id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.346 Rolnummer: A. 196272/IX-6777 Zaak: Arrest 206346 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 01/07/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-08 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 11:25 Fiche Arrest nr 206.346 van 1 juli 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 206.346 van 1 juli 2010 in de zaak A. 196.272/IX-6777 In zake: Koenraad WOUTERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koenraad Maenhout kantoor houdend te Deurne Ergo de Waellaan 3 bus 12 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGS/DSJ gevestigd te Brussel Fritz Toussaintstraat 8 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 22 april 2010, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de directrice van de Nationale Rechercheschool waarbij wordt gesteld dat Koenraad Wouters niet voldoet aan de voorwaarden om het brevet van de functionele gerechtelijke opleiding te verkrijgen. De verzoeker heeft ook de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit gevorderd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, en over de vordering tot schorsing met IX-6777-1/7 toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 juni
- Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitgebracht. Advocaat Koenraad Maenhout, die verschijnt voor de verzoeker, en adviseur Kirsten Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker is met ingang van 1 september 2007 benoemd in het ambt van hoofdinspecteur van politie. Hij is tewerkgesteld bij de dienst individuele onderzoeken van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie. 3.
- De verzoeker neemt, met het oog op het behalen van een brevet, deel aan de “functionele opleiding gerechtelijke politie”. Hij heeft dat brevet nodig om de functie waarin hij benoemd werd te kunnen uitoefenen. 3.
- Met een brief van 16 februari 2010 deelt de directrice van de Nationale Rechercheschool aan de inspecteur-generaal van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie het volgende mee: “In het kader van de ‘Functionele gerechtelijke opleiding’ (FGO) heeft uw personeelslid: De heer hoofdinspecteur Koenraad WOUTERS deelgenomen aan de 15e sessie die plaatsvond van 30 maart tot en met 26 juni 2009 (erkenningsdossier AC/2871). IX-6777-2/7 De betrokkene is geslaagd in het examen, maar op basis van de gegevens die wij momenteel in ons bezit hebben, voldoet dit personeelslid niet aan de nodige voorwaarden om het brevet van deze opleiding te verkrijgen (aangewezen zijn bij mobiliteit in een recherchedienst). Conform de hierboven vermelde nota’s, zal hoofdinspecteur Koenraad WOUTERS het brevet toegestuurd krijgen van zodra hij bij mobiliteit wordt aangewezen voor een functie: - in een centrale gerechtelijke directie; - in een gerechtelijk deel van een arrondissementeel informatiekruispunt; - in een FGP; - in een lokale recherchedienst. Deze nota geldt niet als een recherchebrevet. Mag ik u vragen de betrokkene in te lichten?” Dit is het bestreden besluit. IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker voert de schending aan van artikel 142sexies, laatste lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politie gestructureerd op twee niveaus (hierna: WGP) en van artikel 39 van de wet van 15 mei 2007 op de algemene inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten (hierna: de wet op de Algemene Inspectie). Hij doet gelden dat krachtens artikel 142sexies, laatste lid, WGP, de cursisten die slagen in een opleiding, een brevet behalen en dat de regering aan die bepaling geen voorwaarden kan koppelen. Artikel 39 van de wet op de Algemene Inspectie, waarin bepaald is dat de personeelsleden die op datum van het in voege treden van de wet deel uitmaken van de Algemene Inspectie gelijkgesteld worden met de titularissen van het brevet van onderzoeker, verkregen na de functionele opleiding in gerechtelijke politie, impliceert dat de personeelsleden die later in dienst van de Algemene Inspectie gekomen zijn -zoals hij- wél over dat brevet moeten beschikken. Hij is geslaagd in de opleiding en het brevet moest hem dan ook uitgereikt worden.
- De verwerende partij antwoordt dat de verzoeker de functionele gerechtelijke opleiding heeft mogen volgen, maar dat dit slechts een “gunst van de overheid” was. Zij argumenteert dat artikel I.I.1, 27/, van het koninklijk besluit van IX-6777-3/7 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna: RPPol), bepaalt dat een functionele opleiding ertoe strekt om bepaalde personeelsleden bijzondere beroepsbekwaamheden bij te brengen, zodat zij in staat zijn om gespecialiseerde opdrachten te volbrengen. In bijlage 19 van het RPPol wordt een limitatieve opsomming gegeven van de gespecialiseerde betrekkingen en van de betrekkingen waarvoor een bijzondere bekwaamheid vereist is, maar de betrekking van de verzoeker bij de algemene inspectie is niet opgenomen in die bijlage. Voorts volgt uit punt 1 van die bijlage 19 en uit de bijlage bij het koninklijk besluit van 3 december 2005 betreffende de functionele opleidingen van de personeelsleden van de politiediensten dat de functionele opleiding gerechtelijke politie gekoppeld is aan de uitoefening van een betrekking binnen een recherchedienst in de federale of de lokale politie. Artikel 4, derde lid, van het koninklijk besluit van 3 december 2005 bepaalt dat er per functionele opleiding een referentie-erkenningsdossier moet worden opgesteld dat bepaalde statutaire elementen moet bevatten, onder meer het omschrijven van het doelpubliek van de opleiding. Voor de functionele opleiding gerechtelijke politie werd als doelgroep aangewezen: “bij mobiliteit aangewezen zijn om een functie uit te oefenen in de centrale directies van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, van het gerechtelijk deel van een arrondissementeel informatiekruispunt, van een arrondissementele gerechtelijke dienst of een lokale recherchedienst voor zover dat die betrekking in de personeelsformatie is voorzien”. De verzoeker valt daar niet onder en kon de opleiding dan ook niet volgen. Artikel 39 van de wet op de Algemene Inspectie bepaalt niet dat het brevet moet verleend worden aan alle personeelsleden die bij de Algemene Inspectie werken, meer bepaald aan hen die na 17 juni 2007 in dienst getreden zijn zoals de verzoeker; hij kan derhalve ook op basis van die overgangsbepaling niet beschouwd worden als titularis van het brevet. De verwerende partij benadrukt voorts nog dat de verzoeker de opleiding als gunstmaatregel heeft mogen volgen omdat er plaatsen beschikbaar waren en dat hij het brevet zal verwerven op het ogenblik dat hij bij mobiliteit wordt aangewezen in een recherchedienst. Beoordeling
- Artikel 142sexies, laatste lid, WGP bepaalt: “De cursisten die slagen voor een cyclus van functionele opleiding behalen een brevet, uitgereikt door de betrokken politieschool en gehomologeerd door de minister van Binnenlandse Zaken.” IX-6777-4/7 Deze bepaling beperkt het behalen van het brevet voor de functionele opleiding in gerechtelijke politie niet tot de personeelsleden die bij mobiliteit in een recherchedienst aangewezen zijn.
- De verwerende partij leest die beperking in nota’s van de directie van de juridische dienst, het contentieux en de statuten van de federale politie. Daarbij wordt, zoals in de nota van de verwerende partij, in hoofdzaak uitgegaan van de bijlage 19 van het RPPol waarin de lijsten opgenomen zijn van de gespecialiseerde betrekkingen en van de betrekkingen waarvoor een bijzondere bekwaamheid vereist wordt. In die bijlage 19 staat de betrekking van de verzoeker-hoofd- inspecteur bij de dienst individuele onderzoeken van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie- inderdaad niet vermeld.
- Artikel 39 van de wet op de Algemene Inspectie bepaalt: “De politiepersoneelsleden die op datum van het in voege treden van deze wet deel uitmaken van de Algemene Inspectie of van de dienst Enquêtes van het Vast Comité P, worden gelijkgesteld met de titularissen van het brevet van onderzoeker dat bekomen wordt na de functionele opleiding in gerechtelijke politie zoals bedoeld in de punten 1.1, 1.1.1., 1.1.
- en 1.1.
- van de bijlage aan het koninklijk besluit van 3 december 2005 betreffende de functionele opleidingen van de personeelsleden van de politiediensten.” In de parlementaire stukken is daaromtrent de volgende verduidelijking genoteerd: “Het is vereist dat de toekomstige personeelsleden op termijn houder moeten zijn van het recherchebrevet bedoeld in het Koninklijk Besluit van 3 december 2005 betreffende de functionele opleidingen van de personeelsleden van de politiediensten. Voor wat betreft de Algemene Inspectie, regelt de minister de modaliteiten. De Inspecteur-generaal en de voorzitter van het Comité P stellen -elk wat hen betreft- het functieprofiel in die zin op. Deze vereiste komt tegemoet aan de nood aan polyvalentie en kwaliteit. De nood doet zich eveneens voelen door het feit dat een aantal politiemensen die door de Algemene Inspectie en het Comité P gehoord worden, titularis zijn van ditzelfde brevet. De polyvalentie vereist uiteindelijk dat de diverse opdrachten van de Algemene Inspectie en het Comité P, indien nodig, kunnen uitgevoerd worden door eender welk lid van het politiepersoneel van de Algemene Inspectie en de leden van de dienst enquêtes P.” (Parl.St. Kamer, 2006-2007, doc. 51-2947/002, p. 35). IX-6777-5/7 De wetgever is derhalve van oordeel dat de politiepersoneelsleden die werkzaam zijn bij de algemene inspectie, over een zogenaamd “recherchebrevet” moeten beschikken. De personeelsleden die op 15 juni 2007 - datum van inwerkingtreding van de wet op de Algemene Inspectie- deel uitmaakten van de algemene inspectie, worden gelijkgesteld met de titularissen van het recherchebrevet, maar de personeelsleden in dienst gekomen na 15 juni 2007 -zoals de verzoeker- zullen dat brevet wel moeten behalen; zij moeten de functionele opleiding gerechtelijke politie wél doorlopen.
- Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 2008/180 van 11 december 2008 over het vermeld artikel 39 het volgende standpunt ingenomen: “B.19.
- Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever wou vermijden dat personeelsleden van de Algemene Inspectie een onderzoek zouden moeten verrichten naar leden van de federale of lokale politie zonder over een gelijkwaardige graad te beschikken als die personen (zie Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2947/002, p. 29). In zoverre het bestreden artikel 39 beoogt te vermijden dat personeelsleden van de Algemene Inspectie personen horen die houder zijn van het brevet van onderzoeker, zonder zelf over dat brevet te beschikken, is het ingegeven door dezelfde bezorgdheid. B.
- Vermits de bestreden bepaling enkel geldt voor de politiepersoneelsleden die op de datum van inwerkingtreding van de Wet op de Algemene Inspectie deel uitmaken van de Algemene Inspectie of van de Dienst Enquêtes van het Comité P, gaat het om een overgangsbepaling. Personeelsleden die na de inwerkingtreding van de wet lid worden van die diensten genieten niet de gelijkstelling waarin de bestreden bepaling voorziet en dienen, om het brevet van onderzoeker te behalen, te slagen in de functionele opleiding in gerechtelijke politie zoals bedoeld in de punten 1.1., 1.1.1., 1.1.
- en 1.1.
- van de bijlage bij het koninklijk besluit van 3 december 2005 betreffende de functionele opleidingen van de personeelsleden van de politiediensten. B.
- Het is niet onredelijk dat personeelsleden die reeds in dienst waren bij de Algemene Inspectie of bij de Dienst Enquêtes van het Comité P op het ogenblik dat de Wet op de Algemene Inspectie in werking is getreden, worden gelijkgesteld met houders van het brevet van onderzoeker, zonder dat ze daartoe dienen te slagen in de voormelde functionele opleiding in gerechtelijke politie. Er anders over oordelen zou immers ertoe leiden dat, gelet op de duur van die opleiding, het lange tijd zou vergen vooraleer de wetgever de in B.19 vermelde doelstellingen zou realiseren.”
- De voorwaarde van de aanwijzing bij mobiliteit in een recherchedienst is niet in de wet voorzien. Door aan de verzoeker het brevet van de functionele opleiding gerechtelijke politie te weigeren omdat hij aan die voorwaarde niet voldoet heeft de verwerende partij de wet niet correct toegepast. Het middel is gegrond. IX-6777-6/7
- De vernietiging van de bestreden beslissing impliceert dat de vordering tot schorsing van hetzelfde besluit geen voorwerp meer heeft. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de directrice van de Nationale Rechercheschool waarbij wordt gesteld dat Koenraad Wouters niet voldoet aan de voorwaarden om het brevet van de functionele gerechtelijke opleiding te verkrijgen.
- De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 1 juli 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6777-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.346 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div