id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.432 Rolnummer: A. 196812/XII-6229 Zaak: Arrest 206432 - Varia (onderwijs en cultuur) - 06/07/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-07 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-02 11:45 Fiche Arrest nr 206.432 van 6 juli 2010 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 206.432 van 6 juli 2010 in de zaak A. 196.812/XII-
(30); Overwegende dat als ‘het gunstigst’ dient te worden beschouwd, die firma die het minste aantal werkdagen opgeeft tussen het aanleveren van de PDF en de effectieve levering van de goederen, zonder evenwel een aantal op te geven dat onrealistisch laag is; Overwegende dat het gemiddelde van alle opgegeven leveringstermijnen 66 werkdagen bedraagt en dat een leveringstermijn die lager is dan de helft van het gemiddelde, zijnde 33 dagen, als abnormaal laag en onrealistisch dient te worden beschouwd; dat de laagste leveringstermijn die minstens 33 dagen bedraagt als het gunstigste wordt beschouwd en het maximaal aantal punten wordt toegekend; dat de opgegeven leveringstermijn door firma Albe De Coker onrealistisch laag is en voor dit gunningscriterium geen punten scoort”. XII-6229-4\11 Dit leidt tot de volgende scores op het gunningscriterium inzake de leveringstermijn (op 30 punten): “Albe De Coker 0 punten Drukkerij Artoos (40/51)*30 23,53 punten Drukkerij Baeté (40/130)*30 9,23 punten D.L. Desmet-Laire (40/40)*30 30 punten Drukkerij Die Keure (40/126)*30 9,5 punten Enschede/Vanmuysewinkel (40/61)*30 19,7 punten Geers Offset (40/44)*30 27,27 punten Goekint graphics (40/83)*30 14,46 punten IPM Printing (40/57)*30 21,05 punten New Goff (40/72)*30 16,67 punten Pure printing [...] (40/44)*30 27,27 punten”. Samen met de scores voor de gunningscriteria technische waarde en prijs, leidt dit tot de volgende totaalscores (op een totaal van 100 punten): “Albe De Coker [...] 69,63 Drukkerij Artoos [...] 93,53 Drukkerij Baeté [...] 67,39 D.L. Desmet-Laire [...] 86,66 Drukkerij Die Keure [...] 66,49 Enschede/Vanmuysewinkel [...] 85,11 Geers Offset [...] 93,76 Goekint graphics [...] 80,93 IPM Printing [...] 76,21 New Goff [...] 84,15 Pure printing [...] [...] 96,11”. Er wordt vastgesteld dat de inschrijver Pure print de hoogste score heeft op de drie gunningscriteria samen en aldus de voordeligste regelmatige offerte heeft ingediend, en dienvolgens wordt de opdracht in de bestreden beslissing toegewezen aan Pure Print voor het jaarlijkse bedrag van 109.319 euro, btw inbegrepen. 3.
- Met een fax en een aangetekende brief van 7 juni 2010 zendt verwerende partij, verwijzend naar artikel 21bis van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, een afschrift van de beslissing van 26 mei 2010 aan verzoekende partij en kent zij een wachttermijn toe van 15 dagen om eventueel beroep aan te tekenen bij een rechtscollege. 3.
- Verzoekende partij dient op 21 juni 2010 een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in. XII-6229-5\11 IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep
- Uit het geheel van het inleidend verzoekschrift blijkt dat de vordering moet worden geacht enkel gericht te zijn tegen de beslissing om de opdracht toe te wijzen aan de “firma Pure Print” - artikel 1 van de bestreden beslissing - en niet tegen de beslissing om de “afdeling Studie- en Loopbaanadvies (DOWA)” te belasten met de uitvoering van dat besluit - artikel 2 van de bestreden beslissing. V. De schorsingsvoorwaarden
- Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. VI. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekende partij leidt een eerste middel af uit “de schending van de formele motiveringsplicht zoals voorzien in de artt. 2 en 3 van de formele motiveringsplicht van bestuurshandelingen van 29 juli 1991”. In essentie stelt zij dat zij een leveringstermijn van 23 werkdagen voorstelde en dat dit -blijkens het overzicht van de voorgestelde leveringstermijnen in de bestreden beslissing- de meest gunstigste is. Door het “eenzijdig oordeel dat de leveringstermijn welke door verzoekende partij in eer en geweten is ingediend als abnormaal laag en onrealistisch dient te worden afgewezen” voldoet verwerende partij absoluut niet aan de formele motiveringsplicht. XII-6229-6\11 Beoordeling 7.
- De motivering in de bestreden beslissing moet, teneinde te voldoen aan de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen; die motivering moet afdoende zijn ten einde de belanghebbende in staat te stellen terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing te verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt. 7.
- De bestreden beslissing vermeldt te dezen niet alleen dat de inschrijvers die het gunstigst beantwoorden aan het criterium “leveringstermijn” hiervoor het maximaal aantal punten zullen toegekend krijgen, maar ook dat als “het gunstigst dient te worden beschouwd, die firma die het minste aantal werkdagen opgeeft tussen het aanleveren van de PDF en de effectieve levering van de goederen, zonder evenwel een aantal op te geven dat onrealistisch laag is”. Tevens wordt overwogen “dat het gemiddelde van alle opgegeven leveringstermijnen 66 werkdagen bedraagt en dat een leveringstermijn die lager is dan de helft van het gemiddelde, zijnde 33 dagen, als abnormaal laag en onrealistisch dient te worden beschouwd; dat de laagste leveringstermijn die minstens 33 dagen bedraagt als het gunstigste wordt beschouwd en het maximaal aantal punten wordt toegekend; dat de opgegeven leveringstermijn door firma Albe De Coker onrealistisch laag is en voor dit gunningscriterium geen punten scoort”. Aldus blijkt, anders dan verzoekende partij in dit middel aanvoert, prima facie uit de bestreden beslissing wel degelijk waarom de leveringstermijn van verzoekende partij als abnormaal en onrealistisch werd beschouwd en dus ook waarom deze op dit criterium nul scoort. Op het eerste gezicht is niet aangetoond waarom deze motivering verzoekende partij niet in staat stelde terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing op dit punt te verweren met de middelen die het recht haar ter beschikking stelt, zodat voldaan lijkt aan de formele motiveringsplicht, minstens aan de ratio legis ervan. 7.
- Het eerste middel is bijgevolg niet ernstig. XII-6229-7\11 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekende partij put een tweede middel uit “de schending van de materiële motiveringsplicht zoals voorzien in de artt. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen”. In essentie stelt zij dat het “ten zeerste twijfelachtig” is of de motieven die door verwerende partij worden aangebracht correct en pertinent zijn, “daar zij louter op eenzijdige wijze opgeeft dat de leveringstermijn van 23 werkdagen welke door verzoekende partij ingediend werden als ‘abnormaal laag en onrealistisch’ dient te worden afgewezen”. Beoordeling 9.
- Daargelaten de vraag of de materiële motiveringsplicht voortvloeit uit de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 en daargelaten de vaststelling of de door verzoekende partij gebruikte formulering dat “ten zeerste twijfelachtig” is of de motieven correct en pertinent zijn op zich al niet inhoudt dat het middel niet ernstig is, gaat verzoekende partij in dit middel opnieuw voorbij aan de overweging in de bestreden beslissing “dat het gemiddelde van alle opgegeven leverings- termijnen 66 werkdagen bedraagt en dat een leveringstermijn die lager is dan de helft van het gemiddelde, zijnde 33 dagen, als abnormaal laag en onrealistisch dient te worden beschouwd”. 9.
- Verzoekende partij betwist de berekening van dit gemiddelde niet, noch dat de in haar offerte voorgestelde leveringstermijn van 23 werkdagen lager ligt dan de helft van dit gemiddelde. Op grond van de in de bestreden beslissing vermelde eigen beoordelingsmethode, diende verwerende partij deze termijn dan ook als abnormaal laag en onrealistisch te beschouwen. In die zin blijkt niet dat de motieven niet correct en pertinent zijn. 9.
- Een andere vraag zou kunnen zijn of deze beoordelingsmethode zelf correct en pertinent is. Het kwam dan echter aan verzoekende partij toe concreet en specifiek in het verzoekschrift aan te tonen waarom met deze methode geen rekening kan worden gehouden, hetgeen zij niet, minstens niet met de in het kader XII-6229-8\11 van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid vereiste duidelijkheid, doet. Zij gaat immers op deze methode zelf niet in, ook niet in het derde middel. Verwijzend naar haar stuk 7, dat dateert van nà het indienen van de offerte en nà de bestreden beslissing, stelt zij in het kader van dat derde middel wel dat het realistisch en normale karakter van haar leveringstermijn in dit stuk 7 zeer uitvoerig en concreet werd toegelicht. Daargelaten de vraag of rekening kan worden gehouden met dergelijk middel - dat in feite slechts concreet is uitgewerkt in een stuk bij het verzoekschrift - gaat verzoekende partij aldus eraan voorbij dat verwerende partij niet elke leveringstermijn op zich beoordeelde maar een methode gebruikte waarbij elke termijn die minder dan de helft bedraagt van de gemiddelde termijn als niet realistisch werd beschouwd. Verzoekende partij diende dan ook in eerste instantie de wettigheid van deze beoordelingsmethode te betwisten, hetgeen ze prima facie niet doet. 9.
- Het tweede middel zoals geformuleerd in het verzoekschrift is bijgevolg niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekende partij steunt een derde en laatste middel op “de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel”. Zij herhaalt dat verwerende partij aan haar offerte voor het gunningscriterium leveringstermijn 0 punten toekende op grond van “de eenzijdige stelling” dat de door haar opgegeven leveringstermijn van 23 dagen “abnormaal laag en onrealistisch” zou zijn, zonder dat verwerende partij alle relevante gegevens in aanmerking heeft genomen en zonder dat zij deze zorgvuldig heeft geanalyseerd. Nochtans heeft verzoekende partij de leveringstermijn zeer uitvoerig en concreet toegelicht en het realistisch en normale karakter hiervan aangetoond zoals blijkt uit het bij het verzoekschrift gevoegde stuk
- XII-6229-9\11 Beoordeling 11.
- Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt voor de overheid de verplichting in om haar beslissing onder meer zorgvuldig voor te bereiden en te steunen op een correcte feitenvinding. 11.
- In de mate dat in dit middel bedoeld is dat verwerende partij onzorgvuldig handelde door geen rekening te houden met de verantwoording van de leveringstermijn zoals opgenomen in dat stuk 7, volstaat prima facie de vaststelling dat dit stuk dateert van nà de bestreden beslissing. 11.
- Voorts lijkt dit middel, thans via het zorgvuldigheidsbeginsel, in wezen dezelfde grief op te werpen als geformuleerd in het tweede middel, zodat naar de bespreking en afwijzing daarvan kan worden verwezen. Ook het derde middel is bijgevolg niet ernstig. VII. Besluit
- Nu alle middelen niet ernstig zijn bevonden is meteen niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die cumulatief moeten zijn vervuld wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. Deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 175 euro. XII-6229-10\11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes juli 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Dierk Verbiest XII-6229-11\11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.432 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div