordeling 13. Artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn bepaalt wat volgt : VII-37.609-31/43 "Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden". Artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn is omgezet door artikel 36ter, §§ 3 en 4, van het natuurbehouddecreet, waarvan de tekst als volgt luidt : "§ 3. Een vergunningsplichtige activiteit die, of een plan of programma dat, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma’s, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, dient onderworpen te worden aan een passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone. De verplichting tot het uitvoeren van een passende beoordeling geldt ook indien wegens het verstrijken van de lopende vergunning van de vergunningsplichtige activiteit een nieuwe vergunning moet worden aangevraagd. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de passende beoordeling. Indien een vergunningsplichtige activiteit of een plan of programma onderworpen is aan de verplichting tot milieueffectrapportage overeenkomstig de wetgeving in uitvoering van de project-MERrichtlijn of de plan- MERrichtlijn, geschiedt de passende beoordeling in het kader van de milieueffectrapportage. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen in verband met de herkenbaarheid van de passende beoordeling in het milieueffectrapport. Indien een vergunningsplichtige activiteit of een plan of programma niet onderworpen is aan de verplichting tot milieueffectrapportage overeenkomstig de wetgeving in uitvoering van de project-MERrichtlijn of de plan- MERrichtlijn, vraagt de administratieve overheid steeds het advies van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen in verband met de inhoud en de vorm van de passende beoordeling. §4. De overheid die over een vergunningsaanvraag, een plan of programma moet beslissen, mag de vergunning slechts toestaan of het plan of programma slechts goedkeuren indien het plan of programma of de uitvoering van de activiteit geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone kan veroorzaken. De bevoegde overheid draagt er steeds zorg voor dat door het opleggen van voorwaarden er geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan ontstaan". VII-37.609-32/43 Luidens artikel 2, 40/, van het natuurbehouddecreet moet onder plan of programma verstaan worden : " een document waarin beleidsvoornemens, beleidsontwikkelingen of grootschalige overheids-, particuliere of gemengde activiteiten worden aangekondigd en dat wordt opgemaakt en vastgesteld, gewijzigd of herzien op initiatief of onder toezicht van het Vlaamse Gewest, de provincies, de intercommunales, de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en/of de gemeenten, en/of van de federale overheid of waarvoor medefinanciering voorzien is door de Europese Gemeenschap of door het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap in het kader van de internationale samenwerking, voor zover het voorgenomen plan of programma aanzienlijke milieu- of veiligheidseffecten kan hebben op het grondgebied van het Vlaamse Gewest". Aangezien met het thans bestreden besluit vergunning wordt verleend voor de oprichting en de exploitatie van een nieuwe leiding voor het vervoer van aardgas waarvan het tracé volgens de bijgevoegde plannen zich uitstrekt over het grondgebied van het Vlaamse Gewest en niet wordt betwist dat het voorgenomen project aanzienlijke milieueffecten kan hebben, inzonderheid doordat het voorgestelde tracé de speciale beschermingszone (SBZ-H) "Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse Bossen" doorkruist, is de bestreden beslissing te beschouwen als een plan of programma in de zin van het natuurbehouddecreet. De mogelijke effecten van het voorgenomen project dienen derhalve voorwerp te zijn van een zogenaamde "passende beoordeling". De habitatrichtlijn verduidelijkt niet wat onder een "passende beoordeling" moet worden verstaan. In een arrest van 7 september 2004 heeft het Hof van Justitie verduidelijkt dat de passende beoordeling van de gevolgen van een plan of project voor het betrokken gebied meebrengt dat "voordat voor dit plan of project toestemming wordt verleend, op basis van de beste wetenschappelijke kennis ter zake, alle aspecten van het plan of het project die op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten de instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied in gevaar kunnen brengen, moeten worden geïnventariseerd", dat de bevoegde nationale autoriteiten op basis van de passende beoordeling slechts toestemming geven voor de activiteit "wanneer zij de zekerheid hebben verkregen dat de activiteit geen schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied" en dat zulks het geval is "wanneer er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat er geen schadelijke gevolgen zijn" ( HvJ C-127/02, Landelijke Vereniging tot Behoud van de Waddenzee, Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Vogels v. Nederland, 2004). VII-37.609-33/43 Zowel de habitatrichtlijn als het natuurbehouddecreet stellen de instandhouding voorop van de "natuurlijke kenmerken" van de speciale beschermingszone. Luidens artikel 2, 30/, van het natuurbehouddecreet moet onder een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone verstaan worden "een aantasting die meetbare en aantoonbare gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, in de mate er meetbare en aantoonbare gevolgen zijn voor de staat van instandhouding van de soort(
- en)of de habitat(
- s)waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is aangewezen of voor de staat van instandhouding van de soort(
- en)vermeld in bijlage III van dit decreet voor zover voorkomend in de betreffende speciale beschermingszone". Uit wat voorafgaat vloeit voort dat niet elk, eventueel slechts tijdelijk, nadelig gevolg van een voorgenomen project op een speciale beschermingszone noodzakelijkerwijze strijdt met de geldende instandhoudingsdoelstellingen. Te dezen is de passende beoordeling opgenomen in het MER "Aardgasvervoerleiding Brakel-Haaltert" (november 2005) dat de NV Technum heeft opgemaakt in opdracht van de NV Fluxys. De negatieve effecten van het project op het betrokken habitatrichtlijngebied worden in het MER als volgt beschreven : "Deeltrajecten 1, 3, 6 en 16 zijn gelegen in valleigebieden van respectievelijk de Vaanbuikbeek en de Molenbeek (Vhag 5041), de Dorenbosbeek, de Verrebeek en de Broekbeek. Deeltrajecten 1 en 6 bevinden zich volgens het gewestplan in agrarisch gebied, de deeltrajecten 3 en 16 worden als landschappelijk waardevol agrarisch gebied aangeduid. De percelen die gekruist worden zijn vooral weilanden bestaande uit soortenarme permanente cultuurgraslanden en akkerlanden. Aangezien deze weilanden en akkers na de aanleg van de leiding in de oorspronkelijke staat hersteld worden en terug in landbouwgebruik komen, zijn er geen permanente effecten te verwachten. Aangezien het habitatrichtlijngebied overeenkomt met de valleigebieden van de doorkruiste beken, worden hier de grootste knelpunten verwacht. Dit geldt voornamelijk voor de Dorenbosbeek (deeltraject 3) en de Verrebeek (deeltraject 6), die bekend staat als habitatgebied voor de Beekprik en de Rivierdonderpad. De negatieve effecten die kunnen optreden door verstoring van hun habitat als gevolg van de aanleg van de leiding zijn echter beperkt. Er wordt aangenomen dat voor verschillende vissoorten, waaronder de Rivierdonderpad, een inkokering (van maximaal 70
- m)niet als een migratieknelpunt beschouwd kan worden (Knaepkens G., Bervoets L., Verheyen E. & Eens, M. 2002). De inkokering in het geval van dit project is bovendien van tijdelijke aard, waardoor de effecten voor de aanwezige vispopulaties beperkt tot verwaarloosbaar zijn. Het is bovendien onwaarschijnlijk dat de Rivierdonderpad voorkomt op de plaats waar de waterloop doorsneden wordt. De Rivierdonderpad verkiest immers eerder die delen van de waterlopen waar stenen opgehoopt worden langsheen de oever. VII-37.609-34/43 De overige waterlopen in het habitatrichtlijngebied (de Vaanbuikbeek, de Molenbeek (Vhag 5041) en de Broekbeek) zijn niet erkend als habitatgebied voor vissoorten. Uit de discipline water is gebleken dat binnen de deeltrajecten 1, 3 en 6 bemaling noodzakelijk zal zijn. De natuurwaarde op de plaats van de kruising van het tracé met het habitatrichtlijngebied in de deeltrajecten 1, 3 en 6 is echter niet van die aard dat een tijdelijke bemaling hier een blijvend effect zal veroorzaken. Voor het eerste gedeelte van deeltraject 16, dat behoort tot het habitrichtlijngebied, is het effect van bemaling niet van belang aangezien de leiding hier aangelegd wordt met een horizontaal gestuurde boring. In het eerste gedeelte van deeltraject 16 wordt over zeer korte lengte een zuidelijke uitloper van het natuurgebied 'Moenebroek' doorkruist. Dit natuurreservaat behoort bijna integraal tot het habitatrichtlijngebied 'Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen. Het perceel dat doorkruist wordt bestaat uit een rietveldje gelegen langs de N42. Voor het doorkruisen van zowel de N42 als het naastliggende perceel natuurgebied wordt gebruik gemaakt van een onderdoorpersing. Op die manier blijven de bestaande bomendreef langs de weg en het perceel met riet integraal bewaard en zijn de effecten op fauna en flora hier te verwaarlozen. Na kruising van de N42 en de percelen natuurgebied zal de leiding verder aangelegd worden in open sleuf. Dit gedeelte van deeltraject 16 behoort echter niet tot het habitatrichtlijngebied. Bijlage IV soorten In bijlage IV van de habitatrichtlijn zijn een aantal dier- en plantensoorten opgesomd die van communautair belang zijn en strikt beschermd moeten worden. In deze paragraaf wordt bekeken of er dergelijke soorten effecten zullen ondervinden ten gevolge van de aanleg van de aardgasvervoerleiding tussen Brakel en Haaltert. Welke van de bijlage IV-soorten voorkomen in de omgeving van het geplande tracé werd reeds besproken in 'Deel A5 Referentiesituatie'. Met uitzondering van een aantal vleermuizen komen er in de omgeving van het tracé geen zoogdieren voor die opgenomen werden in bijlage IV. Er zijn langsheen het tracé geen echte uitschieters bekend met betrekking tot het voorkomen van vleermuizen. Er is enkel bekend dat Gewone grootoorvleermuis en Gewone dwergvleermuis in de omgeving van het tracé aangetroffen kunnen worden, deze soorten behoren tot bijlage IV. Op minder dan 3 km ten noorden van UTM5-hok ES52B is een kolonie van Ingekorven vleermuis gekend. Vermits deze soort tot 15 km van de kolonie gaat jagen is het niet uitgesloten dat het tracé van de leiding zich in de jachtgebieden bevindt. Vleermuizen stellen verschillende eisen aan hun milieu naargelang de soort. Dood hout, oude bomen en kleine landschapselementen zijn voor vleermuizen ecologisch gezien zeer waardevol. Open ruimten vormen een aanzienlijke barrière voor de verschillende soorten vleermuizen en worden zelden overgestoken. Het project geeft geen aanleiding tot het ontstaan van brede open ruimten. De strook die vrijgehouden wordt van diepwortelende beplanting vormt bijgevolg geen barrière voor vleermuizen. De vegetatie die plaatselijk verwijderd moet worden, betreft veelal een jonge vegetatie die van minder belang is voor vleermuizen. De aanleg van de geplande gasleiding doorsnijdt enkele bosgebieden (deeltrajecten 19, 22, 23, 26, 33 en 34). Het gaat hier om kleinere bosgebieden die nu al sterk geïsoleerd liggen. Verdere versnippering door de aanleg van de gasleiding zou een negatieve invloed kunnen hebben op het voorkomen van de Gewone grootoorvleermuis, de Gewone dwergvleermuis en de Ingekorven vleermuis. Voor amfibieën en reptielen zijn er in de omgeving van de geplande gasleiding geen specifieke belangrijke plaatsen aangeduid. In de nabijheid van het volledige tracé kunnen de volgende soorten worden waargenomen: Gewone pad, Alpenwatersalamander, Kleine watersalamander, Groene kikker, Bruine VII-37.609-35/43 kikker, Vuursalamander, Hazelworm, Levendbarende hagedis en Vinpootsalamander. De laatste drie soorten zijn zeldzame Rode lijst-soorten. Vuursalamander heeft de status 'kwetsbaar'. De overige soorten zijn momenteel niet bedreigd. In de buurt van het geplande tracé worden geen amfibieën- of reptielensoorten waargenomen die behoren tot bijlage IV. Aangezien er geen bijzondere habitats voor amfibieën of reptielen voorkomen in de nabijheid van het tracé, kan men stellen dat voorgenoemde soorten geen significante negatieve effecten zullen ondervinden ten gevolgde van het project". Het MER stelt een aantal "mitigerende of milderende maatregelen" voor die specifiek met betrekking tot het doorkruisen van de speciale beschermingszones (deeltrajecten 1, 3, 6 en 16) het volgende inhouden : "Deeltraject 1 bevindt zich in agrarisch gebied, waarbij de geplande aardgasleiding voornamelijk ecologisch minder waardevolle vochtige weilanden doorkruist. Ter hoogte van de kruising met de vallei van de Vaanbuikbeek en de Molenbeek (Vhag 5041) behoort deeltraject 1 echter tot het habitatrichtlijngebied 'Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen'. Voor de aanleg van de geplande leiding zullen deze waterlopen enkele weken over een lengte van 30 m ingekokerd worden. Om het habitatrichtlijngebied zo min mogelijk te schaden wordt voorgesteld om de waterlopen na aanleg van de gasleiding zo vlug mogelijk zorgvuldig te herprofileren en in de oorspronkelijke staat weer aan te leggen. Deeltrajecten 3 en 6 bevinden zich respectievelijk in het valleigebied van de Dorenbosbeek en de Verrebeek. De kruising met deze twee beken vormen knelpunten binnen deze deeltracés. Belde waterlopen staan immers bekend als habitatgebied voor de Beekprik en de Rivierdonderpad. Het doorkruisen van de Dorenbosbeek en de Verrebeek heeft tot gevolg dat de waterlopen voor enkele weken over een afstand van 30 m zullen ingekokerd worden. De Dorenbosbeek staat bekend als habitat voor de Beekprik en de Rivierdonderpad. Het doorkruisen van de Dorenbosbeek via de 'open sleuf' methode, houdt in dat de Dorenbosbeek voor ongeveer 10 weken over een afstand van 30 m ingekokerd zal worden. Aangezien de voortplantingstrek bij de Beekprik tijdens het voorjaar (april tot juni, afhankelijk van de temperatuur) plaatsvindt, is het aangewezen tijdens deze periode iedere verstoring van de waterloop te vermijden. Wanneer de kruising van de waterlopen in de planning voorzien wordt in de periode vanaf maart tot einde juli, wordt door het Instituut voor Natuurbehoud aangeraden om de beek voor de inkokering elektrisch af te vissen en de gevangen vissen en rondbekken elders in de beek terug vrij te laten. Vermits de beekprik een moeilijk vangbare soort is, zal men minimaal drie elektrische bevissingen moeten uitvoeren alvorens over te gaan tot de inkokering. Men zal over een afstand van 100 m afvissingen uitvoeren. Op die manier kunnen de beekpriklarven uit het slib gevist worden. Buiten de voortplantingsperiode moeten enkel afvissingen gebeuren ter hoogte van de eigenlijke inkokering met het oog op beekpriklarven. Wanneer het kruisen van de waterloop aanvangt in de periode tussen augustus en februari, kan de inkokering gelijktijdig met het verloop van de werf plaatsvinden. De inkokering mag geen verval van meer dan 5 cm veroorzaken. Om de invloed van de inkokering op de structuurkwaliteit van de waterloop te minimaliseren moet deze na afloop van de werken zo vlug mogelijk zorgvuldig geherprofileerd worden. Aangezien de oeverbegroeiing ter hoogte van de kruising slecht ontwikkeld is en snel tot herstel kan komen en wanneer de milderende maatregelen strikt VII-37.609-36/43 uitgevoerd worden, wordt het niet noodzakelijk geacht om hier een uitvoeringsalternatief te verkiezen. Voor het uitvoeren van de elektrische afvissingen zal Fluxys contact opnemen met het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer. In deeltraject 16 wordt het valleigebied van de Broekbeek (in het begin van het tracé) aangeduid als habitatrichtlijngebied. Hier doorkruist de geplande aardgasleiding enkele percelen die een zuidelijke uitloper vormen van het meer noordelijk gelegen natuurgebied 'Moenebroek'. Aangezien hier gebruik wordt gemaakt van een horizontaal gestuurde boring zijn de effecten voor de discipline fauna en flora te verwaarlozen en moeten geen bijkomende milderende maatregelen worden voorgesteld". Met betrekking tot de passende beoordeling concludeert het MER : "Het hoofddoel van de Europese richtlijnen is het behoud van de biologische diversiteit. Elke lidstaat dient bijgevolg voorzorgsmaatregelen in acht te nemen om significante achteruitgang en verstoring in de speciale beschermingszones te vermijden. Activiteiten in habitat- en vogelrichtlijngebieden blijven echter mogelijk op voorwaarde dat het einddoel met name het waarborgen van de handhaving en het herstel van natuurlijke habitattypen en soorten van communautair belang, niet geschaad wordt. Met betrekking tot het voorliggende project kan gesteld worden dat, op voorwaarde dat bij de aanleg van de aardgasleiding de voorgestelde milderende maatregelen strikt toegepast worden, de effecten op de speciale beschermingszones niet van die aard zijn dat de betreffende instandhoudingsdoelstellingen in het gedrang komen". De cel Milieueffectrapportage van de afdeling Algemeen Milieu- en Natuurbeleid heeft het MER op 30 november 2005 goedgekeurd. In het goedkeuringsverslag schrijft de cel MER onder meer : "Bij 'fauna-flora' worden volgens de relevantie de 34 deelgebieden van het tracé beschreven met aandacht voor de passages van VEN- en Habitatrichtlijngebied en de beekvalleien" (p. 6), "De passende beoordeling wordt ruimschoots ingevuld ook met aandacht voor de Bijlage IV soorten. De beekprik en de rivierdonderpad krijgen speciale aandacht waarbij de nodige maatregelen in de beekvalleien worden voorgesteld voor deeltrajecten 1, 3, 6 en 16" (p. 7) en "De milderende maatregelen worden op de afzonderlijke kaart 10 samengebracht. Aandacht gaat dus naar werkstrookversmalling, herstel en compensatie van aanplantingen, kleinschalige landschapselementen en de boscompensatie, beekherstel en voorafgaandelijke afvissing" (p. 8). De verzoekende partij betwist op meerdere punten de deugdelijkheid van het MER en daarmee ook de deugdelijkheid van de passende beoordeling zoals voorgeschreven door de habitatrichtlijn en het natuurbehouddecreet. VII-37.609-37/43 De Raad van State kan, in het kader van zijn wettigheidstoezicht, zijn beoordeling op het punt van de intrinsieke degelijkheid van een MER niet in de plaats stellen van die van de cel MER. Het wettigheidstoezicht van de Raad van State beperkt zich in de eerste plaats tot een controle van de juistheid van de feitelijke uitgangspunten van het MER en van de volledigheid van de in aanmerking genomen gegevens rekening houdend met de doelstelling van het MER. Voorts vermag de Raad van State ook na te gaan of het bestuur binnen de perken van de redelijkheid tot zijn passende beoordeling is kunnen komen. In het inleidend verzoekschrift poneert de verzoekende partij dat het MER "kennelijk te oppervlakkig en kennelijk te weinig wetenschappelijk onderbouwd" is. Ter adstructie van het middel verwijst de verzoekende partij onder meer naar een schrijven van 23 augustus 2005 van de voorzitter van de milieuraad van de gemeente Brakel alsook naar een verklaring van een licentiate biologie. Met voormeld schrijven en voormelde verklaring, waarvan de inhoud zich in wezen beperkt tot het kwalificeren van de bronbeken van de bovenloop van de Zwalm als biologisch zeer waardevol onder meer wegens de aanwezigheid van een aantal beschermde vissoorten, toont de verzoekende partij niet aan dat het MER, waarin het biologisch waardevol karakter van het betrokken gebied niet wordt betwist en de aanwezigheid van beschermde vissoorten uitdrukkelijk wordt bevestigd, volledig voorbij is gegaan aan de instand- houdingsdoelstellingen van het natuurbehouddecreet, laat staan dat de erin vervatte passende beoordeling, die het nemen van een aantal milderende maatregelen vooropstelt, kennelijk onredelijk is. De verzoekende partij verwijst tevens naar de inhoud van een zogenaamd "spoedadvies" van 31 oktober 2006 waarin de projectleiders Natuur/Mer van de BVBA Aeolus onder meer het volgende verklaren : "De passende beoordeling vertoont een aantal gebreken. Tegelijkertijd dient gesteld dat desalniettemin de passende beoordeling grosso modo voldoet aan de Vlaamse normen voor de opmaak er