id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.406 Rolnummer: A. 184432/VII-37024 Zaak: Arrest 206406 - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) - 05/07/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-09 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-07-02 11:39 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(
- en)DE Fiche Arrest nr 206.406 van 5 juli 2010 Sociale zaken en volksgezondheid - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 206.406 van 5 juli 2010 in de zaak A. 184.432/VII-37.024. In zake: 1. de NV DORGE MEDIC 2. de NV OMEGA MEDICAL, thans de NV ARSEUS HEALTH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bouckaert en Jan Roggen kantoor houdend te Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Luc Depré, Pierre Slegers en Valentine de Francquen kantoor houdend te Brussel Terhulpsesteenweg 178 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 10 september 2007, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 7 juni 2007 tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 juli 2007. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 173.797 van 31 juli 2007 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. VII-37.024-1/6 De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Jozef Stevens heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 juni 2010. Staatsraad Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jan Roggen, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Pierre Slegers, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jozef Stevens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Juridisch kader 3. De tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging in de aankoop van rolstoelen door personen met een beperking van de mobiliteit wordt geregeld in artikel 28 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (hierna : de nomenclatuur). Vóór de inwerkingtreding van de wijziging van die bepaling bij het bestreden koninklijk besluit had de VII-37.024-2/6 verzekeringstegemoetkoming betrekking op de kosten voor de eenmalige aankoop van een rolstoel en voor de latere aanpassingen ervan. 4. Met het oog op het realiseren van een besparing in de sociale zekerheid, nam het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (hierna : RIZIV) het initiatief om, voor wat betreft de rolstoelen voor personen opgenomen in een rustoord voor bejaarden (ROB) of een rust- en verzorgingstehuis (RVT), de eenmalige tegemoetkoming in de aankoopprijs te vervangen door een maandelijkse tegemoetkoming in de kosten voor de huur van een rolstoel. Dit initiatief heeft geleid tot het thans bestreden koninklijk besluit. 5. Bij artikel 1 van het bestreden besluit worden een aantal wijzigingen aangebracht in artikel 28, § 8, van de nomenclatuur. Die paragraaf, die betrekking heeft op de verzekeringstegemoetkoming voor de verstrekkingen die behoren tot de bevoegdheid van de bandagisten, wordt onder meer aangevuld met een punt IV, met als opschrift "Maandelijks huurforfait voor de verhuur van een mobiliteitshulpmiddel aan rechthebbenden opgenomen in een rustoord voor bejaarden of een rust- en verzorgingstehuis". Volgens dat punt IV neemt de verzekeringstegemoetkoming voor de bedoelde rechthebbenden de vorm aan van een maandelijks huurforfait, dat de maandelijkse huur van een manuele rolstoel dekt. Het huurforfait kan worden toegestaan op voorwaarde dat een huurcontract van onbepaalde duur is gesloten tussen de verstrekker en de rechthebbende. Dat huurcontract, dat opgesteld moet worden volgens een model vast te stellen door de Technische Raad Rolstoelen, dient te beantwoorden aan een aantal voorwaarden die nader in punt IV worden bepaald. Er wordt voorts bepaald dat de overeenkomst, onder meer, bij het overlijden van de rechthebbende van rechtswege eindigt, dat de verstrekker de rolstoelen bij de eerste ingebruikname nieuw moet verstrekken en dat, zolang de rolstoel geen zes jaar oud is, hij gebruikt kan worden voor een andere gebruiker. IV. De ontvankelijkheid Standpunt van de partijen VII-37.024-3/6 6.1. De verzoekende partijen omschrijven zichzelf als speciaalzaken voor medische en paramedische producten. De eerste verzoekende partij verklaart een jarenlange ervaring in de sector van de bandagisterie te hebben, meer bepaald met het verlenen van advies voor het gebruik van en het verstrekken van mobiliteitshulpmiddelen. Zij zegt 75 % van haar omzet te halen uit de verkoop van rolstoelen in de betrokken sector. De tweede verzoekende partij verklaart sinds meerdere jaren actief te zijn in de sector en meer dan 1.000 rolstoelen per jaar te verkopen. 6.2. De verwerende partij werpt een exceptie op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang. Volgens de verwerende partij heeft het bestreden besluit betrekking op activiteiten van bandagisterie, die voorbehouden zijn aan bandagisten. Aangezien de verzoekende partijen geen bandagisten zijn, ondervinden zij volgens de verwerende partij geen rechtstreeks persoonlijk nadeel en is het beroep om die reden niet ontvankelijk. 6.3. In de memorie van wederantwoord beperken de verzoekende partijen zich er op dit punt toe te verwijzen naar "de financiële resultaten van 2007 voor eerste verzoekende partij waaruit klaar en duidelijk blijkt dat het bestreden besluit ernstige financiële gevolgen heeft voor de eerste verzoekende partij". Zij stellen tevens dat volgens vaste rechtspraak van de Raad van State ook een financieel belang aanvaard kan worden als voldoende persoonlijk belang bij een beroep tot nietigverklaring. 6.4. In hun laatste memorie voegen de verzoekende partijen nog toe dat bandagisten hun activiteiten kunnen uitoefenen in het kader van een rechtspersoon "en dus in naam en voor rekening van deze rechtspersoon", dat beide verzoekende partijen bandagisten tewerkstellen, en dat zij dan ook beide rechtstreeks worden getroffen door het bestreden besluit. De verzoekende partijen stellen dat het huurcontract tussen de verstrekker en de rechthebbende, waarvan sprake in artikel 1.3.2.1. van het bestreden besluit, in hoofde van een verstrekker die in dienst is van de eerste verzoekende partij, wordt gesteld in naam van en voor rekening van de verzoekende partijen. Voorts wijzen zij er op dat de eerste verzoekende partij door de federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal overleg werd VII-37.024-4/6 ingedeeld bij paritair comité nummer 330, dat onder meer voor paramedici bevoegd is, en dat zij bij de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 20 september 2009 tot oprichting en tot vaststelling van de benaming en van de bevoegdheid van het paritair comité 340 voor de orthopedische technologieën, bij dat paritair comité zullen worden ingedeeld, dat bevoegd is "voor het verrichten van technische prestaties die door de bandagisten mogen worden verricht". De verzoekende partijen vermelden een aantal concrete gevolgen die volgens hen rechtstreeks uit het bestreden besluit voortvloeien, zoals onder meer de prefinanciering van het systeem, verplichtingen inzake het reinigen van de rolstoelen, het stockeren van rolstoelen, en het verlies van de rolstoel bij overlijden van de rechthebbende. Wat het financieel belang betreft stellen de verzoekende partijen ten slotte, dat hen geen rechtspraak van de Raad van State bekend is die de in het auditoraatsverslag gehuldigde stelling ondersteunt dat een financieel belang een onrechtstreeks belang is. V. Beoordeling 7. De verzoekende partijen zijn speciaalzaken voor medische en paramedische beroepen. Het bestreden besluit heeft betrekking op het huurforfait van de verzekeringsinstelling aan de verstrekker, de huurovereenkomst tussen de verstrekker en de rechthebbende en de aflevering of aanpassing door een erkend verstrekker. Het bevat tevens specifieke bepalingen voor de verstrekkers. Het besluit heeft aldus betrekking op bandagisten, en niet op de verzoekende partijen. Dat de verzoekende partijen ressorteren onder het paritair comité nr. 330 of 340, betekent niet dat zij als een verstrekker van gezondheidszorgen in de zin van de ziekte- en invaliditeitsreglementering moeten worden beschouwd. Het financieel belang van de verzoekende partijen, dat zij in hun laatste memorie voorts trachten te staven, is een belang dat men kan doen gelden in het kader van een vordering tot schadevergoeding. Een dergelijke vordering behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de hoven en rechtbanken. Het belang dat erin bestaat het bestreden besluit bij een arrest van de Raad van State onwettig VII-37.024-5/6 te horen verklaren, om op grond van deze met gezag van gewijsde beklede uitspraak een vordering tot schadevergoeding voor de gewone rechter kracht bij te zetten, is een voordeel dat niet verbonden is met het doen verdwijnen van het bestreden besluit uit het rechtsverkeer, maar enkel met het gegrond horen verklaren van één of meer middelen. Dergelijk belang is onrechtstreeks en volstaat niet voor de ontvankelijkheid van het voorliggende beroep. Het aangevoerde belang is noch persoonlijk, noch rechtstreeks. De exceptie is gegrond en het beroep is niet ontvankelijk. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf juli tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Luc Hellin VII-37.024-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.406 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.797 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.