← België

Arrest 206376 - Natuurbehoud - Vergunningen - 01/07/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.376 Rolnummer: A. 187764/VII-37170 Zaak: Arrest 206376 - Natuurbehoud - Vergunningen - 01/07/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-13 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-07-02 11:28 Fiche Arrest nr 206.376 van 1 juli 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Opheffing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 206.376 van 1 juli 2010 in de zaak A. 187.764/VII-37.

  1. In zake: Viviane LEYMAN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Igor Rogiers kantoor houdend te Kalken Kalkendorp 17A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIE VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Karel Van Alsenoy kantoor houdend te Brussel Antoine Dansaertstraat 92 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 19 mei 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 20 maart 2008 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meise van 22 oktober 2007, houdende het gedeeltelijk verlenen van de natuurvergunning aan Mathilde De Wit voor het wijzigen van kleine landschapselementen, meer bepaald het verbreden van een gracht en het gedeeltelijk dempen van een poel, op percelen gelegen aan de Slozenstraat te Meise (Wolvertem), niet wordt ingewilligd en de beroepen beslissing wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
  3. Bij arrest nr. 182.114 van 17 april 2008 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ingewilligd. VII-37.170-1/12 Bij arrest nr. 190.650 van 19 februari 2009 zijn de debatten heropend en is het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek van de zaak. Eerste auditeur Peter Sourbron heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 mei
  4. Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jelle Flo, die loco advocaat Igor Rogiers verschijnt voor de verzoekster, en advocaat Ward Ghyselinck, die loco advocaat Karel Van Alsenoy verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. De feiten worden samengevat weergegeven in het tussenarrest nr. 190.650 van 19 februari
  7. VII-37.170-2/12 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  8. In een eerste middel voert de verzoekster de schending aan van de artikelen 5, 6, 7 en 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (hierna : decreet integraal waterbeleid), de artikelen 3, 4, 5, en 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstantie en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 8 van het decreet integraal waterbeleid en van de verplichting voor de administratieve overheid om haar beslissingen te steunen op in rechte en in feite aanvaardbare motieven. In een eerste onderdeel betoogt de verzoekster dat het bestreden besluit steunt op een watertoets die ondeugdelijk is omdat de schadelijke effecten die aan het dempen van de poel verbonden zijn, meer bepaald de invloed op het waterbufferend vermogen en op het afstroomregime, onvoldoende beperkt of gecompenseerd worden. Voorts zijn volgens haar de beoordelingsschema's, vastgesteld in bijlage III, IV en VII van voornoemd besluit van de Vlaamse regering van 20 juli 2006, niet gevolgd. In het tweede onderdeel stelt de verzoekster dat de motivering ook in formeel opzicht niet voldoet, omdat uit de motieven van het bestreden besluit volgens haar niet blijkt dat de aanvraag getoetst werd aan de doelstellingen en de beginselen geformuleerd in de artikelen 5 en 6 van het decreet integraal waterbeleid. Er ontbreekt volgens haar een zogenaamde waterparagraaf.
  9. De verwerende partij antwoordt, met betrekking tot het eerste onderdeel, dat uit het dossier blijkt dat er een watertoets is gebeurd en dat zij niet uitvoerig moet motiveren waarom zij zich aansluit bij de adviezen die terzake werden uitgebracht. Met betrekking tot het tweede onderdeel antwoordt zij dat de verwijzingen naar de structuurkwaliteit van de bedding van de waterlopen en de reliëfveranderingen niet relevant zijn en dat de poel niet in een overstromingsgevoelig gebied ligt, zodat volgens de geldende regelgeving geen verdere maatregelen vereist zijn. VII-37.170-3/12
  10. De verzoekster repliceert dat de opgelegde compenserende maatregelen niet volstaan om afwateringsproblemen te voorkomen. Voorts stelt de verzoekster met betrekking tot het tweede middelonderdeel dat het feit dat de poel niet in een overstromingsgebied gelegen is, een onvoldoende motief is, zeker omdat de overkant van de straat wel overstromingsgevoelig is. Beoordeling
  11. Artikel 8, § 5, van het decreet integraal waterbeleid onderwerpt de natuurvergunning aan een watertoets. De watertoets verplicht de vergunning- verlenende overheid ertoe, overeenkomstig artikel 8, § 1, van het decreet integraal waterbeleid, er zorg voor te dragen dat "geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd". De verzoekster heeft in haar beroepschrift tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meise van 22 oktober 2007 onder meer aangevoerd dat de bestaande poel een waterbufferende functie heeft en dat die functie in het gedrang wordt gebracht door het gedeeltelijk dempen van de poel. Die bezwaren worden in het bestreden besluit als volgt geëvalueerd : "
  12. De waterbufferende functie - De afspoeling van regenwater wordt voorkomen door het graven van geulen en grachten zoals voorgesteld door de aanvrager en vergund door het college (zie verslag van het onderzoek). - De poel is volgens de watertoets gelegen buiten elk overstromingsgevoelig gebied en volgens de overstromingskaarten buiten elk risicozone voor overstroming (versie 2006). Aan de overkant van de Slozenstraat ligt wél een overstromingsgevoelig gebied. - Het uitdiepen van de gracht tussen de overblijvende poel en perceel 38r en de geulen rond perceel 41b zullen de buffercapaciteit verhogen. (...)
  13. Conclusie van de beroepindiener (...). De mogelijke verstoring van de natuurlijke waterhuishouding wordt beperkt door het aanleggen van afvoergeulen rond perceel 41b en het verdiepen van de zone tussen de overblijvende poel en het perceel 38r waarop bebouwing staat". Het bestreden besluit bevestigt de in eerste aanleg genomen beslissing van 22 oktober
  14. Zodoende treedt de verwerende partij de voorwaarden bij die de in eerste aanleg beoordelende instantie had verbonden aan VII-37.170-4/12 het verlenen van de gevraagde vergunning. Die voorwaarden, die deels betrekking hebben op het behoud en de compensatie van natuurwaarden, worden in het bestreden besluit integraal aangehaald : "
  15. de waterbuffercapaciteit blijft behouden en het verlies aan buffercapaciteit dient gecompenseerd te worden;
  16. de natuurwaarden blijven behouden en het verlies aan natuurwaarden dient gecompenseerd te worden. Als passende compensatie wordt hierbij aanvaard:
  17. het aanvullen van het terrein op perceel 2 C nr. 42 c wordt beperkt tot een welomschreven gedeelte: vanaf het punt 40b-40g wordt een lijn getrokken parallel met 44p (20m breed) en vanuit punt 38r-38p wordt een lijn getrokken parallel met 43h; de zone tussen deze lijnen en de percelen 38r-40b moet behouden blijven (dikke lijnen op het plan)
  18. ter compensatie van de afgenomen buffercapaciteit wordt de zone tussen de poel en perceel 38r afgegraven, zonder evenwel stabiliteits- of andere problemen te veroorzaken;
  19. ter compensatie van de afgenomen natuurwaarden worden knotwilgen aangeplant en/of de zone tussen de poel en perceel 38r dusdanig ingericht dat de natuurwaarde verhoogt;
  20. het slib vrijkomende uit de afgraving zoals hierboven gesteld en de uitdieping van de gracht op de grens met perceel 2 C 40b, zoals voorgesteld door de aanvrager, wordt als eerste aanvulgrond aangewend;
  21. de bovenvermelde aanhoging wordt beperkt tot 500 m³ grond, in overeenstemming met de regels van grondverzet conform het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering van 5 maart 1996;
  22. de afstroomrichting van het aangehoogde terrein blijft behouden, hiertoe dient een minimaal verval in de richting van de poel gerespecteerd te blijven. (...) Het overblijvende deel van de poel zal uitgediept worden en er zal riet en lis aangeplant worden om de natuurwaarde te verhogen. Om afspoelingsproblemen van regenwater naar naburige percelen te vermijden zal tussen het overblijvende poelgedeelte van perceel 42 c en perceel 38 r waarop een woning staat, een strook afgegraven worden en wordt op het belendende perceel 41 b rondom een geul gegraven van 20 cm. Deze maatregelen ter vrijwaring van de buffercapaciteit en ter compensatie van het mogelijke verlies aan natuurwaarden in het gebied zijn duidelijk verwoord in bovenvermelde bijzondere vergunningsvoorwaarden opgenomen in het vergunningenbesluit van het college. Bovendien heeft het college de zone die moet behouden blijven duidelijk afgebakend tov het gedeelte dat mag opgevuld worden tot bestemming landbouwgrond". De verzoekster toont niet aan dat de maatregelen ter compensatie van het verlies aan buffercapaciteit, inzonderheid de aanleg van afvoergeulen, de uitdieping van een bestaande gracht, de afgraving van de zone tussen het resterende gedeelte van de poel en het perceel nr. 38r en het behoud van de afstroomrichting naar de poel, kennelijk onvoldoende zijn om het gebeurlijk schadelijk effect ten gevolge van de gedeeltelijke ophoging van perceel nr. 42c te compenseren, rekening houdend met het feit dat een gedeelte van de poel behouden blijft en het resterende gedeelte zijn waterbufferende functie kan blijven vervullen. Bovendien laten de VII-37.170-5/12 concrete dossiergegevens niet toe te concluderen dat het gedeeltelijk dempen van de poel een wezenlijk ontwrichtend effect heeft op het beheer van het hemelwater in een omgeving die gekenmerkt wordt door akkers en weilanden. De bijzondere motiveringsverplichting waartoe de vergunning- verlenende overheid in het kader van het decreet integraal waterbeleid gehouden is, reikt niet zover dat de motivering in verband met de watertoets punt per punt afgestemd moet worden op de beoordelingsschema’s die als bijlage gevoegd zijn bij voornoemd besluit van de Vlaamse regering van 20 juli
  23. Evenmin is vereist dat in de motivering van de genomen beslissing wordt aangeduid welke beoordelingsschema's gevolgd worden en welke niet. De verzoekster toont niet aan dat de watertoets te dezen ondeugdelijk is.
  24. Volgens artikel 8, § 2, tweede lid, van het decreet integraal waterbeleid is de vereiste motivering beperkt tot de "relevante" doelstellingen en beginselen van het integraal waterbeleid. De verzoekster toont niet aan dat de verwerende partij, benevens de aspecten die in het bestreden besluit zijn onderzocht en die inzonderheid verband houden met het beheer van het hemelwater, nog andere relevante doelstellingen of beginselen bij haar beoordeling moest betrekken. Uit de bespreking van het eerste onderdeel blijkt dat de verwerende partij aandacht heeft gehad voor de watertoets. In het bestreden besluit worden de redenen opgegeven waarom de beroepsargumenten van de verzoekster terzake de aantasting van het waterbufferend vermogen van de poel niet worden bijgetreden. Hoewel die redenen vormelijk niet zijn ondergebracht in één afzonderlijke "waterparagraaf", hebben de desbetreffende motieven voldoende duidelijk betrekking op de watertoets. De wijze waarop de motieven in het bestreden besluit zijn voorgesteld heeft de verzoekster immers toegelaten inhoudelijke kritiek te leveren op de watertoets. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel
  25. Het tweede middel wordt niet gegrond bevonden in het tussenarrest nr. 190.650 van 19 februari
  26. VII-37.170-6/12 C. Derde middel Standpunt van de partijen
  27. In een derde middel voert de verzoekster de schending aan van de artikelen 7 en 8 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna : vegetatiebesluit). De verzoekster haalt aan dat het bestreden besluit betrekking heeft op het dempen van een moeras en een waterrijk gebied en verwijst naar de omzendbrief van 10 november 1998 betreffende algemene maatregelen inzake natuurbehoud en wat de voorwaarden voor het wijzigen van vegetatie en kleine landschapselementen betreft volgens het vegetatiebesluit, alsook naar de omschrijving van "moerassen en waterrijke gebieden" in bijlage V van het vegetatiebesluit. Volgens de verzoekster blijkt uit de adviezen van de afdeling Natuur van 28 november 2005 en 28 februari 2006 en uit het advies van de provinciale dienst Leefmilieu, onder meer door de vaststelling dat het gebied begroeid is met riet en lisdodde, dat het betrokken gebied moeras is. De verzoekster stelt dat artikel 7, § 1, 6/, van het vegetatiebesluit de wijziging van moerassen en waterrijke gebieden verbiedt en dat ingevolge artikel 8, § 1, van het vegetatiebesluit enkel de minister bevoegd voor natuurbehoud een individuele afwijking op deze verbodsbepaling kan verlenen. De verzoekster concludeert dat noch het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meise, noch de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant bevoegd zijn om wijzigingen van moerassen van waterrijke gebieden toe te staan.
  28. De verwerende partij antwoordt dat er te dezen van een moeras geen sprake is, maar wel van een drassig perceel dat begroeid is met brandnetels en akkerdistels die geen natuurwaarde hebben en dat in de regelgeving de natuurlijke moerasgebieden bedoeld worden en de moerassen van waterrijke gebieden en niet een kunstmatige poel die gevoed wordt door het afvalwater van de verzoekster.
  29. De verzoekster repliceert dat de verwerende partij voorbijgaat aan meerdere adviezen, dat die adviezen nog steeds actueel zijn, ook al werden sommige ervan uitgebracht tijdens een vorige procedure en dat niet betwist wordt dat de poel in kwestie begroeid is met riet. VII-37.170-7/12
  30. De verzoekster stelt in haar laatste memorie dat moerassen en waterrijke gebieden zowel in het vegetatiebesluit als in de bijlage V van dat besluit als afzonderlijke vegetaties beschouwd worden en dat een moeras niet steeds deel uitmaakt van een ruimer waterrijk gebied. Volgens de verzoekster hebben de afdeling Natuur, de provinciale dienst Leefmilieu en het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meise vastgesteld dat het gebied een moeras is. Beoordeling
  31. Artikel 11, § 1, 1/, c), van het vegetatiebesluit, zoals het luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, verbiedt "het uitgraven, verbreden, rechttrekken, dichten van stilstaande waters, poelen of waterlopen" zonder voorafgaande en uitdrukkelijke schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en schepenen. De bestreden natuurvergunning voor het gedeeltelijk dempen van een poel werd verleend op grond van voormelde bepaling. Artikel 7, § 1, van het vegetatiebesluit luidde : "§
  32. Onverminderd de bepalingen van artikel 9 van het decreet is het wijzigen van de volgende kleine landschapselementen en vegetaties verboden: 1/ holle wegen; 2/ graften; 3/ bronnen; 4/ historisch permanent grasland en poelen gelegen in groengebieden, parkgebieden, buffergebieden en bosgebieden; 5/ vennen en heiden; 6/ moerassen en waterrijke gebieden; 7/ duinvegetaties. De onder punten 5/, 6/, en 7/ vermelde vegetaties worden nader aangegeven in bijlage V". Artikel 8, § 1, van hetzelfde besluit luidde : "De minister kan bij gemotiveerd besluit individuele afwijkingen toestaan op de verbodsbepalingen van artikel 7, mits de aanvrager de zorgplicht opgelegd door artikel 14 van het decreet naleeft". Noch in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna : natuurbehouddecreet), noch in het vegetatiebesluit wordt het begrip "moeras" nader omschreven. Artikel 2, 20/, van het natuurbehouddecreet definieert het begrip "waterrijke gebieden" als volgt : VII-37.170-8/12 "gebieden met moerassen, vennen, veen- of plasgebieden, natuurlijk of kunstmatig, blijvend of tijdelijk, met stilstaand of stromend water, zoet, brak of zout, met inbegrip van zeewater, waarvan de diepte bij eb niet meer is dan zes meter". Volgens deze begripsomschrijving vormen de moerassen, met hun kenmerkende vegetatie, een specifieke verschijningsvorm van een waterrijk gebied. De concrete gegevens van de zaak laten niet toe te besluiten dat de poel in kwestie onderdeel vormt van een ruimer waterrijk gebied. Het betreft immers een poel met een eerder beperkte oppervlakte - ongeveer één are poel met rondom ongeveer acht aren "moeras" - die geïsoleerd gelegen is temidden percelen die voor de landbouw in gebruik zijn. De loutere en dan nog veeleer beperkte aanwezigheid van typische moerasvegetatie maakt van de betrokken poel geen moeras in de zin van het natuurbehouddecreet. Ook dient de oppervlakte waarover de typische vegetatie zich uitstrekt voldoende groot te zijn opdat er sprake zou kunnen zijn van "gebied". Dit is in dezen niet het geval. Er kan bijgevolg niet aangenomen worden dat de toelating voor het gedeeltelijk dempen van de bestaande poel het voorwerp moest zijn van een door de minister op grond van artikel 8, § 1, van het vegetatiebesluit verleende individuele afwijking. Het derde middel is ongegrond. D. Vierde middel Standpunt van de partijen
  33. In een vierde middel voert de verzoekster de schending aan van artikel 99 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.), van artikel 23 van de Grondwet, van artikel 8 van het verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna : EVRM), van artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM, van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel, het "belangenafwegingsbeginsel", van de verplichting voor elke administratieve overheid om haar beslissingen te steunen op in rechte en in feite aanvaardbare motieven en van het verbod op machtsoverschrijding. VII-37.170-9/12 De verzoekster stelt in een eerste onderdeel dat de vergunde werken aanmerkelijke wijzigingen aan het reliëf inhouden waarvoor een stedenbouwkundige vergunning vereist is overeenkomstig artikel 99, § 1, 4/, van het D.R.O., omdat ongeveer acht aren poel en moeras met 500 m³ opgehoogd worden en een oppervlakte van ongeveer 3,5 are uitgegraven wordt. Zij stelt dat om die reden het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos negatief was, dat in het bestreden besluit niet ontkend wordt dat de vergunde werken een stedenbouwkundige vergunning vereisen, dat deze werken niet door een loutere natuurvergunning kunnen worden vergund, dat de vraag of de poel destijds al dan niet vergund werd, irrelevant is en dat de verwerende partij in 2005 aan de gemeente kopie heeft gevraagd van "het volledige bouwdossier zoals ingediend door de aanvrager en samengesteld overeenkomstig het ministerieel besluit van 6 februari 1971 tot vaststelling van de samenstelling van het dossier van de aanvraag om bouwvergunning, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 30 mei en 28 oktober 1972". In een tweede onderdeel stelt de verzoekster dat zij geconfronteerd wordt met een vergunning waaraan zij vreemd is, maar die gevolgen heeft voor haar, dat zij niet langer haar huishoudelijk water kan lozen als voorheen, dat door de betrokken overheden standpunten zijn ingenomen en is beslist hoe zij in de toekomst haar water moet lozen zonder haar te horen.
  34. De verwerende partij antwoordt met betrekking tot het eerste onderdeel dat de wetgeving niet voorziet in een voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, dat de grief van de verzoekster tegenstrijdig is met het derde middel dat veronderstelt dat een bouwvergunning niet noodzakelijk is, dat in het bestreden besluit enkel wordt gesteld dat de procedure voor het verkrijgen van een natuurvergunning los staat van de procedure voor het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning en dat het in ieder geval niet aan de overheid die gehouden is om uitspraak te doen over een natuurvergunningsaanvraag, toekomt om uit te maken of een stedenbouwkundige vergunning al dan niet vereist is. Met betrekking tot het tweede onderdeel beklemtoont de verwerende partij dat het bestreden besluit geen uitspraak doet over de wijze waarop de verzoekster haar afvalwater in de toekomst moet lozen.
  35. In de memorie van wederantwoord verwijst de verzoekster naar het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos dat precies om reden van het ontbreken van een stedenbouwkundige vergunning ongunstig was. Voorts stelt de VII-37.170-10/12 verzoekster vast dat door de verwerende partij niet wordt betwist dat de gevolgen voor de lozing van haar huishoudelijk afvalwater niet werden onderzocht.
  36. In haar laatste memorie stelt de verzoekster nogmaals dat, overeenkomstig artikel 10, § 2, 2/, van het vegetatiebesluit, een stedenbouwkundige vergunning moest worden aangevraagd die voor advies moest worden voorgelegd aan het Agentschap voor Natuur en Bos, wat te dezen niet gebeurd is. Volgens haar blijkt minstens impliciet uit dit artikel dat een natuurvergunning niet kan worden verkregen wanneer voor de werken een stedenbouwkundige vergunning vereist is. Beoordeling
  37. Artikel 99, § 1, van het D.R.O. bepaalde niet dat een natuurvergunning, die gepaard gaat met stedenbouwkundig vergunningsplichtige werken, niet mag worden verleend alvorens de vereiste stedenbouwkundige vergunning werd verkregen. De verzoekster duidt evenmin een bepaling van het natuurbehouddecreet aan die een dergelijke strekking zou hebben. In het bestreden besluit kon de verwerende partij dan ook terecht concluderen dat "niet gewacht (kan) worden met het beoordelen van de natuurvergunningsaanvraag totdat de eventuele bouwvergunning bekomen werd".
  38. Inzake het tweede onderdeel volstaat het om, samen met de verwerende partij, vast te stellen dat het bestreden besluit waarbij uitspraak wordt gedaan over een aanvraag tot het verkrijgen van een natuurvergunning, geen rechtsgevolgen in het leven roept voor wat betreft de lozing van het afvalwater van de verzoekster. Zij moest hieromtrent niet gehoord worden. Het vierde middel is ongegrond. BESLISSING
  39. De Raad van State heft de bij arrest nr. 182.114 van 17 april 2008 bevolen schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid op.
  40. De Raad van State verwerpt het beroep. VII-37.170-11/12
  41. De verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een juli tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.170-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.376 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.114 ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.650 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.