id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.403 Rolnummer: A. 184355/VII-37739 Zaak: Arrest 206403 - Bewakingsondernemingen - 05/07/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-09 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 11:38 Fiche Arrest nr 206.403 van 5 juli 2010 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 206.403 van 5 juli 2010 in de zaak A. 184.355/VII-37.
- In zake: Glenn GILLIS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan De Man kantoor houdend te Schoten Venstraat 153 A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 12 juli 2007, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 15 mei 2007 waarbij wordt vastgesteld dat Glenn Gillis niet meer voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 6, eerste lid, 8/, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid (hierna : bewakingswet). II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 juni
- VII-37.739-1/11 Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Attaché Dominique Van Dam, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker heeft op 27 november 2002 een identificatiekaart verkregen voor het uitvoeren van bewakingsactiviteiten bij de BVBA Blok Security Mobile. Respectievelijk op 23 maart 2006 en 20 maart 2006 dienen de vergunde bewakingsondernemingen BVBA Scorpions Security en BVBA ADC Guard een aanvraag in om voor de verzoeker een identificatiekaart te verkrijgen voor het uitvoeren van bewakingsactiviteiten als uitvoerend personeelslid van die ondernemingen. 3.
- Het verslag van het veiligheidsonderzoek dat als gevolg van deze aanvragen wordt gevoerd, maakt melding van een aantal processen-verbaal, onder meer inzake opzettelijke slagen en verwondingen en het onwettig bezit en wederrechtelijk dragen van verboden wapens. 3.
- Op basis van dit verslag oordeelt de Commissie onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden op 27 november 2006 dat de verzoeker niet meer aan de veiligheidsvoorwaarden voldoet en dat een procedure tot intrekking van zijn identificatiekaart moet worden aangevat. 3.
- Met een brief van 18 januari 2007 wordt aan de verzoeker meegedeeld dat de minister van Binnenlandse Zaken op basis van de voormelde processen-verbaal overweegt de identificatiekaarten in te trekken, respectievelijk te weigeren. VII-37.739-2/11 3.
- Op 6 maart 2007 dient de raadsman van de verzoeker een verweerschrift in. De verzoeker wordt op 29 maart 2007 door een ambtenaar van de Directie Private Veiligheid gehoord. 3.
- Met de thans bestreden beslissing van 15 mei 2007 stelt de minister van Binnenlandse Zaken vast dat de verzoeker niet (meer) voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 6, eerste lid, 8/, van de bewakingswet. Die beslissing steunt op de volgende motieven : "(...) - Overwegende dat men U in het proces-verbaal AN.36.23.023088/2006 dd. 16/03/2002 verboden wapenbezit alsook verboden wapendracht ten laste legt. Meer bepaald wordt U tijdens het uitoefenen van Uw functie als portier in het bezit gevonden van een springmes. Tevens wordt in Uw onmiddellijke nabijheid (nl. in de vestiaire) twee baseballbats aangetroffen. U doet vrijwillig en definitief afstand hiervan. Hoewel U in Uw schriftelijk verweer dd. 6 maart 2007 niets zegt over dit proces-verbaal, stelt U in Uw verhoor dd. 29 maart 2007 in dit verband het volgende: 'Aangaande het pv dat is opgesteld in verband met verboden wapenbezit kan ik zeggen dat het mes dat ik bij had niet van mij was, maar dat ik dit heb afgenomen van een persoon wiens toegang ik geweigerd had. Ik heb dit eveneens aan de politie verklaard en dit is opgenomen in een verhoor afgenomen door de cel portiers van de politie. Van die baseballbats die gevonden waren, wist ik niets daar ik nog maar pas werkte in Exhale. Deze bats waren waarschijnlijk van vroegere portiers die intussen ontslagen waren'. Overwegende dat, hoewel dit proces-verbaal zich nog steeds in vooronderzoek bevindt, uit de vaststellingen van verbalisanten vaststaat dat U zich schuldig heeft gemaakt aan bovenvermelde feiten van verboden wapendracht en/of -bezit; Overwegende dat Uw verklaring in verband met deze wapens, nl, dat U het mes van een klant had afgenomen en dat U geen weet had van de baseballbats, niet geloofwaardig overkomt. Dat dit trouwens niet afdoet aan het feit dat verbalisanten hebben vastgesteld dat U in het onwettig bezit alsook dracht was van niet minder dan drie verboden wapens. Dat er in dit verband ook een proces-verbaal ten Uwer laste werd opgesteld; Dat voor wat betreft Uw stelling dat U het mes van een klant had afgenomen geen positieve bijdrage levert aan Uw dossier aangezien U, indien dit werkelijk het geval was, onmiddellijk de politionele diensten had moeten oproepen die het verboden wapen vervolgens in beslag hadden kunnen nemen; Overwegende dat, door U een illegaal wapen aan te schaffen of dit in Uw bezit te hebben, ongeacht of U het wapen al dan niet gebruikt heeft of gaat gebruiken en ongeacht de reden die U tot de aanschaf of het bezit aanzette, U de vigerende regelgeving, inzonderheid de wapenwetgeving, reeds overtreden heeft; Overwegende dat de wetgever van mening is dat de personen die belast zijn met de bewakingsactiviteiten van persoonscontrole vaak geconfronteerd worden, meer dan zij die zich bezighouden met andere bewakingsactiviteiten, met conflictsituaties. Dat de uitoefening van deze bewakingsactiviteit vereist dat men in een conflictsituatie een evenwicht vindt tussen enerzijds een VII-37.739-3/11 efficiënte controle en anderzijds het respect voor de fundamentele rechten van de mens; Dat het de uitdrukkelijke wil is van de wetgever dat men bij de activiteit van persoonscontrole op een preventieve manier te werk gaat en een conflict benadert vanuit een psychologische hoek eerder dan zijn toevlucht te nemen tot wapens of geweld; Dat indien deze aanpak niet de verhoopte resultaten oplevert, de bewakingsagent zich moet onthouden van elke andere tussenkomst en de politiediensten onmiddellijk moet verwittigen; Overwegende dat het verboden wapenbezit een doorslaggevend element is in het vormen van een oordeel met betrekking tot de ingesteldheid van een persoon die een gereglementeerd en delicaat beroep wenst uit te oefenen. Dat in principe de private bewaking immers op ongewapende wijze gebeurt aangezien ze een louter preventieve functie heeft. Dat taken waarbij het dragen van wapens noodzakelijk is, principieel worden uitgevoerd door de politie; Overwegende dat de wapenwetgeving uitdrukkelijk het onwettig bezit en dracht van bepaalde wapens door particulieren verbiedt. U deinst er echter blijkbaar niet voor terug de wapenwetgeving, een wetgeving die van openbare orde is en die iedereen wordt verondersteld te kennen, te overtreden; Overwegende dat de wetgever er van uit ging dat de bewakingsactiviteiten in beginsel ongewapend dienen te worden uitgeoefend aangezien de activiteiten van de private veiligheidssector een louter proactieve, preventieve functie hebben. Bovendien zijn bewakingsagenten niet gerechtigd enige dwang of geweld te gebruiken. Derhalve werd voorzien in een algemeen verbod om welbepaalde bewakingsactiviteiten gewapend uit te oefenen. Het betreft meerbepaald activiteiten die in het algemeen contacten met medeburgers impliceren (persoonscontrole, goederenbewaking op publiek toegankelijke plaatsen,...). De wetgever ging ervan uit dat de bewakingsagenten zich vaak in conflictueuze situaties kunnen bevinden waarin wapendracht provocerend zou kunnen werken of de agenten ertoe zou kunnen aanzetten in een crisissituatie op onverantwoorde wijze gebruik te maken van zijn wapen of op een wijze waardoor argeloze aanwezigen gekwetst zouden kunnen worden. Daarom is het verboden dat men tijdens de uitoefening van de meeste delicate bewakingsopdracht, met name persoonscontrole, zijn toevlucht zou nemen tot het gebruik van wapens; Gelet op de wil van de wetgever dat bewakingsactiviteiten geweldloos en in principe zonder wapens worden uitgeoefend, is het belangrijk na te gaan, voor elke bewakingsagent afzonderlijk, of hij in geval van conflict geneigd zal zijn terug te vallen op wapens of ander geweld; Dat in casu het veiligheidsonderzoek bepaalde feiten, onder meer verboden wapendracht, aan het licht bracht; Overwegende dat men terecht kan veronderstellen dat iemand die in het bezit wordt gevonden van illegale wapens de intentie heeft het te gebruiken of er minstens mee zal dreigen ingeval van bedreiging anders had hij het wapen niet bij zich; Overwegende dat aangezien deze feiten zich afspeelden in uitoefening van functie als bewakingsagent, er dan ook terecht voor gevreesd kan worden dat U, die activiteiten wenst uit te oefenen die in se conflictueuze situaties met medeburgers met zich mee kunnen brengen, Uw toevlucht zal nemen tot een verboden wapen zo U zich bij de verdere uitoefening van Uw bewakingsactiviteiten bedreigd zou voelen; Overwegende dat een springmes en baseballbats verboden wapens zijn en dat het gebruik van wapens- zelfs legale wapens- tijdens de uitoefening van Uw beroep als portier verboden is; VII-37.739-4/11 Overwegende dat voormelde feiten op zich reeds volstaan om te oordelen dat U niet voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 6, eerste lid, 8/. Overwegende dat uit de processen-verbaal met nummers AN.43.LB.079436- 2004 en AN.92.LB.093256-2005 tevens blijkt dat U in uitoefening van Uw job als portier handelingen stelt die volledig in strijd zijn met de letter en de geest van de wet nl. het gebruik van dwang om 'ongewenste' personen uit de zaak te zetten alsook het aanvaarden van fooien; Overwegende dat dit blijkt uit Uw verhoren die U destijds aflegde tegenover verbalisanten in de hierboven vermelde processen-verbaal: 'Hierop heb ik met een lichte duw beiden buiten de zaak gezet'; 'Eén van de 2 gaf mij een tip, namelijk 1 euro. Ik zei dat dit niet de gewoonte was gezien er geen inkom is'; Overwegende dat een bewakingsagent over geen andere bevoegdheden beschikt dan een gewone burger en hij zich bijgevolg dient te onthouden van énige vorm van dwang of geweld (artikel 8, § 6 bis van de bewakingswet); Overwegende dat voor wat betreft het aanvaarden van fooien U in Uw verweer stelt dat dit proces-verbaal handelt 'over een discussie over een fooi, die U niet wenste aan te nemen, waarop U slechts één van de twee klanten terug binnenliet om hierover de manager te spreken(?); dat deze uitleg echter volledig onlogisch en in strijd is met wat U destijds verklaarde aan de verbalisanten. Dat uit laatstgenoemde verklaring immers blijkt dat U niet tevreden was met maar 1 euro, temeer daar de inkom al gratis was. Dat het ook ongeloofwaardig overkomt dat een klant zou willen klagen bij de manager omdat de portier een fooi niet wilt aannemen; Overwegende dat de wet echter uitdrukkelijk het bekomen van fooien of andere beloningen verbiedt aan bewakingsagenten (artikel 8 § 9 van de bewakingswet); Overwegende dat deze feiten, zij het in ondergeschikte orde, eveneens wijzen op het feit dat U zich niet houdt aan belangrijke opgelegde regels in het kader van Uw beroep en deze gegevens opnieuw aantonen dat U niet beschikt over de juiste mentaliteit als bewakingsagent; Overwegende dat, voor wat betreft de referentiebrieven die U aan Uw verweer heeft toegevoegd, het uiteraard zo is dat het uiteindelijk de Minister van Binnenlandse Zaken is die een beslissing dient te nemen op basis van alle elementen die hem ter kennis werden gebracht naar aanleiding van de gevoerde procedure. Om evidente redenen zijn andere personen zoals de werkgever of een collega-portier, minder goed geplaatst om een oordeel te vormen in dit verband, temeer daar zij niet steeds op de hoogte zijn van de gerechtelijke antecedenten van de persoon in kwestie om wie het veiligheidsonderzoek draait; Overwegende dat de wetgever het voorbehouden van de toegang tot de private veiligheidssector aan moreel en professioneel betrouwbare personen als hoofddoelstelling voorop stelde; Dat op basis van voornoemde feiten ik de mening ben toegedaan dat U niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 6, lid 1, 8/ van de bewakingswet; Dat voornoemde feiten in Uwen hoofde wijzen op een algemene ingesteldheid die niet beoogd wordt door de wetgever ten aanzien van personen die werkzaam zijn in de bewakingssector; Om deze redenen, stel ik vast dat U niet (meer) voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 6, lid 1, 8/ van de bewakingswet; (...)". VII-37.739-5/11 IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker roept in een enig middel de schending in van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, van de materiële motiveringsplicht en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De verzoeker stelt vooreerst dat de bestreden beslissing onduidelijk is bij gemis aan uitdrukkelijke intrekking en/of weigering van de identificatiekaart. Bovendien steunt de beslissing op feiten die niet bewezen zijn en staat zij niet in een redelijke verhouding tot de feiten. De verzoeker merkt op dat hij reeds 13 jaar als portier werkzaam is en plots geconfronteerd wordt met zeven processen-verbaal over alleenstaande feiten die veelal jaren in de tijd teruggaan en waardoor men de indruk poogt te wekken dat hij zijn taak niet naar behoren zou hebben uitgeoefend. Voorts betwist de verzoeker de feiten die het voorwerp uitmaken van de processen-verbaal AN.43.LB.079436-2004 van 28 juli 2004 en AN.92.LB.093256-2005 van 6 september 2005 en desbetreffend verwijst hij naar zijn brief van 6 maart 2007 en zijn verklaringen aan de politie waarin de door de verwerende partij gegeven versie van de feiten wordt tegengesproken. Wat betreft het proces-verbaal AN.36.23.023088-2002 van 16 maart 2002, zo stelt de verzoeker, heeft de verwerende partij ten onrechte als vaststaand aangenomen dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan feiten van verboden wapendracht en/of -bezit. Hij beklemtoont dat het dossier reeds meer dan vijf jaar in onderzoek is waaruit mag worden afgeleid dat het parket hieraan niet de hoogste prioriteit heeft verleend. Daarbij wordt het vermoeden van onschuld miskend. De verzoeker wijst er daarenboven op dat hij een duidelijke uitleg heeft verschaft over de omstandigheden waarin de wapens werden aangetroffen en de constitutieve bestanddelen van deze tenlastelegging niet verenigd zijn. Het is bovendien onaanvaardbaar dat de verwerende partij de veronderstelling maakt dat hij de intentie zou hebben gehad de verboden wapens te gebruiken of ermee te dreigen. De sanctie die hem thans wordt opgelegd zou in wanverhouding staan tot de hem ten laste gelegde fout. De verzoeker wijst in dat verband op zijn lange loopbaan in de bewakingssector, op het feit dat hij zich al die jaren nooit schuldig heeft gemaakt aan verboden wapendracht VII-37.739-6/11 en/of -bezit, op het gegeven dat hij de bewakingsactiviteiten in hoofdberoep uitoefent en op een verklaring van een collega waarin gesteld wordt dat hij de voorbije jaren blijk heeft gegeven van zijn vaardigheden als portier.
- De verwerende partij antwoordt dat uit de bestreden beslissing niet anders besloten kan worden dan dat de afgifte van de nieuw aangevraagde identificatiekaart wordt geweigerd en dat de verzoeker de identificatiekaart die hij reeds in zijn bezit heeft moet inleveren, dat de feiten die het voorwerp uitmaken van de processen-verbaal AN.43.LB.079436-2004 en AN.92.LB.093256-2005 slechts worden aangehaald om in ondergeschikte orde aan te tonen dat de verzoeker niet voldoet aan de veiligheidsvoorwaarden en niet beschikt over de juiste ingesteldheid voor de functie van bewakingsagent, dat wat betreft de feiten vervat in het proces- verbaal AN.36.23.023088-2002 de verklaringen van de verzoeker niets afdoen aan de vaststellingen van de verbalisanten die bij hun ambtsaanvaarding de eed hebben afgelegd, dat in redelijkheid aangenomen kan worden dat de vaststellingen van de verbalisanten correct zijn, namelijk dat de verzoeker tijdens de uitoefening van bewakingsactiviteiten in het bezit was van een springmes, wat een verboden wapen is, dat dit gegeven wordt versterkt door de verklaringen van de verzoeker die in zijn verhoor op 29 maart 2007 zelf heeft toegegeven in het bezit te zijn geweest van een springmes, dat het feit of dat mes al dan niet van de verzoeker is, weinig uitmaakt vermits het louter bezit van het wapen reeds een inbreuk vormt op de wapenwetgeving die overigens van openbare orde is, dat het gegeven dat het dossier reeds meer dan vijf jaar in vooronderzoek is, niet belet dat het bestuur rekening mag houden met de feiten, dat uit de motivering van de bestreden beslissing duidelijk blijkt waarom groot belang wordt gehecht aan de vastgestelde feiten, dat verboden wapenbezit en -dracht immers onverenigbaar zijn met de wil van de wetgever dat bewakingsactiviteiten in beginsel ongewapend worden uitgeoefend, dat inbreuken op de wapenwetgeving dan ook als zeer ernstig worden beschouwd, dat hoewel de verzoeker de feiten tracht te minimaliseren en ze poogt af te doen als een eenmalig voorval, zij dermate ernstig worden geacht dat de verzoeker redelijkerwijze de toegang tot het beroep van bewakingsagent moet worden geweigerd, dat aan de ernst van de feiten die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen geen afbreuk wordt gedaan door het enkele feit dat de bewakingsactiviteiten het hoofdberoep van de verzoeker uitmaken en dat de verklaringen die de verzoeker naar voor brengt niet het bewijs inhouden dat de bestreden beslissing kennelijk onredelijk is.
- In zijn memorie van wederantwoord blijft de verzoeker van oordeel dat de bestreden beslissing onduidelijk is omdat niet uitdrukkelijk over de VII-37.739-7/11 aanvraag en de intrekking van de identificatiekaart wordt beslist. Voorts neemt hij akte van het standpunt van de verwerende partij dat het proces-verbaal van 16 maart 2002 het determinerend motief van de bestreden beslissing is. Het zou evenwel niet ernstig zijn een voor de verzoeker zo belangrijke beslissing te steunen op één enkel proces-verbaal van bijna zes jaar oud dat nog steeds in vooronderzoek is en, zelfs wanneer hij in dit ene geval een beoordelingsfout zou hebben begaan, zou de bestreden beslissing hiermee volstrekt onevenredig zijn.
- In de laatste memorie handhaaft de verzoeker zijn kritiek dat de draagwijdte van het bestreden besluit onduidelijk is. Tevens herhaalt hij dat de bestreden beslissing buiten elke redelijke verhouding staat tot de ten laste gelegde feiten. Beoordeling
- In fine van de bestreden beslissing wordt het volgende gesteld : "Dat op basis van voornoemde feiten ik de mening ben toegedaan dat U niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 6, lid 1, 8/ van de bewakingswet; Dat voornoemde feiten in Uwen hoofde wijzen op een algemene ingesteldheid die niet beoogd wordt door de wetgever ten aanzien van personen die werkzaam zijn in de bewakingssector; Om deze redenen, stel ik vast dat U niet (meer) voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 6, lid 1, 8/ van de bewakingswet; Gelieve de betrokken onderneming(en) hiervan op de hoogte te stellen zodat zij de nodige passende maatregelen kunnen treffen; Gelieve eveneens de identificatiekaart die U reeds in Uw bezit heeft voor de onderneming Blok Security Mobile BVBA met nummer 00013807 in te leveren bij Uw werkgever. De onderneming dient de kaart binnen de 14 dagen over te maken aan de FOD Binnenlandse Zaken, Algemene Directie Veiligheids- en Preventiebeleid, Directie Private Veiligheid". Alhoewel de bestreden beslissing geen afzonderlijk dispositief bevat dat de strekking van de genomen beslissing weergeeft, blijkt uit de aangehaalde bewoordingen dat de bestreden beslissing zowel de intrekking inhoudt van de reeds aan de verzoeker toegekende identificatiekaart alsook de weigering tot afgifte van bijkomende identificatiekaarten, hetgeen trouwens niet meer dan logisch is aangezien wordt vastgesteld dat de verzoeker niet voldoet aan de beroepsuitoefeningsvoorwaarden van de bewakingswet. Overigens heeft de FOD Binnenlandse Zaken reeds bij brief van 18 januari 2007 aan de verzoeker het voornemen van de minister van Binnenlandse Zaken meegedeeld betreffende de "eventuele weigering alsook intrekking identificatiekaart voor bewakingsagent". In VII-37.739-8/11 de bestreden beslissing wordt uitdrukkelijk naar die brief en naar de inhoud van de terzake toepasselijke artikelen 6, eerste lid, 8/, 7 en 17, eerste lid, 2/, van de bewakingswet verwezen. De kritiek dat de bestreden beslissing een onduidelijke draagwijdte zou hebben, is derhalve niet gegrond. Wat betreft de feiten die het voorwerp uitmaken van de processen- verbaal AN.43.LB.079436-2004 en AN.92.LB.093256-2005 merkt de verwerende partij terecht op dat het om overtollige motieven gaat, aangezien alleen reeds op grond van de feiten van verboden wapenbezit en verboden wapendracht die het voorwerp uitmaken van het hierna besproken proces-verbaal AN.36.23.023088-2002 van 16 maart 2002 wordt vastgesteld dat de verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 6, eerste lid, 8/, van de bewakingswet. De kritiek die de verzoeker op deze overtollige motieven uitoefent, kan niet leiden tot de vernietiging van de bestreden beslissing. Zoals reeds werd gesteld houden de determinerende motieven van de bestreden beslissing verband met feiten van verboden wapenbezit en verboden wapendracht. Luidens artikel 6, eerste lid, 8/, van de bewakingswet moeten de personen die een uitvoerende functie uitoefenen in een bewakingsonderneming voldoen aan de veiligheidsvoorwaarden noodzakelijk voor het uitoefenen van die functie en mogen zij geen feiten gepleegd hebben die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaken en daarom raken aan het vertrouwen in de betrokkene. Uit de woorden "zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling", volgt dat de minister bij de beoordeling van verzoekers morele en professionele betrouwbaarheid voor een uitvoerende functie in een bewakingsonderneming, rekening mocht houden met feiten die niet tot een strafrechtelijke veroordeling hebben geleid. Blijkens het proces-verbaal nr. AN.36.23.023088/2002 van 16 maart 2002 van de lokale politie van Antwerpen werd de verzoeker tijdens de uitoefening van de functie van portier in het bezit gevonden van een springmes en werden in een vestiaire "in (de) onmiddellijke nabijheid" twee baseballbats aangetroffen. In de motivering van de bestreden beslissing wordt de verklaring van VII-37.739-9/11 de verzoeker omtrent het bezit en het dragen van verboden wapens weergegeven. Het bestreden besluit wijst er evenwel op dat de opgegeven verklaring niet geloofwaardig is en bovendien niet in het voordeel van de verzoeker pleit, omdat de stelling "dat U het mes van een klant had afgenomen geen positieve bijdrage levert aan Uw dossier aangezien U, indien dit werkelijk het geval was, onmiddellijk de politionele diensten had moeten oproepen die het verboden wapen vervolgens in beslag hadden kunnen nemen". De bestreden beslissing benadrukt dat bewakingsactiviteiten in beginsel ongewapend dienen te worden uitgeoefend en het de uitdrukkelijke wil is van de wetgever dat men bij de activiteit van persoonscontrole op een preventieve manier te werk gaat en een conflict benadert vanuit een psychologische hoek eerder dan zijn toevlucht te nemen tot wapens of geweld. De verwerende partij kon dan ook wettig oordelen dat het dragen van verboden wapens in de uitoefening van zijn functie als bewakingsagent een doorslaggevend element was om te stellen dat de verzoeker niet de vereiste ingesteldheid heeft om het beroep van bewakingsagent uit te oefenen. De vraag of de vastgestelde inbreuk op de wapenwetgeving de conclusie wettigt dat de verzoeker niet meer aan de voorwaarden voor tewerkstelling in de bewakingssector voldoet, is een zaak van appreciatie van de bevoegde minister. Het komt de Raad van State niet toe om zich via een eigen beoordeling in de plaats te stellen van de beslissende overheid. De Raad van State kan alleen onderzoeken of de overheid in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen. In casu wordt vastgesteld dat de minister op grond van de in het bestreden besluit vermelde feiten, die correct en relevant zijn, in redelijkheid kon beslissen tot de weigering en de intrekking van de identificatiekaarten, inzonderheid gelet op de in de bestreden beslissing aangehaalde wil van de wetgever om bewakingsactiviteiten geweldloos en in principe ongewapend te laten verlopen en om de toegang tot de private veiligheidssector voor te behouden aan moreel en professioneel betrouwbare personen. Daarbij heeft de minister zijn beoordelingsbevoegdheid niet overschreden door rekening te houden met inbreuken op de wapenwetgeving die dateren van
- Het enige middel is ongegrond. VII-37.739-10/11 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf juli tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Luc Hellin VII-37.739-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.403 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div