id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.344 Rolnummer: A. 196246/IX-6776 Zaak: Arrest 206344 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 01/07/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-08 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 11:24 Fiche Arrest nr 206.344 van 1 juli 2010 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 206.344 van 1 juli 2010 in de zaak A. 196.246/IX-6776 In zake : Vera VRANCKEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Iris Exelmans kantoor houdend te Diest Schellekensberg 28 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de Politiezone HASSELT - ZONHOVEN - DIEPENBEEK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hugo Lamon kantoor houdend te Hasselt de Schiervellaan 23 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 7 april 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het politiecollege van de politiezone HAZODI van 8 februari 2010 waarbij Vera Vrancken wordt ontheven uit haar functie van politiesecretaris en hoofd administratie en waarbij zij de functie van adviseur integraal veiligheidsbeleid van de PZ HAZODI wordt toegewezen. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 juni
- Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. IX-6776-1/8 Advocaat Iris Exelmans, die verschijnt voor de verzoekster, en advocaat Hugo Lamon, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekster is statutair ambtenaar niveau A (CaLog-personeel) bij de lokale politiezone Hasselt, Zonhoven en Diepenbeek (hierna: de politiezone HAZODI). Overeenkomstig het in 2005 goedgekeurd organogram is zij politiesecre- taris en hoofd van de administratie. 3.
- Vanaf september 2008 worden er in de Zonale Veiligheidsraad besprekingen gevoerd in verband met de optimale bedrijfsvoering van de politie- dienst door middel van onder meer het EFQM-managementsmodel. De implementa- tie van dit managementsmodel in april 2009 heeft tot gevolg dat de verzoekster een aantal verantwoordelijkheden verliest; aan haar verloning wordt evenwel niet geraakt. De verzoekster heeft tegen de wijziging van het organogram geen beroep tot nietigverklaring ingediend. 3.
- In de loop van 2009 wordt gewerkt aan bijkomende aanpassingen van het organogram. De verzoekster is als politiesecretaris op de hoogte van de op til zijnde wijzigingen. Op 12 november 2009 beslist zij, ter vrijwaring van haar bestaande arbeidssituatie, om in toepassing van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, klacht in te dienen wegens pesterijen. Overeenkomstig artikel 32tredecies van die wet mag de werkgever de arbeidsverhoudingen en de arbeidsvoorwaarden van de werknemer die een klacht heeft ingediend niet eenzijdig wijzigen. 3.
- Op 16 november 2009 keurt het politiecollege het aangepaste organogram goed. Op 17 december 2009, na syndicaal overleg, keurt de politieraad, een gewijzigd organogram goed. Tevens wordt beslist om het nieuwe organogram IX-6776-2/8 onmiddellijk te implementeren. Het politiecollege beslist daarop om haar eerdere beslissing van 16 november 2009 in te trekken. In het aangepaste organogram behoudt de verzoekster haar functie van politiesecretaris. Zij is evenwel niet langer hoofd van de administratie. 3.
- Intussen had het NSPV op 18 november 2009 een schrijven aan de voorzitter van het politiecollege gericht waarin onder meer wordt gesteld dat de arbeidsvoorwaarden van de verzoekster in strijd met artikel 32tredecies van de wet van 4 augustus 1996 worden gewijzigd en waarbij tevens wordt gevraagd de verzoekster “opnieuw tewerk te stellen onder de voorwaarden die bestonden voor de feiten die tot de klacht aanleiding hebben gegeven”. De feiten die tot de klacht hebben aanleiding gegeven worden in de brief verduidelijkt met een verwijzing naar de klacht die de verzoekster op 12 november 2009 heeft ingediend tegen haar korpschef wegens pesterijen op het werk. In de brief wordt onder meer het volgende gesteld: “In die klacht reikt Mevr. Vrancken diverse elementen aan op basis waarvan zij oordeelt dat haar korpschef de normale uitoefening van haar gezag en haar bevoegdheden probeert te ondermijnen via pesterijen. Deze pesterijen zouden rechtstreeks verband houden met het lopend opsporingsonderzoek lastens de korpschef onder leiding van het ambt van de Procureur des Koning te Hasselt en het gevolg zijn van een verklaring afgelegd door Mevr. Vrancken in het kader van dat onderzoek. De inhoud van die verklaring zou de korpschef niet toelaten zich vrij te pleiten van mogelijke onregelmatigheden van strafrechtelij- ke of deontologische aard terwijl de korpschef dat ogenschijnlijk had verhoopt. Het nieuwe organogram met de ontneming van al haar bevoegdheden dient zich aldus aan als het sluitstuk van de pesterijen waarbij mevr. Vrancken, zoals de korpschef haar al had laten aanvoelen, volledig buiten spel wordt gezet.” Op 17 december 2009 antwoordt de verwerende partij aan het NSPV en zet zij uiteen waarom zij niet kan ingaan op het verzoek om de verzoekster opnieuw te werk te stellen onder de vroegere voorwaarden. Zij motiveert dit als volgt: “De wijzigingen zijn het gevolg van een maatregel genomen in het belang van de dienst en viseren dus geenszins uw mandante. Het is dan ook evident dat ze geen enkel verband hebben met de klachten die uw mandante heeft geformuleerd op grond van de wet van 4 augustus [1996]. Ze zijn enkel het gevolg van de implementering van een organogram dat reeds lang binnen de PZ Hazodi werd voorbereid. Uw mandante is er dan ook toe gehouden op een loyale manier uitvoering te geven aan de beslissing van de politieraad inzake het nieuwe organogram.” IX-6776-3/8 3.
- Ingevolge de herhaaldelijke ziekte van de verzoekster en omdat zij er niet in slaagt de verslagen van de politieraad van november en december 2009 te finaliseren, beslist de korpschef op 11 januari 2010 bij wege van maatregel van inwendige orde om de verzoekster met onmiddellijke ingang tijdelijk uit haar functie van politiesecretaris te ontheffen en dit tot 31 januari 2010, behoudens verlenging ingevolge de medische toestand van de verzoekster. De verzoekster heeft ook deze beslissing niet middels een annulatieberoep bestreden. 3.
- Op 15 januari 2010 maakt de verzoekster een procedure aanhangig bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank. Op de zitting van 27 januari 2010 wordt overeengekomen dat het politiecollege met de verzoekster overleg zal plegen, waarbij de maatregelen van inwendige orde geëvalueerd zullen worden teneinde haar een passende taak te geven. Te dien einde hoort het politiecollege op 8 februari 2010 de verzoekster, samen met haar raadsman en een vertegenwoordiger van het NSPV. Dezelfde dag beslist het politiecollege, bij wege van maatregel van inwendige orde, om de verzoekster met onmiddellijke ingang tijdelijk te ontheffen van haar functie van politiesecretaris en dit tot de door de verzoekster geïnitieerde procedures, onder meer deze op grond van de wet van 4 augustus 1996, zijn afgelopen. Voor de duur van deze maatregel wordt de verzoekster aangesteld als adviseur integraal veiligheidsbeleid van de politiezone. Dit is de bestreden beslissing. Zij steunt onder meer op volgende motieven: “Overwegende dat er onderlinge spanningen zijn binnen het korps van de PZ HAZODI, hetgeen overigens ook door Mevr. Vera VRANCKEN wordt toegegeven; Dat het in het belang van de goede werking van de dienst is en ter vrijwaring van de continuïteit en de efficiënte werking dat er voorlopige maatregelen worden genomen teneinde de werksfeer niet verder te verzieken en de politiedienst in staat te stellen zich prioritair bezig te houden met de belangrijke maatschappelijke taken van de politie; Dat er thans een ongezonde animositeit is die maakt dat de goede werking van de dienst in het gedrang wordt gebracht; Dat in afwachting van het resultaat van de procedures die door Mevr. Vera VRANCKEN werden geïnitieerd of waaraan ze refereert en die volgens haar het normale functioneren bij de PZ HAZODI onmogelijk maken, het noodzake- lijk is om een tijdelijke maatregel te nemen in het belang van de goede werking van de dienst; Dat het politiecollege van oordeel is dat een tijdelijke maatregel zich opdringt, zonder dat dit als een uiting van afkeuring en/of aanmaning opzichtens Mevr. Vera VRANCKEN kan worden beschouwd; IX-6776-4/8 Dat, in het kader van de contouren die door de arbeidsrechtbank op de zitting van 27 januari 2010 zijn geschetst, het politiecollege wil bijdragen tot het aanreiken van oplossingen voor de situatie die thans dreigt te escaleren, waarbij het noodzakelijk is dat Mevr. Vera VRANCKEN tijdelijk met een andere opdracht wordt belast die overeenstemt met haar functieniveau (niveau A); Dat de functie die zij tijdelijk zal dienen te vervullen van groot belang is voor de politiezone en kadert in de noodzakelijke wisselwerking tussen de politiewne en de administratie met het oog op een integraal veiligheidsbeleid en wisselwerking tussen politie- en preventiediensten.” IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep
- In haar verzoekschrift maakt de verzoekster de beslissing van het politiecollege van de politiezone HAZODI van 8 februari 2010 “waarbij zij wordt ontheven uit haar functie van politiesecretaris en waarbij zij uit haar functie hoofd administratie wordt ontheven en waarbij zij de functie van adviseur integraal veiligheidsbeleid van de PZ HAZODI wordt toegewezen” tot het voorwerp van het beroep. Te dezen moet worden vastgesteld dat de beslissing van 8 februari 2010 enkel de tijdelijke ontheffing van de verzoekster uit haar functie van politiesecretaris als voorwerp heeft en niet de ontheffing uit haar functie van hoofd van de administratie. Het voorwerp van het onderhavig beroep is dan ook beperkt tot de beslissing van 8 februari 2010 waarbij de verzoekster uit haar functie van politiesecretaris ontheven wordt. V. Onderzoek van de vordering
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. IX-6776-5/8 Moeilijk te herstellen ernstig nadeel Standpunt van de partijen
- Met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel zet de verzoekster uiteen dat de bestreden beslissing haar zowel financieel als emotioneel treft. Op financieel vlak wijst zij erop dat haar mandaattoelage stopgezet werd. Op emotioneel vlak voert zij aan dat de bestreden beslissing haar psychische toestand ondermijnt en dat “de kans [bestaat] dat zij in een slecht daglicht wordt geplaatst omdat de korpschef rondroddelde dat verzoekster haar werk niet naar behoren zou doen en voor buitenstaanders het erop zou lijken dat de korpschef daarin gelijk heeft gehad”. Volgens de verzoekster is deze schade niet enkel te herstellen door middel van schadevergoeding.
- De verwerende partij antwoordt dat een financieel nadeel geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel is aangezien het bij een eventuele vernietiging via een schadevergoedingsvordering kan worden goedgemaakt. Waar de verzoekster stelt dat haar psychische toestand door de bestreden beslissing wordt ondermijnd, merkt de verwerende partij op dat de verzoekster verzuimt om op een concrete en precieze wijze uit te leggen waarin het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat zij ondergaat precies gelegen is aangezien zij zich beperkt tot een vage, niet gestaafde bewering. Waar de verzoekster stelt dat “de kans bestaat dat zij in een slecht daglicht wordt geplaatst omdat de korpschef rondroddelde dat verzoekster haar werk niet naar behoren zou doen en voor buitenstaanders het erop zou lijken dat de korpschef daarin gelijk heeft gehad” repliceert de verwerende partij dat de verzoekster zelf aangeeft dat het vermeende nadeel voortvloeit uit “roddels” en niet het gevolg is van de bestreden beslissing. Bovendien bewijst de verzoekster niet dat dergelijke “roddels” verspreid zouden zijn. Beoordeling
- In de huidige stand van de procedure en op basis van de gegevens in het dossier zijn er geen aanwijzingen dat de bestreden beslissing ten onrechte als een maatregel van inwendige orde gekwalificeerd wordt. De verzoekster ontkent niet dat er spanningen zijn tussen haar en de korpschef. Zij heeft immers een procedure ingeleid voor de voorzitter van de arbeidsrechtbank in het kader van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de IX-6776-6/8 uitvoering van hun werk omwille van vermeende pesterijen door de korpschef. In die context lijkt het niet kennelijk onredelijk dat de verwerende partij ervoor geopteerd heeft om de verzoekster tijdelijk -dit is in afwachting van een eindbeslis- sing in de procedure voor de arbeidsrechtbank- uit haar functie van politiesecretaris te ontheffen, en dit in het belang van de dienst. De bestreden beslissing stelt in dat verband expliciet dat de maatregel geen uiting van afkeuring en/of aanmaning ten opzichte van de verzoekster inhoudt. Het is in die context dat het door de verzoek- ster aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel beoordeeld dient te worden.
- Waar de verzoekster het moeilijk te herstellen ernstig nadeel op financieel vlak situeert moet vooreerst worden vastgesteld dit financieel nadeel geenszins concreet becijferd wordt zodat niet kan nagegaan worden in hoeverre dit nadeel ernstig en moeilijk te herstellen zou zijn. Bovendien is een financieel nadeel in beginsel niet moeilijk te herstellen, tenzij de verzoeker met concrete gegevens aantoont dat dit nadeel niet hersteld zou kunnen worden na een eventueel vernietigingsarrest. Te dezen brengt de verzoekster evenwel geen dergelijke gegevens aan.
- Waar de verzoekster aanvoert dat zij ingevolge de tenuitvoerleg- ging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaat doordat haar “psychische toestand er door ondermijnd wordt”, moet worden vastgesteld dat zij dit geenszins staaft. Een verzoeker dient in zijn verzoekschrift duidelijk en concreet aan te geven waarom de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing hem een nadeel dreigt te berokkenen dat ernstig is en moeilijk te herstellen. Hij mag zich niet beperken tot algemeenheden of vage stellingnames, maar moet zeer concreet het bestaan van het nadeel en het ernstig en moeilijk te herstellen karakter ervan omschrijven. Nu de verzoekster geen verdere uitleg aangaande de ondermijning van haar psychische toestand geeft kan dit niet in aanmerking genomen worden. Bovendien is een moreel nadeel in beginsel herstelbaar tenzij de verzoeker met concrete gegevens aantoont dat dit nadeel niet hersteld zou kunnen worden met een eventueel vernietigingsarrest. Te dezen brengt de verzoekster evenwel geen dergelijke gegevens aan. Dit klemt des te meer nu de bestreden beslissing expliciet stelt dat zij niet als een afkeuring of aanmaning van de verzoekster mag beschouwd worden. IX-6776-7/8
- In de mate dat de verzoekster het moeilijk te herstellen ernstig nadeel ook steunt op de verwijzing naar de mogelijke verkeerde perceptie van de bestreden beslissing door de buitenwereld wegens roddels van de korpschef, moet vooreerst vastgesteld worden dat de verzoekster terzake geen concrete elementen aanbrengt die het bestaan van de beweerde perceptie onderbouwt. Het nadeel is aldus te hypothetisch om als moeilijk te herstellen en ernstig te worden omschreven. Evenmin vloeit dit nadeel rechtstreeks voort uit de bestreden beslissing, vermits daarin expliciet gesteld wordt dat de maatregel niet als een afkeuring of aanmaning van de verzoekster mag beschouwd worden.
- Het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel wordt niet aangetoond. Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 1 juli 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6776-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.344 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.217.726 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.