← België

Arrest 206408 - Milieuvergunningen - 05/07/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.408 Rolnummer: A. 187757/VII-37169 Zaak: Arrest 206408 - Milieuvergunningen - 05/07/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-16 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-02 11:40 Fiche Arrest nr 206.408 van 5 juli 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 206.408 van 5 juli 2010 in de zaak A. 187.757/VII-37.

  1. In zake:
  2. Dirk BLOMME
  3. Viviane FILLIERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Konstantijn Roelandt kantoor houdend te Brussel Galliërslaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Bergé kantoor houdend te Leuven Naamsestraat 165 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV DOSSCHE MILLS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mario Deketelaere kantoor houdend te Antwerpen Meir 24 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 18 maart 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 18 december 2007 houdende het definitief verlenen van de vergunning na een proefperiode aan de nv Dossche Mills & Bakery, om een graanmaalderij, gelegen aan de Tolpoortstraat 40 te Deinze, verder te exploiteren en te veranderen. VII-37.169-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
  5. Bij arrest nr. 189.332 van 8 januari 2009 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 12 februari
  6. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 juni
  7. Staatsraad Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Konstantijn Roelandt, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Justin Simenon, die loco advocaat Jan Bergé verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Mario Deketelaere, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. VII-37.169-2/15 III. Feiten 3.
  9. De tussenkomende partij exploiteert een graanmaalderij gelegen aan de Tolpoortstraat 40 te Deinze. De inrichting, die daar reeds meer dan een eeuw is gevestigd, ligt in het centrum van Deinze, volgens het bij het koninklijk besluit van 24 februari 1977 vastgestelde gewestplan Oudenaarde in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO's, en is volledig omgeven door woongebied. 3.
  10. Op 30 mei 1986 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een vergunning voor de verdere exploitatie van de inrichting, voor een termijn van vijftien jaar. 3.
  11. Op 24 augustus 2000 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een milieuvergunning voor de hernieuwing en verandering van de inrichting, voor een termijn van twintig jaar. Na een administratief beroep door de afdeling Milieuvergunningen Oost-Vlaanderen, wordt deze vergunning op 23 maart 2001 vervangen door een vergunning op proef, voor een termijn tot 23 augustus
  12. De vergunning heeft het volgende voorwerp : "- het lozen van max. 3,5 m³/uur en 35 m³/dag bedrijfsafvalwater in de Leie; het lozen van max. 0,65 m³/uur huishoudelijk afvalwater in de openbare riolering van de Tolpoortstraat; - twee oliegekoelde transformatoren van 1.250 kVA elk; - vijf batterijladers met een gezamenlijk vermogen van 11 kW; - een stalplaats voor max. 20 vrachtwagens; - een wasinrichting voor het reinigen van max. 10 voertuigen per week; - drie compressoren met een vermogen van 37 kW en 25,5 kW

(2x)en koelinstallaties met een gezamenlijk vermogen van 74 kW; - de opslag van 1.404 l diverse gassen in verplaatsbare recipiënten (150 l zuurstof, 100 l atal, 50 l stikstof, 70 l argon, 350 l acetyleen, 20 l inarc en 664 l propaan); - de opslag van 4.910 kg schadelijke, irriterende en corrosieve stoffen; - de opslag van 200 l petroleum in een vat; - de opslag van 134.000 l P3-producten in bovengronds enkelwandige houders (93.000 l diesel, 1.000 l afvalolie en 30.000 l, 6.000 l en 4.000 l stookolie); - een verdeelslang voor diesel voor de bevoorrading van eigen voertuigen; - de opslag van 2.155 kg gevaarlijke stoffen in verpakkingen van max. 25 l of 25 kg; - diverse houtbewerkingstoestellen met een gezamenlijk vermogen van 18,5 kW; - de opslag van 750 m³ houten palletten, deels in een gesloten ruimte en deels in openlucht; - de opslag van 10 ton PVC-palletten in een lokaal; - een kwaliteitslabo; VII-37.169-3/15 - diverse metaalbewerkingsmachines met een gezamenlijk vermogen van 44,7 kW; - een ontvettingsbad van 200 l voor metalen; - de opslag van 150 ton papieren verpakkingsmateriaal; - een stoomketel met een waterinhoud van 3.500 l; - vijf stookinstallaties met een totaal thermisch vermogen van l.516 kW (1.042,5 kW, 234,5 kW, 98,2 kW, 97,6 kW en 45,3 kW); - een proefbakkerij met een gezamenlijk vermogen van 30 kW; - een graanmaalderij met een totaal geïnstalleerd vermogen van 4.588,75 kW (1.958,75 kW voor bewerking en 2 630 kW voor transport); - de opslag van 29.882 m³ granen, bloem en bijproducten in silo's". 3.
  1. Er worden bijzondere vergunningsvoorwaarden opgelegd, onder meer inzake geluidshinder. Deze luiden als volgt : "- De exploitant dient het specifieke geluid van de inrichting te evalueren door het uitvoeren van een nieuw geactualiseerd volledig akoestisch onderzoek zoals beschreven in bijlage 4.5.2 van titel II van het VLAREM. De inrichting dient hierbij getoetst te worden aan de voorwaarden vervat in afdeling 4.5.3 van titel II van het Vlarem (voorwaarden voor nieuwe inrichtingen en voor veranderingen van bestaande inrichtingen). Indien nodig dient een saneringsplan voor geluidshinder zoals beschreven in bijlage 4.5.3 van titel II van het VLAREM uitgewerkt en uitgevoerd. Deze documenten dienen binnen een termijn van vier maand na ondertekening van onderhavig besluit ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provinciale entiteit van de Afdeling milieu-inspectie alsook ter kennisgeving aan het hoofdbestuur van de Afdeling Milieuvergunningen. De vereiste saneringsmaatregelen worden zo snel als mogelijk uitgevoerd. - Na uitvoering van de saneringsmaatregelen laat de exploitant binnen het jaar na datum van ondertekening van onderhavig besluit, en mits het in acht nemen van de termijn van rapportage, zoals hierna vermeld, een tweede volledig akoestisch onderzoek uitvoeren, waaruit moet blijken dat de geluidsnormen van afdeling 4.5.3 van titel II van het Vlarem steeds gerespecteerd worden. Het rapport van dit laatste onderzoek wordt uiterlijk één jaar na datum van ondertekening van dit besluit ter goedkeuring voorgelegd aan de provinciale entiteit van de Afdeling milieu-inspectie en ter kennisgeving overgemaakt aan het hoofdbestuur van de Afdeling Milieuvergunningen". Het annulatieberoep dat de tussenkomende partij tegen deze beslissing indient, wordt verworpen bij het arrest van de Raad van State nr. 137.643 van 25 november
  2. 3.
  3. Op 22 augustus 2002 wordt een definitieve vergunning verleend. Deze wordt op vordering van de eerste verzoeker door de Raad van State geschorst bij arrest nr. 120.126 van 4 juni 2003 en vernietigd bij arrest nr. 138.268 van 9 december
  4. VII-37.169-4/15 3.
  5. Na dat vernietigingsarrest wordt op 4 april 2005 een nieuwe beslissing genomen. De vergunning wordt opnieuw verleend voor een termijn tot 24 augustus
  6. Ook deze beslissing wordt door de Raad van State geschorst, bij arrest nr. 156.449 van 16 maart 2006, en vernietigd, bij arrest nr. 173.494 van 12 juli
  7. 3.
  8. Daarna wordt de procedure opnieuw hernomen. De volgende adviezen worden verleend : - de afdeling Stedenbouwkundig Beleid: gunstig; - de Vlaamse Milieumaatschappij: gunstig, mits een bijzondere vergunnings- voorwaarde; - de afdeling Milieuvergunningen : gunstig, mits bijzondere vergunnings- voorwaarden; - de afdeling Milieu-inspectie, buitendienst Oost-Vlaanderen: gunstig, voor een beperkte termijn, met het oog op een herlokalisatie; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie : gunstig, mits bijzondere vergunningsvoorwaarden. 3.
  9. Op 18 december 2007 volgt de thans bestreden beslissing. Er wordt een definitieve vergunning verleend, voor een termijn tot 24 augustus
  10. Inzake geluidshinder bevat de bestreden beslissing de volgende overwegingen : "(...) Overwegende dat door de afdeling Milieu-inspectie, voor de verschillende procedures, drie evaluatieverslagen werden opgesteld respectievelijk in 2002, op 12 januari 2005 en op 18 september 2007; dat de voornaamste conclusies hieruit zijn: - voor het aspect geluid: - op 21 augustus 2001 heeft het bedrijf de verslaggeving van juni 2001 door een erkend geluidsdeskundige van een volledig akoestisch onderzoek/saneringsplan toegestuurd; - het vermeld onderzoek toonde aan dat de overschrijdingen van de VLAREM II-geluidsvoorwaarden vrij drastisch zijn voor zowel de basisactiviteit op continue basis als voor laad- en losverrichtingen die niet plaatsvinden 's nachts noch tijdens het weekend; het deelverslag saneringsplan met de noodzakelijke geluidsreductie per bron, de aard van de maatregelen en hun gefaseerde aanpak werd afgeleid uit een theoretische simulatiestudie; - het akoestisch onderzoek/saneringsplan droeg aanvankelijk niet onze goedkeuring, wat verwoord werd in een aanmaning van 4 september 2001 (meetwaarden dienen getoetst aan de geluidsvoorwaarden voor nieuwe inrichtingen, zoals opgelegd in de bijzondere voorwaarden; er werden geen uitvoeringstermijnen van saneringsmaatregelen meegedeeld en het saneringsplan is niet ondertekend door de exploitant); VII-37.169-5/15 - hierop werd gerepliceerd door het bedrijf op 8 oktober 2001 en er werd een tijdsplanning voor de sanering meegedeeld; - op 3 mei 2002 werd er een inspectiebezoek verricht; - het resultaat van in een eerste fase uitgevoerde en nog geplande maatregelen van het saneringsplan werd ingeschat op basis van een simulatieberekening; een tweede beoordeling van het tussentijdse saneringsresultaat wordt gegeven in het verslag 'opvolging saneringsplan' van 6 mei 2003; op basis van gemeten overschrijdingen van de richtwaarden kwam de deskundige tot het besluit dat de sanering diende verder gezet voor een aantal bronnen op welke het beginsel van de beste beschikbare technieken niet was toegepast; - eindbeoordeling van de geluidssanering is te vinden in het verslag van 16 februari 2004; hierbij had een ambulante meting plaats in een meetpunt representatief voor de buur/klager Tolpoortstraat 64 ter hoogte van het slaapkamerniveau; volgens de conclusie bedraagt het specifiek geluid in dit meetpunt 45 dB(A) voor de nachtperiode, hetgeen gelijk is aan de richtwaarde voor bestaande inrichtingen; dat het bedrijfsgeluid nog steeds het geluidsklimaat in de omgeving van de woning beheerst, volgt uit de meetresultaten gegeven in figuur 7-1; een stabiel en constant geluidsdrukniveau van 45 dB(A) veroorzaakt door industrielawaai en gemeten op slaapkamerniveau is niet van aard een aanvaardbare kwaliteit van de woonomgeving te waarborgen; - de redenen van het vernietigingsarrest van 9 december 2004 zijn grotendeels voorbijgestreefd door de gegevens van het saneringsdossier voor het aspect geluid, zoals voormeld; (...) Overwegende dat door een erkend geluidsdeskundige een rapport werd opgesteld in juni 2001: 'opvolging saneringsplan met betrekking tot geluid'; dat hierin samengevat werd besloten dat: '-het specifiek geluid van de inrichting de Vlarem II richtwaarden (woongebied -een rekenmodel werd opgesteld waarbij een goede benadering werd verkregen tussen de gemeten en de berekende waarden; er werd bij de bepaling van het specifieke geluid uitgegaan van het ergst mogelijke scenario, waarbij alle mogelijke bronnen in werking waren (veelal een overschatting van de werkelijke toestand); -een opsomming werd gedaan van mogelijk uit te voeren maatregelen (in twee fazen), teneinde aan de Vlarem II voorwaarden te kunnen voldoen'; Overwegende dat vervolgens door een erkend geluidsdeskundige een tweede evaluatierapport werd opgesteld op 17 april 2002 : 'evaluatie van de reeds uitgevoerde en nog geplande saneringsmaatregelen'; dat hierin samengevat werd besloten dat: '- wanneer alle geplande maatregelen doorgevoerd zullen zijn, dan zal volgens de overdrachtsberekening voldaan worden aan de Vlarem II richtwaarden voor bestaande inrichtingen voor zowel de dag-, avond- als de nachtperiode; enkel tijdens het lossen van schepen en vrachtwagens zal de richtwaarde van 50 dB(A) voor de dagperiode overschreden worden ter hoogte van de beoordelingspunten aan de overzijde van de Leie (BP1 en BP 2); hierbij dient opgemerkt dat deze twee activiteiten veelal niet samen gaan, zodat de overschrijding eerder beperkt zal blijven; ter hoogte van alle andere beoordelingspunten zullen de Vlarem II richtwaarden gerespecteerd worden; - enkel daadwerkelijke metingen na het uitvoeren van de maatregelen kunnen toelaten het effect van de sanering te begroten en de aanwezigheid van zuivere tonen ter hoogte van de beoordelingspunten uit te sluiten; de overdrachtberekening geeft echter wel een indicatie VII-37.169-6/15 of de goede richting gevolgd werd bij het doorvoeren van het saneringsplan'; Overwegende dat vervolgens door een erkend geluidsdeskundige een derde evaluatierapport werd opgesteld op 16 februari 2004: 'opvolging saneringsplan deel 2'; dat hierin samengevat werd besloten dat: '- het LA95, 1h van het omgevingsgeluid voldoet in MP3 en MP 4 aan de milieukwaliteitsnormen van het Vlarem II. MP3 is gelegen op het bedrijfsterrein en wordt minder streng beoordeeld (MKN 60/55/55). Enkele meters verder zijn de milieukwaliteitsnormen strenger (50/45/45) ter hoogte van de woningen. Bij een toetsing aan deze normen zou, gedurende de avond- en de nachtperiode, een overschrijding van 3 tot 5 dB(A) vastgesteld worden. Ter hoogte van de Tolpoortstraat 64 (achterzijde) wordt gedurende de week avondperiode de milieukwaliteitsnorm met 1 dB(A) overschreden. In de andere beoordelingsperiodes doen er zich geen overschrijdingen voor. Ter hoogte van de overzijde aan de Leie wordt gedurende de weekdag- en avondperiode de MKN overschreden met 4 dB(A). Gedurende het weekend wordt enkel gedurende de avondperiode een overschrijding vastgesteld; - het omgevingsgeluid rondom het bedrijf evolueert sinds 2001 gunstig. De saneringen van deel 1 hebben een gunstig effect gehad op het omgevingsgeluid met dalingen van 2 tot 10 dB(A). De saneringen van deel 2 hebben slechts beperkt effect op het gemeten omgevingsgeluid. Eventuele verdere geluidssaneringen zullen dus geen of zeer beperkte effecten op het omgevingsgeluid hebben; - het berekend specifiek geluid ligt in bijna alle beoordelingspunten minstens 1 of 2 dB(A) onder de richtwaarden van het VLAREM II. Enkel gedurende de dagperiode aan de overzijde van de Leie wordt de richtwaarde nog met 2 dB(A) overschreden. Een vergelijking tussen de metingen (voor de nachtperiode) en de berekeningen toont aan dat het berekende specifiek geluid 1 à 2 dB(A) onder het gemeten specifiek geluid ligt. Indien dit bij het berekende specifiek geluid wordt toegevoegd dan zal de geluidsimmissie ten gevolge van het bedrijf op of net onder de richtwaarden van het Vlarem II vallen. Ter hoogte van de woning aan de overzijde van de Leie is het berekende specifiek geluid en het gemeten specifiek geluid wel gelijk aan elkaar. De overschrijding in dit beoordelingspunt blijft dus 2 dB(A) voor de dagperiode; - ter hoogte van MP4 (slaapkamer achteraan Tolpoortstraat 64) werd een kortstondige meting gedurende de nachtperiode uitgevoerd. Hieruit bleek dat het gemeten Laeq, T 44 dB(A) bedraagt. De meting werd echter uitgevoerd in de raamopening zodat reflecties de meting kunnen beïnvloed hebben. Het specifiek geluid van het bedrijf zal in de praktijk dus iets lager liggen. De analyse van de langdurige omgevingsmetingen (op 3,5 meter vanaf de gevel) toont aan dat het specifiek geluid 43 dB(A) bedraagt gedurende de nachtperiode (op basis van het LA95,lh). Uit auditieve waarnemingen en een fijnere FFT analyse blijkt dat er mogelijk hoorbare zuivere tonen aanwezig zijn bij 76, 100 en/of 300 Hz. Het specifiek geluid bedraagt daarom gedurende de nachtperiode 43 dB(A) + 2 dB(A)= 45 dB(A) inclusief tonale correctie hetgeen gelijk is met de richtwaarde. Auditieve waarnemingen in de kamer met gesloten ramen leidden tot het bepalen van een duidelijk hoorbare periodieke geluidsbron in de kamer die lange tijd aanhoudt en die binnen goed waarneembaar is. Het betreft namelijk passerende treinen door Deinze die telkens gedurende enkele minuten het geluidsdrukniveau in de kamer doen stijgen'; VII-37.169-7/15 Overwegende dat door een erkend geluidsdeskundige een vierde rapport werd opgesteld op 14 februari 2005 (= draftversie; definitief rapport gedateerd op 28 september 2007) : 'addendum bij opvolging saneringsplan deel 2'; dat hierin samengevat werd besloten dat : •in het initiële rapport werden alle installaties als bestaand beschouwd; dit werd door de vergunningverlenende overheid ter discussie gesteld; momenteel dienen de volgende installaties als nieuw te worden beschouwd: enerzijds compressoren en koelgroepen, die binnen staan opgesteld en die bijgevolg aan de buitenzijde niet opgemeten worden en dus geen impact hebben naar de omgeving en anderzijds de uitbreiding van het vermogen van de molen met circa 56 %; • de capaciteit van de molen is met minder dan 100 % uitgebreid, waardoor de totale inrichting niet 'nieuw' wordt; • volgens afdeling 4.5.
  11. van titel II van het VLAREM dient elke verandering aan een installatie voor de discipline geluid bepaald te worden en getoetst te worden aan de grenswaarden voor nieuwe inrichtingen; dit stond ook zo in de proefvergunning; • het specifiek geluid van de situatie van voor de uitbreiding en na de uitbreiding diende te worden uitgesplitst; • aangezien er geen meetgegevens zijn van voor de uitbreiding, kan deze uitsplitsing niet gedaan worden op basis van meetgegevens; er diende dus aan de hand van indicatieve geluidsvermogenniveaus gewerkt te worden; • het oorspronkelijk omgevingsgeluid voordat het molengebouw is uitgebreid, is niet gekend; daarom wordt met het huidige omgevingsgeluid rekening gehouden; aangezien het bedrijf de laatste jaren heel wat geïnvesteerd heeft in geluidssaneringen, kan er gesteld worden dat het omgevingsgeluid in de huidige situatie lager ligt dan het omgevingsgeluid voordat de saneringen zijn doorgevoerd; • uit de berekeningen blijkt dat het specifiek geluid van de verandering van bestaande inrichtingen op of onder de grenswaarden van titel II van het VLAREM blijft; dat het splitsen van het molengebouw dus niet veel impact heeft naar de algemene beoordeling van het specifiek geluid van het bedrijf; Overwegende dat de inrichting is gelegen in een gebied voor ambachtelijke bedrijven of gebied voor KMO's; dat dit gebied omgeven is door woongebied; dat tevens op minder dan 500 m een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen is gelegen; dat de richtwaarden voor het specifiek geluid in open lucht van als hinderlijk ingedeelde inrichtingen staan bepaald in bijlage 4.5.
  12. van titel II van het VLAREM; dat hierbij tevens is bepaald dat als een gebied valt onder twee of meer punten van de tabel, dat dan in dat gebied de hoogste richtwaarde van toepassing is; dat dit bijgevolg voor onderhavig dossier betekent dat de richtwaarden van punt 2 van bijlage 4.5.
  13. van titel II van het VLAREM van toepassing zijn; Overwegende dat er in de twee laatste geluidsrapporten 5 relevante meetpunten/beoordelingspunten zijn, namelijk: - BP1 (= MP2): overzijde Leie, ter hoogte van een woning aan de Leiedam en ongeveer in het midden tussen de tarwelossingsplaats en de verlading van de bloem-schepen; - BP2: achterzijde woningen Tolpoortstraat, tussen ingang bedrijf en brug over de Leie; - BP3: overzijde Leie, woning Leiedam (richting centrum); ten westen gelegen van BP1; - BP4: achterzijde woningen Tolpoortstraat, achter kantoorgebouwen; - BP5 (= MP4): in de Tolpoortstraat 46 achteraan de woning; dat alle beoordelingsposities zich bevinden in woongebied, op minder dan 500 m van een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare VII-37.169-8/15 nutsvoorzieningen, zodat de richtwaarden 50/45/45 dB(A) gelden voor respectievelijk dag/avond/nachtperiode; Overwegende dat, overeenkomstig artikel 3.2.2.2., § 1 van titel II van het VLAREM, voor onderdelen van de bestaande inrichtingen die na 1 januari 1993 aanzienlijk werden of worden veranderd, integraal de voorschriften van dit besluit voor nieuwe inrichtingen gelden; dat, volgens de definitie van titel II van het VLAREM, een aanzienlijke verandering een vergroting is van meer dan 100 % van de capaciteit, de drijfkracht of de perceelsoppervlakte, ten aanzien van de vóór 1 januari 1993 vergunde situatie; dat door de aangevraagde uitbreiding het vermogen van de graanmaalderij wordt uitgebreid met 1.619,8 kW tot in totaal 4.588,75 kW; dat het bijgevolg om een uitbreiding gaat van circa 55 % en dus geen aanzienlijke verandering betreft; dat ook de uitbreiding van de opslag van de grondstoffen en de afgewerkte producten niet als een 'aanzienlijke' uitbreiding kon worden beschouwd; Overwegende dat afdeling 4.5.3 van titel II van het VLAREM, inzake de beheersing van geluidshinder, dezelfde voorwaarden vastlegt voor nieuwe inrichtingen van klasse 1 en 2 als voor de verandering van bestaande inrichtingen van klasse 1 en 2; dat het hier gaat over elke verandering die een installatie ondergaat, dus eveneens deze waarbij de capaciteitsuitbreiding de 100% niet overschrijdt; dat deze voorwaarden strenger zijn dan de voorwaarden zoals bepaald in afdeling 4.5.
  14. van titel II van het VLAREM voor bestaande inrichtingen; Overwegende dat ook in de proefvergunning expliciet is gesteld dat het om een uitbreiding gaat waarvoor de geluidsvoorwaarden van afdeling 4.5.
  15. van titel II van het VLAREM van toepassing zijn; Overwegende dat het huidige dossier enerzijds betrekking heeft op het verder exploiteren van een bestaande inrichting en anderzijds op het veranderen van deze bestaande inrichting; dat bijgevolg om de inrichting te kunnen toetsen aan de voorwaarden voor geluid, het specifiek geluid van de situatie vóór en na de uitbreiding apart dient te worden getoetst aan respectievelijk afdeling 4.5.
  16. voor wat de verandering betreft en aan afdeling 4.5.
  17. voor wat de bestaande inrichting betreft; Overwegende dat uit het derde geluidsrapport, waarvan de conclusies hierboven letterlijk worden aangehaald, blijkt dat de geluidsimmissie ten gevolge van het bedrijf op of net onder de richtwaarden van titel II van het Vlarem liggen met uitzondering voor de dagperiode aan de overzijde van de Leie waar de richtwaarden nog met 2 dB(A) word(en) overschreden; dat tevens in de conclusies werd gesteld dat de saneringen een gunstig effect gehad hebben op het omgevingsgeluid met dalingen van 2 tot 10 dB(A); dat eventuele verdere geluidssaneringen geen of zeer beperkte effecten op het omgevingsgeluid zullen hebben; dat de bestaande inrichting bijgevolg voldoet aan de voorwaarden van afdeling 4.5.
  18. van titel II van het VLAREM; Overwegende dat pas in het laatste, zijnde het vierde rapport, het specifiek geluid van de uitbreiding apart is getoetst aan afdeling 4.5.
  19. van titel II van het VLAREM; dat deze toetsing evenwel niet is kunnen gebeuren op basis van meetgegevens aangezien gesteld is dat er geen meetgegevens zijn van het oorspronkelijk omgevingsgeluid dat aanwezig was vóór het veranderen van de inrichting; dat bijgevolg deze toetsing is gebeurd rekening houdende met het huidige omgevingsgeluid; dat dit aanvaardbaar is aangezien het bedrijf de laatste jaren heel wat heeft geïnvesteerd in geluidssaneringen en bijgevolg gesteld kan worden dat het omgevingsgeluid in de huidige situatie lager ligt dan het omgevingsgeluid voordat de saneringen zijn doorgevoerd waardoor men een strengere beoordeling van het specifiek geluid voor de verandering van bestaande inrichtingen heeft; VII-37.169-9/15 dat het specifiek geluid van de verandering van het molengebouw berekend is; dat bij deze berekeningen rekening is gehouden met de bepalingen in afdeling 4.5.
  20. van titel II van het VLAREM; dat meer bepaald in BP1 gedurende de dagen de avond en in BP2 gedurende de dag, avond en nacht het omgevingsgeluid groter was dan de richtwaarden waardoor, overeenkomstig artikel 4.5.3.1, §1, het specifiek geluid moet beperkt worden tot het oorspronkelijk omgevingsgeluid verminderd met 5 dB(A) enerzijds alsmede de richtwaarde anderzijds; dat voor de overige beoordelingspunten het omgevingsgeluid lager is dan de richtwaarden waardoor, overeenkomstig artikel 4.5.3.1, §3, het specifiek geluid moet beperkt worden tot de richtwaarden verminderd met 5 dB(A); Overwegende dat bijgevolg in het laatste, zijnde vierde rapport, duidelijk wordt aangetoond dat het specifiek geluid van de uitbreiding voldoet aan de bepalingen van afdeling 4.5.3 van titel II van het VLAREM; dat meer bepaald voor alle beoordelingspunten met uitzondering van BP1 overdag en BP3 overdag het specifiek geluid van de verandering steeds lager ligt dan de grenswaarden; dat voor BP1 het specifiek geluid overdag 47 dB(A) bedraagt, wat gelijk is met de grenswaarde 47 dB(A) (= omgevingsgeluid 52 dB(A) - 5 dB(A)) en voor BP3 bedraagt het specifiek geluid overdag 45 dB(A), wat gelijk is met de grenswaarde 45 dB(A) (= richtwaarde 50 dB(A) - 5 dB(A)); (...)". IV. Ontvankelijkheid Standpunt van de tussenkomende partij 4.
  21. In haar laatste memorie werpt de tussenkomende partij als exceptie het ontbreken van het actueel belang van de verzoekende partijen op. Zij stelt dat de verzoekende partijen hun beweerde nadeel nog steeds proberen te staven met verwijzing naar een toestand van jaren geleden, terwijl die omstandigheden intussen zijn gewijzigd, aangezien de geluidssanering werd uitgevoerd, bepaalde geluidsbronnen zijn weggevallen en de verkeerssituatie is gewijzigd. Beoordeling 4.
  22. De exceptie van de tussenkomende partij hangt samen met de grond van de zaak en zal in het kader daarvan worden beoordeeld. VII-37.169-10/15 V. Onderzoek van de middelen Standpunt van de partijen 5.
  23. In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 4.5.3.1, § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II), van bijlage 4.5.
  24. en artikel 2 van bijlage 4.5.2 bij Vlarem II, en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht. De verzoekende partijen stellen dat de inzet van de proefperiode duidelijk blijkt uit de beslissing van 23 maart
  25. Zij stellen dat uit dezelfde beslissing blijkt dat de voorwaarden van afdeling 4.5.3 van Vlarem II van toepassing zijn. Zij betogen in essentie dat het vierde verslag waarop het bestreden besluit steunt een kopie is van een ondeugdelijk "draft"-verslag van 14 februari 2005, en dat de bestreden beslissing derhalve behept is met dezelfde onwettigheid als de beslissing van 4 april 2005, die werd vernietigd door het arrest van de Raad van State nr. 173.
  26. Bovendien werd het geluidsonderzoek volgens de verzoekende partijen niet geëvalueerd door de afdeling Milieu-inspectie. Volgens de verzoekende partijen kan enkel rekening worden gehouden met het enige verslag dat aan de afdeling Milieu-inspectie werd voorgelegd, namelijk het verslag van 16 februari 2004, op basis waarvan de Milieu- inspectie heeft gesteld dat de inrichting geluidshinder veroorzaakt die niet van aard is een aanvaardbare kwaliteit van de woonomgeving te waarborgen. Volgens de verzoekende partijen diende de verwerende partij aan de hand van dit verslag vast te stellen dat aan de inzet van de proefvergunning geenszins was voldaan. 5.
  27. De verwerende partij antwoordt hierop dat het feit dat de bestreden beslissing steunt op hetzelfde rapport als de laatst vernietigde beslissing geen probleem vormt, aangezien rekening moet worden gehouden met het feit dat het saneringsproces op het vlak van het geluid intussen werd verdergezet. VII-37.169-11/15 Zij wijst er op dat het ongunstig advies van de afdeling Milieuvergunningen bij het tweede vernietigde besluit, van 4 april 2005, reeds de mogelijkheid open hield om later een ander advies te geven, en dat de geluidsvoorwaarden van de afdeling 4.5.
  28. van Vlarem II enkel gelden voor de veranderde delen. Volgens de verwerende partij was het volledig akoestisch onderzoek wel voorhanden. De verwerende partij stelt verder dat het debat over de toepassing van artikel 2 van bijlage 4.5.2.bij Vlarem II niet pertinent is, aangezien het addendum niet op straffe van nietigheid moest worden voorgelegd aan de Milieu-inspectie en de onmiddellijke evaluatie ervan door de vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel uitmaakt. Ten slotte wijst de verwerende partij er op dat de brief van 18 september 2007 van de Milieu-inspectie aan de afdeling Milieuvergunningen werd geschreven vóór de neerlegging van het vierde geluidsrapport en het dus niet verwonderlijk is dat deze brief verwijst naar een eerder evaluatieverslag. 5.
  29. De tussenkomende partij argumenteert dat de inzet van de vergunning op proef in het bestreden besluit uitvoerig werd weergegeven en dat de uitgevoerde geluidssanerings- en veiligheidsmaatregelen uitvoerig werden toegelicht, besproken en geëvalueerd, zodat het volstond om daarnaar te verwijzen. 5.
  30. De verzoekende partijen wijzen er in de memorie van wederantwoord voorts op dat de Raad van State in zijn arrest nr. 137.643 van 25 november 2004 heeft geoordeeld dat de verwerende partij over een afdoende rechtsgrond beschikt om de normen op te leggen voor de volledige inrichting en dat ook in het schorsingsarrest werd gewezen op de voorwaarde dat de normen gelden voor de ganse inrichting. 5.
  31. In haar laatste memorie verwijst de tussenkomende partij naar het arrest nr. 189.332, inzake de schorsing, waarin het eerste middel niet ernstig werd bevonden. VII-37.169-12/15 Beoordeling
  32. Het eerste middel is in wezen een herneming van het middel dat heeft geleid tot het vernietigingsarrest nr. 173.494 van 12 juli 2007, en voegt toe dat de thans bestreden beslissing opnieuw is gebaseerd op hetzelfde addendum bij het geluidsonderzoek van 16 februari
  33. In de proefvergunning werd geëist dat aan de hand van een akoestisch onderzoek zou worden aangetoond dat aan de voorwaarden van afdeling 4.5.3 van Vlarem II werd voldaan en meer bepaald aan wat wordt voorgeschreven in artikel 4.5.3.1, §
  34. Deze voorschriften luiden als volgt: "§
  35. LA95, 1h van het oorspronkelijke omgevingsgeluid is lager dan de richtwaarden in de gebieden onder 2/, 3/, 5/, 8/ of 9/ van de bijlage 2.2.
  36. bij dit besluit. In dat geval moet het specifieke geluid in open lucht voortgebracht door de nieuwe inrichting of door het geheel, respectievelijk door het onderdeel van een bestaande inrichting dat het voorwerp van een verandering heeft uitgemaakt, beperkt worden tot de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit bepaalde richtwaarden verminderd met 5 dB(A)". Het addendum van 14 februari 2005 weerlegt de in het akoestisch onderzoek van 16 februari 2004 vastgestelde overschrijding niet, die ook werd opgemerkt in het arrest nr. 173.494 dat de Raad van State op 12 juli 2007 heeft uitgesproken. Het addendum stelt immers dat er rekening mee dient te worden gehouden dat het berekend specifiek geluid gebaseerd is op een aanname dat de helft van de geluidsemissie van het molengebouw bepaald wordt door de capaciteitsuitbreiding ervan. Dit betekent dat het specifieke geluid voortgebracht door het onderdeel van een bestaande inrichting dat het voorwerp van een verandering heeft uitgemaakt wordt opgevat als de toename van geluid bovenop het voorheen reeds aanwezige geluid. Daarmee gaat de bestreden beslissing voorbij aan de toepassing van artikel 4.5.3.1., § 3 van Vlarem II en aan het resultaat van de metingen bij het verlenen van de vergunning op proef. In zijn verslag stelt de eerste auditeur het volgende: " (...) Meer bepaald wordt voor twee beoordelingspunten (en voor bepaalde periodes), in strijd met wat in de vergunning op proef was bepaald, niet artikel 4.5.3.1, §3, van VLAREM II toegepast, maar artikel 4.5.3.1, §
  37. Het resultaat daarvan is het volgende: - voor beoordelingspunt 1 wordt een nachtelijke overschrijding van 2 dB(A) weggewerkt, en lijkt het alsof de norm net gehaald wordt; VII-37.169-13/15 - voor beoordelingspunt 2 wordt een overschrijding van 2 dB(A) tijdens de nacht weggewerkt, en lijkt het alsof men 1 dB(A) onder de norm blijft; - voor hetzelfde beoordelingspunt 2 wordt voor de avondperiode een overschrijding van 2 dB(A) weggewerkt, en lijkt het alsof men 3 dB(A) onder de norm blijft. Daarbij mag niet worden vergeten dat het te beoordelen specifiek geluid door de vorige kunstgreep reeds was gehalveerd, en dat deze kunstgreep zelf reeds bovenop een foutieve stellingname van de afdeling Milieuvergunningen kwam (...)". Die vaststelling wordt in de laatste memories van de verwerende en de tussenkomende partijen niet weerlegd. Het motief dat het bedrijf van de tussenkomende partij de laatste jaren heel wat heeft geïnvesteerd in geluidsaneringen en dat "bijgevolg" kan worden gesteld dat het omgevingsgeluid in de huidige situatie lager ligt dan het omgevingsgeluid vóór de saneringen, steunt op geen enkele meting, en overtuigt niet. De bestreden beslissing steunt opnieuw op hetzelfde door de exploitant bezorgde document, zonder de motieven van het vernietigingsarrest nr. 173.494 van 12 juli 2007 op duidelijke en overtuigende wijze te weerleggen. Uit het voorgaande blijkt dat de verzoekers wel degelijk nadeel ondervinden ten gevolge van de bestreden beslissing en dat de door de verwerende partij ingeroepen exceptie moet worden verworpen. Het eerste middel is gegrond. BESLISSING
  38. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 18 december 2007 houdende het definitief verlenen van de vergunning na een proefperiode aan de NV Dossche Mills & Bakery, om een graanmaalderij, gelegen aan de Tolpoortstraat 40 te Deinze, verder te exploiteren en te veranderen.
  39. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. VII-37.169-14/15
  40. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 700 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf juli tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Luc Hellin VII-37.169-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.408 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.777 ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.111 ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.332 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.