id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.354 Rolnummer: A. 192853/XIV-31196 Zaak: Arrest 206354 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 01/07/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-16 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-02 11:28 Fiche Arrest nr 206.354 van 1 juli 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 206.354 van 1 juli 2010 in de zaak A. 192.853/XIV-31.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. VAN ROSSEM, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Boomgaardstraat 93 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van beweerde Chinese nationaliteit, op 2 juni 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 26.560 van 28 april 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 4627 van 2 juli 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 9 december 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 maart 2010; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-31.196-1/8 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat S. VAN ROSSEM verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché S. DUPONT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX, van beweerde Chinese nationaliteit, komt op 24 augustus 2005 België binnen en vraagt op 25 augustus 2005 om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
- Deze aanvraag wordt op 3 mei 2006 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
- Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 16 mei 2006 hoger beroep aan bij de toenmalige Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, thans de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
- Op de zitting van 22 april 2009 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn Advocaat S. LIPPENS, gehoord. 1.
- Op 28 april 2009 velt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het thans bestreden arrest waarbij aan verzoeker de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd. Dit arrest luidt als volgt: “
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- Verzoeker die volgens zijn verklaringen België binnenkwam op 24 augustus 2005, verklaart er zich op 25 augustus 2005 vluchteling. XIV-31.196-2/8 1.
- De Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verwerpt verzoekers asielaanvraag bij beslissing van 3 mei 2006, verstuurd op 4 mei
- 1.
- De feiten aan de basis van verzoekers asielaanvraag werden door de bestreden beslissing als volgt weergegeven: “Volgens uw verklaringen bent u afkomstig uit China, meerbepaald uit Tibet. U verklaarde te zijn geboren in het district Kyirong in de Shigatse prefectuur. U zou sinds 2002 enkele keren naar Nepal hebben gereisd en u zou een boek over de Dalaï Lama hebben meegebracht naar China. U zou ook hebben gesproken over wat u in Nepal had geleerd. Deze anti-Chinese ideeën zou u hebben verkondigd en dat zou via spionnen zijn geweten door de Chinese autoriteiten. U zou daarop besloten hebben China te verlaten en u reisde illegaal naar Nepal. U zou daar meer dan twee maanden hebben verbleven waarna u met een Nepalees paspoort op iemand anders naam naar Europa reisde. Op 25 augustus 2005 vroeg u asiel aan bij de Belgische autoriteiten.” Het aldus weergegeven feitenrelaas wordt door de verzoekende partij niet betwist. 1.
- De bestreden beslissing stelt vast dat verzoeker er niet in geslaagd is zijn vrees voor vervolging in de zin van het vluchtelingenverdrag of een reëel risico op het lijden van ernstige schade zoals bepaald in de subsidiaire bescherming aannemelijk te maken en baseert zich daarvoor op volgende gronden: - door gebrekkige kennis van de Chinese taal, van de Chinese identiteits- en reisdocumenten en van de Tibetaanse geografie, maakt verzoeker zijn beweerde Chinese nationaliteit niet aannemelijk; - verzoeker slaagde er niet in enig document voor te leggen dat zijn Chinese identiteit, zijn verblijf in Nepal, of zijn reisweg zou kunnen staven; - verzoekers kennis van zijn gebruikte valse reisdocumenten is gebrek- kig, waardoor het vermoeden rijst dat hij met zijn eigen legale docu- menten reisde; - gelet op verzoekers ongeloofwaardige herkomst zijn tevens de asielmotieven zelf ongeloofwaardig.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Verzoeker levert kritiek op de motieven van de bestreden beslissing. De Raad leidt hieruit af dat hij in wezen de materiële motiveringsplicht geschonden acht en zal het middel in deze zin onderzoeken. 2.1.
- Verzoeker stelt dat de Commissaris-generaal hem onterecht de vluchtelingen- status weigerde, louter en alleen omdat verzoeker slechts één Chinese standaardzin kent. In het gebied waar verzoeker vandaan komt zou 95 % van de bevolking enkel de Tibetaanse taal machtig zijn, zodat dit element niet opgaat. Aangaande zijn identiteitsdocumenten zegt verzoeker dat hij verwoede pogingen onderneemt om deze te laten overkomen, wat hij wenst te staven met een brief van zijn broer. Tenslotte stelt hij dat zijn relaas wijst op een gegronde vrees voor vervolging wegens zijn aanhang van de verboden boeddhistische religie of wegens zijn streven naar Tibetaanse onafhankelijkheid. 2.1.
- De motivering van de bestreden beslissing moet als geheel worden gelezen en niet als een samenstelling van componenten die elk op zich een beslissing kunnen dragen. Het is immers het geheel van de vastgestelde tegenstrijdighe- den en onwetendheden op grond waarvan de Commissaris-generaal oordeelde dat de geloofwaardigheid van het asielrelaas wordt ondermijnd (RvS 9 december 2005, nr. 138.319). De Commissaris-generaal kwam tot de vaststelling dat verzoekers beweerde Chinese nationaliteit ongeloofwaardig is. Hij stelde dit vast wegens een onverklaarbaar gebrekkige kennis van de Chinese taal, van de Chinese identiteitsdocumenten, en van de Tibetaanse geografie. Daar kwam nog bij dat verzoeker zijn beweerde Chinese nationali- XIV-31.196-3/8 teit niet kon staven met enig document. Deze vaststellingen blijken allen duidelijk uit het administratieve dossier. Verzoekers kritiek op de motieven kan de Raad niet overtuigen. Zijn stelling dat 95 % van de mensen in zijn regio enkel Tibetaans spreken is een blote bewering die hij niet staaft met enig begin van bewijs. Bovendien is het in tegenspraak met wat algemeen gekend is, namelijk dat het district Kyirong één van de meest gesiniceerde streken van Tibet is, zoals in de bestreden beslissing terecht wordt gesteld. Bovendien kon verzoeker zijn beweerde afkomst uit Tibet evenmin aantonen aan de hand van een identiteitsbewijs. Het bewijs van identiteit en afkomst is nochtans een essentieel element in iedere procedure. De medewerkingsplicht die op verzoeker rust brengt met zich mee dat hij gehouden is alle stukken waarover hij beschikt of kan beschikken, voor te leggen. Het ontbreken van ieder begin van bewijs omtrent de nationaliteit of de identiteit houdt een negatieve indicatie in met betrekking tot verzoekers asielrelaas (RvS 25 september 2006, nr. 162.658). Verzoeker brengt hiertegen in dat hij wel degelijk pogingen ondernam, wat hij wenst te staven met een brief van zijn broer. Deze uitleg kan de Raad geenszins overtuigen. De brief betreft een gesolliciteerd document van een familielid, wat uiteraard geen bewijs kan vormen voor verzoekers Chinese nationaliteit. Bovendien meende verzoeker dat de Chinese identiteitsbewijzen in Tibet in het Tibetaans zijn opgesteld en volgens de Tibetaanse kalender, wat in flagrante tegenspraak is met informatie toegevoegd aan het administratieve dossier. Het vermoeden rijst dus dat verzoeker nooit een Chinees identiteitsbewijs heeft gezien, laat staan dat hij er ooit één heeft gehad. Op basis van het geheel van bovenstaande motieven sluit de Raad zich aan bij de vaststelling van bedrieglijkheid van verzoekers verklaringen afkomstig te zijn uit het district Kyirong, Tibet. Aangezien verzoekers asielmotieven volledig samenhangen met zijn afkomst uit Tibet en zijn problemen zich daar situeren, komt onvermijdelijk het ganse asielrelaas in een bedrieglijk daglicht te staan. 2.1.
- In acht genomen wat voorafgaat, kan in hoofde van de verzoekende partij geen vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A
(2)van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, in aanmerking worden genomen. 2.
- Met betrekking tot de subsidiaire beschermingsstatus kan tenslotte worden opgemerkt dat, om hiervoor in aanmerking te komen, verzoeker het bestaan van zwaarwegende gronden voor een reëel risico op ernstige schade moet aantonen bij terugkeer naar zijn land van herkomst. Verzoeker laat echter na in zijn verzoekschrift ook maar enig element aan te brengen waarom hij in aanmerking zou kunnen komen voor een reëel risico op ernstige schade in de zin van art. 48/4 van de Vreemdelingenwet zodat de Raad derhalve niet kan overgaan tot een beoordeling dienaangaande. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Artikel 1 De vluchtelingenstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd. Artikel 2 De subsidiaire beschermingsstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd.”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “Eerste middel: Schending van artikel 39/65 van de vreemdelingenwet en het redelijkheidsbeginsel XIV-31.196-4/8 Verzoeker kan zich niet verzoenen met het bestreden arrest van de RVV. De motiveringsplicht waaraan de raad voor vreemdelingenbetwistingen onderworpen is, meer bepaald krachtens artikel 39/65 vreemdelingenwet houdt in dat de administra- tieve rechtbank de middelen en argumenten beantwoordt ingeroepen door de verzoekende partij, ten minste indien de raad deze verwerpt. Deze motivering moet de rechtsonderhorige en de raad van state, gevat met verzoek tot verbreking, in staat stellen zich er van te verzekeren of te controleren dat de rechtbank alle elementen van het dossier onderzocht heeft en daadwerkelijk geantwoord heeft op de argumenten die werden naar voor geschoven (r.v. st. (11ek) nr. 184,167, 13.06.2008, rev.dr.étr., 2008, af1.148, 257, noot). Het arrest van de RVV heeft niet alle elementen van het dossier van verzoeker onderzocht en daadwerkelijk geantwoord op de argumenten die verzoeker naar voren geschoven heeft. Dit blijkt uit het volgende. Het arrest stelt het volgende: Verzoekers kritiek op de motieven kan de raad niet overtuigen . Zijn stelling dat 95% van de mensen in zijn regio enkel Tibetaans spreken is een blote bewering die hij niet staaft met enig begin van bewijs. Bovendien is het in tegenspraak met wat algemeen gekend is, namelijk dat het district Kyirong één van de meest gesiniceerde streken van Tibet is, zoals in de bestreden beslissing terecht wordt gesteld" Dat het bestreden arrest van de raad voor vreemdelingenbetwistingen een schending is van de motiveringsverplichting vervat in artikel 39/65 van de vreemdelingenwet. Uit het voorgaande blijkt dat de raad stelt in haar arrest dat het "algemeen gekend" is dat het district Kyirong één van de meest gesiniceerde streken van Tibet is. Dat de RVV voor haar beslissing blijkbaar beroep doet op algemeen gekende informatie. Dat verzoeker in zijn beroepsverzoekschrift aanhaalde dat 95% van de mensen in zijn regio enkel Tibetaans spreken. Dat de RVV stelt dat deze informatie van verzoeker een loutere blote bewering is en aldus niet kan gevolgd worden. Dat de RVV voor de motivering van haar arrest zich beroep op algemeen gekende informatie!? Dat het duidelijk blijkt uit het beroepsverzoekschrift van de raadsman van verzoeker dat dit (geen) algemeen gekende informatie is anders zou de raadsman van verzoeker dit weten en geen informatie aanhalen in haar beroepsverzoekschrift die hiermee strijdig zou zijn (volgens de RVV). Dat het niet redelijk is van de RVV zich te beroepen op algemeen gekende informatie terwijl dit geen algemeen gekende informatie is. Dit blijkt duidelijk uit het beroepsver- zoekschrift van de raadsman van verzoeker. Deze laatste was wel degelijk niet op de hoogte van deze zogenaamde algemeen gekende informatie. Dat het niet redelijk is van de RVV de bewering van verzoeker niet te aanvaarden en terzijde te leggen door te stellen dat het een loutere blote bewering is terwijl zij zelf dan verwijst naar zogenaamde algemene informatie die blijkbaar niet algemeen gekend is en eveneens een blote bewering kan zijn. Van een administratieve rechtbank mag verwacht worden dat zij haar arrest motiveert aan de hand van gegevens die correct zijn, minstens dient zij te verwijzen naar objectieve informatie of documenten, wat in casu niet het geval is. Dat het voor verzoeker dan ook onduidelijk is waarom hem het statuut van vluchteling en het subsidiaire beschermingsstatuut wordt geweigerd. De rvv heeft in huidig arrest geen rekening gehouden met deze elementen van het dossier en aldus niet daadwerkelijk geantwoord op de argumenten die verzoeker naar voren heeft geschoven. De raad voor vreemdelingenbetwistingen heeft in haar arrest met bovengaande elementen geen rekening gehouden. Het arrest is aldus in strijd met artikel 39/65 van de vreemdelingenwet en het redelijksheidsbeginsel. XIV-31.196-5/8 Het arrest van de RVV heeft met deze elementen totaal geen rekening mee gehouden zodat het om deze reden dient vernietigd te worden. Gelet op het voorgaande is het arrest van de RVV dan ook een schending van artikel 39/65 van de vreemdelingenwet. Artikel 39/65 bepaalt het volgende: . De uitspraken van de Raad zijn met redenen omkleed. Ze worden ondertekend door de voorzitter en een lid van de griffie. Een tussen- of een einduitspraak wordt aan de partijen ter kennis gebracht volgens de modaliteiten bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Dit koninklijk besluit kan eveneens de gevallen bepalen waarin kan worden volstaan met een kennisgeving aan de in het geding zijnde administratieve overheden van het dispositief en het voorwerp, alsook de vorm waarin en de voorwaarden waaronder deze beperkte kennisgeving geschiedt en de wijze waarop deze uitspraken voor deze partij in hun totaalversie toegankelijk zijn. De uitspraken van de Raad zijn toegankelijk voor het publiek in de gevallen, in de vorm en onder de voorwaarden bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De Raad zorgt voor de publicatie ervan in de gevallen, in de vorm en onder de voorwaarden bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Dat de beslissing van de RVV onterecht genomen werd en zij de motiveringsplicht bepaalt zoals in artikel 39/65 van de vreemdelingenwet flagrant schendt. De motivering van het arrest van de RVV moet pertinent en draagkrachtig zijn en antwoorden op de argumenten en elementen die verzoeker heeft aangevoerd. Haar arrest dient gemotiveerd te worden aan de hand van objectieve informatie zodat het voor verzoeker duidelijk is waarom hij een negatieve beslissing werd gegeven, minstens dat dit kan geverifieerd worden. Dat verzoeker dan ook meent dat zijn beroep niet op een zorgvuldige wijze werd behandeld en de negatieve beslissing niet begrijpt. Dat verzoeker dan ook met aandrang vraagt huidige beslissing te willen vernietigen.”; 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord enkel stelt dat hij zich niet akkoord kan verklaren met het verweer van de tegenpartij en voor het overige integraal het in zijn inleidend verzoekschrift uiteengezette middel herhaalt; 2.
- Overwegende dat het redelijkheidsbeginsel een beginsel van behoorlijk bestuur is en aldus van toepassing is op zuiver administratieve beslissingsprocedures, doch niet op procedures voor administratieve rechtscolleges zoals de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen; dat blijkens de motivering van het bestreden arrest verzoekers beroep tegen de beslissing van 3 mei 2006 van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wordt verworpen omdat in zijnen hoofde geen vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, in aanmerking kan worden genomen nu zijn beweerde Chinese nationaliteit ongeloofwaardig is gelet op een onverklaarbaar gebrekkige kennis van de Chinese taal, van de Chinese identiteitsdocumenten en van de Tibetaanse geografie en gelet op het gegeven dat hij zijn beweerde Chinese nationaliteit bovendien niet kan staven met enig document; dat verzoekers stelling dat 95 % van de mensen in zijn regio enkel Tibetaans spreken, volgens de Raad voor Vreemdelingen- XIV-31.196-6/8 betwistingen een blote bewering is die niet gestaafd wordt met enig begin van bewijs en die bovendien in tegenspraak is met wat algemeen gekend is, namelijk dat het district Kyirong één van de meest gesiniceerde streken van Tibet is; dat voorts de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen vaststelt dat verzoeker nalaat ook maar enig element aan te brengen waarom hij in aanmerking zou kunnen komen voor een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat aldus uit het bestreden arrest duidelijk de motieven blijken op grond waarvan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers beroep verwerpt; dat waar verzoeker aanvoert dat in het bestreden arrest ten onrechte beroep werd gedaan op informatie die niet algemeen bekend zou zijn, verzoeker niet betwist dat zowel uit de beroepen beslissing van 3 mei 2009 van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen als uit zijn eigen beroepschrift van 16 mei 2006 bij de toenmalige Vaste Beroepscommissie voor vluchtelin- gen, thans de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, blijkt dat hij zelf verklaarde uit het district Kyirong in de sterk gesiniceerde Shigatse-prefectuur afkomstig te zijn; dat, daargelaten de vraag of het al dan niet om algemeen gekende informatie gaat, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, waar hij er in het bestreden arrest op wijst dat verzoekers stelling dat 95 % van de mensen in zijn regio enkel Tibetaans spreken, in tegenspraak is met wat algemeen gekend is, namelijk dat het district Kyirong één van de meest gesiniceerde streken van Tibet is, zich hiervoor steunt op de elementen van het administratief dossier, meer bepaald op verzoekers eigen verklaring uit de sterk gesiniceerde Shigatse-prefectuur afkomstig te zijn; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hieromtrent in de eerste plaats oordeelt dat verzoekers stelling een blote bewering is die niet wordt gestaafd met enig begin van bewijs; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aldus zijn bevoegdheid geenszins heeft overschreden; dat het arrest afdoende gemotiveerd is; dat de bestreden beslissing de motieven bevat die de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ertoe hebben doen besluiten de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus aan verzoeker te weigeren; dat het enig middel, in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is, XIV-31.196-7/8 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een juli tweeduizend en tien, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-31.196-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.354 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div