id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.515 Rolnummer: Zaak: Arrest 206515 - Tucht (openbaar ambt) - 08/07/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-16 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 11:54 Fiche Arrest nr 206.515 van 8 juli 2010 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 206.515 van 8 juli 2010 in de zaken A. I. 186.956/IX-5833 II. 190.249/IX-6108 In zake : I.+II. Johan DEWIL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : I.
- de politiezone ALKEN/BORGLOON/HEERS/ KORTESSEM/ WELLEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Inke Dedecker kantoor houdend te Genk Stoffelsbergstraat 4 bij wie woonplaats wordt gekozen
- de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D’Hooghe en Leopold Schellekens kantoor houdend te Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen II.
- de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D’Hooghe en Leopold Schellekens kantoor houdend te Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen
- de politiezone ALKEN/BORGLOON/HEERS/KORTESSEM/ WELLEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Inke Dedecker kantoor houdend te Genk Stoffelsbergstraat 4 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- IX-5833-1/27 I. Voorwerp van het beroep 1.
- Het beroep in de zaak A. 186.956/IX-5833, ingesteld op 7 februari 2008, strekt tot de nietigverklaring van: “- 1/ de beslissing van het politiecollege van de politiezone Al- ken/Borgloon/ Heers/Kortessem/Wellen, - onderwerp : ‘Aanstelling waarnemend korpschef lokale politie PZ kanton Borgloon’ - genomen op 19 augustus 2005, waarbij beslist wordt de heer Benedict Reenaers aan te stellen tot waarnemend korpschef lokale politie PZ Kanton Borgloon; - 2/ de beslissing van de politieraad van de politiezone Alken/Borgloon/ Heers/Kortessem/Wellen, - onderwerp : ‘Bekrachtiging besluit politie- college d.d. 19/08/2005 houdende aanstelling waarnemend korpschef lokale politie PZ kanton Borgloon’ - genomen op 28 september 2005, waarbij beslist wordt tot bekrachtiging van het besluit van het politiecol- lege van 19 augustus 2005 houdende aanstelling van de heer Benedict Reenaers tot waarnemend korpschef lokale politie PZ Kanton Borgloon; - 3/ de beslissing van het politiecollege van de politiezone Al- ken/Borgloon/ Heers/Kortessem/Wellen, - onderwerp : ‘Brief d.d. 24/02/2006 Federale Politie- Dienst Secretariaat GPI m.b.t. Benedict REENAERS - vernietiging KB tot aanstelling van een korpschef’ - genomen op 15 maart 2006, waarbij met betrekking tot de heer Benedict Reenaers beslist wordt tot terugplaatsing in loonschaal, geen terugvorde- ringen te doen voor de periode van 04/2005 tot 02/2006 en tot de niet-retroactieve schrapping van de mandaattoelage voor de periode van voor 19/08/2005; - 4/ de beslissing van de politieraad van de politiezone Alken/Borgloon/ Heers/Kortessem/Wellen, - onderwerp : ‘Bekrachtiging besluit politie- college d.d. 15/03/2006 m.b.t. de brief d.d. 24/02/2006 Federale Politie - Dienst Secretariaat GPI inzake vernietiging KB tot aanstelling van een korpschef’ - genomen op 19 april 2006, waarbij beslist wordt tot bekrachtiging van het besluit van het politiecollege van de politiezone Alken/Borgloon/Heers/ Kortessem/Wellen, genomen op 15 maart 2006, waarbij met betrekking tot de heer Benedict Reenaers beslist wordt tot terugplaatsing in loonschaal, geen terugvorderingen te doen voor de periode van 04/2005 tot 02/2006 en tot de niet-retroactieve schrapping van de mandaattoelage voor de periode van voor 19/08/2005; - 5/ de beslissing van de politieraad van de politiezone Alken/Borgloon/ Heers/Kortessem/Wellen - onderwerp ‘Verzoek tot hernieuwing van het mandaat van korpschef’-, genomen op 21 juni 2006, waarbij beslist wordt de procedure ingevolge het verzoek van de heer Benedict Reenaers tot hernieuwing van het mandaat als korpschef voorlopig niet in te leiden; - 6/ het koninklijk besluit van 20 december 2007 waarbij de heer Reenaers, Benedict, wordt aangesteld tot korpschef van de lokale politie van de politie-zone Alken/Borgloon/Heers/Kortessem/Wellen, voor een termijn van vijf jaar, met ingang van 17 februari
- - 7/ De uit de voormelde beslissingen blijkende impliciete weigeringen: - 1/ om de betrekking van korpschef van de politiezone Al- ken/Borgloon/ Heers/Kortessem/Wellen vacant te verklaren met het oog op de rechtmatige toewijzing van die betrekking, hetzij onder de vorm van een primo-benoeming hetzij onder de vorm van een mandaat; - 2/ om de procedure op te starten met het oog op het rechtmatig toewijzen van de in 1/ vermelde betrekking; IX-5833-2/27 - 3/ om verzoeker als rechtmatig kandidaat voor te dragen voor de betrekking van korpschef van de politiezone Alken/Borgloon/Heers/ Kortessem/Wellen; - 4/ om de betrekking van korpschef van de politiezone Al- ken/Borgloon/ Heers/Kortessem/Wellen rechtmatig toe te wijzen, hetzij aan verzoekende partij, hetzij aan de heer Benedict Reenaers.” 1.
- Het beroep in de zaak A. 190.249/IX-6108, ingesteld op 5 november 2008, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 21 augustus 2008 waarbij de aanstelling van Benedict Reenaers als korpschef van de lokale politiezone Alken/Borgloon/Heers/Kortessem/Wellen wordt verlengd voor een periode van vijf jaar met ingang van 17 februari
- II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 185.278 van 10 juli 2008 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen in de zaak A. 186.956/IX-5833 verworpen. De verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partijen hebben in de beide zaken een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft in de beide zaken een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Geert De Bleeckere heeft in de beide zaken een verslag opgesteld. De verzoeker heeft in de zaak A. 186.956/IX-5833 een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen hebben elk een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen hebben in de zaak A. 190.249/IX-6108 elk een verzoek tot voortzetting en een laatste memorie ingediend. De verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 juni
- Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. IX-5833-3/27 Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor de verzoeker, advocaat Inke Dedecker, die verschijnt voor de politiezone Alken/Borgloon/Heers/ Kortessem/Wellen, en advocaat Ian Arnouts, die loco advocaten David D’Hooghe en Leopold Schellekens verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Bij arrest nr. 147.283 van 5 juli 2005 vernietigt de Raad van State het koninklijk besluit van 17 februari 2002 waarbij Benedict Reenaers voor een termijn van vijf jaar wordt aangewezen tot korpschef van de lokale politie van de politiezone Alken/Borgloon/Heers/Kortessem/Wellen (hierna: de politiezone “kanton Borgloon” of: de politiezone). Vastgesteld wordt dat de reglementen waarin het aanstellingsbesluit zijn grondslag vindt, onregelmatig zijn. 3.
- Inmiddels was op 25 mei 2005 B. Reenaers benoemd in de graad van hoofdcommissaris van politie op grond van de vaststelling dat hij voldoening schenkt in het ambt van korpschef van de lokale politie, zoals blijkt uit de tussentijdse evaluatie die hij op 7 maart 2005 na het derde jaar van zijn mandaat gekregen heeft. 3.
- Op 19 augustus 2005 beslist het politiecollege van de politiezone B. Reenaers aan te stellen als waarnemend korpschef. Er wordt verwezen enerzijds naar de vernietiging van zijn benoeming, naar de omstandigheid dat dienvolgens het mandaat opnieuw vacant verklaard moet worden en dat het daarom aangewezen is onmiddellijk een waarnemend korpschef aan te wijzen en anderzijds naar de goede evaluatie die B. Reenaers op 7 maart 2005 in de hoedanigheid van korpschef gekregen heeft zodat hij de meest geschikte kandidaat is om de betrekking waar te nemen. Er wordt ook bepaald dat hij de desbetreffende toelage zal genieten. IX-5833-4/27 Op 28 september 2005 bekrachtigt de politieraad dit besluit van het politiecollege. De notulen van de vergadering tonen niet aan dat een geheime stemming werd georganiseerd. 3.
- Op 24 februari 2006 beslist het politiecollege, nadat de politiezone door de federale politie was gewezen op de gevolgen van het vernietigingsarrest ten aanzien van de geldelijke rechten van B. Reenaers en op grond van de overweging dat de vernietiging van de benoeming het gevolg is van een “daad van onbehoorlijk bestuur door de bevoegde federale overheid”, zich akkoord te verklaren met de terugplaatsing van B. Reenaers naar de loonschaal O3 in afwachting van de definitieve afhandeling van de primo-benoeming, geen terugvordering te doen voor de teveel uitbetaalde bedragen voor de periode april 2005 tot februari 2006, en de mandaattoelage voor de periode voorafgaand aan 19 augustus 2005 niet te schrappen omdat B. Reenaers de functie in die periode daadwerkelijk uitgeoefend heeft. Op 19 april 2006 bekrachtigt de politieraad dit besluit van het politiecollege. 3.
- Op 16 mei 2006 vraagt B. Reenaers aan de politieraad om zijn mandaat van korpschef “dat een aanvang nam op 6 maart 2002 en dat hij uitgeoe- fend heeft in overeenstemming met de wettelijke opdracht bedoeld in de artikelen 44 en 45 van de wet van 07/12/1998”, te verlengen. Op 21 juni 2006 beslist de politieraad, vaststellend dat de vraag tot verlenging kadert in “een eventuele retroactieve aanstelling als korpschef van de lokale politie van de PZ kanton Borgloon” de “procedure van hernieuwing van het mandaat van korpschef voorlopig niet in te leiden ingevolge de vernietiging van het kb van 17/02/2002 (...) door de Raad van State”. 3.
- Op 15 maart 2007 stelt de verzoeker, verwijzend naar artikel 36, § 1, en artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie en de politiezone kanton Borgloon in gebreke om de specifieke beslissingen te nemen die de uitvoering van het arrest nr. 147.283 noodzaakt en om met name de selectieprocedure, inbegrepen de vaststelling van het functieprofiel en de samenstelling van de selectiecommissie, een correcte reglementaire basis te verschaffen. Hij stelt dat, aangezien de functie van korpschef een bij wet ingestelde functie is, het rechtsherstel dat uit de vernietiging IX-5833-5/27 van de benoeming van B. Reenaers moet volgen, inhoudt dat retroactief nieuwe uitvoerbare beslissingen genomen zullen moeten worden “na het hernemen van de procedure vanaf de fase waarin de in het arrest vermelde ontsporing heeft plaats gehad”. 3.
- Met een brief van 23 april 2007 deelt de minister van Binnenland- se Zaken aan de politiezone mee dat de nodige besluiten worden voorbereid om de rechtsgeldigheid van het koninklijk besluit van 5 februari 2001 en de omzendbrief ZPZ 11 te herstellen zodat de politiezone, na het bekendmaken van deze besluiten, de selectieprocedure zal kunnen starten. In het Belgisch Staatsblad van 31 mei 2007 wordt aldus het koninklijk besluit van 4 mei 2007 bekendgemaakt “tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 houdende vaststelling van de voorwaarden en de modaliteiten van de eerste aanstelling in bepaalde betrekkingen van de lokale politie”. Met dat besluit, dat op 8 februari 2001 uitwerking heeft, worden de bepalingen van het koninklijk besluit van 5 februari 2001 opnieuw in het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 ingevoegd en wordt dat besluit zelf ingetrokken. In het Belgisch Staatsblad van 31 mei 2007 wordt ook het ministerieel besluit van 11 mei 2007 bekendgemaakt “tot uitvoering van artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 houdende vaststelling van de voorwaarden en de modaliteiten van de eerste aanstelling in bepaalde betrekkingen van de lokale politie”. De bijlage, waarin de functiebeschrijving en de profielvereis- ten voor de functie van korpschef zijn geregeld, is identiek aan de omzendbrief ZPZ 11 van 21 december
- Dat besluit treedt in werking op 29 december 2000, dit is de dag waarop de omzendbrief ZPZ 11 is bekendgemaakt. 3.
- Op 26 juni 2007 herinnert de verzoeker de politiezone aan de verplichtingen die volgens hem uit het arrest nr. 147.283 volgen. 3.
- Op 14 november 2007 vordert de verzoeker de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring van de “fictieve of expliciete weigeringen”
(1)om de betrekking van korpschef van de politiezone Al- ken/Borgloon/Heers/Kortessem/Wellen vacant te verklaren,
(2)om de procedure op te starten met het oog op het toewijzen van de voormelde betrekking,
(3)om een kandidaat voor te dragen voor de voormelde betrekking en
(4)om die betrekking toe te wijzen hetzij aan hemzelf, hetzij aan B. Reenaers. Hij vraagt tevens om de IX-5833-6/27 politiezone er bij voorlopige maatregel toe te verplichten om de betrekking van korpschef vacant te verklaren en de benoemingsprocedure op te starten. 3.
- Met een brief van 6 december 2007 bezorgt de provinciegriffier aan de verzoeker een kopie van de volgende besluiten van de politieraad en van het politiecollege in verband met het mandaat van korpschef : - de beslissing van 19 augustus 2005 van het politiecollege om B. Reenaers aan te stellen als waarnemend korpschef en - de beslissing van 28 september 2005 van de politieraad houdende bekrachtiging van dat politiecollegebesluit van 19 augustus 2005 (beide beslissingen vermeld sub 3.
- hiervóór); - de beslissing van 15 maart 2006 van het politiecollege om, ingevolge de vernietiging van het koninklijk besluit tot aanstelling van B. Reenaers als korpschef,
(1)betrokkene terug te plaatsen in de loonschaal O3 in afwachting van de definitieve afhandeling van de primo-benoeming,
(2)voor de periode van april 2005 tot en met februari 2006 geen terugvordering uit te voeren van de negatieve bedragen ingevolge de retroactieve terugplaatsing en
(3)wat betreft de periode van vóór 19 augustus 2005, de mandaattoelage niet retroactief te schrappen vermits B. Reenaers tijdens de betrokken periode het ambt van korpschef heeft waargenomen als feitelijk ambtenaar en - de beslissing van 19 april 2006 van de politieraad houdende bekrachtiging van dat politiecollegebesluit van 15 maart 2006 (beide beslissingen vermeld sub 3.
- hiervóór); - de beslissing van 21 juni 2006 van de politieraad om, na kennis te hebben genomen van de door de waarnemend korpschef ingediende aanvraag tot verlenging van het mandaat, de procedure voor de hernieuwing van het mandaat van korpschef voorlopig niet in te leiden ingevolge de vernietiging van het koninklijk besluit van 17 februari 2002 waarbij B. Reenaers wordt aangesteld in de hoedanigheid van korpschef (de beslissing vermeld sub 3.
- hiervóór). Die beslissingen maken het eerste, tweede, derde, vierde en vijfde voorwerp uit van het beroep in de zaak A. 186.956/IX-
- 3.
- Bij koninklijk besluit van 20 december 2007 wordt B. Reenaers aangewezen voor een termijn van vijf jaar in de functie van korpschef van de lokale politiezone kanton Borgloon met ingang van 17 februari
- In dat besluit wordt verwezen naar het vernietigingsarrest nr. 147.283 van 5 juli 2005 en er wordt vastgesteld dat inmiddels een oplossing uitgewerkt werd voor de vastgestelde IX-5833-7/27 onregelmatigheid. Voor het overige worden alle motieven, die in het koninklijk besluit van 17 februari 2001 waren vermeld om de voorkeur voor B. Reenaers te onderbouwen, overgenomen. Er wordt op geen enkele wijze melding gemaakt van de beslissingen van het politiecollege en de politieraad houdende aanstelling van B. Reenaers tot waarnemend korpschef. Er wordt evenmin gerefereerd aan de wijze waarop B. Reenaers het ambt van korpschef zou vervuld hebben op grond van de vernietigde benoeming. Dit koninklijk besluit, dat wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 januari 2008, maakt het zesde voorwerp uit van het beroep in de zaak A. 186.956/IX-
- 3.
- Op 3 juni 2008 en op 17 juni 2008 brengen het politiecollege, respectievelijk de politieraad advies uit over de aanvraag van B. Reenaers van 16 mei 2006 om zijn mandaat als korpschef te verlengen met een termijn van vijf jaar vanaf 17 februari
- Het advies is positief. Er wordt in het besluit van de politieraad verwezen naar het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 en naar verschillende bepalingen van titel VII van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna: RPPol); er wordt opnieuw verwezen naar het tussentijds evaluatieverslag van 7 maart 2005 waaruit blijkt dat B. Reenaers “voldoening schenkt in het ambt”. De procureur-generaal geeft op 30 juni 2008 een gunstig advies voor de verlenging van het mandaat, maar hij maakt toch voorbehoud voor de uitslag van een strafrechtelijk onderzoek dat het parket van Tongeren tegen B. Reenaers voerde wegens klachten van takelbedrijven en voor een mogelijke vervolging voor de strafrechter wegens het bezit van een verboden wapen. De provinciegouverneur adviseert van zijn kant op 8 juli 2008 gunstig omdat hem geen negatieve elementen bekend zijn omtrent “de taakinvulling en de uitvoering van de opdrachten” door B. Reenaers. 3.
- Bij koninklijk besluit van 21 augustus 2008 wordt het mandaat van B. Reenaers verlengd voor een termijn van vijf jaar vanaf 17 februari
- Deze beslissing vormt het voorwerp van het beroep nr. 190.249/IX-
- Zij bevat volgende motieven: IX-5833-8/27 “Gelet op de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, inzonderheid op de artikelen 48, 49, 51 tot 52 en 247 : Gelet op de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten, inzonderheid op de artikelen 74 tot 79 ; Gelet op het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, inzonderheid op de artikelen VII.III.2 tot VII.III.4, VII.III.47, VII.III.48, VII.III.51, VII.III.52, VII.III.55 tot VII.III.57, VII.III.86 tot VII.III.93, VII.III.100 tot VII. III.132, XI.II.17, XI.II.18 en XI.III.27; Gelet op het koninklijk besluit van 5 december 2003 tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 april 2002 houdende specifieke statutaire bepalingen met betrekking tot personen aangesteld in bepaalde betrekkingen van de federale politie, de lokale politie en van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, inzonderheid op artikel 2 en de bijlage; Gelet op het ministerieel besluit van 28 december 2001 tot uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten; Gelet op het ministerieel besluit van 22 april 2003 tot bepaling van de administratieve behandelingsprocedure van de aangelegenheden bedoeld in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus; Gelet op het arrest van de Raad van State nr. 147.283 van 5 juli 2005 houdende vernietiging van het KB van 17 februari 2002 tot aanwijzing van de heer Benedict REENAERS voor een termijn van vijf jaar, als korpschef van de lokale politie van de politiezone Alken/Borgloon/Heers/Kortessem/Wellen; Gelet op het besluit van het politiecollege van 19 augustus 2005 houdende de onmiddellijke aanstelling van de heer Benedict REENAERS als waarnemend korpschef van de lokale politie van de politiezone Al- ken/Borgloon/Heers/Kortessem/Wellen, bekrachtigd door de politieraad in zitting van 28 september 2005; Gelet op het schriftelijk verzoek met synoptisch verslag van de heer Benedict REENAERS van 16 mei 2005 tot hernieuwing van zijn mandaat van korpschef, gericht aan de voorzitter van het politiecollege; Gelet op het besluit van de politieraad van 21 juni 2006 houdende de beslissing om de procedure voor de hernieuwing van het mandaat van korpschef voorlopig niet in te leiden, ingevolge het vernietigingsarrest van de Raad van State dd. 5 juli 2005; Gelet op het koninklijk besluit van 20 december 2007 tot aanwijzing van de heer Benedict REENAERS, als korpschef van de lokale politie van de politiezone Alken/Borgloon/Heers/Kortessem/Wellen, voor een hernieuwbare periode van vijf jaar, met inwerkingtreding vanaf 17 februari 2002; Gelet op het besluit van de politieraad van 19 februari 2008 tot aanstelling van de heer Benedict REENAERS als wnd. korpschef van de lokale politie van IX-5833-9/27 de politiezone Alken/Borgloon/Heers/Kortessem/Wellen, met ingang van 17 februari 2002; Gelet op de arresten van de Raad van State nrs. 145.014 van 25 mei 2005 en 163.026 van 2 oktober 2006, waardoor een overheid die verplicht is een evaluatie uit te voeren binnen een wettelijke termijn, geen rechtsgeldige beslissing meer kan nemen na het verstrijken van deze periode; dat in casu de bevoegde overheid ingevolge de terugwerkende kracht van de aanwijzingsbe- slissing er toe gehouden is het mandaat van de heer Benedict REENAERS te hernieuwen zonder (eind)evaluatie; Gelet op de gemotiveerde adviezen verstrekt in toepassing van het artikel 49 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus; Overwegende dat het Politiecollege zijn gunstig advies van 3 juni 2008 motiveert door te stellen dat sinds de aanwijzing van de heer Benedict REENAERS tot korpschef blijkt dat hij de in hem gestelde verwachtingen heeft ingelost en met kennis van zaken de politiezone kanton Borgloon leidt; Dat hij zijn kennis van de zone optimaal heeft gebruikt om het korps om te kneden tot een degelijk functionerend en gestructureerd geheel; dat hij de integratie van negen totaal verschillende politie- en rijkswachtkorpsen constructief vorm heeft gegeven; Dat hij de leiding van het lokaal politiekorps op behoorlijke wijze verzekert en instaat voor de leiding, de organisatie en de verdeling van de taken binnen het lokaal politiekorps; Dat hij rechtstreeks betrokken is bij de uitvoering van het beheer van het korps, de voorbereiding en uitvoering van belangrijke acties; Dat hij op behoorlijke wijze instaat voor de uitvoering van de lokale opdrachten, van de richtlijnen m.b.t. de opdrachten met een federaal karakter en van de opvorderingen; Dat hij toezicht uitoefent op de normen inzake de uitrusting en de bewapening van de personeelsleden van het politiekorps; Dat hij instaat voor de organisatie en werkingsnormen teneinde een gelijkwaardige minimale dienstverlening aan de bevolking in de vijf gemeenten van de zone te verzekeren; Dat hij zijn bevoegdheden uitoefent onder het gezag van het politiecollege en dit orgaan op voldoende wijze inlicht over alles wat het lokaal politiekorps en de uitvoering van zijn opdrachten aangaat evenals de initiatieven die hij overweegt te nemen m.b.t. het zonale veiligheidsbeleid; Dat de werking van het korps en de eventuele klachten van buitenaf aangaande de werking van dit korps of het optreden van het personeel tevens op geregelde tijdstippen ter kennis gebracht worden van het politiecollege; Dat hij rekening houdend met de beschikbare financiële middelen er jaarlijks in slaagt om in overleg met de bijzonder rekenplichtige en het politiecollege de begroting in evenwicht te houden; IX-5833-10/27 Dat hij op alle niveaus systematisch overlegmomenten introduceerde met het oog op het degelijk functioneren en werken van de organisatie; dat hij communicatie hoog in het vaandel voert en via veelvuldige, dagelijkse contacten tussen alle geledingen van het korps bijna dagdagelijks de werking van het korps evalueert en bijstuurt, hetgeen de betrokkenheid en tevredenheid bij het personeel ten goede komt; Dat wat betreft de samenwerking op provinciaal niveau hij steeds bereid is tot spontane deelname en het leveren van de nodige bijstand aan provinciale acties; Dat de politiezone kanton Borgloon onder leiding en stuwende kracht van de heer Benedict REENAERS ondertussen is uitgegroeid tot een voorbeeldzone in de categorie 2 van de kleinere landelijke korpsen en met steun van de administratieve overheid het korps uitgebreid werd met 7 effectieve operatione- le eenheden; naast de wettelijke functionele pijlers de verkeersdienst en de sociale dienst, waaronder slachtofferbejegening ressorteert, uit de grond werden gestampt; de verkeersdienst ondertussen verder uitgebouwd werd via de introductie van motards en de aanwerving van 2 agenten van politie; Dat hij tevens de eerste korpschef in het arrondissement Tongeren was die voluit zijn schouders zette onder het project ‘PRORELA’ waarbij geschillen via een snelprocedure beslecht kunnen worden via de vrederechter; Dat hij steeds te midden van zijn manschappen staat om hen met raad en daad bij te staan zowel wat de leidinggevenden als het basiskader betreft; Dat hij steeds een grote inzet levert om de veiligheid in zijn politiezone te optimaliseren doch dit steeds doet in overleg met de overheden (bestuurlijk en gerechtelijk) zonder daarbij andere partners over het hoofd te zien; Dat hij iedere opportuniteit te baat neemt om de politiezone kanton Borgloon in een positief daglicht te stellen doch dit alles met de wetenschap in het achterhoofd om de veiligheid (preventief/repressief) te optimaliseren; Dat hij zich heeft geprofileerd als een degelijke coach met oog voor het menselijk aspect; Dat de heer Benedict REENAERS de door het politiecollege/politieraad van hem verwachte doelstellingen inlost en gestalte geeft; Dat hij blijk geeft van een groot doorzettingsvermogen bij de uitoefening van zijn mandaat wat duidelijk ten goede komt van de degelijke werking van het korps, de meergemeentenzone en de bevolking en teneinde de continuïteit van de werking te garanderen wordt laatstgenoemde voorgedragen voor een tweede ambtstermijn; Overwegende dat de Politieraad zijn gunstig advies van 17 juni 2008 motiveert door zich aan te sluiten bij de inhoud van het gemotiveerd advies van het politiecollege van 3 juni 2008; Overwegende dat de Gouverneur van de provincie Limburg zijn gunstig advies van 10 juli 2008 motiveert door te stellen dat de heer Benedict REENAERS een geëngageerde en gemotiveerde korpschef is die het lokaal politiekorps tracht uit te bouwen tot een professionele organisatie; dat hij plichtsgetrouw en constructief zijn taken en opdrachten uitvoert en hierbij voldoening schenkt; IX-5833-11/27 Dat hij bij het leiden van zijn korps gebruik maakt van moderne manage- menttools en erin slaagt zijn personeel te motiveren; dat er ruime aandacht wordt besteed aan de interne communicatie binnen de politiezone, zodat de medewerkers ook op de hoogte blijven van de meest recente ontwikkelingen binnen de zone; dat ook aan de externe communicatie ruime aandacht wordt geschonken; dat persvoorlichting, de organisatie van een opendeurdag, het creëren van een website, het opstarten van een politiekrant, etc. initiatieven zijn die ook een externe gerichtheid bewijzen; Dat er voldoende en up-to-date logistiek aanwezig is, waardoor ook actuele trends in ontwikkeling kunnen gevolgd worden en de diverse functionaliteiten van de politiezone naar behoren kunnen werken; dat recent de overstap werd gemaakt naar het Communicatie- en Informatiecentrum van de geïntegreerde politie (CIC), waarbij de dispatching van de politiezone vanuit dit centrum wordt aangestuurd; Dat de wnd korpschef een duidelijke visie heeft omtrent het organiseren van de operationele werking van een politiezone; dat vanuit een oorspronkelijk moeilijke situatie in 2001, waarbij vijf korpsen van de voormalige gemeentepo- litie en vier territoriale brigades van de voormalige rijkswacht dienden geïntegreerd te worden in één politiezone, er toch succes werd geboekt en de operationele doelstellingen verwezenlijkt; dat enkel de realisatie van één centraal politiegebouw nog niet werd gerealiseerd; dat er alvast een bouwgrond werd aangekocht met het oog op de bouw van één centrale infrastructuur; dat voor de verdere uitbouw van de politiezone de prioriteit werd gelegd op de ontwikkeling van de interventiedienst, zodat de dienstverlening (aanrijtijden en beschikbaarheden) sneller en meer efficiënt kan verlopen; dat een andere prioriteit de verdere professionalisering van de verkeersdienst is; dat ook slachtofferbejegening en de uitbreiding van de jeugddienst verdere aandachts- punten zijn voor de volgende ambtsperiode; dat de korpschef wnd. dus duidelijk ambities heeft voor de volgende ambtstermijn; Dat de heer Gouverneur geen kennis heeft van negatieve elementen met betrekking tot de taakinvulling en de uitvoering van de opdrachten die aan de heer REENAERS Benedict, wnd. korpschef van de lokale politie zijn toebedeeld; Overwegende dat de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Antwerpen zijn gunstig advies van 30 juni 2008 motiveert door te stellen dat de heer Benedict REENAERS er als korpschef steeds naar streeft de problemen op te lossen op de meest praktische manier, ook al worden daarbij de voorge- schreven procedures niet steeds volledig toegepast; dat hij op zijn wijze er in geslaagd is om het korps Borgloon uit te bouwen tot een goed functionerend korps en dit ondanks het feit dat moest gestart worden van vijf korpsen van de gemeentepolitie en lokale rijkswachtbrigades; dat de heer REENAERS geen dogmaticus is, maar een leider, die met ‘gezond boerenverstand’, rekening houdend met de noden en plaatselijke toestanden, zijn korps goed laat functioneren; Dat de heer Procureur-generaal, onder voorbehoud van het uiteindelijk gevolg dat zal gegeven worden aan het tegen betrokkene nog steeds lopende strafonderzoek, een gunstig advies verleent m.b.t. het verzoek van de heer REENAERS tot hernieuwing van zijn mandaat als korpschef; Overwegende dat de heer Benedict REENAERS aan alle voorwaarden voldoet opdat zijn mandaat van korpschef van de politiezone Al- IX-5833-12/27 ken/Borgloon/Heers/Kortessem/Wellen wordt hernieuwd voor een periode van vijf jaar;” IV. Samenhang
- Het beroep in de zaak A. 186.956/IX-5833 is onder meer gericht tegen het koninklijk besluit van 20 december 2007 waarbij B. Reenaers voor een termijn van vijf jaar, met ingang van 17 februari 2002, wordt aangesteld tot korpschef van de lokale politie van de politiezone kanton Borgloon. Het beroep in de zaak A. 190.249/IX-6108 is gericht tegen het koninklijk besluit van 21 augustus 2008 waarbij die aanstelling van B. Reenaers wordt verlengd voor een periode van vijf jaar. Evident kan de verlenging van de aanstelling slechts regelmatig zijn indien de eerste aanstelling regelmatig is. De beide zaken vertonen aldus een sterke samenhang. In het belang van een goede rechtsbedeling worden zij samengevoegd. V. Aanduiding van de verwerende partij in de zaak 190.249/IX-6108
- De verzoeker heeft in zijn verzoekschriften zowel de Belgische Staat als de lokale politiezone kanton Borgloon als verwerende partij aangewezen. De lokale politiezone heeft aldus een memorie van antwoord ingediend, die evenwel volgens de auditeur-verslaggever buiten de debatten gehouden moet worden omdat de bestreden beslissing niet uitgaat van de betrokken politiezone. Waarna de politiezone in haar laatste memorie stelt dat zij toch een determinerende rol gespeeld heeft in de totstandkoming van het bestreden besluit, aangezien zij B. Reenaers voor de verlenging voorgesteld heeft en artikel 49 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus (hierna:WGP) de verlenging van het mandaat slechts verbiedt wanneer de betrokken politieraad een met redenen omkleed negatief advies uitbrengt.
- De rechtspleging voor de Raad van State is van inquisitoriale aard, hetgeen onder meer impliceert dat de organen van de Raad van State de aanwijzing van de verwerende partij, zoals door de verzoeker gedaan in zijn verzoekschrift, kunnen aanvullen, beperken of wijzigen. Te dezen is de bestreden beslissing getroffen op initiatief van de minister van Binnenlandse Zaken, zodat hij als vertegenwoordiger van de Belgische IX-5833-13/27 Staat de verdediging ervan moet voeren, zonder dat de organen van de politiezone, die in de zaak slechts zijn tussengekomen als adviesorgaan, daar een rol kunnen in opeisen wanneer de organen van de Raad van State hen daar niet toe uitnodigen. Dit is te dezen niet het geval geweest; de politiezone wordt derhalve als verwerende partij buiten de zaak gesteld. Enkel het verweer van de Belgische Staat wordt in overweging genomen. VI. Ontvankelijkheid van de beroepen - het actueel belang van de verzoeker Standpunt van de partijen
- In haar laatste memorie in de zaak 190.249/IX-6108 betwist de verwerende partij het actueel belang van de verzoeker aangezien artikel VII.III.13, 1/ RPPol, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 18 september 2008, als voorwaarde voor de aanwijzing in een mandaat thans vereist dat de betrokkene hoofdcommissaris van politie of houder van een directiebrevet is en de verzoeker die graad of titel niet bezit zodat hij onmogelijk in de betrekking van korpschef aangewezen kan worden. De verzoeker antwoordt daarop dat hij nog wel degelijk over een belang beschikt omdat de benoemingsprocedure gevoerd is op basis van het koninklijk besluit van 30 oktober 2000 betreffende de primo-benoemingen en de aanstellingsprocedure kan overgedaan worden op basis van het bestaande dossier. In ieder geval bezit B. Reenaers evenmin een directiebrevet en vervalt zijn benoeming tot hoofdcommissaris met het verdwijnen van zijn aanstelling tot korpschef, waarin die benoeming haar grondslag vindt. Beoordeling
- De verwerende partij verwijst naar de algemene voorwaarden die thans vereist zijn om, in het organiek stelsel, tot korpschef aangewezen te worden. Uit ingewonnen inlichtingen blijkt dat de verzoeker inderdaad deze voorwaarden niet vervult, hij is met name geen hoofdcommissaris van politie en beschikt ook niet over het vereiste brevet. Hij kan dus op dit ogenblik niet meer aangesteld worden tot korpschef in de politiezone. De beslissingen die met het beroep 186.956/IX-5833 bestreden worden betreffen evenwel geen dergelijke aanwijzing. Het gaat daar immers over IX-5833-14/27 een aanstelling overeenkomstig het koninklijk besluit van 31 oktober 2000, dat de eerste aanstelling in het mandaat van korpschef van de lokale politie regelt krachtens de overgangsbepaling opgenomen in artikel 247 WGP. De verwerende partij toont niet aan dat de verzoeker op grond van de in dat besluit vermelde voorwaarden niet meer in aanmerking komt om alsnog, binnen de procedure van de eerste aanstelling, tot korpschef aangesteld te worden. De ontstentenis van actueel belang is niet aangetoond in zoverre de verzoeker de nietigverklaring nastreeft van het koninklijk besluit van 20 december 2007 en de beslissingen die hij daarmee in verband brengt. De beslissing die met het beroep 190.249/IX-6108 wordt bestreden betreft de verlenging van het aan B. Reenaers toegekend mandaat. Ook die beslissing vindt haar rechtsgrond in het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 en ligt in die zin buiten de organieke regeling van het RPPol. Uit die vaststelling mag evenwel niet zonder meer besloten worden dat de verzoeker nog over het rechtens vereiste belang bij de vernietiging van deze verlenging beschikt. Dat belang is immers afhankelijk van de vraag of de verzoeker in geval van vernietiging wel nog op basis van het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 en dus in het kader van de regeling van de primo-benoemingen tot korpschef aangesteld kan worden. Is dat niet het geval, dan kan hij in de actuele stand van de regelgeving onder geen beding nog aangesteld worden. Wordt derhalve het beroep tegen het koninklijk besluit van 20 december 2007 verworpen, dan is die beslissing definitief, heeft de overgangsregeling die artikel 247 WGP mogelijk maakte volledig uitwerking gekregen en kan er onmogelijk nog op grond van het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 een primo-aanstelling verleend worden. In die zin is het belang van de verzoeker bij de vernietiging van de verlenging van het mandaat van B. Reenaers afhankelijk van de uitkomst van het beroep in de zaak 186.957/IX-
- VII. Ontvankelijkheid van het beroep 186.956/IX-5833 - de andere aangevoerde excepties Standpunt van de partijen
- De eerste verwerende partij, de politiezone kanton Borgloon, werpt op dat het beroep niet ontvankelijk is: - wat het tweede en derde voorwerp betreft (de beslissingen van het politiecollege van 15 maart 2006 en van de politieraad van 19 april 2006) omdat die beslissin- gen de individuele rechtstoestand van de verzoeker niet raken; IX-5833-15/27 - wat het vierde voorwerp betreft (de beslissing van de politieraad van 21 juni 2006 om niet in te gaan op de vraag van B. Reenaers om zijn mandaat te verlengen), aangezien de verzoeker zelf slechts korpschef kan worden wanneer het mandaat van B. Reenaers niet vernieuwd wordt; - wat de impliciete beslissingen betreft, aangezien het arrest nr. 147.283 van 5 juli 2005 de eerste drie aangewezen impliciete beslissingen intact gelaten heeft zodat zij definitief geworden zijn en die beslissingen bovendien retroactief de vereiste wettelijke basis gekregen hebben en aangezien er geen impliciete beslissing bestaat om noch de verzoeker noch B. Reenaers als korpschef aan te wijzen; in ieder geval heeft de verzoeker niet de vereiste vormvoorschriften in acht genomen om een stilzwijgende beslissing te verkrijgen in de zin van artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; - wat betreft de aanstelling van B. Reenaers als waarnemend korpschef omdat het beroep laattijdig ingediend is. De tweede verwerende partij harerzijds acht het beroep niet ontvankelijk: - in de mate er in het verzoekschrift meerdere voorwerpen worden aangewezen terwijl die beslissingen onvoldoende nauw met elkaar verbonden zijn en derhalve enkel het beroep tegen de beslissing van 19 augustus 2005 van het politiecollege ontvankelijk is; - in de mate de impliciete weigering om de verzoeker te benoemen wordt bestreden omdat geen gebonden bevoegdheid wordt aangetoond en geen middelen worden aangevoerd die specifiek tegen deze impliciete beslissingen zijn gericht.
- De verzoeker beantwoordt de excepties in zijn memorie van wederantwoord als volgt: - de vordering tegen de aanstelling van B. Reenaers als waarnemend korpschef is tijdig ingediend omdat de beroepstermijn niet kan ingaan op basis van geruchten of een beweerde mededeling ervan op de website. - de verschillende bestreden beslissingen zijn wel degelijk met elkaar verbonden want zij hebben alle betrekking op de beoogde uiteindelijke benoeming van B. Reenaers tot korpschef. Beoordeling
- De impliciete weigeringen die de verzoeker tot het zevende voorwerp van het beroep maakt, werden door hem op 14 november 2007 met een IX-5833-16/27 afzonderlijk verzoekschrift bestreden als fictieve weigeringsbeslissingen die het gevolg waren van de aanmaning die hij aan het bestuur had gedaan. De Raad van State heeft daar met het arrest nr. 181.765 van 7 april 2008 definitief uitspraak over gedaan. Met name is vastgesteld dat de in het arrest 147.283 vastgestelde onwettigheid inmiddels door het bestuur geremedieerd was, met name door de uitvaardiging van het koninklijk besluit van 4 mei 2007 en het ministerieel besluit van 11 mei 2007 en dat het bestuur in dat arrest niet de verplichting vindt om de procedure voor de aanwijzing van een korpschef van meet af aan, de vacantverkla- ring inbegrepen, te herbeginnen. De verzoeker kan zich dan ook geen voordeel doen met de vernietiging van de bestreden weigeringsbeslissingen.
- De verwerende partij stelt terecht dat de verzoeker geen enkel voordeel kan halen uit de vernietiging van de beslissingen die betrekking hebben op de regularisatie van de financiële situatie van B. Reenaers na de vernietiging van zijn aanstelling tot korpschef door het arrest nr. 147.
- Het betreft de beslissingen -genomen door het politiecollege op 15 maart 2006 en door de politieraad op 19 april 2006- die het derde en vierde voorwerp vormen van het onderhavig beroep.
- De verzoeker heeft geen belang bij de vernietiging van de beslissing van 21 juni 2006 van de politieraad waarbij deze afwijzend beschikt op de vraag van B. Reenaers om de vernieuwing van zijn mandaat te verkrijgen. Daargelaten de vaststelling dat het om een beslissing gaat die op zich geen enkel rechtsgevolg teweegbrengt maar enkel de standstill vaststelt, benadeelt zij in ieder geval de verzoeker niet aangezien zij voor hem geen enkele weg naar de benoeming afsluit.
- Maken aldus nog het voorwerp uit van het beroep, enerzijds de beslissing van de politiezone kanton Borgloon om B. Reenaers als waarnemend korpschef aan te stellen -de beslissing van het politiecollege van 19 augustus 2005 en de bekrachtiging ervan door de politieraad van 28 september 2005- en anderzijds het koninklijk besluit van 20 december 2007 waarbij B. Reenaers retroactief tot 17 februari 2002 wordt aangewezen tot korpschef van de politiezone kanton Borgloon. Beide beslissingen zijn niet verknocht in de zin dat een uitspraak in de ene zaak decisief de beoordeling van de andere bepaalt, zodat het beroep bij toepassing van de gewone criteria inzake de ontvankelijkheid van niet-verknochte zaken, slechts ontvankelijk is wat het eerste voorwerp betreft, te dezen de beslissing IX-5833-17/27 waarbij B. Reenaers tot waarnemend korpschef wordt aangesteld. Rekening houdend evenwel met de vorige procedures die de verzoeker bij de Raad van State heeft aangespannen en met de algemene teneur van zijn verzoekschrift die ook bevestiging vindt in de briefwisseling die de verzoeker met het bestuur gevoerd heeft, is het voor de Raad van State duidelijk dat de verzoeker niet zozeer de aanstelling van B. Reenaers als waarnemend korpschef in het vizier neemt maar wel dezes definitieve aanstelling. Dat de verzoeker tegelijkertijd ook kritiek uitbrengt op alle beslissingen die daarbij betrokken kunnen worden, kan verklaard worden door het feit dat de beslissing tot aanstelling van B. Reenaers als waarnemend korpschef slechts met een brief van 6 december 2007 door de provinciegouverneur formeel ter kennis gebracht werd en verplicht de Raad van State niet het beroep op een zuiver formeel criterium te verwerpen. Er is in dit geval reden om het verzoekschrift te interpreteren als gericht tegen het koninklijk besluit van 20 december 2007 en het beroep tegen de aanstelling van B. Reenaers als daaraan ondergeschikt te beschouwen. Het beroep in die zin begrijpend, rijst dan wel de vraag welk belang de verzoeker heeft bij de vernietiging van de aanstelling van B. Reenaers als waarnemend korpschef. Dat belang zou voor de hand liggen indien zou blijken dat de definitieve benoeming mede steunt op de aanstelling als waarnemer. Evenwel, zoals bij de uiteenzetting van de feitelijke gegevens van de zaak blijkt, verwijst het koninklijk besluit van 20 december 2007 op geen enkele wijze naar de voorlopige aanstelling van B. Reenaers en refereert het ook niet aan de wijze waarop B. Reenaers op grond van het koninklijk besluit van 17 februari 2002 de functie van korpschef vervuld heeft, maar stelt het enkel vast dat het koninklijk besluit van 17 februari 2002 vernietigd werd wegens miskenning van een vormvoorschrift en dat dit gebrek inmiddels geremedieerd werd. Die vaststelling doet besluiten dat de vernietiging van de voorlopige aanwijzing van B. Reenaers tot korpschef geen invloed heeft op de wettigheid van het koninklijk besluit van 20 december 2007 en aldus bezien heeft de verzoeker geen belang bij de vernietiging van die voorlopige aanwijzing. Gewis heeft die beslissing, wegens de eigen rechtsgevolgen die zij indertijd onmiskenbaar gehad heeft, de verzoeker een nadeel berokkend: hij is afgehouden van de aanstelling tot waarnemend korpschef en heeft de beslissing moeten ondergaan. Het actueel belang bij de vernietiging daarvan is evenwel precair geworden door het feit dat B. Reenaers op 20 december 2007 met terugwerkende kracht tot 17 februari 2002 een definitieve aanstelling verkregen heeft. Blijft die IX-5833-18/27 definitieve aanstelling in het rechtsverkeer behouden, dan staat meteen vast dat, in de actuele juridische toestand, de aanstelling als waarnemer nooit enige geldings- kracht gehad heeft. Het is dan ook slechts wanneer het koninklijk besluit van 20 december 2007 vernietigd wordt dat aan de verzoeker het rechtens vereiste belang kan toegekend worden bij de vernietiging van de beslissingen van het politiecollege en de politieraad om B. Reenaers als waarnemend korpschef aan te wijzen.
- De eerste verwerende partij betoogt dat het beroep laattijdig ingediend werd tegen de beslissing omtrent de aanstelling van B. Reenaers tot waarnemend korpschef. Zij verwijst naar een uitprint van haar website waarop B. Reenaers werd aangeduid als “waarnemend korpschef”. Deze terloopse vermelding op de website, waaraan geen juridische waarde kan worden gehecht, bevat op zich het bewijs niet dat de verzoeker een voldoende kennis had van de genomen beslissingen om ze met een annulatieberoep te bestrijden. De verzoeker daarentegen bewijst dat hij op 6 december 2007 van de provinciegouverneur een afschrift gekregen heeft van de bestreden aanstellings- beslissingen. Bij ontstentenis van bewijzen door de verwerende partijen omtrent een vroegere voldoende kennisneming van de aanstellingsbeslissing, wordt de exceptie van laattijdigheid verworpen. VIII. Het beroep tegen het koninklijk besluit van 20 december 2007 - de grond van de zaak A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker wijst op de “toepassing van het onwettig ministe- rieel besluit van 11 mei 2007 tot uitvoering van artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 houdende vaststelling van de voorwaarden en de modaliteiten van de eerste aanstelling in bepaalde betrekkingen van de lokale politie”. Hij stelt dat het koninklijk besluit van 4 mei 2007 waarbij het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 gewijzigd werd, blijkens zijn artikel 4 uitwerking heeft vanaf 8 februari 2001 terwijl het ministerieel besluit van 11 mei 2007 blijkens artikel 2 uitwerking heeft vanaf 29 december
- Volgens hem kan een ministerieel besluit dat uitvoering geeft aan een koninklijk besluit, niet terugwerken IX-5833-19/27 tot een datum die de uitwerking van dat koninklijk besluit voorafgaat. Het koninklijk besluit van 20 december 2007, dat toepassing maakt van dat onwettig ministerieel besluit, is op zijn beurt onregelmatig.
- De tweede verwerende partij antwoordt in essentie dat het ministerieel besluit van 11 mei 2007 geen uitvoering geeft aan het koninklijk besluit van 4 mei
- Beoordeling
- Het standpunt van de verwerende partij wordt bijgevallen. Het ministerieel besluit van 11 mei 2007 geeft uitvoering aan artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 31 oktober 2000, dat uitwerking heeft sinds 4 november 2000 en dat nadien nooit gewijzigd werd. Vanaf die dag beschikten de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken aldus over de vereiste bevoegdheidstoewijzing om de functievereisten en het profiel voor het mandaat van korpschef te bepalen. Door het bestreden besluit te laten terugwerken tot 29 december 2000 hebben de betrokken ministers gehandeld binnen de grenzen van hun toegewezen bevoegdheid. Het middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
- In dit middel wordt de schending van de regelgeving inzake de adviesorganen aangevoerd. In een eerste onderdeel voert de verzoeker aan dat de adviesraad van burgemeesters een adviesorgaan is in de zin van de wet van 20 juli 1990 ter bevordering van de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid en dat de adviesraad, toen hij zich boog over het koninklijk besluit van 4 mei 2007 en het ministerieel besluit van 11 mei 2007, niet overeenkomstig de bepalingen van die wet was samengesteld, met name wat betreft de verdeling van de mandaten tussen de mannelijke en de vrouwelijke leden. De omstandigheid dat de uitvoerende macht voor het treffen van de vermelde besluiten aan het advies van de adviesraad voorbijgegaan is, doet niets af aan die ongeldige samenstelling. IX-5833-20/27 In een tweede onderdeel voert de verzoeker aan dat het koninklijk besluit van 6 april 2000 betreffende de adviesraad voor burgemeesters zelf onwettig is wegens miskenning van artikel 8 WGP, aangezien de Koning de hem wettelijk toegekende machtiging te buiten gegaan is. Hij heeft met name in artikel 6 van dat besluit consequenties verbonden aan het overschrijden van de adviestermijn van 1 maand, maar die bevoegdheid was hem niet door de wetgever toegekend.
- De tweede verwerende partij wijst in haar memorie van antwoord op de in de preambule van het koninklijk besluit van 7 mei 2007 en het ministerieel besluit van 11 mei 2007 opgenomen vermelding dat het advies van de adviesraad van burgemeesters niet tijdig verstrekt werd en dat geen verzoek tot verlenging van de adviestermijn werd gevraagd, zodat, als gesteld in artikel 9 van het koninklijk besluit van 6 april 2000, aan de adviesverplichting voorbijgegaan kon worden. Mag aldus aan het advies voorbijgegaan worden, dan speelt de al dan niet rechtsgeldige samenstelling van de adviesraad geen rol meer. Zij stelt voorts dat artikel 8 WGP aan de Koning de bevoegdheid verleent om de werking van de adviesraad te bepalen, “met inbegrip van de termijnen waarbinnen de adviezen door de raad worden verstrekt”, hetgeen voor de Koning de bevoegdheid inhoudt om te bepalen dat na het verstrijken van de adviestermijn de adviesraad wordt geacht af te zien van zijn adviesrecht. Beoordeling
- Zowel in de preambule van het koninklijk besluit van 4 mei 2007 als in deze van het ministerieel besluit van 11 mei 2007 is vermeld: “Overwegende dat het advies van de adviesraad van burgemeesters niet regelmatig binnen de voorgeschreven termijn gegeven is en dat geen verzoek om verlenging van de termijn gedaan is; dat er bijgevolg aan is voorbijgegaan;” Die verwijzing refereert aan artikel 9 van het koninklijk besluit van 6 april 2000 met betrekking tot de adviesraad van burgemeesters dat bepaalt: “De Raad verstrekt advies binnen een termijn van één maand nadat de voorzitter van de Raad door de Minister om advies is verzocht. Op gemotiveerd verzoek van de Raad kan de Minister deze termijn met maximaal één maand verlengen. In geval van dringende noodzaak (...). Wordt geen advies verstrekt binnen de gestelde termijn, dan wordt eraan voorbijgegaan.” IX-5833-21/27 Die bepaling steunt zelf op artikel 8 WGP, waarvan de eerste twee leden luiden: “Een adviesraad van burgemeesters wordt opgericht. Elk reglementair besluit betreffende de lokale politie wordt door de Minister van Binnenlandse Zaken onderworpen aan het advies van de adviesraad. Bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit bepaalt de Koning de samenstelling ervan, de nadere regels voor de aanwijzing van zijn leden en zijn werking, met inbegrip van de termijnen waarbinnen de adviezen door de raad worden verstrekt.”
- De wet laat de Koning toe de termijnen te bepalen waarbinnen de adviesraad advies moet geven. Dat impliceert de bevoegdheid om de gevolgen vast te stellen die aan het verstrijken van de termijn verbonden worden, hetgeen ook de vorm kan aannemen van de verplichting aan het bestuur om een verplichte wachttermijn na te leven. In dit geval heeft de Koning het adviesrecht van de adviesraad aan een vervaltermijn gekoppeld door te bepalen dat de bevoegde overheid aan het advies kan voorbijgaan of, anders gesteld, dat zij van de adviesverplichting ontslagen wordt. Hij heeft aldus de termijn geregeld waarbinnen de adviezen verstrekt moeten worden en is binnen zijn wettelijke opdracht, als bepaald in artikel 8 WGP, gebleven.
- De verzoeker betwist of betwijfelt niet dat de Koning en de bevoegde ministers de adviesraad hebben geconsulteerd. Aangezien de adviesraad de -regelmatig vastgestelde- termijnen niet nageleefd heeft, konden de bevoegde overheden zonder verdere aandacht voor die adviesverplichting het besluitvormings- proces voortzetten. De vraag of de adviesraad toentertijd regelmatig samengesteld was is daarbij totaal irrelevant. Het middel is niet gegrond. C. Derde middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker voert in het algemeen de schending aan van de materiële en van de formele motiveringsverplichting, van de verplichting om tot een objectieve, pertinente en redelijke vergelijking van de titels en de verdiensten van de kandidaten over te gaan, van de redelijke termijn bij het opstarten van de IX-5833-22/27 selectieprocedure voor het toewijzen van de betrekking van korpschef en van artikel VI.II.77 RPPol. Hij richt het middel zowel tegen de beslissing van de politiezone kanton Borgloon tot voorlopige aanstelling van B. Reenaers tot korpschef als tegen het koninklijk besluit van 20 december
- Tegen het koninklijk besluit van 20 december 2007 voert hij aan dat de minister van Binnenlandse Zaken op 23 april 2007 aan de politiezone geschreven heeft dat, na de regularisatie van de vastgestelde onregelmatigheid in de reglementering, de politiezone “de selectieprocedure voor de aanwijzing van een korpschef (zou kunnen) starten” maar dat de door het bestuur gevolgde weg in ieder geval onregelmatig is: ofwel is de selectieprocedure niet opgestart, hetgeen ingaat tegen de verplichting om de betrekking van korpschef in te vullen, ofwel is de selectieprocedure wel opgestart maar heeft hij niet de mogelijkheid gekregen om eraan deel te nemen.
- De eerste verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het middel en verwijst naar de onduidelijke adstructie. Zij verweert zich vervolgens ook inhoudelijk. De tweede verwerende partij, die de verdediging van het koninklijk besluit van 20 december 2007 op zich neemt, betoogt dat de verzoeker alleen maar kritiek formuleert op een advies van de minister van Binnenlandse Zaken, gericht aan de politiezone, en dat de verzoeker niet argumenteert waarom het besluit niet afdoende formeel en materieel gemotiveerd zou zijn, terwijl volgens haar uit het besluit zeer duidelijk blijkt waarom B. Reenaers boven de verzoeker verkozen werd. Beoordeling
- Het middel is uiterst summier uiteengezet. De verzoeker beperkt zich enerzijds tot een theoretische en algemene uiteenzetting omtrent de verplich- ting van het bestuur om de kandidaturen voor een betrekking op objectieve en concrete wijze te vergelijken met de toevoeging dat na een vernietigingsarrest geen rekening gehouden mag worden met de vernietigde beslissing en de gevolgen die zij heeft gehad, en anderzijds tot de verwijzing naar artikel VI.II.77 RPPol en de toepassing van die bepaling op de aanstelling van B. Reenaers als waarnemend korpschef. Zijn kritiek op het koninklijk besluit van 20 december 2007 is beperkt tot de vaststelling dat de minister van Binnenlandse Zaken in een brief van 23 april 2007 gesteld heeft dat de selectieprocedure “eerstdaags” opgestart zou kunnen worden maar dat dit niet gebeurd is of dat hij er in ieder geval geen deel heeft aan IX-5833-23/27 mogen nemen. Hij zet niet uiteen waarom de motieven, die in het bestreden besluit opgenomen zijn, de benoeming van B. Reenaers niet deugdelijk onderbouwen.
- De verzoeker verwijt het bestuur dat de selectieprocedure niet opnieuw opgestart werd. De verwerende partij was daar evenwel niet toe verplicht: rekening houdend met de vernietigingsgrond vermeld in het arrest nr 147.283 kon het bestuur, eens de onwettigheid hersteld -te dezen het regulariseren van de reglementering waarin het vernietigd besluit zijn grondslag vond-, de benoemings- procedure op die grond verder afwikkelen. Zij heeft ervoor geopteerd de regeling, die tot de vernietiging aanleiding had gegeven, eenvoudigweg met inachtneming van de geëigende regels te hernemen en er terugwerkende kracht aan te verlenen, hetgeen haar dan toeliet de onregelmatig bevonden situatie recht te zetten door enkel het benoemingsbesluit van B. Reenaers over te doen, zonder daarbij de gehele selectieprocedure te moeten overdoen. Die optie van het bestuur valt binnen haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Voor de Raad van State wordt niet aangetoond dat de beoordeling elke redelijkheid te buiten gaat en de verzoeker betwist ook niet dat de verwerende partij, binnen haar discretionaire bevoegdheid en oog hebbend voor de rechten van de bij de zaak betrokken partijen, de regularisatie van de toepasselijke reglementering met terugwerkende kracht kon realiseren. Dat de uitwerking van dergelijke nieuwe reglementering tijd zou vragen was te voorzien; in dat opzicht is het begrijpelijk dat de politiezone een waarnemend korpschef aangesteld heeft. Voorts maakt de verzoeker niet aannemelijk dat het bestuur bij de uitwerking van de nieuwe regeling onredelijk lang getalmd heeft. Het middel is niet gegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- De schending wordt aangevoerd van de verplichting tot geheime stemming in aangelegenheden die personen betreffen en van het bewijs van de naleving van substantiële vormen. De verzoeker richt zich met dit middel tegen de beslissingen van het politiecollege en van de politieraad waarbij B. Reenaers als waarnemend korpschef wordt aangewezen. IX-5833-24/27 Beoordeling
- Het middel is gericht is tegen de beslissing waarbij B. Reenaers tot waarnemend korpschef wordt aangewezen. Aangezien de vernietiging van die beslissing voor de verzoeker slechts een nuttig effect kan hebben in zoverre ook het koninklijk besluit van 20 december 2007 vernietigd wordt en aangezien de middelen die op dat koninklijk besluit betrokken kunnen worden ongegrond worden bevonden, dient het middel niet nader onderzocht te worden. IX. Ontvankelijkheid van het beroep 190.249/IX-6108
- Met dit beroep vraagt de verzoeker de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 21 augustus 2008 waarbij de aanstelling van B. Reenaers tot korpschef met ingang van 17 februari 2007 wordt verlengd met een termijn van vijf jaar, als voorzien in artikel 6 van het koninklijk besluit van 31 oktober
- De verwerping van het beroep tegen de primo-benoeming van B. Reenaers betekent dat definitief rekening gehouden moet worden met deze aanstelling, dat de overgangsregeling volledig uitwerking gekregen heeft en dat de verzoeker zelf onmogelijk nog op grond van de regeling opgenomen in het koninklijk besluit van 31 oktober 2000, dat uitsluitend de eerste aanstelling tot korpschef regelde, in dat mandaat aangesteld kan worden, hoewel zulks zijn enige mogelijkheid was aangezien hij de actuele benoemingsvoorwaarden niet vervult.
- De verzoeker zet wel uiteen dat ook B. Reenaers die voorwaarden niet vervult, aangezien hij tot hoofdcommissaris benoemd werd op basis van een aanstelling in het mandaat van korpschef die door de Raad van State vernietigd werd zodat hij niet geacht kan worden die graad te bezitten. Dat standpunt wordt niet gevolgd. Immers, na het vernietigingsarrest dat inderdaad inhield dat B. Reenaers niet tot hoofdcommissaris kon worden benoemd op grond van de aanstelling in het ambt gedurende drie jaar, is de vastgestelde onwettigheid geremedieerd en is retroactief de gehele toestand geregulariseerd zodat ook de benoeming van B. Reenaers tot hoofdcommissaris volledige uitwerking heeft. Aangezien de vernietiging van het koninklijk besluit van 21 augustus 2008 voor de verzoeker geen mogelijkheid opent om zelf tot korpschef aangesteld te worden omdat hij de desbetreffende benoemingsvoorwaarden van het RPPol niet vervult, wordt het beroep bij gebrek aan actueel belang verworpen. IX-5833-25/27
- De verzoeker benadrukt wel nog, ter adstructie van zijn actueel belang, dat er gesproken wordt over de wijziging van de regelgeving die nu evenwel, omdat de regering slechts de lopende zaken behartigt, niet onmiddellijk doorgevoerd kan worden. Die opmerking de lege ferenda belet niet dat het vereiste actueel belang thans niet aanwezig is. De realisatie van de wijzigingen waarop de verzoeker doelt en het tijdsbestek waarin dat kan gebeuren is geheel onzeker zodat de Raad van State er op dit ogenblik geen rekening mee kan houden. BESLISSING
- De zaken nrs. A. 186.956/IX-5833 en A. 190.249/IX-6108 worden samen- gevoegd.
- In de zaak nr. A. 190.249/IX-6108 wordt de politiezone Alken/Borg- loon/Heers/Kortessem/Wellen buiten de zaak gesteld.
- De Raad van State verwerpt de beroepen.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, in de zaak A. 186.956/IX-
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro, in de zaak A. 190.249/IX-
- IX-5833-26/27 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 8 juli 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Bert Thys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5833-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.515 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div