id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.415 Rolnummer: A. 187149/XII-5347 Zaak: Arrest 206415 - Plaatselijk openbaar ambt (provinciën, gemeenten, enz.) - Reglementen - 06/07/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-12 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-07-02 11:48 Fiche Arrest nr 206.415 van 6 juli 2010 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt (provinciën, gemeenten, enz.) - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 206.415 van 6 juli 2010 in de zaak A. 187.149/XII-5347 In zake:
- Danny COENE
- Daniël WILLEMS
- Louis VANDEWIJNGAERDE
- Ingrid MOORTGAT
- Martine DEBAECKE
- Pieter VANHOUTTE
- Bruno VAN MALDEGEM
- Karin VAN DE SOMPEL
- Dominique HAYEN
- Krijn VERSCHRAEGEN
- Joris DEFOUR
- het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN KORTENAKEN
- het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN ZOUTLEEUW bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bruno Van Dorpe kantoor houdend te Kortrijk Loofstraat 39 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 20 februari 2008, strekt tot de nietigver- klaring van “het besluit van de Vlaamse Regering houdende de minimale voorwaar- den voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, genomen op 7 december 2007 en bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 december 2007 in zoverre dit betrekking XII-5347-1\13 heeft op de OCMW-secretaris en de OCMW-ontvanger en namelijk de artikelen 219, 220, 223, 7/ en 8/ en 240, 2/”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Bart Weekers heeft een verslag opgesteld. Verzoekers hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 februari
- Staatsraad Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bruno Van Dorpe, die verschijnt voor verzoekers, en advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Bart Weekers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Verwerende partij vraagt in de memorie van antwoord om het beroep als onontvankelijk af te wijzen bij gebreke aan woonstkeuze. Zij deelt ter terechtzitting evenwel mee van de exceptie afstand te doen. Er moet dan ook geen uitspraak meer over gedaan worden. XII-5347-2\13 IV. Belang
- Volgens verwerende partij ontberen de twaalfde en dertiende verzoekers het vereiste belang omdat zij niet aantonen waarom de inhoud van de bestreden bepalingen voor hen nadelig zou zijn. De exceptie mag zonder antwoord worden gelaten nu het beroep alleszins ontvankelijk is in hoofde van de andere verzoekers en het onderzoek van de middelen uitwijst dat het verworpen moet worden, zodat hoe dan ook de kosten ten laste van de verzoekers dienen te worden gelegd. V. Uitbreiding van het voorwerp
- Op 23 maart 2009 vragen tweede, derde, vierde en vijfde verzoeker de uitbreiding van het beroep tot “artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering houdende wijziging van de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, genomen op 16 januari 2009 en bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 januari 2009 [...] in zover dit artikel 10 voorziet in de vervanging van artikel 219§2 van het reeds bestreden rechtspositiebe- sluit”. Toegelicht wordt onder meer dat het bij uitbreiding bestreden artikel in de plaats komt van het oorspronkelijk bestreden artikel 219, § 2, en dat “dezelfde middelen worden aangevoerd”. Deze middelen worden hierna verworpen. Een onderzoek van en een uitspraak over de ontvankelijkheid van het verzoek tot uitbreiding van het beroep komen in die omstandigheden overbodig voor. XII-5347-3\13 VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van verzoekers
- Verzoekers -allen hetzij OCMW-secretaris of -ontvanger, hetzij een OCMW- voeren in een eerste middel de schending aan, door de artikelen 219 en 223, 7/ en 8/, van het besluit van 7 december 2007 van de Vlaamse regering houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositiere- geling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna: het rechtspositiebesluit), van artikel 42 van de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, het zorgvuldigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel schenden. In een eerste onderdeel noemen zij artikel 42, zesde tot achtste lid, van de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna: de OCMW-wet) geschonden, doordat de aangevochten bepalingen een geldelijk statuut bepalen voor de OCMW-secretarissen en de OCMW- ontvangers dat geen verband houdt met het geldelijk statuut van de gemeentesecreta- rissen en de gemeenteontvangers of financieel beheerders van de gemeenten. Toegelicht wordt dat het artikel 42, zevende lid, waarbij een beperkte bevoegdheid wordt gegeven om af te wijken van het geldelijk statuut voor gemeenteambtenaren wanneer dit nodig is voor het specifiek karakter van sommige OCMW-diensten en inrichtingen, geen vrijbrief is voor de Vlaamse regering om voor het OCMW-personeel af te wijken van het geldelijk statuut van het gemeente- personeel en nog minder om de band daarmee door te knippen of op te heffen, dat dit artikel werd ingevoegd door de wet van 5 augustus 1992 houdende bepalingen betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, dat uit de parlemen- taire voorbereiding van deze wet duidelijk blijkt dat het de bedoeling van de wetgever was om één of meer OCMW’s toe te laten een eigen specifieke regeling uit te werken die voor haar personeel gunstiger zou zijn dan het statuut voor het gemeentepersoneel, dat de bestreden regeling exact het tegenovergestelde inhoudt, XII-5347-4\13 namelijk een algemene regeling voor alle OCMW’s die voor het personeel minder gunstig is dan het statuut van het gemeentepersoneel. Verzoekers zijn van oordeel dat de salarisschaal een wezenlijk onderdeel uitmaakt van het geldelijk statuut van het OCMW-personeel, dat enkel in een afzonderlijke salarisschaal kan worden voorzien voor functies die onbestaan- de zijn op gemeentelijk vlak en dus niet voor de secretaris en de ontvanger, en dat niet in algemene termen kan worden gesteld dat het specifieke karakter van sommige diensten en inrichtingen van het OCMW afwijkingen van het geldelijk statuut van de secretaris en de ontvanger in het algemeen nodig zou maken. In een tweede onderdeel betogen verzoekers dat de zorgvuldig- heidsplicht de Vlaamse regering er toe noopt, bij de uitvoering van artikel 42 van de OCMW-wet, om na onderzoek en in alle objectiviteit het specifieke karakter van sommige diensten en inrichtingen van het OCMW vast te stellen die een afwijking nodig maken van het geldelijk statuut bij de gemeenten, hetgeen niet is gebeurd. In een derde onderdeel achten zij het gelijkheidsbeginsel geschonden, doordat de groepering in artikel 122 van het bestreden besluit van de vroegere klassen 1 tot en met 12 en een beperkte verhoging van de salarisschaal van de secretarissen van gemeenten van de vroegere klasse 13 een zekere loonspanning beoogt ten aanzien van de ambtenaren van niveau A en B in de kleinere gemeenten, terwijl artikel 219 niet voorziet in een vergelijkbare verhoging van de salarissen van de secretarissen van de OCMW’s van de gemeenten tot 8000 inwoners en artikel 223, 7/, de koppeling van de salarisschaal van de OCMW-secretaris aan die van de gemeente-secretaris opheft, waardoor de OCMW-secretarissen in de gemeenten van 8001 tot 10.000 en van 10.001 tot 15.000 inwoners geen vergelijk- bare verhoging krijgen.
- In de memorie van wederantwoord wijzen verzoekers er onder meer op dat de salarisschaal een wezenlijk onderdeel uitmaakt van het geldelijk statuut van het OCMW-personeel, dat hetzelfde geldelijk statuut ook dezelfde salarisschaal impliceert waarover dus geen grote discretionaire beleidsruimte voor de Vlaamse regering bestaat, dat in artikel 42, zevende en achtste lid, van de OCMW-wet de specifieke en beperkte afwijkingsmogelijkheden worden aangege- ven, dat artikel 42, achtste lid, uitdrukkelijk verwijst naar het vorige lid en derhalve niet kan worden betrokken op het zesde lid, dat de uitgewerkte salarisschalen van XII-5347-5\13 artikel 219 helemaal niet zijn gesteund op artikel 42, achtste lid, van de OCMW- wet, dat dit artikel slechts de mogelijkheid opent voor algemene regelen voor de vaststelling van geldelijke afwijkingen door de raden, voor zover het specifieke karakter van sommige diensten en inrichtingen van het OCMW het nodig zou maken en derhalve niet voor volledig afwijkende salarisschalen los van dat specifieke karakter van sommige diensten en inrichtingen.
- In de laatste memorie doen verzoekers nog gelden dat, hoewel er in de gemeente geen OCMW-secretaris en -ontvanger bestaat, er niettemin zowel in de gemeente als in het OCMW een secretaris en een ontvanger bestaan, dat in uitvoering van artikel 42, zevende lid, van de OCMW-wet, zoals ingevoegd door artikel 26 van de wet van 5 augustus 1992, het salaris van de ontvanger en de secretaris van het OCMW werd gekoppeld aan dat van de gemeentesecretaris en -ontvanger, weliswaar niet voor 100 %, maar voor 97,5%, dat sindsdien de taken nog verder naar elkaar zijn toegegroeid, en dat de Raad van State in zijn arrest nr. 190.373 van 12 november 2009 het verweer van de gemeente Zoutleeuw dat de OCMW-secretaris geen titularis is van dezelfde graad als deze van gemeente- secretaris of van een gelijkwaardige graad heeft verworpen. Beoordeling
- Artikel 16 van het koninklijk besluit van 20 juli 1993 tot vaststelling van de algemene bepalingen inzake het administratief en geldelijk statuut van de secretarissen en de ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn schrijft voor dat de weddeschaal van de secretaris van een OCMW met voltijdse prestaties gelijk is aan 97,5 % van de weddeschaal toepasbaar op de gemeentesecretaris van dezelfde gemeente. De weddeschaal van de ontvanger van een OCMW met voltijdse prestaties wordt vastgesteld op 97,5 % van de weddeschaal toepasbaar op de secretaris van hetzelfde openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Met ingang van 1 januari 2007 (artikel 240, 2/), heft het rechtspositiebesluit in artikel 223, 7/, die regeling op en stelt het in artikel 219 zelf de minimum- en maximumgrenzen vast waarbinnen de raad voor maatschappelijk welzijn de salarisschaal van de secretarissen en de ontvangers bepaalt. In het verslag aan de Vlaamse regering (B.S. 24 december 2007, 65.169) wordt toegelicht dat aldus de automatische, rechtstreekse, respectievelijk XII-5347-6\13 onrechtstreekse band gelegd tussen de verloning van de decretale graden in gemeente en OCMW wordt doorgeknipt.
- Verzoekers achten dit, in een eerste onderdeel, in strijd met het artikel 42 van de OCMW-wet, waarvan het zesde tot en met achtste lid bepalen: “Het personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn geniet hetzelfde administratief en geldelijk statuut als het personeel van de gemeente waar de zetel van het centrum gevestigd is. De raad voor maatschappelijk welzijn stelt de afwijkingen van het in het vorige lid bedoelde statuut vast, voor zover het specifieke karakter van sommige diensten en inrichtingen van het centrum het nodig zou maken, en bepaalt het administratief en geldelijk statuut inzake de betrekkingen die onbestaande zijn op het gemeentelijk vlak evenals dat van het personeel van het ziekenhuis. Voor de toepassing van het vorige lid kan de Vlaamse regering algemene regelen vaststellen waarbinnen het centrum kan handelen”. Uit die bepalingen leiden verzoekers af dat de OCMW-secretaris en -ontvanger dezelfde salarisschalen dienen te genieten als de gemeentesecretaris, respectievelijk gemeenteontvanger, tenzij voor zover het specifiek karakter van sommige diensten en inrichtingen een afwijking nodig zou maken. Deze afwijking mag naar hun mening niet de vorm van een afzonderlijke regeling aannemen omdat de Vlaamse regering alleen in een afzonderlijke regeling mag voorzien voor functies die onbestaande zijn op gemeentelijk vlak.
- Volgens het artikel 42 van de OCMW-wet, zoals het oorspronkelijk luidde, geniet het personeel van het OCMW hetzelfde administratief en geldelijk statuut als het personeel van de gemeente waar de zetel van het centrum gevestigd is (tweede lid) en bepaalt de raad voor maatschappelijk welzijn, binnen de perken van de algemene bepalingen die de Koning vaststelt, het administratief en geldelijk statuut inzake de betrekkingen die specifiek zijn voor de OCMW’s of die onbestaande zijn op het gemeentelijk vlak (derde lid). Tot de betrekkingen die specifiek zijn voor de OCMW’s behoren de betrekkingen van de OCMW-secretaris en -ontvanger. Wat dat betreft blijft de Raad van State bij de mening die hij ook al huldigde in het arrest inzake stad Gent, nr. 23.142 van 21 april 1983, evenals in het arrest inzake Busin, nr. 95.365 van 15 mei 2001, waarin hij zich onder meer baseerde op de memorie van toelichting bij het ontwerp dat de wet van 8 juli 1976 zou worden, in welke memorie “het ambt van XII-5347-7\13 secretaris uitdrukkelijk als voorbeeld van specifiek ambt wordt genoemd (Pasinomie, 1976, bladzijde 1316)”. Aldus lijdt het voor de Raad van State geen twijfel dat alvast de aanvankelijke redactie van het artikel 42 van de OCMW-wet de raad voor maatschappelijk welzijn machtigt om de weddeschalen van de OCMW-secretaris en -ontvanger te bepalen, binnen de perken van de algemene bepalingen die de Koning vaststelt.
- De wet van 5 augustus 1992, die in het artikel 42 het hiervoor aangehaalde zevende lid heeft ingevoegd, heeft daar niets aan afgedaan. Bedoeling van die wetswijziging was alleen om tegemoet te komen aan de uiteenlopende interpretaties en toepassingsmoeilijkheden waartoe het artikel bleef aanleiding geven en om “de mogelijkheden van de OCMW’s om het statuut van het gemeentepersoneel aan te passen aan de werking van hun eigen diensten en sociale of sociaal-medische inrichtingen te verduidelijken” (Parl. St. Kamer 1990-1991, nr. 1734/1, 16; Parl. St. Kamer 1991-1992, nr. 461/4, 20). Als voorheen blijft het OCMW op grond van het artikel 42 gerechtigd om voor het specifieke ambt van OCMW-secretaris en -ontvanger te voorzien in aparte salarisschalen, die afwijken van deze van de gemeentesecretaris en -ontvanger. Zijn vóór de bestreden bepalingen de algemene regelen waaraan het centrum zich in dat verband te houden heeft en die de Koning, thans de Vlaamse regering, vaststelt, te vinden in het voornoemde koninklijk besluit van 20 juli 1993, nu is dat in het rechtspositiebesluit.
- Concluderend valt de Raad van State niet bij dat artikel 219 van het besluit van 7 december 2007 artikel 42 van de OCMW-wet schendt omdat laatstgenoemd artikel zou verbieden dat inzake de weddeschalen van de OCMW- secretaris en -ontvanger in een regeling wordt voorzien die niet overeenstemt met die voor de gemeentesecretaris- en -ontvanger, maar ervan afwijkt en er zelfs van losstaat. Het eerste onderdeel van het middel is ongegrond. XII-5347-8\13
- Volgens het tweede onderdeel is de zorgvuldigheidsplicht geschonden doordat het artikel 219 afwijkt van de salarisschalen van de gemeente- secretaris en -ontvanger zonder dat verwerende partij het specifiek karakter heeft onderzocht, in alle objectiviteit, van het ambt van OCMW-secretaris en -ontvanger. Het derde onderdeel noemt ook het gelijkheidsbeginsel geschonden doordat ten gevolge van de artikelen 219 en 223, 7/, de salarisschalen van de OCMW-secretarissen geconsolideerd worden, terwijl die van de gemeente- secretarissen in sommige gevallen verhoogd worden.
- In zoverre aan de middelonderdelen de opvatting ten grondslag blijkt te liggen dat de salarisschalen van de OCMW-secretarissen en -ontvangers vanwege artikel 42 van de OCMW-wet in principe gelijk moeten zijn, berusten ze, zoals hiervoor gezien, op een foutief uitgangspunt.
- De betrekkingen van OCMW-secretaris en -ontvanger zijn bij herhaling bestempeld als specifiek voor de OCMW’s. Daarmee werd aangegeven dat ze aparte karakteristieken vertonen, waardoor ze niet zomaar vergeleken kunnen worden met, laat staan nog gelijkgesteld worden aan, de betrekkingen van gemeentesecretaris en -ontvanger. Het eerder vermelde artikel 16 van het koninklijk besluit van 20 juli 1993 is daar een treffende illustratie van: er volgt uit dat de weddeschalen van de OCMW-secretaris en -ontvanger steeds lager moeten zijn dan die van de gemeentesecretaris en -ontvanger. Tevergeefs zoeken verzoekers, in de laatste memorie, in het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn het bewijs dat dit verschil op vandaag achterhaald zou zijn. Immers blijft ook nog in het decreet van 19 december 2008 in artikel 104 bepaald dat op de secretaris van het OCMW en de financieel beheerder niet de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel van toepassing is, maar de rechtspositieregeling die de raad voor maatschappelijk welzijn vaststelt. Evenmin is uit het arrest van de Raad van State nr. 190.373 van 12 november 2009 af te leiden dat de betrekking van OCMW-secretaris zonder meer tenminste gelijkwaardig zou zijn aan die van gemeentesecretaris. XII-5347-9\13 In dat arrest gaat de Raad van State wezenlijk alleen na of de verzoeker, die OCMW-secretaris is, aan de welbepaalde voorwaarden van het koninklijk besluit nr. 519 van 31 maart 1987 tot regeling van de vrijwillige mobiliteit tussen de statutaire personeelsleden van de gemeenten en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die eenzelfde werkgebeid hebben, voldoet om in aanmerking te komen voor een vrijwillige overplaatsing naar de betrekking van gemeentesecretaris. Vastgesteld wordt in de eerste plaats dat hij wel degelijk valt binnen het toepassingsveld ratione personae van het koninklijk besluit, zoals dat in het artikel 2 is afgelijnd. Vervolgens wordt aangenomen dat hij daaruit niet alsnog moet worden geweerd op grond van het artikel 6, omdat hij geen titularis zou zijn van een graad die tenminste gelijkwaardig is aan de graad van gemeentesecretaris: noch het niet nader toegelicht argument van de “specificiteit” van de betrokken statuten, noch dat van het weddeschaalverschil van 2,5 % staan eraan in de weg dat een OCMW-secretaris naar de betrekking van gemeentesecretaris wordt overgeplaatst op grond van het koninklijk besluit nr.
- Het gaat de draagwijdte van het arrest verre te buiten om eruit te concluderen dat het finaal zonder grond is om voor OCMW- en gemeente- secretarissen in verschillende weddeschalen te voorzien.
- Het blijkt niet dat verwerende partij onzorgvuldig is geweest of het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden bij de vaststelling van de weddeschalen van de OCMW-secretarissen en -ontvangers. Het tweede en derde onderdeel van het middel zijn ongegrond. B. Tweede middel Standpunt van verzoekers
- Verzoekers voeren aan dat de artikelen 219, 220, 223, 7/, en 240, 2/, van het rechtspositiebesluit, artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek schenden, alsook het algemeen beginsel van de niet-retroactiviteit en het vertrouwensbeginsel, doordat de salarisschalen van de OCMW-ontvangers en -secretarissen op retro- actieve wijze worden gewijzigd en daardoor afbreuk wordt gedaan aan voordelen, te weten de koppeling van de weddeschaal aan de schalen van de gemeentesecretaris en de gemeenteontvanger, die de bedoelde personeelsleden aan de opgeheven regeling ontleenden. XII-5347-10\13
- In de memorie van wederantwoord en de laatste memorie voegen verzoekers daar nog aan toe dat de verantwoording die voor de retroactiviteit wordt gegeven niet voldoet, dat de OCMW-secretaris en -ontvanger tot aan de inwerking- treding van het rechtspositiebesluit recht hadden op “97,5 % van het loon van resp. de wedde van de gemeentesecretaris en ontvanger (op basis KB 1993)”, dat het rechtspositiebesluit de lonen van de gemeentesecretarissen in de categorieën van gemeenten waar verzoekers zich bevinden met terugwerkende kracht verhoogt, dat dit logischerwijze tot gevolg zou hebben dat de lonen van de OCMW-secretaris en -ontvanger mee zouden stijgen, dat echter door die 97,5 %-koppeling eveneens met terugwerkende kracht op te heffen de OCMW-secretaris en -ontvanger een opslag wordt ontnomen. Beoordeling
- Als gezien heft artikel 223, 7/, van het rechtspositiebesluit de regeling van het koninklijk besluit van 20 juli 1993 waarin een rechtstreekse, respectievelijk onrechtstreekse band wordt gelegd tussen de verloning van de decretale graden in gemeenten en OCMW’s, op en bepaalt voortaan het artikel 219 de grenzen waarbinnen de salarisschalen van de secretarissen en de ontvangers van de OCMW’s worden vastgesteld. Deze salarisschalen zijn niet minder gunstig dan de vorige. Een en ander gebeurt krachtens artikel 240, 2/, met ingang van 1 januari 2007, dus met een -beperkte- terugwerkende kracht. Naar in het verzoekschrift wordt betoogd, doet dit de OCMW- secretarissen en -ontvangers retroactief het voordeel verliezen dat zij aan de genoemde band konden ontlenen en is het vertrouwen van de verzoekende OCMW- besturen geschonden doordat zij normen hebben toegepast waarvan uiteindelijk blijkt dat ze “geen uitwerking meer hadden”.
- Volgens het auditoraatsverslag zijn zowel de enen als de anderen zonder belang bij het middel: eensdeels is aangetoond noch zelfs maar beweerd dat de nieuwe salarisschalen lagere minima of maxima stellen dan voorheen; anderzijds maken de OCMW’s niet aannemelijk dat zij “ook maar enige rechtshandeling of zelfs maar bestuurlijke maatregel hebben moeten nemen teneinde de geldelijke rechtspositie van hun ocmw-secretaris of ocmw-ontvanger te regulariseren of aan te passen”. XII-5347-11\13 In de laatste memorie dringen verzoekers nog uitsluitend aan wat het belang van de OCMW-secretarissen of -ontvangers betreft: zij lijden als nadeel “loonverlies en schending van verworven rechten”.
- Ten onrechte isoleert het middel teveel de terugwerkende kracht -tot 1 januari 2007- met betrekking tot de salarisschalen van de OCMW- secretarissen en -ontvangers (artikel 240, 2/), van de terugwerkende kracht -ook tot 1 januari 2007- van de salarisverhoging in artikel 122 voor de gemeentesecretarissen (artikel 240, 1/). Die laatste terugwerkende kracht wordt in het verslag aan de Vlaamse regering (B.S. 24 december 2007, 65.242) hierdoor verantwoord dat “de artikelen in het gemeentedecreet over de taken en verantwoordelijkheden van de gemeentesecretaris en over de nieuwe taakverdeling tussen gemeentesecretaris en ontvanger al op 1 januari 2007 in werking getreden zijn”. Beschouwd in zijn samenhang met artikel 240, 1/, strekt het artikel 240, 2/, ertoe, zoals in het verslag aan de Vlaamse regering wordt aangegeven (B.S. 24 december 2007, ibidem), dat de verhoging van de salarisschalen van sommige gemeentesecretarissen zonder gevolg blijft voor de topambtenaren van de OCMW’s.
- In dit licht gezien, ontneemt de terugwerking waarin het aangevochten artikel 240, 2/, voorziet, niets aan de verzoekers: loon noch verworven rechten. Er is reden om het middel te verwerpen bij gebrek aan belang van verzoekers. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekers worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietig- verklaring, begroot op 2275 euro, elk voor een dertiende. XII-5347-12\13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 6 juli 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert van Haegendoren, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-5347-13\13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.415 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div