id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.352 Rolnummer: A. 193286/XIV-31228 Zaak: Arrest 206352 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 01/07/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-23 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-02 11:27 Fiche Arrest nr 206.352 van 1 juli 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 206.352 van 1 juli 2010 in de zaak A. 193.286/XIV-31.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat I. VAN DEN BOSSCHE, kantoor houdende te 9200 DENDERMONDE, Kerkstraat 15 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Migratie- en asielbeleid, thans de Staatssecretaris voor het Migratie- en asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Syrische nationaliteit, op 7 juli 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 28.652 van 15 juni 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 4714 van 14 juli 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 5 februari 2010 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 april 2010; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-31.228-1/10 Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. VAN DEN BOSSCHE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX, van Syrische nationaliteit, dient op 24 oktober 2007 een visumaanvraag type D in teneinde zich te vervoegen bij zijn echtgenote, van Belgische nationaliteit. 1.
- De visumaanvraag van verzoeker wordt goedgekeurd en hij komt naar België. Hij wordt in het bezit gesteld van een bijlage 15, ter bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister. 1.
- Op 10 maart 2009 neemt de gemachtigde van de Minister van Migratie- en asielbeleid een beslissing houdende de beëindiging van het verblijfsrecht met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Verzoeker dient tegen deze beslissing op 10 april 2009 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen. 1.
- Bij arrest nr. 28.652 van 15 juni 2009 heeft de Raad voor Vreemdelin- genbetwistingen de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring verworpen. Dit is het bestreden arrest. Het rust op de volgende overwegingen: “
- Nuttige feiten ter beoordeling van de zaak Verzoeker verklaart van Syrische nationaliteit te zijn. Op 18 augustus 2001 komt verzoeker het Rijk binnen met een Schengenvisum geldig voor dertig dagen. XIV-31.228-2/10 Op 22 februari 2006 keert verzoeker terug naar Syrië. Op 24 oktober 2007 dient verzoeker een visumaanvraag type D in teneinde zich te voegen bij mevrouw V.H. (…), van Belgische nationaliteit en met wie hij reeds gehuwd is op 25 juli 2007 in Syrië. Op 1 april 2008 wordt de visumaanvraag van verzoeker goedgekeurd en op 16 april 2008 komt verzoeker naar België. Op 3 juni 2008 wordt verzoeker in het bezit gesteld van een bijlage 15, ter bewijs van zijn inschrijving in het vreemdelingenregister. Uit het samenwoonstverslag van 13 februari 2009 blijkt dat er geen sprake is van een gezamenlijke vestiging en dat verzoeker en zijn voormelde echtgenote uit elkaar zijn sinds 7 februari
- Op 10 maart 2009 neemt de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid een beslissing houdende de beëindiging van het verblijfsrecht met bevel om het grondgebied te verlaten, aan verzoeker ter kennis gebracht op 25 maart
- Dit is de bestreden beslissing. Deze beslissing wordt als volgt gemotiveerd: “(…) Volgens artikel 42 quater, §1, 4/ van de wet: Uit het samenwoonstverslag d.d. 13.02.2009 blijkt dat de echtgenoten besloten hebben om niet meer samen te leven. De echtgenoten van betrokkene zal zich informeren om de nodige stappen te zetten voor een echtscheiding. Ze zijn uit elkaar sinds 07.02.
- De betrokkene heeft aangifte gedaan om inschrijving in Dendermonde. Er is geen gezamenlijke vestiging van de echtgenoten. (…) “
- Onderzoek van het beroep In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van het artikel 62 van de van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: de Vreemdelingenwet), van de formele motiveringsplicht, van de materiële motiveringsplicht en van het zorgvuldig- heidsbeginsel. Verzoeker verwijst vooreerst naar de motivering van de bestreden beslissing waarin zou zijn gesteld dat er geen sprake meer is van een gezamenlijke vestiging zoals blijkt uit het samenwoonstverslag van 13 februari
- Verzoeker vervolgt zijn betoog door een theoretische uiteenzetting weer te geven betreffende artikel 62 van de Vreemdelingen- wet, de wet van 29 juli 1991 betreffende uitdrukkelijke motivering van de bestuurshan- delingen (hierna: de wet van 29 juli 1991), de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel en betreffende het zorgvuldigheidsbeginsel. Vervolgens past verzoeker zijn theoretische bevindingen toe op zijn situatie. Verzoeker voert eerst de schending van de materiële motiveringsplicht aan. Verzoeker verwijst naar de beslissing van de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid van 25 maart 2009 houdende het bevel om het grondgebied te verlaten. Vervolgens verwijst verzoeker naar de bestreden beslissing waarin het volgende zou zijn gesteld: “Betrokkene heeft geen aangifte gedaan om inschrijving in Dendermonde ”. Verzoeker beklemtoont dat hij wel aangifte heeft gedaan van zijn nieuwe verblijfplaats en hij legt dan ook een bewijsstuk voor ter staving van zijn bewering. Verzoeker argumenteert dat deze beslissing is gesteund op een schending van de motiverings- plicht, daar de motivering van de bestreden beslissing niet is gebaseerd op de juiste feiten. In een tweede onderdeel bouwt verzoeker zijn argumentatie op rond zijn beweerde schending van de formele motiveringsplicht. Verzoeker licht toe dat deze formele motiveringsplicht uiteen valt in een evenredigheids- en een draagkracht vereiste. Op grond van de evenredigheidsvereiste is het nodig dat de motivering evenredig is aan het belang van de beslissing. Verzoeker voert aan dat de gevolgen van de bestreden beslissing dermate ernstig zijn, gezien het bevel om het grondgebeid te verlaten en hij meent dat hij de mogelijkheid moet hebben om de redenen te kennen die aanleiding XIV-31.228-3/10 geven tot de weigering van vestiging. Wat betreft de draagkrachtvereiste stelt verzoeker dat de motivering voldoende concreet en precies dient te zijn. Dit houdt volgens verzoeker in dat het bestuur geen vage bewoordingen mag gebruiken en dat de motivering moet toegepast zijn op zijn concrete situatie, zodat algemene formuleringen uit den boze zijn. Verzoeker licht toe dat de ratio legis hiervan is gelegen in het feit dat de overheid haar beoordelingsbevoegdheid effectief en met kennis van zaken moet kunnen uitoefenen. Vervolgens verwijst verzoeker naar de motivering van de bestreden beslissing. Verzoeker poneert dat er in casu absoluut geen sprake is van een schijnhu- welijk en dat hij en zijn echtgenoot de intentie hebben/hadden om een duurzame levensgemeenschap te stichten en een gezin te vormen. Verzoeker geeft wel aan dat hij sinds februari 2009 niet langer samen meer is met zijn echtgenote en dat hij op zoek is gegaan naar een nieuwe verblijfplaats gelet op het feit dat samenwoonst niet langer meer mogelijk was. Ondanks de breuk in de huwelijksrela- tie wenst verzoeker zijn huwelijk toch nog een kans te geven. Verzoeker wijst op het feit dat zowel hijzelf als zijn echtgenote geen andere partner hebben. Verzoeker concludeert hieruit dat de motivering van de bestreden beslissing objectief correct is, doch niet evenredig aan het belang ervan voor verzoeker. Hij heeft inmiddels in België zijn “centrum van belangen” gevestigd en wenst in België door het leven te gaan als elke andere medeburger. In een derde onderdeel van het eerste middel bespreekt verzoeker de aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker argumenteert dat de bestreden beslissing uitsluitend gebaseerd is op het samenwoonstverslag van 13 februari 2009, wat een flagrante schending zou uitmaken van het zorgvuldigheidsbeginsel aangezien de verwerende partij niet met de vereiste zorgvuldigheid haar beslissing heeft voorbereid en uitgevoerd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (hierna: de Raad) stelt vooreerst vast dat verzoeker in zijn verzoekschrift tot tweemaal toe verwijst naar “de beslissing van 4 maart 2009”. Volledigheidshalve merkt de Raad op dat de bestreden beslissing en aldus het voorwerp van dit geding, de beslissing betreft van de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid van 10 maart 2009 houdende de beëindiging van het verblijfsrecht met bevel om het grondgebied te verlaten, aan verzoeker ter kennis gebracht op 25 maart
- Wat betreft de aangevoerde schending van de uitdrukkelijke motiveringsplicht zoals neergelegd in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukke- lijke motivering van de bestuurshandelingen en in artikel 62 van de van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen heeft tot doel de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. Voornoemde artikelen verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een afdoende wijze (RvS 6 september 2002, nr. 110 071, RvS 19 maart 2004, nr. 129 466, RvS 21 juni 2004, nr. 132 710, RvS 24 februari 2005, nr. 141 180,). Het begrip afdoende impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing. Tevens dient te worden benadrukt dat indien een beslissing gemotiveerd is met algemene overwegingen of zelfs een voorbeeld zou zijn van een stereotiepe, geijkte- en gestandaardiseerde motivering, dit louter feit op zich alleen nog niet betekent dat de bestreden beslissing niet naar behoren gemotiveerd is (RvS 5 oktober 2001, 99 518, RvS 27 oktober 2006, nr. 164 171, RvS 27 juni 2007, nr.172 821, e.a.). De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (hierna: de Raad) stelt vast dat de bestreden beslissing duidelijk de determinerende motieven aangeeft op grond waarvan deze beslissing is genomen. In de motivering van de bestreden beslissing wordt aangegeven dat de bestreden beslissing is genomen in uitvoering van artikel 54 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: KB van 8 oktober 1981) en XIV-31.228-4/10 op grond van artikel 42quater, §1, 4/ van de Vreemdelingenwet en waarin tevens wordt verwezen naar het gegeven dat er geen sprake meer is van een gezamenlijke vestiging, waardoor het recht op verblijf wordt ingetrokken. Verzoeker maakt niet duidelijk op welk punt deze motivering hem niet in staat stelt te begrijpen op welke juridische en feitelijke gegevens de door hem bestreden beslissing is genomen derwijze dat hierdoor niet zou zijn voldaan aan het hiervoor uiteengezette doel van de formele motiverings- plicht. Uit het door verzoeker neergelegde verzoekschrift blijkt trouwens dat hij zowel de feitelijke, als de juridische overwegingen kent, zodat het normdoel dat met het bestaan van de formele motiveringsplicht beoogd wordt, is bereikt. Uit het voorgaande is aldus gebleken dat de bestreden beslissing duidelijk en op afdoende wijze de motieven aangeeft op grond waarvan de beslissing is genomen. Een schending van het artikel 62 van de Vreemdelingenwet, noch van de formele motiveringsplicht wordt niet aangetoond. Waar verzoeker stelt dat de bestreden beslissing niet evenredig is aan het belang van de beslissing voor hem, kan hij niet worden gevolgd. De bestreden beslissing beëindigt het recht op verblijf van verzoeker daar hij niet meer gevestigd is bij zijn Belgische echtgenote en dit geheel conform de toepasselijke wetgeving. Als gevolg van deze beëindiging wordt aan verzoeker een bevel om het grondgebied te verlaten gegeven daar verzoeker niet meer over een geldig verblijfsrecht beschikt, hetgeen niet betwist wordt door verzoeker. De bestreden beslissing heeft echter niet tot gevolg dat verzoeker nooit meer het Belgische grondgebied mag betreden. Indien verzoeker meent dat hij voldoende kan aantonen dat het centrum van zijn belangen in België ligt, staat het hem vrij om een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet in te dienen. In de mate dat verzoeker de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad behoort zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid. De Raad is in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd om na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van de bestreden beslissing is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet onredelijk tot haar besluit is gekomen (RvS 7 november 2001, nr. 101 624). Waar verzoeker stelt dat de bestreden beslissing het volgende vermeldt: “Betrokkene heeft geen aangifte gedaan om inschrijving te Dendermonde”, verwijst de Raad vooreerst naar de motivering van de bestreden beslissing: “Volgens artikel 42 quater, §1, 4/ van de wet: Uit het samenwoonstverslag d.d. 13.02.2009 blijkt dat de echtgeno- ten besloten hebben om niet meer samen te leven. De echtgenote van betrokkene zal zich informeren om de nodige stappen te zetten voor een echtscheiding. Ze zijn uit elkaar sinds 07.02.
- De betrokkene heeft aangifte gedaan om inschrijving in Dendermonde. Er is geen gezamenlijke vestiging van de echtgenoten.” De Raad stelt vast dat verzoekers argument feitelijke grondslag mist en aldus berust op een vergissing, daar in de motivering van de bestreden beslissing nergens wordt gesteld dat verzoeker geen aangifte heeft gedaan om inschrijving in Dendermonde. Bijgevolg maakt verzoeker op dit punt niet aannemelijk dat de materiële motiveringsplicht is geschonden. Waar verzoeker aanvoert dat er geen sprake is van een schijnhuwelijk en dat hij en zijn echtgenote wel de intentie hebben om een duurzame levensgemeenschap te stichten, ondanks het feit dat ze uit elkaar zijn, stelt de Raad vast dat nergens uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij beweert dat er in casu sprake zou zijn van een schijnhuwelijk. Verzoekers kritiek op dit punt mist feitelijke grondslag. De bestreden beslissing is genomen op grond van het artikel 42quater van de Vreemdelingenwet dat stelt: “§
- Er kan gedurende de eerste twee jaar van hun verblijf in de hoedanigheid van familielid van de burger van de Unie een einde gesteld worden aan het verblijfsrecht XIV-31.228-5/10 van de familieleden van een burger van de Unie die zelf geen burger van de Unie zijn, door de minister of zijn gemachtigde in de volgende gevallen : 4/ het huwelijk met de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben, wordt ontbonden of nietig verklaard, het geregistreerd partnerschap dat aangegaan werd, zoals bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1/ of 2/, wordt beëindigd, of er is geen gezamenlijke vestiging meer;” Wat betreft de bewering van verzoeker dat hij en zijn echtgenote de intentie hebben om een duurzame levensgemeenschap te stichten, wijst de Raad erop dat de stukken van het administratief dossier deze bewering tegenspreken. Uit de woonstcontrole van 13 februari 2009 is gebleken dat er geen sprake meer was van gezamenlijke vestiging sinds 7 februari 2009 en dat de echtgenote van verzoeker duidelijk te kennen gaf dat zij geen intentie meer heeft om een duurzame levensgemeenschap te stichten met verzoeker, daar zij de echtscheidingsprocedure wenst op te starten. Bovendien bevestigt verzoeker hetgeen is vastgesteld tijdens de samenwoonstcontrole en geeft hij aldus zelf aan in zijn verzoekschrift dat hij en zijn echtgenote niet meer samen zijn sinds februari 2009 en hij de echtelijke woonplaats heeft verlaten. De Raad stelt vast dat de afwezigheid van gezamenlijke vestiging volstaat als wettelijke grond om het verblijfsrecht te beëindigen overeenkomstig artikel 42quater, §1, 4/ van de Vreemdelingenwet. De Raad stelt vast dat de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing binnen haar wettelijke bevoegdheid is gebleven en bij de beoordeling van de bestreden beslissing is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, dat zij die correct heeft beoordeeld en dat zij op grond daarvan niet onredelijk tot haar besluit is gekomen. Een schending van de materiële motiveringsplicht wordt niet aangetoond. Aangaande de vermeende schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, wijst de Raad erop dat voornoemd beginsel de overheid de verplichting oplegt haar beslissing op een zorgvuldige wijze voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding (RvS 2 februari 2007, nr. 167 411, RvS 14 februari 2006, nr. 154 954). Het respect voor het zorgvuldigheidsbeginsel houdt derhalve in dat de administratie bij het nemen van een beslissing moet steunen op alle gegevens van het dossier en op alle daarin vervatte dienstige stukken. Waar verzoeker aanvoert dat het feit dat de verwerende partij zich uitsluitend baseert op het samenwoonstverslag van 13 februari 2009 een flagrante schending uitmaakt van de zorgvuldigheidsplicht, wijst de Raad vooreerst naar hetgeen wat reeds is uiteengezet omtrent de materiële motiveringsplicht. Daarnaast wijst de Raad erop dat de verzoeker de gedane vaststellingen niet betwist en hij bovendien zelf aangeeft dat er geen sprake meer is van gezamenlijke vestiging. De Raad stelt vast dat het aldus niet onzorgvuldig is van de verwerende partij om zich enkel op dit verslag te baseren. Verwerende partij nam de bestreden beslissing binnen de grenzen van haar wettelijke bevoegdheid en heeft zich hierbij op zorgvuldige wijze voorbereid en zij heeft haar beslissing gestoeld op een correcte feitenvinding. Het eerste middel is ongegrond. In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van het recht op eerbiediging van het privéleven, het gezinsleven en het familieleven en van het recht om te huwen, aldus de schending van artikel 8 juncto artikel 12 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (hierna: EVRM). Verzoeker wijst erop dat hij inmiddels geruime tijd in België verblijft en hier het “centrum van zijn belangen heeft gevestigd”, in die zin dat zijn privé-leven inmiddels volledig verankerd is in België. Door de handhaving van de bestreden beslissing en de daaruit voortvloeiende weigering tot vestiging zou het recht van verzoeker op eerbiediging van zijn privé-leven, gezinsleven en familieleven gewaarborgd in artikel 8 van het EVRM op onaanvaardbare wijze worden geschonden. Daarnaast benadrukt verzoeker dat indien hij de aanvraag zou indienen in zijn land van herkomst hij gedurende enkele jaren gescheiden zou worden van zijn echtgenote en van zijn sociale relaties, gezien de lange duur van de procedure. XIV-31.228-6/10 Volgens verzoeker is deze “tijdelijke verwijdering van het grondgebied” niet bevorderlijk voor een relatie, van welke aard ook en zou het bovendien onmenselijk zijn voor verzoeker om zijn echtgenote achter te laten gelet op het feit dat hij zijn huwelijk met haar nog een kans wil geven. Raad wijst erop dat artikel 8 van het EVRM als volgt luidt: “
- Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.
- Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ’s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.” Om zich dienstig te kunnen beroepen op artikel 8 van het EVRM dient verzoeker te vallen onder het toepassingsgebied van artikel 8, eerste lid van het EVRM. Er moet in casu nagegaan worden of er daadwerkelijk sprake is van een familie- of gezinsleven in de betekenis van artikel 8 van het EVRM (EHRM, Gül t. Zwitserland, 19 februari 1996, 22 EHRR 228, 29). Het begrip ‘gezinsleven’ in het voormeld artikel 8, eerste lid van het EVRM is een autonoom begrip dat onafhankelijk van het nationaal recht dient te worden geïnterpreteerd. De vreemdeling dient aannemelijk te maken dat hij een feitelijk gezin vormt met een Belg of een vreemdeling met legaal verblijf in België. Er moet sprake zijn van een effectief beleefde gezinssituatie of van een voldoende hechte relatie tussen de vreemdeling en zijn familie. De regelmatigheid van een administratieve beslissing dient te worden beoordeeld in functie van de gegevens waarover het bestuur ten tijde van het nemen van zijn beslissing kon beschikken om deze beslissing te nemen. Uit de stukken van het administratief dossier en op grond van wat verzoeker reeds zelf aangaf in zijn verzoekschrift blijkt duidelijk dat het in casu niet gaat om een effectief beleefde gezinssituatie of om een voldoende hechte relatie tussen verzoeker en zijn echtgenote. Verzoeker geeft zelf aan dat hij en zijn echtgenote niet meer samen zijn sinds februari 2009 en dat hij niet meer met haar samen woont. Uit het samenwoonst- verslag van 13 februari 2009 blijkt dat de echtgenote van verzoeker deze feiten bevestigde en te kennen gaf dat zij de nodige stappen zal zetten voor een echtscheiding. Verzoekers bewering dat beide echtgenoten de intentie hebben een duurzame levensgemeenschap te stichten en een gezin te vormen vindt geenszins steun in de stukken van het administratief dossier. De Raad stelt tevens vast dat verzoeker zich beperkt tot een loutere bewering en geenszins aantoont dat er daadwerkelijk sprake is van een gezin in de zin van artikel 8 van het EVRM, met name een effectief beleefde gezinssituatie of van een voldoende hechte relatie. Waar verzoeker aanvoert dat hij het centrum van zijn belangen in België heeft gevestigd en inmiddels een ruime tijd in België verblijft, benadrukt de Raad dat de Raad van State reeds meermaals heeft geoordeeld dat gewone sociale relaties niet beschermd worden door artikel 8 van het EVRM (RvS 27 juni 2007, nr. 172.824, RvS 14 november 2005, nr. 151.290, RvS 15 februari 2005, nr. 140.615, RvS 23 januari 2002, nr. 102.840). Bovendien merkt de Raad op dat los van de vraag of gewone sociale relaties beschermd worden door artikel 8 van het EVRM, verzoeker niet het minste bewijs of uitleg aanbrengt over het feit dat hij het centrum van zijn belangen in België heeft. Een loutere blote bewering volstaat geenszins om een schending van artikel 8 van het EVRM te kunnen vatstellen. De Raad concludeert hieruit dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing, artikel 8 van het EVRM heeft geschonden. Wat betreft de aangevoerde schending van artikel 12 van het EVRM, omtrent het recht op huwen merkt de Raad vooreerst op dat artikel 12 van het EVRM betrekking heeft op het recht te huwen en een gezin te stichten volgens de nationale wetten welke de uitoefening van dit recht beheersen. De Raad verwijst naar wat reeds is uiteengezet en benadrukt tevens dat de bestreden beslissing een rechtmatige toepassing inhoudt van de Vreemdelingenwet en geenszins een verbod inhoudt voor verzoeker om te huwen. XIV-31.228-7/10 De verdragsrechtelijke en wettelijke regels inzake het huwelijk en het gezinsleven kunnen niet worden aangewend om aan de dwingende regels van binnenkomst, verblijf en vestiging in het Rijk te ontsnappen (RvS 1 juni 2006, nr. 159 485; RvS 20 december 2006, nr. 166 189). Het tweede middel is ongegrond.
- Korte debatten De verzoekende partij heeft geen gegrond middel dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden aangevoerd. Aangezien er grond is om toepassing te maken van artikel 36 van het koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, wordt de vordering tot schorsing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met het beroep tot nietigverklaring verworpen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Enig artikel De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen.”.
- Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “Enig middel: schending van het gelijkheidsbeginsel In het arrest nr. 28 652 d.d. 15 juni 2009 verwijst de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen naar artikel 42quater van de Vreemdelingenwet stellende dat gedurende de eerste twee van het verblijf [...] een einde gesteld kan worden aan het verblijfsrecht ingeval dat het huwelijk wordt ontbonden of nietig verklaard of ingeval dat het geregistreerd partnerschap wordt beëindigd of ingeval dat er geen gezamenlijke vestiging meer is. Verzoeker is op 25 juli 2007 voor de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand te Al-Bab (Syrië) gehuwd met mevrouw Heidi Van Riet. Uit de woonstcontrole van 13 februari 2009 is gebleken dat verzoeker en zijn echtgenote sinds 7 februari 2009 niet langer onder één dak wonen. Verzoeker en mevrouw Van Riet hebben gedurende één jaar en zeven maanden een gezamenlijke vestiging gekend. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt vast dat de afwezigheid van gezamenlij- ke vestiging volstaat als wettelijke grond om het verblijfsrecht te beëindigen overeenkomstig hogervermeld artikel van de Vreemdelingenwet. Doch, verzoeker wenst te benadrukken dat deze bepaling strijdig is met artikel 229 van het Burgerlijk Wetboek dat de gronden tot echtscheiding omvat. De drie mogelijke gronden tot echtscheiding uit artikel 229 B.W. maken geen melding van de vereiste van twee jaar huwelijk om uit de echt te kunnen scheiden. Bovendien werd de voorwaarde van twee jaar huwelijk tot echtscheiding door onderlinge toestemming afgeschaft bij Wet van 27 april
- Om uit de echt te kunnen scheiden zijn dus geen voorwaarden gesteld inzake de duur van het bestaan van het huwelijk. De wet voorziet geen minimumduur van het huwelijk. Verzoeker is vrij om de echtscheiding in te stellen onafhankelijk van de duur van het huwelijk. In casu heeft het huwelijk meer dan een jaar en een half standgehouden. Doch, toch wordt zijn verblijfsrecht ingetrokken omwille van het feit dat er gedurende de eerste twee jaar van het huwelijk geen gezamenlijke vestiging meer is. Enerzijds stelt artikel 42 quater, §1, 4/ van de Vreemdelingenwet immers dat gedurende de eerste twee jaar van het verblijf een einde kan gesteld worden aan het verblijfsrecht indien er geen gezamenlijke vestiging meer is en anderzijds stellen de artikelen inzake de echtscheiding (artikel 229 B.W. + Wet 27/04/2007) dat geen minimumduur van het huwelijk voorzien wordt om uit de echt te kunnen scheiden. XIV-31.228-8/10 Er is dan ook sprake van een strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel daar hij niet zoals zijn Belgische medeburgers de mogelijkheid heeft om de echtscheiding in te stellen waarbij GEEN vereiste van minimumduur van het huwelijk wordt gesteld. Verzoeker is van mening dat bovenvermeld middel ontvankelijk en gegrond is.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord het middel zoals uiteengezet in het inleidend verzoekschrift herhaalt; 2.
- Overwegende dat in een enig middel verzoeker de schending aanvoert van het gelijkheidsbeginsel; dat noch uit het bestreden arrest noch uit het rechtplegingsdos- sier blijkt dat verzoeker voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de schending van het gelijkheidsbeginsel heeft aangevoerd, alhoewel hiertoe de mogelijkheid bestond; dat de schending van het gelijkheidsbeginsel niet voor het eerst in graad van cassatie voor de Raad van State kan worden ingeroepen; dat het enig middel onontvankelijk is; 2.
- Overwegende dat het beroep bij gebrek aan een ontvankelijk middel, zelf niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-31.228-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een juli tweeduizend en tien, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-31.228-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.352 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.