← België

Arrest 206404 - Milieuvergunningen - 05/07/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:A

§ 2

DRO; dit kan enkel voor zover de inrichting door de beperkte impact de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengt; verder wordt hierin gesteld dat sociaal-culturele of recreatieve activiteiten hoe dan ook slechts op occasionele basis kunnen worden toegestaan; in de bestreden milieuvergunning wordt er niet op rechtsgeldige wijze de toepassing van

§ 2

DRO gemoti- veerd; de nabestemming wordt in het gedrang gebracht omwille van de bodemverontreiniging door de motorcrossactiviteiten; de impact van de activiteit is groot (geluidshinder, verkeersoverlast) en er is bij het inrichten van 10 wedstrijdweekends geen sprake van een activiteit op occasionele basis; - voor eenzelfde gebied levert men 2 milieuvergunningen klasse I af; in 1992 werd een vergunning afgeleverd voor het opvullen van de groeve tot het maaiveld zodanig dat de percelen dienstig worden voor landbouwuitbating terwijl er nu in eerste aanleg voor dezelfde percelen een vergunning werd afgeleverd voor het houden van motorcrossen; deze vergunningen zijn niet verenigbaar aangezien de motorcrossactiviteiten bodemverontreiniging met zich meebrengen; - de dichtstbijzijnde woning ligt op een afstand van minder dan 75 m waardoor er een grote geluidshinder ondervonden wordt; toch wordt nergens melding gemaakt van maatregelen om de geluidshinder te beperken (zoals geluidsdempers, geluidsomwalling, etc.); - in realiteit wordt er veel meer gebruik gemaakt van het terrein dan de aangevraagde wedstrijden; ook buiten de wedstrijden is er geluidsoverlast; de geluidsoverlast is eveneens afkomstig van de omroepinstallatie die het lawaai van de motoren ver overstijgt; na de wedstrijd duurt het nog lang vooraleer de rust terugkeert omdat er na de wedstrijd nog lang gefeest wordt; - de activiteiten gebeuren niet op de opgegeven oppervlakte van 4,5 ha maar op een veel grotere oppervlakte namelijk 10,5 ha; bijgevolg is deze activiteit MER-plichtig; - op de Provinciale Milieuvergunningscommissie werd opgemerkt dat er in het verleden geen PV's werden opgemaakt; klachten werden echter eerder mondeling behandeld zonder dat daarvan een proces-verbaal werd opgesteld; wanneer men aan de politie of gemeente vraagt om een proces-verbaal op te stellen wordt daar geen gevolg aan gegeven; de veelvuldige protesten die thans geuit worden bewijzen dat de omwonenden zich in het verleden VII-37.373-5/25 welwillend hebben getoond maar dat de maat nu vol is; sinds de uitbating in 1992 werden er nooit geluidsmetingen gedaan zodat de geluidshinder voor de omwonenden nooit objectief werd vastgesteld; - in de maanden met weinig regen worden er grote stofwolken en -concentra- ties geproduceerd die zich verspreiden over een grote afstand in de omgeving; - andere verplicht vergunbare activiteiten zijn niet in de huidig afgeleverde vergunning opgenomen; zo zijn er een aantal opslagplaatsen voor p-produkten, het permanent oppompen van grondwater om het grondwater- peil kunstmatig laag te houden met een vaste dieselmotor die dag en nacht staat te draaien; de toegelaten geluidsnorm voor deze activiteit is dan ook ver overschreden; - de plaatselijke, landelijke wegen zijn niet voorzien om grote verkeersstro- men te verwerken, hierdoor wordt er bij het inrichten van een crosswedstrijd grote verkeershinder ervaren; bijkomende maatregelen om de verkeershinder te beperken en het sluipverkeer te voorkomen zijn noodzakelijk; er zijn in de nabije omgeving geen parkeerterreinen beschikbaar; - conform de VLAREM-wetgeving moet de veroorzaakte hinder tot een minimum beperkt worden door toepassing van de Beste Beschikbare Technieken; er zijn onvoldoende maatregelen genomen om de hinder tot een minimum te beperken: er zijn geen maatregelen genomen om de geluidshin- der te beperken, noch om de stofhinder te voorkomen, noch om eventuele waterverontreiniging te voorkomen; Gelet op het horen op 21 oktober 2008 door de Gewestelijke Milieuvergun- ningscommissie van de aanvrager, die hij dit horen inzonderheid de argumenten van beroeper poogt te weerleggen: - bij aanvang van dit horen wordt door de raadsman van Ludo Janssens een nota overhandigd waarin op verschillende beroepsargumenten wordt ingegaan; de raadsman verduidelijkt tijdens het horen de belangrijkste standpunten uit de nota; - de raadsman beweert dat de negatieve elementen van de motorcross té veel werden opgeklopt; de problemen rond de exploitatie zijn pas begonnen vanaf het moment dat bekend werd gemaakt dat de Vlaamse Regering het circuit van Brecht heeft voorgesteld als permanent circuit voor gemotoriseerde sporten; - de raadsman stelt dat de beroepindieners argumenten als verkeersoverlast en geluidshinder niet met metingen hebben gestaafd; - het argument dat de inrichting onderworpen is aan de MER-plicht wordt weerlegd aangezien motorcrossterreinen enkel MER-plichtig zijn wanneer de oppervlakte van de rijbaan van het circuit groter is dan 5 ha wat in Brecht niet het geval is; - om de geluidsoverdracht te beperken aan de bron is de exploitant afhankelijk van de producenten van motoren; nieuw geproduceerde crossmotoren mogen maar een decibelvermogen van 94 dB(A) ontwikkelen; motoren met een geluidsproductie van meer dan 105 dB(A) worden volgens het wedstrijdre- glement uit de wedstrijd gehaald; - tijdens het horen wordt verklaard dat er een geluidsstudie voor het crosster- rein is; - na raadpleging van de kaarten van de landschapsatlas en atlas onroerend erfgoed, de ecosysteemkwetsbaarheidskaarten, de boskarteringskaarten, de biologische waarderingskaarten, de kaarten van Natura 2000, de VEN en IVON gebieden en de kaarten waterkwaliteit werden noch de betreffende percelen noch de onmiddellijke omgeving aangeduid als hebbende enige bijzondere natuurwaarde; VII-37.373-6/25 - op de percelen wordt sinds 1989 gereden, tot voor kort waren er nooit bezwaren met 1 uitzondering van een klacht over een fout geplaatst verkeersbord; - de raadsman stelt dat de dichtstbijzijnde woning (70 m) gelegen is in een ontginningsgebied waar er hogere richtwaarden voor geluid zijn dan in een landbouwgebied, respectievelijk 60 dB(A) in plaats van 50 dB(A); - de raadsman bespreekt de toepassing van

§ 2

Decreet Ruimtelijke Ordening; er kan aan de zonevreemdheid van een inrichting ontkomen worden mits door de vergunningverlenende overheid op gemotiveerde wijze toepassing wordt gemaakt van

§ 2

DRO; de toepassing van dit artikel vereist: o dat enkel activiteiten van sociaal-cultureel of recreatief medegebruik in aanmerking komen; de aangevraagde activiteit is recreatief; o dat enkel activiteiten met een beperkte impact die de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengt in aanmerking komen; aangezien de nabestemming, zijnde agrarisch gebied, binnen dit en 5 jaar (de termijn die gevraagd wordt voor het motorcrossterrein) niet zal verwezenlijkt zijn; gelet op de aanduiding van het terrein als permanent circuit voor motorsport door de Vlaamse Regering en het opstellen van het RUP is het een redelijke verwachting dat de terreinen nooit meer landbouwkundig gebruikt zullen worden; daarom moet de impact van de activiteit beoordeeld worden ten opzichte van de reële bestemming, zijnde een ontginningsgebied; een groeve is met zijn reliëfverschillen een ideaal crossparcours waar geen ingrepen meer hoeven te gebeuren; o dat de activiteiten op occasionele basis moeten ingericht worden; occasioneel in

§2

DRO betekent dat er van een eventueel permanente vergunning occasioneel gebruik mag worden gemaakt; occasioneel peilt derhalve naar het daadwerkelijke gebruik van de inrichting in de tijd; dit kan in dit geval geen probleem zijn aangezien het gaat om 10 wedstrijddagen en 10 oefendagen; bijgevolg zijn de voorwaarden van

§ 2

DRO vervuld; - er is duidelijk een evenwicht tussen de weekends waarop er wordt ingericht en waarop er niet wordt ingericht; er wordt gedurende maximum 10 weekends ingericht hetgeen onmogelijk in onevenwicht kan zijn met de 52 weekends die een jaar telt; bovendien zijn deze weekends voldoende verspreid over de maanden zodat er geen onevenwicht is binnen elke maand; - bij iedere motorcross wordt van de deelnemers een sterk milieubewustzijn gevraagd en men moet bijzondere milieumaatregelen nemen (onder meer groene mat; onmiddellijk verwijderen van gevallen motoren etc.); - er is geen sprake van een verkeersproblematiek; uit een luchtfoto blijkt het aantal voertuigen dat aan het terrein parkeert zeer goed mee te vallen; er is nauwelijks enig ander verkeer, zodat enkel rekening gehouden moet worden met het verkeer van het evenement en het zeer spaarzame lokale verkeer; Gelet op het besluit van 24 juli 2003 van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen, waarbij een vergunning werd verleend voor het exploiteren van een inrichting met 5 motorcross- en 5 autocrosswedstrijden per jaar met een geluidsemissie van meer dan 98 dBA, voor een termijn tot 24 juli 2008; Gelet op het ongunstige advies van 23 september 2008 van de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid van het departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed; Gelet op het ongunstige advies van 13 oktober 2008 van de afdeling Milieuvergunningen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie; Gelet op het ongunstige advies van 21 oktober 2008 van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie; VII-37.373-7/25 Gelet op de ligging van de inrichting in een uitbreiding van een ontginnings- gebied met als nabestemming agrarisch gebied volgens het gewestplan Turnhout, vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 september 1977; Gelet op de ligging van de inrichting op een afstand van ongeveer: - 1050 m van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter; - 575 m van een natuurgebied; Overwegende dat artikel l45sexies, §2 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals later gewijzigd, stelt: 'in alle gebieden die op de gewestplannen zijn aangewezen, kunnen naast de werkzaamheden, handelingen en wijzigingen die gericht zijn op de realisatie van de bestemming ook werkzaamheden, handelingen en wijzigingen, activiteiten of inrichtingen worden toegestaan die gericht zijn op het soci- aal-culturele of recreatieve medegebruik, voor zover ze door hun beperkte impact de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen. Sociaal-culturele of recreatieve activiteiten waarvan de inrichtingen onderwor- pen zijn aan de milieuvergunningsplicht kunnen hoe dan ook slechts op occasionele basis worden toegestaan'; Overwegende dat de aangevraagde activiteit zonder twijfel een recreatieve activiteit is, die ook reeds sedert 1993 op die locatie wordt uitgeoefend; dat de activiteiten daarenboven, mede gelet op de opgelegde bijzondere voorwaarden, slechts een beperkte impact hebben en de realisatie van de algemene bestem- ming niet in het gedrang brengen; Overwegende dat het hier gaat om slechts 10 wedstrijddagen met bijhorende oefenritten per jaar; dat hiermee voldaan wordt aan de vereiste dat dergelijke activiteit enkel op occasionele basis kan worden toegestaan; Overwegende dat daarenboven de Vlaamse Regering in de ministeriële nota VR/2007/14.12/DOC.1400TER het terrein 'Kraaienhorst' te Brecht heeft voorgesteld als één van de mogelijke plaatsen voor een permanente omloop met trainingsfaciliteiten voor gemotoriseerde sporten; dat hierbij voorgesteld wordt dat het aantal manifestaties beperkt blijft tot het huidige aantal zijnde 5 autocross- en 5 motorcrosswedstrijden maar dat er extra trainingsdagen zullen bijkomen op woensdag tussen 13u00 en 21u00 en op zaterdag tussen l3u00 en 18u00; dat één en ander echter nog geconcretiseerd moet worden in het PRUP met bijhorend planMER en de milieuvergunning/stedenbouwkundige vergunning met bijhorende project-MER's; Overwegende dat het derhalve aangewezen is om een milieuvergunning voor een beperkte termijn van 5 jaar te geven, in de veronderstelling dat dit voldoende tijd biedt om via een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan de nodige bestemmingswijzigingen door te voeren met het oog op een definitieve planologische oplossing; Overwegende dat beroep wordt aangetekend tegen de vergunning in eerste aanleg voor de hernieuwing van de exploitatie van een inrichting met 5 motorcross- en 5 autocrosswedstrijden per jaar met een geluidsemissie van meer dan 98 dB(A) voor een beperkte termijn van 5 jaar; dat 5 beroepschriften afkomstig zijn van buurtbewoners en 1 beroepschrift van een actiecomité; Overwegende dat dit terrein sinds 1993 vergund is voor het houden van motorcrossen; dat vergunningen werden verleend voor telkens 5, 4 en 5 jaar; dat er tijdens de vergunningsprocedures van eerste aanleg in 2003 één bezwaar werd ingediend in verband met een verkeersverbod; dat er nu in het kader van het openbaar onderzoek 124 bezwaren werden ingediend in april 2008 in eerste aanleg; dat deze bezwaren handelen over aspecten als ligging, geluidshinder, mobiliteit, stofhinder, ...; Overwegende dat de huidige aanvraag de hernieuwing van de milieuvergun- ning betreft; dat er 5 autocross- en 5 motorcrossweekends (op oefendagen van 14 tot 18 uur en op wedstrijddagen van 8 tot 18 uur) per jaar worden aan- VII-37.373-8/25 gevraagd zonder extra trainingsdagen; dat enkele van de bezwaren van de beroepindieners betrekking hebben op het aanduiden door de Vlaamse Regering van het terrein 'Kraaienhorst' als een plaats voor een permanente omloop met trainingsfaciliteiten; dat dergelijke bezwaren in de evaluatie van het huidige dossier buiten beschouwing worden gelaten omdat in het huidige dossier geen trainingsdagen worden aangevraagd; Overwegende dat er voor de site twee milieuvergunningen werden afgeleverd: dat er enerzijds aan de NV Floren en Cie een milieuvergunning werd verleend voor het opvullen van de kleigroeve met niet-verontreinigde grond tot het maaiveld; dat er anderzijds een vergunning werd afgeleverd aan MC Motorcross St-Lenaarts voor de exploitatie van een motorcrossterrein; Overwegende dat de beroepindieners argumenteren dat beide vergunningen niet compatibel zijn omdat de motorcrossactiviteiten bodemverontreiniging kunnen veroorzaken; dat hierdoor de uiteindelijke nabestemming na opvullen, namelijk landbouwgebied, in het gedrang komt; Overwegende dat het gehele terrein onverhard is waardoor mogelijks bodemverontreiniging zou kunnen voorkomen; dat het echter verplicht is om gebruik te maken van milieumatten bij het tanken en bij het herstellen van de voertuigen; dat hierdoor de kans op bodemverontreiniging klein is; Overwegende dat enkel bij calamiteiten op het circuit verontreiniging van de ondergrond mogelijk is ten gevolge van het leeglopen van benzinetanks en oliekarters; dat de ondergrond van het circuit bestaat uit klei waardoor het insijpelen van verontreinigende stoffen in de ondergrond minimaal is; dat bij calamiteiten de verontreinigende stoffen van de grond kunnen opgeschept worden; dat globaal gezien kan verwacht worden dat het effect van dit type verontreiniging beperkt is; Overwegende dat permanente race- en testbanen voor gemotoriseerde voertuigen met een oppervlakte van 5 ha of meer aan een project-M.E.R. moeten onderworpen worden of een activiteit is waarvoor men een gemotiveerd verzoek tot ontheffing kan indienen; dat voor het bepalen van de oppervlakte enkel de oppervlakte van de rijbanen zelf wordt bedoeld; dat de betrokken percelen een oppervlakte hebben van ongeveer 7,7 ha; dat de rijbanen slechts een oppervlakte van 4,5 ha innemen; dat het betreffende motorcrossterrein bijgevolg niet MER-plichtig is; Overwegende dat er in de beroepschriften sprake is van ernstige geluidshin- der; dat de dichtstbijzijnde woning gelegen is op amper 70 m van het circuit; dat 3 woningen binnen een straal van 200 m van de piste liggen; dat er verder nog 6 andere woningen binnen een straal van 500 m gelegen zijn; dat al deze woningen gelegen zijn in agrarisch gebied; Overwegende dat de 4 dichtstbijzijnde woningen ten noorden en noordoos- ten van het circuit gelegen zijn; dat de omwonenden bij de overheersende windrichting, hetzij zuidwesten wind, meer geluidshinder kunnen ondervinden; Overwegende dat het circuit zich in een put van de kleigroeve bevindt; dat deze put maar enkele meters diep is met wanden die schuin af lopen zodat het geluiddempende karakter minimaal is; Overwegende dat door de opvulwerkzaamheden van NV Floren en Cie de bodem van de put langzaamaan gelijk zal komen met het maaiveld; dat er daardoor steeds minder geluiddempende werking van de wanden zal zijn; Overwegende dat er voor het circuit in Brecht geen geluidsstudie aan de milieuvergunningsaanvraag werd toegevoegd; dat de exploitant niet aantoont aan de hand van geluidsmetingen dat de geluidshinder ter hoogte van de woningen tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt; dat de exploitant na de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie van 21 oktober 2008, waarin hij verklaart te beschikken over een geluidsstudie, geen geluidsstudie voor het circuit te Brecht kon voorleggen; VII-37.373-9/25 Overwegende dat er door de exploitant geen maatregelen worden voorge- steld om het geluidsniveau tot een minimum te beperken zoals bijvoorbeeld geluidsbermen, geluidsschermen of reducerende maatregelen aan de bron; dat het bijgevolg noodzakelijk is dat er een geluidsstudie wordt uitgevoerd door een erkend deskundige geluid waarin geluidsreducerende maatregelen worden voorgesteld om de geluidsoverlast ter hoogte van de woningen tot een aanvaardbaar niveau te beperken; Overwegende dat er ook geluidsoverlast is afkomstig van de omroepinstalla- tie; dat deze installatie zo wordt opgesteld dat het geluid gericht wordt naar het circuit toe dus weg van de dichtstbijzijnde woningen; dat het geluid van de omroepinstallatie echter steeds het geluid van de motoren moet overstijgen waardoor deze installatie bijdraagt aan de geluidsoverlast; dat het geluid gereduceerd kan worden door een verbeterd omroepsysteem waarbij er meerdere boxen worden opgesteld verspreid over het terrein met een beperkte geluidsemissie per box en een bevestiging op een lagere hoogte; dat dit aspect mee moet worden bekeken in de geluidsstudie; Overwegende dat ook na de wedstrijden hinder wordt ondervonden van feestende deelnemers; dat de exploitant na de wedstrijd enkel nog een huldiging voorziet zonder parade teneinde de rust zo snel mogelijk te herstellen; Overwegende dat er door de beroepindieners wordt gesteld dat er aan wild-crossen wordt gedaan; dat het terrein echter omheind is met geplastificeer- de ursusdraad van ongeveer 1,80 m hoog zodat wild-crossen onmogelijk is; Overwegende dat, gezien de soort van activiteit en de ondergrond (klei), stofhinder op het terrein en in de nabije omgeving reëel is; dat dit zich uit in de bezwaren van de omwonenden waar wordt gesproken van stofhinder ten gevolge van de exploitatie; Overwegende dat de exploitant als maatregel tegen stofhinder het terrein nat sproeit; dat dit momenteel gebeurt met een traktorsproei-installatie; Overwegende dat de plaatselijke, landelijke wegen niet voorzien zijn om grote verkeersstromen te verwerken; dat er nochtans voor een wedstrijd 3000 of meer bezoekers ontvangen worden; dat de omwonenden hierdoor verkeers- hinder ervaren; Overwegende dat de omliggende weiden bij een wedstrijd dienst doen als parking; dat er aan de Kraaienhorst ten westen van het terrein een onverharde parking ligt; dat er ten zuiden van het terrein een tweede onverharde parking is; Overwegende dat de huidige toegang tot het terrein gelegen is aan de Kraaienhorst; dat de verkeersstroom via de Kraaienhorst en de Paaltjesdreef vrij snel tot op de N153 Oostmalsebaan kan komen; dat het verkeer van daaruit richting Sint-Lenaarts/Brecht en richting Oostmalle/Malle kan rijden; Overwegende dat er een nieuwe toegang rechtstreeks van de Oostmalsebaan naar het terrein en de parking gepland is; dat deze momenteel nog niet gebruikt kan worden omdat op deze plaats nog klei-ontginning gebeurt; dat bij gebruik van de rechtstreekse toegang geen landelijke wegen meer gebruikt moeten worden; Overwegende dat de exploitant ervoor zorgt dat de Kraaienhorst bij een wedstrijd aan noordelijke zijde ter hoogte van het motorcrossterrein wordt versperd; dat de omwonenden op die manier een uitweg hebben langs de weg Groot Veerle zonder al te veel gehinderd te worden door de bezoekers van de wedstrijd; Overwegende dat er volgens de beroepindienders opslagplaatsen voor P-produkten aanwezig zijn zonder dat deze vergund zijn; dat er inderdaad twee witte tanks aanwezig zijn; dat het hier niet gaat om opslag van P-producten maar om opslag van water waarvoor een milieuvergunning niet nodig is; Overwegende dat er met een vaste dieselmotor regenwater uit de groeve wordt gepompt; dat deze pomp enkel overdag aanstaat op dagen dat het in het kader van een wedstrijd nodig is het regenwaterpeil in de groeve te verlagen; VII-37.373-10/25 dat er zeer recent een klasse 3-melding werd ingediend om deze activiteit te akteren; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de beroepen gedeelte- lijk gegrond te verklaren en de bestreden beslissing (...) te wijzigen". IV. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen 4. De verzoekers roepen in een eerste middel de schending in van artikel 145sexies, § 2, van het D.R.O., van artikel 17.6 van het besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen (hierna : inrichtingsbesluit), van de bindende en verordenende kracht van het gewestplan Turnhout, meer bepaald van de bestemming uitbreidingsgebied bij een ontginningsgebied met nabestemming agrarisch gebied, van de formele en de materiële motiveringsplicht, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het redelijkheidsbeginsel. De verzoekers zetten het volgende uiteen : "Het motorcrosscircuit is gelegen in een uitbreidingsgebied van een ontginningsgebied met nabestemming landbouwgebied. Het gebruik van het goed voor een motorcrosscircuit is principieel in strijd met de voorschriften van de gewestplanbestemming en met de nabestemming volgens hetzelfde, evenals met de voorwaarde om de nabestemming te realiseren die werd opgelegd in de stedenbouwkundige vergunning van 14 september 1992, die werd afgeleverd aan de NV Floren en Cie.

§ 2

DRO, dat werd ingevoegd bij artikel 4, 2/ van het Decreet van 22 april 2005, voorziet evenwel de mogelijkheid om een beperkt aantal activiteiten mee toe te laten die niet in overeenstemming zijn met de algemene bestemming. In de bestreden beslissing wordt aangaande de overeenstemming van het gebruik met

§ 2

het volgende overwogen: 'Overwegende dat de aangevraagde activiteit zonder twijfel een recreatieve activiteit is, die ook reeds sedert 1993 op die locatie wordt uitgeoefend; dat de activiteiten daarenboven, mede gelet op de bijzondere voorwaarden, slechts een beperkte impact hebben en de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen; Overwegende dat het hier gaat om slechts 10 wedstrijddagen met bijhorende oefenritten per jaar; dat hiermee voldaan wordt aan de vereiste dat dergelijke activiteit enkel op occasionele basis kan worden toegestaan; Overwegende dat daarenboven de Vlaamse Regering in de ministeriële nota het terrein 'Kraaienhorst' te Brecht heeft voorgesteld als één van de mogelijke plaatsen voor een permanente omloop met trainingsfaciliteiten voor gemotoriseerde sporten; dat hierbij voorgesteld wordt dat het aantal manifestaties beperkt blijft tot het huidige aantal zijnde 5 autocross- en VII-37.373-11/25 motorcrosswedstrijden maar dat er extra trainingsdagen zullen bijkomen op woensdag tussen 13u00 en 21u00 en op zaterdag tussen 13u00 en 18u00, dat één en ander echter nog geconcretiseerd moet worden in het PRUP met bijhorend planMER en de milieuvergunning/ stedenbouwkun- dige vergunning met bijhorende project-MER's; Overwegende dat het derhalve aangewezen is om een milieuvergun- ning voor een beperkte termijn van 5 jaar te geven, in veronderstelling dat dit voldoende tijd biedt om via een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan de nodige bestemmingswijzigingen door te voeren met het oog op een definitieve planologische oplossing'. In de bestreden beslissing wordt geoordeeld dat er voldaan zou zijn aan de vereisten van

§ 2

DRO, omdat de impact van de motorcross beperkt is ten gevolge van de bijzondere voorwaarden en omdat de motor- crossactiviteiten 'slechts' tien wedstrijddagen met bijhorende oefenritten worden georganiseerd. Deze oefenritten zijn in feite bijhorende oefendagen nu uit de beslissing van de deputatie blijkt dat een milieuvergunning werd verleend met als bijzondere voorwaarden het houden van 10 wedstrijden met oefenritten op de dag voorafgaand aan de wedstrijddag van 14 uur tot 18 uur en op de wedstrijddag zelf vanaf 8 uur. Dit betekent dat telkens op de dag voorafgaand aan een wedstrijddag ook gecrosst zal worden. Er wordt aldus een milieuvergunning afgeleverd voor het exploiteren van een motorcrosscircuit gedurende minstens 20 dagen per jaar. Dit is een gemiddelde van meer dan één keer per maand motorcrossactiviteiten. Verwerende partij oordeelt dat tien wedstrijddagen met bijhorende oefendagen (tien dagen meer) slechts een occasioneel karakter vertonen in de zin van

§ 2DRO.

Verwerende partij oordeelt eveneens dat de motorcrossactiviteiten slechts een beperkte impact hebben op de realisatie van de algemene bestemming van het terrein, m.n. agrarisch gebied. Verwerende partij schendt

§ 2DRO door zo te oordelen.

(...)

§ 2DRO bepaalt: '§ 2.

In alle gebieden die op de gewestplannen zijn aangewezen, kunnen naast de werkzaamheden, handelingen en wijzigingen die gericht zijn op de realisatie van de bestemming ook werkzaamheden, handelingen en wijzigingen, activiteiten of inrichtingen worden toegestaan die gericht zijn op het sociaal-culturele of recreatieve medegebruik, voorzover ze door hun beperkte impact de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen. Voor niet van stedenbouwkundige vergunningsplicht vrijgestelde werkzaamheden, handelingen of wijzigingen die verbonden zijn met occasionele of hoogdynamische sociaal-culturele of recreatieve activitei- ten kan slechts een tijdelijke stedenbouwkundige vergunning worden afgeleverd, of een stedenbouwkundige vergunning met als voorwaarde dat de werkzaamheden, handelingen of wijzigingen in kwestie slechts gedurende een specifieke periode of op bepaalde momenten aanwezig kunnen zijn. Sociaal-culturele of recreatieve activiteiten waarvan de inrichtingen onderworpen zijn aan de milieuvergunningsplicht kunnen hoe dan ook slechts op occasionele basis worden toegestaan'.

§ 2

DRO werd ingevoegd als decretaal ingrijpen om duidelijkheid te verschaffen inzake het recreatief medegebruik in bestemmings- gebieden die niet voor recreatie zijn aangeduid. Dit ingrijpen kwam er onder meer na de omzendbrief RO 99/1 van 2 maart 1999 van Vlaams Minister Eddy Baldewijns over de advisering m.b.t. de verenigbaarheid van omlopen voor wedstrijden, test- en oefenritten met motorvoertuigen zoals bepaald in rubriek VII-37.373-12/25 32.9, l/ en 2/ van VLAREM I, Bijlage 1, vastgelegd bij artikel 1 van het besluit van 26 juni 1996. In deze omzendbrief werd bepaald dat recreatief medegebruik door motorcrossactiviteiten slechts mogelijk was indien: - Er slechts sprake was van een beperkt aantal activiteiten (maximaal drie per jaar); - De activiteit van korte duur was; - Er geen langdurige impact op de omgeving was; - Er geen bouwvergunningsplichtige activiteiten mee gepaard gaan; De basisidee van deze omzendbrief bestond erin dat bepaalde activiteiten verenigbaar zijn met de bestemming doordat de frequentie en de duur waarmee zij de ruimte innemen zo gering zijn dat het gebruik van de grond volgens de geldende plannen van aanleg niet wordt gehinderd of voor lange tijd ongeschikt zou worden. (...). In het ingevoegde

§ 2

wordt bepaald dat overal activiteiten toegelaten zijn gericht op het recreatieve medegebruik, voor zover ze door hun beperkte impact de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen. Het dient aldus om een gebruik te gaan naast het gebruik volgens zijn bestemming, een medegebruik, dat de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengt. De parlementaire voorbereiding schrijft niet limitatief voor wat een beperkte impact kan zijn: - 'het beperkte ruimtebeslag (dat geldt bijvoorbeeld voor lijnvormige infrastructuren, zoals wandelwegen, ruiterpaden en fietspaden of infrastruc- tuur met een kleine oppervlakte, zoals een picknicktafel, een zitbank, een informatiebord); - de tijdelijkheid van de ingreep (zoals bij een occasionele motorcross in agrarisch gebied, die bijvoorbeeld maximaal 3 keer per jaar wordt gehou- den); - de afwezigheid van weerslag op het terrein (zoals bij het overvliegen van een agrarisch gebied met modelvliegtuigen, of het waterskiën'. Bovendien (als tweede voorwaarde) kunnen recreatieve activiteiten die milieuvergunningsplichtig zijn (klasse I of II) slechts op occasionele basis worden toegestaan. De parlementaire voorbereiding geeft niet limitatief aan wat onder een occasionele basis verstaan wordt: 'het organiseren van een occasionele motorcross in agrarisch gebied na de oogst van de landbouwgewassen, onder analoge beperkingen opgenomen in de betwiste omzendbrief RO 99/01 van 2 maart 1999 van minister Eddy Baldewijns'. (...) In de bestreden beslissing wordt geponeerd dat dankzij de opgelegde bijzonder(e) voorwaarden in de beslissing van de deputatie, de activiteiten slechts een beperkte impact hebben op de realisatie van de algemene bestem- ming. Nu het uitbreidingsgebied volledig ontgonnen is, dient echter de nabestem- ming landbouwgebied gerealiseerd te worden, wat onmogelijk is zolang motorcrosswedstrijden gehouden worden in de kleiputten. De NV Floren en Cie beschikt sinds 19 juni 2008 over de milieuvergunning om de kleigroeve op de site 'Kraaienhorst' op te vullen met niet-verontreinigde grond om zo de nabestemming landbouwgebied te realiseren. Op grond van artikel 17.6.3 Inrichtingsbesluit dient in ontginningsgebieden na de stopzetting van de ontginning de toekomstige bestemming te worden geëerbiedigd. Zolang deze kleigroeve gebruikt blijft worden voor motorcrossactiviteiten kan deze nabestemming nooit gerealiseerd worden, hoewel sinds 19 juni 2008 vaststaat dat de nabestemming agrarisch gebied de definitieve bestemming van VII-37.373-13/25 het gebied is, die doorgevoerd moet worden. Wanneer het voorwerp van een milieuvergunning niet de daadwerkelijke verwezenlijking van een nabestem- ming totstandbrengt, en meer nog, deze verhindert, is de vergunning wederrech- telijk afgeleverd. Uw Raad oordeelde ook reeds dat er weliswaar uit geen enkele bepaling beperkingen kunnen worden afgeleid met betrekking tot de aard van de activiteiten die zullen of moeten worden uitgevoerd om de oorspronkelijke of toekomstige bestemming van het gewestplan te realiseren, maar dat wél vereist is dat de door het gewestplan voorziene nabestemming nog effectief kan worden gerealiseerd. Een vergunning die een landschap getekend door kleiputten laat bestaan, verhindert de realisatie van een landbouwgebied. Landbouwgebied vereist de opvulling van de putten. Het blijven bestaan van deze putten impliceert dat het gebruik van dit terrein voor motorcrossactivitei- ten allesbehalve een beperkte impact heeft op algemene bestemming van het terrein. Integendeel, dit gebruik heeft een dermate grote impact op de realisatie van de algemene bestemming dat de bestemming niet gerealiseerd kan worden en staat dan ook in schril contrast met de beperkte impact die de decreetgever voor ogen had. Door te oordelen dat het gebruik van het terrein voor motorcrossactiviteiten een beperkte impact heeft op de algemene bestemming van landbouwgebied, schendt verwerende partij

§ 2

. (...)

§ 2bepaalt bovendien uitdrukkelijk dat het moet gaan om recreatief medegebruik.

In casu is gebruik van het terrein voor landbouwdoe- leinden onmogelijk. Het enige gebruik waartoe het terrein zich leent is het gebruik als motorcrossterrein. (...) Voor milieuvergunningsplichtige activiteiten die gericht zijn op het recreatief medegebruik geldt bovendien de vereiste dat deze activiteiten uitsluitend op occasionele basis plaatsvinden. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat het houden van tien wedstrijden en oefenritten op een jaar een occasioneel karakter heeft, zonder dit te onderbouwen en dus zonder dit afdoende te motiveren. Evenwel levert verwerende partij tegelijkertijd een milieuvergunning klasse 1 af voor een permanente omloop voor gemotoriseerde voertuigen met een geluidsemissie van meer dan 98dB. Het karakter van de permanente omloop is volledig in strijd met het occasioneel karakter dat

§ 2voorschrijft en met wat de decreetgever hiermee voor ogen had.

Met het verlenen van een milieuvergunning voor een permanente omloop wordt een permanent gebruiksrecht toegekend aan de exploitant van de inrichting. Bovendien blijft de aanleg van het terrein zoals hij is, met putten, zonder dat na het einde van de activiteit het terrein terug kan gebruikt worden voor het gebruik waarvoor het bestemd is, met name landbouwgrond. Op occasionele basis kan dergelijk gebruik niet verantwoord worden. Dit gebruik heeft een permanent karakter door de toestand van het terrein dat zuiver in functie van de motorcrossactiviteiten gehandhaafd wordt en door het permanent gebruiksrecht dat de exploitant van de inrichting hiermee krijgt. Zelfs los van het permanent karakter van de omloop is het aantal wedstrijden niet als occasioneel te omschrijven. Tien wedstrijddagen en de dag daarvoor gehouden oefendagen levert een totaal van vijftien dagen op, waarop motorcrossactiviteiten plaats zullen vinden. Dit is een gemiddelde van meer dan één keer per maand. Dit zijn motorcrossactiviteiten die regelmatig en niet occasioneel worden georgani- seerd. Een occasionele motorcrossactiviteit is een jaarlijkse, tweemaal jaarlijkse of hoogstens driemaal jaarlijkse wedstrijd. Een omloop waarop meer dan drie maal per jaar een motorcrossactiviteit plaatsvindt, is overigens op basis van de VLAREM rubrieken een permanente omloop. VII-37.373-14/25 In de parlementaire voorbereiding wordt bovendien uitdrukkelijk verwezen naar de voorwaarden die in de omzendbrief 99/01 werden opgelegd, met name een frequentie van maximum drie wedstrijden per jaar, beperkte impact, korte duur, en zonder stede(n)bouwkundige verplichtingen. Het voorwerp van deze milieuvergunning kan al aan minstens drie van deze voorwaarden niet voldoen. De motorcrossactiviteiten hebben aldus geen occasioneel karakter en zijn niet in overeenstemming met

§ 2DRO.

Verwerende partij schendt dit artikel wanneer zij oordeelt dat de aanvraag aan de vereisten van dit artikel voldoet. (...) Verwerende partij neemt het toekomstig RUP mee in overweging bij haar beoordeling. Verwerende partij kan echter geen milieuvergunning afleveren, gestoeld op de overweging dat een toekomstig RUP voor de nodige planologi- sche oplossing zal zorgen. Zolang geen RUP is goedgekeurd dat de bestemming van het gebied wijzigt, is de milieuvergunning in strijd met de bestemming. Nu hierboven is gebleken dat ook

§ 2

geen uitkomst biedt voor de permanente omloop, kan geen milieuvergunning afgeleverd worden".

  1. De verwerende partij antwoordt dat het decreet van 22 april 2005 tot wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, beoogt een rechtszekere basis te geven aan de organisatie van gemotoriseerde sporten, dat het organiseren van tien motorcrosswed- strijden per jaar een vorm van recreatief medegebruik is in de zin van artikel 145sexies, § 2, van het D.R.O., dat de impact van de activiteiten beoordeeld moet worden ten opzichte van de reële bestemming, dat in casu voor de site "Kraaien- horst" ontginningsgebied de reële bestemming is, dat door de aanwezigheid van een kleigroeve geen landbouwactiviteiten mogelijk zijn, dat actueel de nabestemming van agrarisch gebied nog niet aan de orde is omdat de groeve eerst volledig moet worden opgevuld, dat de vergunde activiteit geen impact heeft op het ontginningsge- bied, dat met het bestreden besluit vergunning wordt verleend voor het organiseren van tien wedstrijden met bijhorende oefenritten, dat het samengeteld gaat om vijftien dagen (tien wedstrijddagen en tien halve oefendagen), dat het feit dat de inrichting te dezen valt onder Vlarem-indelingsrubriek 5.32.9.4/, niet betekent dat de activiteiten niet occasioneel zijn, dat volgens artikel 145sexies, § 2, van het D.R.O. permanent en occasioneel niet elkaars tegenpolen zijn, dat "occasioneel" peilt naar het daadwerkelijke gebruik van de inrichting in de tijd of naar de daadwerkelijke frequentie van het gebruik, dat de motivering van het bestreden besluit met betrekking tot het medegebruik op occasionele basis van het terrein duidelijk en afdoende is, dat sinds 1993 nooit klachten zijn ingediend, dat de aanduiding begin 2008 van het parcours als permanent in te richten circuit onterechte paniekreacties heeft meegebracht, dat de vermelding in de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet dat het voornoemde decreet van 22 april VII-37.373-15/25 2005 is geworden, van drie occasionele activiteiten slechts een voorbeeld en geen regel is en dat tien jaarlijkse activiteiten evenzeer occasioneel zijn.
  2. In hun memorie van wederantwoord repliceren de verzoekers dat de nabestemming van agrarisch gebied nooit gerealiseerd kan worden zolang de kleigroeve gebruikt wordt voor motorcrossactiviteiten, dat het feit dat de realisatie van de nabestemming nog niet effectief is doorgevoerd niet terzake doet, dat niet betwist wordt dat de ontginningsactiviteiten werden stopgezet, dat artikel 17.6 van het inrichtingsbesluit oplegt dat de nabestemming moet worden gerealiseerd, dat de verleende milieuvergunning de verwezenlijking van de nabestemming in de weg staat, dat het exploiteren van een motorcrosscircuit gedurende minstens twintig dagen per jaar bezwaarlijk als occasioneel kan worden bestempeld, dat de motivering van het bestreden besluit met betrekking tot het medegebruik op occasionele basis allesbehalve duidelijk en afdoende is, dat tijdens de parlementaire voorbereiding van het voornoemde decreet van 22 april 2005 verwezen is naar de omzendbrief RO 99/01 van 2 maart 1999 die geen voorbeeld geeft maar duidelijk stelt dat het aantal activiteiten maximaal drie per jaar mag bedragen, dat te dezen ook het aantal oefendagen niet genegeerd mag worden en dat de afwezigheid van klachten niet relevant is voor de beoordeling van de wettigheid van de bestreden milieuvergunning.
  3. De tussenkomende partij stelt, na een beschrijving van het wettelijk kader, in haar verzoekschrift tot tussenkomst : "(...) De toepassing van artikel 145sexies § 2 DRO in casu - de argumenten van de verzoekende partijen De toepassing van artikel 145sexies § 2 DRO vereist: ÷ Handelingen van sociaal-culturele of recreatief medegebruik. ÷ Handelingen van een beperkt impact die de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengt. De argumenten van de verzoekende partijen zijn te rangschikken rond 2 opvattingen: ÷ Zij menen dat de vergunning moet uitgaan van een nabestemming landbouw ÷ de vergunde inrichting is niet te beschouwen als een occasionele inrichting.

(1)Rond het argument nabestemming 'landbouw' Volkomen ten onrechte menen de verzoekende partijen dat de verwerende partij bij het beoordelen van het beroep had moeten uitgaan van de 'landbouw'- nabestemming van de percelen. De nabestemming is nog niet aan de orde gelet op de volgende elementen: ´ Er bestaat geen enkele discussie over het feit dat deze nabestemming op dit ogenblik helemaal nog niet aanwezig is. Op dit ogenblik is het nog steeds VII-37.373-16/25 een groeve en er is nog geen aanvang gemaakt met de opvulling van deze groeve. ´ Het is evenzeer duidelijk dat deze nabestemming ook de eerste jaren nog niet zal aanwezig zijn; de groeve is ter plaatse reeds verscheidene tientallen jaren aanwezig. Het opvullen ervan zal ook verscheidene jaren in beslag nemen. Het opvullen is bovendien (...) voorzien over een periode van 10 jaar. ´ De landbouw-nabestemming zal slechts aan de orde zijn wanneer de volledige groeve opgevuld is. Totdat dit gerealiseerd is, zal -juist omwille van het feit dat de opvulling nog gaande is- er geen sprake zijn van enige landbouwactiviteit: de opvulling zelf maakt enige landbouwactiviteit onmogelijk tot de volledige opvulling een feit is. ´ De eigenaren van het terrein en de tegelijkertijd ook de exploitatiemaat- schappijen van de groeven hebben bevestigd dat het terrein nog tot 2022 kan gebruikt worden voor motorcrossactiviteiten. Dit is een contractuele verbintenis. ´ Het enige element waarop de verzoekende partij(en) zich steunen is de vergunning die de eigenaren van het terrein op 19 juni 2008 bekomen hebben om het terrein op te vullen. Deze vergunning is volkomen onvol- doende om te bewijzen dat de verwerende partij moest uitgaan van de landbouw-nabestemming. Bovendien is er geen juridische verplichting om van deze vergunning gebruik te maken en tenslotte moet er op gewezen worden dat de termijn van de vergunning loopt tot 1 augustus 2015. Aangezien de termijn van de vergunning die aan de tussenkomende partij verleend is slechts 4 (vier) jaar beslaat; aangezien er nog geen aanvang gemaakt is met het opvullen van de groeve; aangezien de nabestemming slechts aanwezig kan zijn wanneer de volledige groeve is opgevuld; aangezien het opvullen van de groeve geschat kan worden op 10 jaar; aangezien het terrein tot 2022 toegezegd is voor motorsportwedstrijden en aangezien de verleende opvulvergunning helemaal niet de zekerheid inhoudt dat er ook opgevuld zal worden, had de verwerende partij helemaal niet de verplichting rekening te houden met de nabestemming. De PVMC had dit ook reeds aangegeven in haar advies: 'Op dit ogenblik staan de gronden ook niet ter beschikking van de landbouw. De gronden kunnen pas na opvulling van de kleiputten (inclusief realisatie nabestemming) opnieuw ter beschikking komen van de landbouw. De exploitant voorziet daarvoor een termijn van 10 jaar - de huidige aanvraag heeft een kortlopende vergunning van 5 jaar tot doel'. De verzoekende partijen doen ook geen enkele moeite om te bewijzen dat de nabestemming een feit zal zijn binnen de periode waarvoor aan de tussen- komende partij de vergunning werd verleend. Dit op zich is reeds voldoende om het volledige argument als ongegrond af te wijzen. Van de verzoekende partij mag minstens verwacht worden dat zij een poging doet om aan te tonen dat het door hen geschetste uitgangspunt correct is. Bij gebreke aan deze poging (laat staan bewijs) faalt het argument in feite. En tenslotte wijst de tussenkomende partij er nog op dat de aanduiding van het terrein als een uit te werken permanent circuit voor motorsport door de Vlaamse Regering met het opstellen van een dienovereenkomstig RUP meebrengt dat het een redelijke verwachting is dat de terreinen nooit meer landbouwkundig gebruikt zullen worden. Derhalve was de beoordeling van de aanvraag aan de nabestemming niet aan de orde. Aangezien de argumenten onder randnummer 11 & 12 van het verzoekschrift uitgaan van deze veronderstelling, vervallen deze argumenten. Volledigheidshalve wijst de verzoekende partij er op dat het impact van de vergunde inrichting conform artikel l45sexies § 2 DRO moet beoordeeld worden t.o.v. de reële bestemming. Aangezien de nabestemming niet aan de VII-37.373-17/25 orde zal zijn tijdens de vergunningsperiode, moet het beperkt karakter van het impact beoordeeld worden t.o.v. de reële bestemming. De reële bestemming is deze van een ontginningsgebied : het is duidelijk dat de weerslag van de aangevraagde activiteit op een terrein dat gebruikt wordt als ontginningsgebied afwezig is. Een ontginningsgebied of een groeve is -met zijn reliëfverschillen als het ware een ideaal crossparcours waar geen ingrepen meer op hoeven te gebeuren. Het PVMC wees er al op: 'Het betreft een kleiontginning die nog gedeeltelijke in exploitatie is en waarvoor thans een aanvraag tot opvulling in behandeling is. Voor het crossen wordt in de eerste plaats gebruik gemaakt van de niveauverschil- len die door de ontginning (later opvulling) op natuurlijke wijze ontstaan'. Uit de voorbereidende werken blijkt dat de afwezigheid van weerslag op het terrein een criterium is te aanvaarden dat er een beperkt impact is.
(2)Rond het argument 'occasioneel gebruik' De verzoekende partijen beweren dat de bestreden beslissing artikel 145sexies § 2 DRO schendt omdat er geen sprake zou zijn van occasioneel gebruik. Het beweerd niet-occasioneel gebruik blijkt aldus de verzoekende partijen uit het feit dat het terrein is vergund als een permanent terrein met een exploitatie van 10 dagen motorsport met bijhorende oefendagen. Het argument kan niet weerhouden worden. Alhoewel er inderdaad een vergunning rubriek 32.9.4 vergund werd ('Permanente omlopen voor gemotori- seerde vaar- en/of voertuigen met een geluidsemissie van meer dan 98 dB (A), uitgezonderd outdoorcartings') is het evenzeer duidelijk dat het niet gaat om een permanent aanwezig circuit. Er is sprake van een permanent circuit op het ogenblik dat er op het terrein een motorsportomloop uitgetekend is, die permanent aanwezig blijft. Dit is voor het terrein niet het geval: op het terrein is er nog steeds een ontginningsactiviteit (of zo men wil: later een opvulactiviteit). Dit is de hoofdactiviteit van het terrein: de ontginning is de permanente activiteit. Evenwel is de vergunde motorsportactiviteit perfect compatibel met deze ontginningsactiviteit: ´ Zowel wat het tijdstip betreft: de ontginningsactiviteit heeft plaats tijdens de werkweek ]de motorsportactiviteit wordt enkel in de weekends ingericht ´ Als wat het noodzakelijke terrein betreft: omdat het om een motorsport over geaccidenteerd terrein gaat, levert de hoofdactiviteit, de ontgraving (en later zelfs de opvulling) de perfecte ondergrond voor de motorsportactiviteit. Het terrein hoeft niet aangelegd te worden; het is als ware reeds aanwezig door de ontginningsactiviteit. Dit brengt met zich mee dat er geen sprake is van een permanent circuit: zowel in tijd als wat het reliëf van het terrein betreft kan er onmogelijk een permanente omloop zijn. In tijd is er slechts gedurende maximaal 15 dagen een motorsportmanifestatie, de rest van het jaar (gedurende meer dan 200 werkdagen) is er een ontginningsactiviteit. Qua reliëf brengt de ontgravingsacti- viteit mee dat er een voortdurende wijziging is van de ondergrond. Er is in de feiten derhalve geen permanent circuit. Omtrent het occasioneel karakter van de vergunde activiteit kan er evenmin een probleem zijn. Het gaat om 10 wedstrijddagen en 10 halve dagen waarop oefeningen gehouden worden. In realiteit dus om 15 dagen. Er wordt op gewezen dat deze trouwens voor het afgelopen jaar niet allemaal werden opgebruikt en er in realiteit maar 8 wedstrijddagen en 8 halve oefendagen werden gebruikt. Daarbij moet er op gewezen worden dat het feit dat de inrichting op de indelingslijst wordt ingedeeld in de rubriek 5.32.9.4/ permanente omlopen voor gemotoriseerde vaar- en/of voertuigen met een geluidsemissie van meer dan VII-37.373-18/25 98 dB, uitgezonderd outdoorcartings betekent dat de inrichting permanent en dus niet-occasioneel zou worden gebruikt. De voorbereidende werken stellen uitdrukkelijk dat permanent en occasio- neel voor de toepassing van art. l45sexies § 2 DRO niet elkaars tegenpolen zijn. Zo leest men in de voorbereidende werken: 'culturele of recreatieve activiteiten die onderworpen zijn aan de milieu- vergunningsplicht (klasse I of II) kunnen hoe dan ook slechts op occasionele basis worden toegestaan. Dit betekent niet dat meldingsplich- tige (klasse III) of niet door VLAREM ingedeelde inrichtingen op permanente basis kunnen worden toegestaan. Een evaluatie geval per geval is nodig'. Occasioneel betekent niet dat er geen permanente toelating kan worden verleend. Occasioneel in artikel 145sexies § 2 DRO betekent dat er van een eventueel permanente vergunning slechts occasioneel gebruik mag worden gemaakt. Occasioneel peilt derhalve naar het daadwerkelijke gebruik van de inrichting in de tijd of beter naar de daadwerkelijke frequentie van het gebruik. Bovendien moet er op gewezen worden dat het begrip permanent in de indelingslijst in casu wellicht geen echte toevoeging biedt, aangezien de indeling eerder wordt bepaald door de aard van de motorvoertuigen die gebruikt worden. Dit moet -zoals de voorbereidende werken het stellen- geval per geval bekeken worden. Het hoofdcriterium daarbij lijkt te zijn dat het moet gaan om recreatief medegebruik waarbij de realisatie van de hoofdbestemming niet in het gedrang mag worden gebracht Een voorbeeld maakt dit duidelijk: in een landbouwgebied is de hoofdbe- stemming landbouw. Aangezien voor de teelt van gewassen er een zekere groei- en bloeitijd nodig is, zal occasioneel medegebruik inhouden dat aan een lage frequentie moet gereden worden één, twee maximaal drie wedstrijden per jaar om voldoende tijd over te houden voor het telen van een gewas. In andere gebieden (zoals industriegebieden) lijkt een hogere frequentie te kunnen aangehouden worden zonder dat de hoofdbestemming door het recreatief medegebruik in het gedrang wordt gebracht. Hierboven werd reeds toegelicht dat het gebruik van het terrein voor de motorsportactiviteit volledig compatibel is met de hoofdbestemming van het terrein als ontginningsgebied. En tenslotte is het ook zo dat er uiteindelijk slechts 10 hele + 10 halve dagen van 365 hele dagen per jaar een motorsportevenement wordt ingericht; dit is in overeenstemming met het begrip occasioneel in zijn normale betekenis van het woord. De voorwaarden zijn dan ook vervuld zodat terecht de Bestendige deputatie oordeelde: 'Om volgende redenen kan worden gesteld dat aan dit artikel is voldaan: - De realisering van de nabestemming komt niet in het gedrang, aangezien de opvulling van de putten van de kleiontginning - waarvoor de deputatie op 19 juni 2008 vergunning verleende voor een termijn tot 1 augustus 2015 -geen beletsel vormt om het terrein verder te gebrui- ken als motorcrossterrein gedurende de tijdspanne dat de opvulling gebeurt. Dit blijkt zowel uit het advies van de AMV, alsook uit de verklaring van de eigenaar van de gronden die instaat voor de ontginning en de opvulling van de kleiputten, en die exploitant de toelating heeft gegeven om de betreffende gronden te gebruiken voor het organiseren van 10 wedstrijden inclusief oefenritten per jaar, en dit voor een periode van 20 jaar, meer bepaald van 2003 tot 2022; - De aanvraag heeft betrekking op een occasionele recreatieve activiteit, zijnde het organiseren van maximaal 10 wedstrijden (inclusief oefenritten) per jaar. Dit is een beperkte frequentie die bovendien niet VII-37.373-19/25 hoger ligt dan deze die in de vorige vergunning MLAV1/03- 109 van 24 juli 2003 werd vergund'. Dit standpunt werd bevestigd door de Minister waar zij oordeelt dat het gaat om slechts 10 wedstrijddagen met bijhorende oefenritten en daarmee voldaan wordt aan de vereiste dat dergelijke activiteit enkel op occasionele basis kan worden toegestaan".
  1. In haar memorie herhaalt de tussenkomende partij in hooforde de argumenten die zij reeds in het verzoekschrift tot tussenkomst heeft ontwikkeld en doet zij voorts gelden dat de verwerende partij bij de beoordeling van de administra- tieve beroepen niet moest uitgaan van de agrarische nabestemming van het gebied, dat de nabestemming slechts aan de orde kan zijn na de stopzetting van de ontginning, dat de groeve echter nog steeds in exploitatie is en er zelfs nog geen aanvang werd gemaakt met de beëindiging van de exploitatie en de opvulling van de groeve, dat aangezien voor de opvulling een termijn van tien jaar nodig is de nabestemming voor landbouwactiviteiten de eerste jaren niet mogelijk zal zijn, dat het geenszins gaat om een permanent circuit, dat op het terrein nog steeds een permanente ontginningsactiviteit is, dat motorsport perfect compatibel is met de hoofdactiviteit, dat zowel in de tijd als wat het reliëf betreft er onmogelijk een permante omloop kan zijn, dat er geen tegenstrijdigheid bestaat tussen een op grond van rubriek 5.32.9, 4/, van de indelingslijst verleende vergunning voor een "permanente" omloop en het occasioneel karakter van de vergunde activiteiten, dat occasioneel niet betekent dat er geen permanente toelating kan worden verleend, dat occasioneel in de zin van artikel 145sexies, § 2, van het D.R.O. betekent dat er van een permanente vergunning slechts occasioneel gebruik mag worden gemaakt, dat occasioneel slaat op het daadwerkelijke gebruik, dat de toegelaten frequentie afhangt van het gebruik van het gebied, dat de activiteit het normale gebruik van het gebied niet mag hypothekeren, dat zulks geval per geval moet worden onderzocht en het verhinderen van het normale gebruik verschilt naargelang het gaat om een landbouwgebied dan wel een ontginningsgebied, dat het aantal toegelaten organisatiedagen niet belet dat er sprake is van een occasioneel gebruik, dat het in realiteit gaat over vijftien dagen, dat wanneer tijdens de parlementaire voorbereiding verwezen is naar drie wedstrijden dit niet was om inhoud te geven aan het begrip "occasioneel" maar om de voorwaarde inzake "beperkte impact" te illustreren, dat in casu de inrichting een zeer beperkte tot geen impact heeft, dat een motorcross immers geen grotere impact heeft dan de hoofdactiviteit van ontginnen, dat de parlementaire stukken geen aantal opgeven om de voorwaarde van het occasioneel gebruik te beoordelen, dat zulks geval per geval geëvalueerd moet worden, dat de overheid terzake beschikt over een zeer ruime discretionaire bevoegdheid die de VII-37.373-20/25 rechter slechts marginaal kan toetsen, dat de bestemming ontginningsgebied een semi-industriële bestemming is, dat het gebied in kwestie een totale oppervlakte heeft van ongeveer 150 ha waarvan slechts 8 ha gebruikt wordt voor de motor- crossactiviteiten, dat de bestemming van de wijde omgeving agrarisch is, dat enkel de zuidkant grenst aan bosgebied, dat bijzondere natuurwaarden in de wijde omgeving afwezig zijn, dat de vergunde activiteiten gebeuren onder het grondpeil en de woningen in de omgeving allemaal zonevreemd zijn.
  2. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij, onder verwijzing naar de omzendbrief RO 99/01 van 2 maart 1999 over "de advisering m.b.t. de verenigbaarheid van 'omlopen voor wedstrijden, test- en oefenritten met motorvoertuigen' zoals bepaald in rubriek 32.9, 1/ en 2/ van VLAREM I, Bijlage 1, vastgesteld bij artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 26 juni 1996", dat motorcrosswedstrijden onder bepaalde voorwaarden in ontginningsgebieden en in agrarische gebieden kunnen worden toegelaten. Voor het overige volhardt zij in haar standpunt dat het gaat om een occasionele activiteit.
  3. De tussenkomende partij benadrukt in haar laatste memorie dat de invulling van het begrip occasioneel zaak is van appreciatie door de vergunning- verlenende overheid, dat omtrent het concrete aantal gebruiksmomenten verscheide- ne wettelijke keuzemogelijkheden zijn, dat de toegelaten frequentie van de activiteiten kan verschillen omdat de mogelijkheid tot medegebruik afhankelijk is van meerdere parameters, dat derhalve meerdere wettelijke keuzes mogelijk zijn, dat wanneer de overheid op basis van haar appreciatievrijheid tot de slotsom komt dat het aantal aangevraagde activiteiten niet aangewezen is zij steeds het beoogde aantal kan beperken, dat de verwerende partij te dezen geen kennelijk onredelijke invulling aan het begrip occasioneel heeft gegeven, dat de groeve actueel niet opgevuld wordt, dat zolang de groeve niet is opgevuld het perceel onmogelijk kan worden gebruikt voor landbouwdoeleinden, dat de landbouwbestemming maar kan ontstaan op het ogenblik dat het perceel volledig is opgevuld en niet naar mate van de opvulling, dat bijgevolg tijdens de periode van opvulling geen rekening gehouden mag worden met de landbouwbestemming en dat er, gelet op het uitgestrekt karakter van het ontginningsgebied, ter plaatse nog voor lange tijd ontginningsactiviteiten zullen zijn zelfs nadat de thans bestaande groeve volledig zal zijn opgevuld. VII-37.373-21/25 Beoordeling
  4. Artikel 145sexies van het D.R.O., ingevoegd bij artikel 4, 2/, van het decreet van 22 april 2005 tot wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, bepaalde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit : "§
  5. (...) §
  6. In alle gebieden die op de gewestplannen zijn aangewezen, kunnen naast de werkzaamheden, handelingen en wijzigingen die gericht zijn op de realisatie van de bestemming ook werkzaamheden, handelingen en wijzigingen, activiteiten of inrichtingen worden toegestaan die gericht zijn op het sociaal- culturele of recreatieve medegebruik, voorzover ze door hun beperkte impact de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen. Voor niet van stedenbouwkundige vergunningsplicht vrijgestelde werkzaam- heden, handelingen of wijzigingen die verbonden zijn met occasionele of hoogdynamische sociaal-culturele of recreatieve activiteiten kan slechts een tijdelijke stedenbouwkundige vergunning worden afgeleverd, of een steden- bouwkundige vergunning met als voorwaarde dat de werkzaamheden, handelingen of wijzigingen in kwestie slechts gedurende een specifieke periode of op bepaalde momenten aanwezig kunnen zijn. Sociaal-culturele of recreatieve activiteiten waarvan de inrichtingen onderworpen zijn aan de milieuvergunningsplicht kunnen hoe dan ook slechts op occasionele basis worden toegestaan. §
  7. De Vlaamse Regering kan nadere regels met betrekking tot de toepassing van dit artikel vaststellen". Uit deze bepaling volgt dat activiteiten van recreatief medegebruik in niet-geëigende zones van het gewestplan toegelaten kunnen worden op voorwaarde dat zij slechts een beperkte impact hebben op de realisatie van de algemene bestemming. Recreatieve activiteiten die onderworpen zijn aan de milieuvergunningsplicht kunnen slechts op occasionele basis toegelaten worden. De thans bestreden milieuvergunning is verleend op grond van voormelde bepaling. Er moet derhalve aangenomen worden dat de verwerende partij zelf van oordeel was dat de aangevraagde motorcrossactiviteiten niet verenigbaar zijn met de geldende voorschriften van het gewestplan die aan de betrokken percelen de bestemming van uitbreiding van een ontginningsgebied met nabestem- ming agrarisch gebied hebben gegeven. Uit de memorie van toelichting bij het voornoemde decreet van 22 april 2005 blijkt dat de decreetgever een oplossing wenste te geven aan de problematiek van de occasionele motorcrosswedstrijden. Er wordt verduidelijkt dat VII-37.373-22/25 de verwijzing naar de beperkte impact op het gebied betrekking heeft op, onder meer, de tijdelijkheid van de ingreep, waarbij uitdrukkelijk het voorbeeld vermeld wordt van een motorcross in agrarisch gebied die occasioneel, bijvoorbeeld maximaal drie keer per jaar, wordt gehouden (Vl. Parl, 2004-2005, stuk é/1, p. 11). Uit de verdere verduidelijking (p. 12) blijkt evenwel ook dat de vaststelling van de beperkte impact geenszins betekent dat het bestuur verplicht is de vergunning te verlenen. Er wordt integendeel in de volgende bewoordingen benadrukt dat steeds een specifiek en plaatsgebonden onderzoek vereist is, dat betrekking heeft op de bestemming van het gebied, op de nabijheid van andere bestemmingsgebieden en op andere natuurwaarden : "Het spreekt voor zich dat voor elk toepassingsgeval een gebiedsgerichte beoordeling essentieel is, waarbij rekening gehouden wordt met de algemene bestemming van het betrokken gebied maar ook met de nabijheid van andere bestemmingsgebieden en de goede ruimtelijke ordening in het algemeen. In die zin moeten de decretale bepalingen in kwetsbare gebieden (de ruimtelijk kwetsbare gebieden en degene, aangewezen op basis van andere wetgeving, zoals speciale beschermingszones) een veel striktere beoordeling krijgen dan in bepaalde andere gebieden. Zelfs binnen eenzelfde categorie van bestem- mingsgebieden kan de toelaatbaarheid van de betrokken activiteiten verschillen, bijvoorbeeld wegens nabuurschap met andere bestemmingsgebieden (cf. supra) of de feitelijke toestand zoals de aanwezigheid van bepaalde natuurwaarden of het landschappelijk waardevol karakter van een gebied bestemd voor agrarisch gebruik. Bij de plaatsgebonden beoordeling moeten ook elementen zoals de toegankelijkheid van een gebied en de verkeersimpact van bepaalde activiteiten in rekening worden gebracht. Om het belang van de plaatsgebonden beoordeling te benadrukken, en om aan te geven dat de vergunningsplicht (stedenbouwkundige vergunningsplicht zowel als milieuvergunningsplicht) onverminderd blijft gelden, wordt in de tekst gesteld dat de betrokken handelingen, activiteiten e.d. kunnen worden toegelaten i.p.v. te stellen dat ze zijn toegelaten (dit is een wijziging ten opzichte van de tekst van het eerdere voorstel van decreet). (...)". Er wordt voorts ook gesteld dat een "hoogdynamische activiteit", zoals een motorcross, veel strikter bekeken moet worden dan een "laagdynamische activiteit", zoals wandelen (p. 13). In de mate dat het al dan niet toelaten van vormen van recreatief medegebruik in zones waar ze planologisch niet thuishoren afhankelijk is van hun beperkte impact op de realisatie van de algemene bestemming van het gebied, verleent artikel 145sexies van het D.R.O. aan het bestuur een ruime appreciatiebe- voegdheid. De door artikel 145sexies van het D.R.O. verleende appreciatievrijheid sluit echter niet uit dat het bestuur in zijn beoordeling gebonden is door de juiste betekenis van de in bedoelde afwijkingsregeling gebruikte begrippen. Luidens VII-37.373-23/25 artikel 145sexies, § 2, derde lid, van het D.R.O. kunnen recreatieve activiteiten waarvan de inrichtingen onderworpen zijn aan de milieuvergunningsplicht "hoe dan ook slechts op occasionele basis worden toegestaan". De vraag of de beoogde activiteiten al dan niet occasioneel zijn, is een zaak van interpretatie waarbij het begrip occasioneel correct moet worden uitgelegd. De vergunningverlenende overheid kan op grond van de haar toegekende appreciatiebevoegdheid de betekenis van een begrip niet wijzigen. Met het bestreden besluit wordt vergunning verleend voor vijf autocross- en vijf motorcrossweekends per jaar met een geluidsemissie van meer dan 98 dB. Op oefendagen worden de activiteiten toegelaten van 14.00 uur tot 18.00 uur en op wedstrijddagen van 8.00 uur tot 18.00 uur. Dit komt er concreet op neer dat tien weekends per jaar grotendeels worden aangewend voor luidruchtige wedstrijden en oefenritten. De memorie van toelichting bij het decreet van 22 april 2005 vermeldt uitdrukkelijk het voorbeeld van een motorcross die maximaal drie keer per jaar wordt gehouden. In de aan de decretale regeling voor het recreatief medege- bruik voorafgaande omzendbrief RO 99/01 van 2 maart 1999 over "de advisering m.b.t. de verenigbaarheid van 'omlopen voor wedstrijden, test- en oefenritten met motorvoertuigen' zoals bepaald in rubriek 32.9, 1/ en 2/ van VLAREM I, Bijlage 1, vastgesteld bij artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 26 juni 1996", was sprake van een "beperkt aantal activiteiten (maximaal drie per jaar)". Uit wat voorafgaat volgt dat de decreetgever met het decreet van 22 april 2005 de inname van de ruimte voor milieuvergunningsplichtige vormen van recreatief medegebruik heeft verbonden met een zeer lage frequentie van de activiteiten tot medegebruik. Aan de woorden "op occasionele basis" van artikel 145sexies van het D.R.O. moet derhalve een uiterst beperkte invulling worden gegeven. Het organiseren van tien motorcrossweekends per jaar beantwoordt niet aan de gestelde decretale voorwaarde. Het eerste middel is gegrond. VII-37.373-24/25 BESLISSING
  8. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 27 maart 2009 waarbij de beroepen tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Antwerpen van 26 juni 2008, houdende het verlenen van de vergunning aan Ludo Janssens om een omloop voor gemotoriseerde sporten, gelegen aan de Kraaienhorst te Brecht, verder te exploiteren, gedeeltelijk gegrond worden verklaard, de beroepen beslissing wordt aangevuld met bijzondere voorwaarden en zij voor het overige wordt bevestigd.
  9. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  10. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 700 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf juli tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Luc Hellin VII-37.373-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.404 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.053 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.