← België

Arrest 206375 - Milieuvergunningen - 01/07/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.375 Rolnummer: A. 183983/VII-37007 Zaak: Arrest 206375 - Milieuvergunningen - 01/07/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-09 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-07-02 11:28 Fiche Arrest nr 206.375 van 1 juli 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 206.375 van 1 juli 2010 in de zaak A. 183.983/VII-37.007. In zake: Antoine D'HONDT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Flamey en Pieter Jan Vervoort kantoor houdend te Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Abbeloos kantoor houdend te Dendermonde Noordlaan 82-84 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV PURATOS GROUP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Bouckaert kantoor houdend te Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 11 juni 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 10 april 2007 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 19 oktober 2006, houdende het verlenen aan de NV Puratos Group van de vergunning voor het veranderen van een grondwaterwinning, gelegen aan de Industrialaan 25 te Dilbeek, slechts gedeeltelijk gegrond worden verklaard. VII-37.007-1/13 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 8 oktober 2007. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Peter Sourbron heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoeker en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 mei 2010. Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Matthias Valkeniers, die loco advocaten Peter Flamey en Pieter Jan Vervoort verschijnt voor de verzoeker, advocaat Patrick Vandendael, die loco advocaat Dirk Abbeloos verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Jan Roggen, die loco advocaat Jan Bouckaert verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De NV Puratos en de NV Beldem, beide dochterondernemingen van de NV Puratos Group, exploiteren aan de Industrialaan 25-28 te Dilbeek, een VII-37.007-2/13 inrichting voor de productie van grondstoffen voor de bakkerij- en patisseriesector en catering, alsook van emulgatoren voor de voedingsindustrie. De huidige basisvergunning voor de inrichting werd verleend bij besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant van 24 september 1981 en is geldig tot 1 september 2011. Nadien zijn nog verscheidene vergunningen tot uitbreiding van de bestaande inrichting verleend. Aan de inrichting is een grondwaterwinning verbonden die water levert voor het productieproces. 3.2. Op 5 mei 2006 dient de NV Puratos Group bij de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant een aanvraag in voor het veranderen van de grondwaterwinning. De aanvraag strekt tot het verhogen van het debiet, verdeeld over een put voor het winnen van diep grondwater met een maximumdebiet van 250 m3/dag en 52.000 m3/jaar en tien putten voor het winnen van ondiep grondwater met elk een maximumdebiet van 100 m3/dag en 140.000 m3/jaar. 3.3. Bij besluit van 19 oktober 2006 verleent de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant de vergunning voor het winnen van grondwater, echter met een beperkter dagdebiet dan gevraagd. Aan de vergunning wordt een aantal bijzondere voorwaarden verbonden, voornamelijk met betrekking tot het regelmatig uitvoeren van kwaliteitsanalyses, debietmetingen en peilmetingen. 3.4. Op 5 december 2006 stelt de VZW Natuurpunt Beheer bij de Vlaamse minister van Leefmilieu beroep in tegen voormeld besluit van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant. De VZW Natuurpunt Beheer vreest de mogelijke verdroging van de Maalbeekvallei en van het erkende natuurreservaat "Droogveld" dat door haar beheerd wordt. Op 14 december 2006 stelt ook de verzoeker, die eigenaar is van een weiland dat grenst aan de inrichting, beroep in. In zijn beroepschrift voert hij onder meer aan dat de aanvraag betrekking heeft op een zonevreemde inrichting. 3.5. In het kader van de beroepsprocedure worden verscheidene adviezen uitgebracht : VII-37.007-3/13 (

  1. a)de afdeling Milieuvergunningen verleent op 31 januari 2007 gunstig advies over de aanvraag; (
  2. b)op 1 februari 2007 brengt de afdeling Stedenbouwkundig Beleid een voorwaardelijk gunstig advies uit; (
  3. c)het advies van de Vlaamse Milieumaatschappij (hierna : VMM) van 1 februari 2007 is gunstig op voorwaarde dat het dagdebiet niet meer bedraagt dan in eerste aanleg werd vergund en dat de bijzondere voorwaarden opgelegd door de in eerste aanleg beoordelende instantie worden geëerbiedigd; (
  4. d)door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wordt op 5 februari 2007 voorgesteld om de beroepen deels gegrond te verklaren en als bijkomende voorwaarde de exploitant op te leggen uiterlijk tegen 1 februari 2010 een haalbaarheidsstudie naar het opvangen en aanwenden van hemelwater uit te voeren. Het voorwerp van het vergunde zou voor het overige ongewijzigd behouden kunnen blijven. 3.6. Met een besluit van 10 april 2007 willigt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur de ingestelde beroepen deels in. Aan de bestreden milieuvergunning, die in hoofdzaak bevestigd wordt, wordt een bijkomende bijzondere voorwaarde toegevoegd betreffende het uitvoeren van een zogenaamde hemelwaterstudie. IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat de woonplaats van de verzoeker niet op ongeveer 250 meter van de inrichting gelegen is, maar op ongeveer 450 meter van de dichtstbijzijnde grondwaterput en dat de afstand tot het meest nabije bedrijfsgebouw van de NV Puratos 600 meter bedraagt. De verwerende partij leidt hieruit af dat het uitgesloten is dat de verzoeker door de exploitatie van de inrichting en door de vergunde grondwaterwinning op zijn woonplaats hinder ondervindt. Voorts stelt de verwerende partij dat de verzoeker meer duidelijkheid moet brengen over de precieze ligging van het weiland waarvan hij beweert eigenaar te zijn. Tot slot concludeert zij dat het belang van de verzoeker onwettig is omdat hij zonevreemd woont in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied en nalaat aan te tonen welke agrarische activiteiten uitgeoefend worden op het weiland dat zijn eigendom is. 5. De tussenkomende partij werpt in haar memorie op dat de verzoeker niet "in de omgeving" van de betrokken onderneming woont en dat hij VII-37.007-4/13 geen concreet element aanvoert ter staving van het belang dat hij zou hebben als eigenaar van een woning die op 250 meter afstand gelegen is van de betrokken inrichting. Volgens de tussenkomende partij kan de vergunning voor de grondwaterwinning geen hinder veroorzaken en niet griefhoudend zijn voor de verzoeker. Voorts stelt zij dat het weiland van de verzoeker "in de omgeving" van haar bedrijventerrein gelegen zou zijn, maar dat de verzoeker geen bewijs hiervan aanbrengt, geen toelichting geeft over de activiteiten die plaatsvinden op dit weiland noch over hoe de vergunning voor grondwaterwinning de verzoeker bij het gebruik van zijn eigendom zou kunnen hinderen. Volgens haar baseert de verzoeker zich niet op enige hinder die zou kunnen voortvloeien uit de activiteiten die door het bestreden besluit vergund worden. De verwijzingen naar procedures voor de Raad van State betreffende vorderingen tegen de milieuvergunningen van de tussenkomende partij zijn volgens haar irrelevant om zijn belang in deze procedure te erkennen. 6. De verzoeker repliceert dat hij beschikt over het vereiste belang omdat hij op ongeveer 250 meter van het bedrijventerrein van de tussenkomende partij woont, eigenaar is van een weiland dat rechtstreeks grenst aan de kwestieuze inrichting, een ontvankelijk bezwaarschrift heeft ingediend naar aanleiding van de vergunningsprocedure in eerste aanleg en een ontvankelijk en deels gegrond beroep heeft ingesteld ten aanzien van de in eerste aanleg toegekende vergunning. Voorts stelt hij dat zijn belang is erkend in vroegere procedures voor de Raad van State (zaken gekend bij de Raad van State onder A. 125.210, A. 125.212 en A. 125.213) en betwist hij dat zijn weide zonevreemd is. Ten slotte is volgens de verzoeker de stelling van de tussenkomende partij dat hij moet aantonen dat hij een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel lijdt om een belang aan te tonen, in tegenstrijd met de vaste rechtspraak van de Raad van State. 7. In haar laatste memorie verwijst de tussenkomende partij naar de adviezen van de VMM en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie die de effecten van de grondwaterwinning volgens haar sterk nuanceren. Zij voegt ook nieuwe stukken toe waaruit moet blijken dat slechts twee van de tien grondwaterputten, hetzij ongeveer 35 % van het vergunde watervolume, in gebruik zijn genomen. Zij stelt dat, aangezien de bestreden milieuvergunning dateert van 19 oktober 2006 en er vóór 19 oktober 2009 slechts twee grondwaterputten in gebruik zijn genomen, de milieuvergunning overeenkomstig de artikelen 17 en 28 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning vervallen is voor de overige acht putten, zodat de verzoeker niet beschikt over een actueel belang. VII-37.007-5/13 Beoordeling 8. De verzoeker is eigenaar van een weiland van ongeveer 1,5 hectare dat onmiddellijk aan de betrokken inrichting grenst. Op het bij de memorie van wederantwoord gevoegde liggingsplan is de betrokken weide via arcering aangeduid en blijkt dat de weide over een lengte van ongeveer 126 meter paalt aan de percelen van de NV Puratos. De verwerende partij noch de tussenkomende partij leggen concrete gegevens voor die de door de verzoeker bijgebrachte gegevens tegenspreken. Als eigenaar van een onroerend goed, een weiland, gelegen in de onmiddellijke omgeving van een vergunningsplichtige inrichting, beschikt de verzoeker over het rechtens vereiste belang bij het bestrijden van de verleende milieuvergunning. De situering van zijn woning ten opzichte van het bedrijf doet in de gegeven omstandigheden niet terzake. Er wordt nog steeds in voldoende mate van de bestreden milieuvergunning gebruik gemaakt om het belang van de verzoeker te erkennen. Uit verscheidene overeenstemmende gegevens van het dossier blijkt dat het winnen van grondwater kan leiden tot een verlaging van de grondwatertafel in de onmiddellijke omgeving van de winningsputten en bijgevolg mogelijk tot "verdrogingsverschijnselen" in een ruimere omgeving. Om dergelijke nadelige effecten tegen te gaan, houdt de bestreden milieuvergunning immers een beperking in van de door de exploitant initieel gevraagde dagdebieten. De verzoeker heeft bijgevolg een rechtens vereist belang om de beslissing aan te vechten. De excepties zijn niet gegrond. VII-37.007-6/13 V. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen 9. In het eerste middel voert de verzoeker de schending aan van de bepalingen van het Bijzonder Plan van Aanleg (hierna : BPA) "Roekhout", goedgekeurd bij ministerieel besluit van 28 mei 1996, en van het "principe van de goede plaatselijke ruimtelijke ordening", zoals onder meer vervat in artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening samengelezen met artikel 52, 3/, b), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet). Hij zet hierbij uiteen dat het bestreden besluit een uitbreiding van een vergunning toestaat voor de exploitatie van een inrichting die strijdig is met de toepasselijke stedenbouwkundige bestemmingsvoorschriften uit het BPA "Roekhout" en niet strookt met de goede plaatselijke ordening, minstens zonder dat de verwerende partij motiveert op welke manier de voorschriften van dit BPA en de goede ruimtelijke ordening gerespecteerd zouden zijn. De verzoeker verwijst naar zijn bezwaarschrift van 12 juli 2006 dat hij heeft ingediend in het kader van de milieuvergunningsaanvraag alsook naar zijn beroepschrift van 14 december 2006. Volgens hem volgt het bestreden besluit zijn bezwaren niet en wordt niet nagegaan of de milieuvergunning in overeenstemming zou kunnen zijn met het BPA "Roekhout", terwijl hij deze onverenigbaarheid heeft opgeworpen in zijn bezwaar- en beroepschrift. Hij stelt dat de verwerende partij de uitbreiding van de activiteit van de tussenkomende partij enkel in overeenstemming acht met de stedenbouwkundige voorschriften omdat in 1996 een deel van de gebouwen regulier opgetrokken was, terwijl deze redenering volgens hem geen steun vindt in de toepasselijke wetgeving of het BPA "Roekhout" zelf, dat elke uitbreiding volgens deze redenering toelaatbaar is en dat het BPA "Roekhout" dateert van 1967, uitgezonderd een wijziging die werd goedgekeurd in 1996. Hij besluit dat de verwerende partij geen concreet onderzoek heeft gedaan naar de verenigbaarheid van de vergunningen voor de verdere exploitatie van de vestiging met de door het VII-37.007-7/13 BPA "Roekhout" opgelegde stedenbouwkundige voorschriften en dat de verwerende partij niet antwoordt op de door hem opgeworpen bezwaren. 10. De verwerende partij antwoordt dat in het kader van een milieuvergunningsaanvraag een toetsing moet gebeuren van deze aanvraag met de toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften, maar dat niet alle voorafgaandelijke stedenbouwkundige vergunningen en milieuvergunningen op hun rechtmatigheid moeten worden beoordeeld van zodra een aanpassing of uitbreiding van een milieuvergunning wordt gevraagd. Zij stelt dat indien de redenering van de verzoeker gevolgd wordt, deze geacht moet worden afstand te doen van vroegere procedures en de lopende annulatieprocedure bij de Raad van State. Zij stelt dat het motiveringsbeginsel zich niet zo ver uitstrekt dat een beslissing aangaande een verhoging van het debiet van waterwinning ook alle voorafgaandelijke stedenbouwkundige vergunningen en milieuvergunningen met betrekking tot een inrichting extensief moet motiveren. Volgens de verwerende partij geeft de verzoeker niet aan waarom het voorwerp van de aanvraag niet strookt met de toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften en wordt niet vermeld hoe geurhinder, schadelijke uitwasemingen van chemische producten en het gevaar op brand en ontploffingen zouden ontstaan ten gevolge van een verhoging van het vergunde debiet voor het winnen van grondwater. Zij stelt dat de minister heeft verwezen naar de toepasselijke regelgeving, de ontvankelijk bevonden beroepen en bijhorende argumenten en zijn de essentiële bezwaren terdege en op gemotiveerde wijze beantwoord. Voorts stelt zij dat de verzoeker niet betwist dat de betrokken inrichting stedenbouwkundig vergund is, dat in het bestreden besluit verwezen wordt naar het advies van de afdeling Stedenbouwkundig Beleid van 1 februari 2007 zodat rekening is gehouden met de stedenbouwkundige situatie, dat de verzoeker in het bestreden besluit de motieven kan lezen die geleid hebben tot de genomen beslissing en dat de motiveringsplicht de overheid niet verplicht te antwoorden op argumenten die niet terzake doen. 11. De verzoeker repliceert dat zijn uiteenzetting in zijn verzoekschrift geen stilzwijgende afstand inhoudt van zijn verzoek tot nietigverklaring tegen de milieuvergunning van 11 april 2002 en hij verwijst naar het auditoraatsverslag in de zaak gekend bij de Raad van State onder A. 125.210 waarin een gelijkaardig middel gegrond verklaard werd. 12. De tussenkomende partij stelt dat de bezwaren en aanspraken van de verzoeker geen betrekking hebben op het concrete voorwerp van het bestreden VII-37.007-8/13 besluit, met name de grondwaterwinning, dat hij niet aangeeft in welke mate de huidige aanvraag onverenigbaar zou zijn met de stedenbouwkundige voorschriften van het BPA "Roekhout" en evenmin hoe de verhoging van het vergunde debiet voor het winnen van grondwater voornoemde schadelijke gevolgen kan veroorzaken. Zij stelt dat de verwerende partij niet alle eerder vergunde activiteiten moet beoordelen, dat de verwerende partij zich heeft uitgesproken over de stedenbouwkundige verenigbaarheid van het concrete voorwerp van de milieuvergunningsaanvraag, dat irrelevante bezwaren niet beantwoord moeten worden en dat een positieve motivering volstaat. Volgens haar blijkt uit het bestreden besluit dat de verenigbaarheid met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening onderzocht is, dat het advies van de afdeling Stedenbouwkundig Beleid deze verenigbaarheid heeft bevestigd en dat, aangezien de hoofdactiviteit van de tussenkomende partij ongewijzigd blijft, de verwerende partij slechts moest benadrukken dat deze activiteit sinds jaren beschouwd wordt als zijnde verenigbaar met de plaatselijke omgeving en de planologische bestemming van de site. Voorts verwijst de tussenkomende partij naar het advies van de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en de door de deputatie en de verwerende partij opgelegde voorwaarden waaruit blijkt dat een beoordeling is gemaakt van de stedenbouwkundige verenigbaarheid. Zij besluit dat uit de motieven van het bestreden besluit blijkt dat de minister de aanvraag grondig en zorgvuldig heeft onderzocht, tot het besluit is gekomen dat de hinder die voortvloeit uit het voorwerp van de aanvraag niet van aard was om de milieuvergunning niet te verlenen en dat geantwoord is op de bezwaren inzake de stedenbouwkundige verenigbaarheid. 13. De verzoeker deelt in zijn laatste memorie volledigheidshalve mee dat de minister op 10 juli 2009, in heroverweging na het vernietigingsarrest van de Raad van State nr. 189.873 van 29 januari 2009, opnieuw de milieuvergunning heeft verleend voor de verandering van de inrichting voor een termijn eindigend op 1 september 2011 en dat hij hiertegen een annulatieberoep bij de Raad van State heeft ingediend. 14. In haar laatste memorie stelt de tussenkomende partij dat het bestreden besluit niet beperkt is tot het louter vermelden van gegevens over de ligging van de inrichting ten opzichte van nabijgelegen bestemmingsgebieden van het gewestplan en over de residentialisatiegraad in de onmiddellijke omgeving, noch louter gebaseerd is op het feit dat in 1996 de inrichting regulier was opgetrokken. VII-37.007-9/13 Beoordeling 15. Artikel 52, 3/, b), van Vlarem I bepaalt dat de uitspraak van de Vlaamse minister over het beroep tegen een door de deputatie van de provincie in eerste aanleg genomen beslissing over een ingediende milieuvergunningsaanvraag een "gemotiveerde beslissing" moet omvatten over "de aanspraken en bezwaren die door de indiener(
  5. s)van het beroep werden gesteld". De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht opgelegd door de motiveringswet is dat de betrokken bestuurde in de hem aanbelangende beslissing zelf, de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, onder meer opdat hij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Om aan die verplichting tegemoet te komen, is evenwel niet vereist dat de beslissing een antwoord geeft op alle argumenten die de betrokken bestuurde in de voorafgaande procedure heeft aangevoerd. Het is noodzakelijk doch voldoende dat de beslissing duidelijk de redenen doet kennen die haar verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom bepaalde door de bestuurde verdedigde stellingen niet worden gevolgd of waarom de adviezen in andersluidende zin niet worden gevolgd. De verzoeker heeft in zijn beroepschrift bij de Vlaamse minister van Leefmilieu onder meer aangevoerd dat de vergunningsaanvraag strijdig is met de toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften, inzonderheid met de bepalingen van het BPA "Roekhout", dat activiteiten zou uitsluiten waaraan "onaangename reuken, schadelijke of stankverspreidende uitwasemingen, overvloedige rook- of stofverspreiding, groot brand- of ontploffingsgevaar, oorverdovend en voortdurend lawaai" verbonden zijn. De met het bestreden besluit vergunde grondwaterwinning maakt integraal onderdeel uit van de inrichting voor de productie van voedingsmiddelen die de tussenkomende partij ter plaatse exploiteert. Uit de vergunningsaanvraag blijkt dat het diep grondwater gebruikt zal worden in toepassingen die drinkwaterkwaliteit vereisen terwijl het ondiep gewonnen grondwater - met "technische" waterkwaliteit- slechts gebruikt zal worden voor zogenaamd laagwaardige toepassingen. De stedenbouwkundige toetsing is vereist bij elke verandering van een vergunde inrichting. In een dergelijk geval mag de stedenbouwkundige toetsing niet beperkt blijven tot het voorwerp van de gevraagde verandering, maar moet ook het reeds bestaande bij die toetsing betrokken worden. De stedenbouwkundige VII-37.007-10/13 toetsing van een veranderingsaanvraag heeft immers in wezen tot doel te onderzoeken of de inrichting ná de beoogde verandering nog in overeenstemming is met de bestemmingsvoorschriften. De minister moest, wat de ruimtelijke inplanting van het bedrijf van de tussenkomende partij betreft, rekening houden met de bepalingen van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse - waarop de plaats ingekleurd is als industriegebied - en met de bepalingen van het BPA "Roekhout", dat voor de betrokken zone volgende bestemming vaststelt: "stapelplaatsen, bureaus en lichte niet schadelijke industrie met uitsluiting van alle industrie met volgende nadelen: onaangename reuken, schadelijke of stankverspreidende uitwasemingen, overvloedige rook- of stofverspreiding, groot brand- of ontploffingsgevaar, oorverdovend en voortdurend lawaai, ...". De verplichte stedenbouwkundige toetsing van de milieuvergunningsaanvraag houdt in dat de verwerende partij moest nagaan of het bedrijf, dat reeds ter plaatse gevestigd is en over een milieuvergunning beschikt, met de aangevraagde veranderingen nog ingepast kan worden in de bestemming als bepaald in het BPA. De vergunning kan slechts verleend worden in zoverre de concrete gegevens van het dossier aantonen dat de aangevraagde activiteit geen hinder zal veroorzaken die de grenzen, gesteld door het BPA, overtreft. Uit het bestreden besluit en uit het door het bestuur gevoerde onderzoek moet blijken dat de verwerende partij de overeenstemming met het BPA van de gewijzigde inrichting terdege onderzocht heeft en dat de minister in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat de aangevraagde inrichting toelaatbaar is omdat de uitbating de limieten, bepaald in het BPA, niet te buiten gaat. De verwerende partij heeft de beoordeling van de stedenbouwkundige verenigbaarheid tot uiting gebracht in de hiernavolgende motieven van het bestreden besluit : "Gelet op de ligging van de inrichting in een industriegebied volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 7 maart 1977; Gelet op het feit dat voor de plaats in kwestie het bijzonder plan van aanleg 'Roekhout' bestaat, dat volgens de gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften betreffende de industriële bouwzone, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 28 mei 1996, volgende bestemming voorziet: stapelplaatsen, bureaus en licht niet schadelijke industrie met uitsluiting van alle industrie met volgende nadelen: onaangename reuken, schadelijke of stankverspreidende VII-37.007-11/13 uitwasemingen, overvloedige rook- of stofverspreiding, groot brand- of ontploffingsgevaar, oorverdovend en voortdurend lawaai,...; Gelet op het feit dat de inrichting gelegen is op een afstand van circa: • 450 m van een woongebied ander dan woongebied met landelijk karakter; • 350 m van een woongebied met landelijk karakter; • 300 m van een woonuitbreidingsgebied; • 500 m van een parkgebied; Gelet op het feit dat er zich binnen een straal van 100 m rond het bedrijfsterrein circa 10 woningen en 2 appartementsgebouwen bevinden; Overwegende dat, wat de stedenbouwkundige verenigbaarheid betreft, de verschillende constructies en gebouwen van de inrichting grotendeels stedenbouwkundig vergund zijn; dat de betreffende inrichting reeds bestaat van vóór de wijziging van het bijzonder plan van aanleg en dat de inrichting ook is aangeduid op het plan 'Bestaande toestand' bij het bijzonder plan van aanleg van 18 mei 1996; dat de afdeling Stedenbouwkundig Beleid daarom een voorwaardelijk gunstig advies verleende". Noch het gegeven dat de gebouwen reeds stedenbouwkundig vergund zijn, noch het bestaan van een gedeelte van de inrichting vóór de totstandkoming van de bepalingen van het BPA, zijn afdoende om te besluiten dat een latere verandering van de inrichting verenigbaar is met de bestemmingsvoorschriften van het BPA "Roekhout". Bovendien stelt het BPA "Roekhout" strenge beperkingen aan de toegelaten activiteiten en staat de door het bestreden besluit vergunde verandering volledig in functie van de productie- activiteiten die de tussenkomende partij ter plaatse ontwikkelt. Het bestuur moet niet alle motieven hernemen die hij heeft gebruikt bij het verlenen van de vroegere vergunningen, doch moet nagaan of de uitbreiding van een vergunning nog verenigbaar is met de bestemmingsvoorschriften van de gehele inrichting. Met het louter vermelden van gegevens over de ligging van de inrichting ten opzichte van nabijgelegen bestemmingsgebieden van het gewestplan en over de residentialisatiegraad in de onmiddellijke omgeving, wordt niet afdoende tot uiting gebracht waarom de inrichting, rekening houdend met de concrete kenmerken ervan, verenigbaar is met de bestemmingsvoorschriften van het toepasselijke BPA. Het eerste middel is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 10 april 2007 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie VII-37.007-12/13 Vlaams-Brabant van 19 oktober 2006, houdende het verlenen aan de NV Puratos Group van de vergunning voor het veranderen van een grondwaterwinning, gelegen aan de Industrialaan 25 te Dilbeek, slechts gedeeltelijk gegrond worden verklaard. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een juli tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.007-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.375 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.