id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.619 Rolnummer: A. 167512/IX-5110 Zaak: Arrest 206619 - Wegenwezen - 14/07/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-22 Raadplegingen: 202 - laatst gezien 2026-07-02 12:09 Fiche Arrest nr 206.619 van 14 juli 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Wegenwezen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 206.619 van 14 juli 2010 in de zaak A. 167.512/IX-5110 In zake : de NV SANAC LOGISTICS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederik Vanden Bogaerde kantoor houdende te Kortemark Torhoutstraat 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdende te Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 7 november 2005, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 7 september 2005 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur tot bevestiging van de beslissing van 10 juni 2005 van de wegeninspecteur-controleur waarbij de NV Sanac Logistics burgerlijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van een administratieve geldboete wegens beschadiging van het wegdek door overlading van een voertuig, doch het bedrag van deze boete verminderd wordt tot 1.650 euro. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. IX-5110-1/25 Beide partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 juni 2010. Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Inke Dedecker, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Inneke Bockstaele, die loco advocaat Paul Aerts verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoekende partij is uitbater van een transportbedrijf. Op 11 januari 2005 werd een vrachtwagen van het bedrijf, geladen met graniet, gecontroleerd door de wegeninspectie op de autosnelweg E17 te Beveren-Waas. Bij weging werd een overlading vastgesteld van 15,1 % op de tweede as van de trekker. Er werd proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 56 van het decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 (hierna afgekort: “Aslastendecreet”). 3.2. Op 14 februari 2005 werd het proces-verbaal overgemaakt aan de procureur des Konings te Dendermonde met het verzoek om overeenkomstig artikel 59 van het Aslastendecreet binnen een termijn van 90 dagen mee te delen welk gevolg aan de zaak zou worden gegeven. Daarop werd medegedeeld dat het parket akkoord ging met de administratieve afhandeling van de zaak. 3.3. Bij aangetekende brief van 31 maart 2005 deelde de wegeninspec- tie aan de verzoekende partij mee dat zij het voornemen had om een administratieve geldboete van 2.750 euro op te leggen en dat de verzoekende partij, indien zij dat IX-5110-2/25 wenste, door de wegeninspecteur-controleur zou worden gehoord op de hoorzitting van 28 juni 2005. 3.4. De hoorzitting werd vervroegd naar 11 mei 2005. De verzoekende partij diende een nota in. 3.5. Op 10 juni 2005 besliste de wegeninspecteur-controleur dat de verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk werd gesteld voor de betaling van een administratieve geldboete van 2.750 euro. Die beslissing werd dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. 3.6. De verzoekende partij stelde daarop beroep in bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur. Op 13 juli 2005 had een hoorzitting plaats waarbij namens de verzoekende partij opnieuw een verweernota werd ingediend. 3.7. Met een brief van 19 augustus 2005 werd door de wegeninspectie aan de verzoekende partij medegedeeld dat door het Vlaams Parlement een belangrijke wijziging van het Aslastendecreet was aangenomen waardoor het bedrag van de administratieve geldboete in de meeste gevallen aanzienlijk zou dalen. Aan de verzoekende partij werd gevraagd om mede te delen of zij ermee akkoord ging om, in afwachting van de publicatie van het wijzigingsdecreet, de beslissingstermijn te schorsen, zodat zij desgevallend zou kunnen genieten van het lagere tarief. 3.8. Met een brief van 31 augustus 2005 antwoordde de verzoekende partij dat zij akkoord ging met de schorsing van de beslissingstermijn. 3.9. Op 7 september 2005 besliste de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur dat het beroep tegen de beslissing van de wegeninspecteur-controleur ontvankelijk maar ongegrond was. De beslissing van de wegeninspecteur-controleur werd dienvolgens bevestigd. De administratieve geldboete werd evenwel, rekening houdend met de decreetswijziging, bepaald op 1.650 euro. Dit is de bestreden beslissing. Zij werd dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partij toegezonden. IX-5110-3/25 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 4. De verzoekende partij roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van artikel 59, §§ 3 en 4, van het Aslastendecreet. Zij voert aan dat zij niet heeft kunnen nagaan of de procureur des Koning binnen de negentig dagen na de ontvangst van het proces-verbaal zijn standpunt met betrekking tot de eventuele strafvervolging heeft medegedeeld. 5. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord dat het proces-verbaal bij brief van 14 februari 2005 aan de procureur des Konings te Dendermonde werd overgemaakt met de vraag om binnen de termijn van negentig dagen (eventueel verlengbaar met dertig dagen) mede te delen welk gevolg zijn ambt aan de zaak zou geven. Op 25 februari 2005 heeft de procureur des Konings te kennen gegeven dat zijn ambt akkoord kon gaan met een administratieve afhandeling. De procureur des Konings heeft, aldus de verwerende partij, wel degelijk en tijdig een beslissing tot niet-vervolging genomen en ter kennis van de administratie gebracht. 6. In haar memorie van wederantwoord verklaart de verzoekende partij dat zij niet langer in dit middel volhardt. Beoordeling 7. De Raad van State begrijpt deze verklaring als een afstand van het middel. IX-5110-4/25 B. Tweede middel Standpunt van de partijen 8. De verzoekende partij roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van artikel 60, § 3, van het Aslastendecreet. In het eerste onderdeel van dit middel voert de verzoekende partij aan dat luidens voormelde bepaling de beslissing in beroep genomen moest worden door de Vlaamse regering aangezien er geen delegatie van bevoegdheid aan de minister is verleend. In het tweede onderdeel van dit middel laat de verzoekende partij gelden dat de bestreden beslissing genomen werd door de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur terwijl deze niet op de hoorzitting aanwezig was en hij aldus geen kennis van haar verdediging heeft kunnen nemen. Volgens de verzoekende partij is dit een manifeste schending van de rechten van de verdediging. 9. De verwerende partij antwoordt dat de omstandigheid dat luidens artikel 60, § 3, van het Aslastendecreet beroep kan worden ingesteld bij de Vlaamse regering, niet inhoudt dat de beslissing in beroep noodzakelijkerwijze door de Vlaamse regering en niet door de Vlaamse minister bevoegd voor Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur moet worden genomen of dat de Vlaamse regering niet zou kunnen beslissen dat het beroep bij de bevoegde minister moet worden ingediend. Zij wijst er op dat de bevoegdheid om te beslissen in beroep bij besluit van de Vlaamse regering van 21 maart 2003 tot bestrijding van de schade aan het wegdek door gewichtsoverschrijding aan de minister bevoegd voor openbare werken werd gedelegeerd. In verband met de grief dat de verzoekende partij door een ambtenaar en niet door de minister zelf werd gehoord, merkt de verwerende partij op dat de bevoegdheid tot het horen van de overtreder of de werkgever bij besluit van de Vlaamse regering van 2 april 2004 werd toegewezen aan sommige ambtenaren van de afdeling Wegenbeleid. Het zou niet realistisch en onuitvoerbaar zijn de bevoegde Vlaamse minister te verplichten de hoorzittingen bij te wonen. Onder verwijzing naar het arrest nr. 127/2000 van 6 december 2000 van het IX-5110-5/25 Grondwettelijk Hof, stelt de verwerende partij dat de rechten van verdediging door procedurele waarborgen gevrijwaard zijn. 10. Met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel repliceert de verzoekende partij dat geen enkele bepaling van het Aslastendecreet de Vlaamse regering toelaat haar bevoegdheid te delegeren. Wat het tweede onderdeel van het middel betreft, meent de verzoekende partij dat de rechten van verdediging onvoldoende gewaarborgd zijn wanneer het horen van de betrokkene aan een ambtenaar wordt gedelegeerd. Zulks biedt, aldus de verzoekende partij, geen waarborg dat het verweer daadwerkelijk in aanmerking zal worden genomen. Voorts stelt zij dat de verwijzing naar het arrest nr. 127/2000 van 6 december 2000 van het Grondwettelijk Hof niet pertinent is, aangezien dat arrest, wat de procedure betreft, slechts handelde over de vraag of tegen de beslissing van de wegeninspecteur-controleur onmiddellijk beroep moet openstaan bij een rechtscollege met volle rechtsmacht, terwijl de hier voorliggende vraag is of het recht van verdediging niet wordt uitgehold door de delegatie van de bevoegdheid tot het horen. 11. In haar laatste memorie dupliceert de verzoekende partij met betrekking tot het tweede onderdeel van haar middel dat haar recht van verdediging werd geschonden omdat zij niet door de minister zelf werd gehoord. Zij herhaalt haar stelling dat de verwijzing naar het arrest nr. 127/2000 van 6 december 2000 van het Grondwettelijk Hof niet pertinent is daar het Hof in deze zaak geen uitspraak heeft gedaan over de vraag of de rechten van verdediging geschonden zijn doordat diegene die haar in graad van beroep heeft gehoord niet diegene is die de bestreden beslissing heeft genomen. De verzoekende partij betwist de stelling van de auditeur- verslaggever dat het indienen van een schriftelijke nota het opgeworpen gebrek in de procedure ondervangt. Zij stelt dat de waarde van het horen op zich en de mogelijkheid om een mondelinge toelichting te geven bij de argumentatie in de schriftelijke nota volledig wordt ondergraven door het feit dat diegene die “hoort” niet diegene is die de beslissing dient te nemen. Het nut van een hoorzitting waarin de schriftelijke argumentatie mondeling kan worden toegelicht, zou aldus worden tenietgedaan. 12. De verwerende partij schrijft in haar laatste memorie, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad van State, dat het niet vereist is dat de IX-5110-6/25 rechtzoekende persoonlijk wordt gehoord door de persoon die de beslissing neemt. Voorts wijst de verwerende partij er nogmaals op dat de Vlaamse minister van Openbare Werken kennis heeft genomen van het verslag van de hoorzitting en de neergelegde conclusie van de verdediging. De verzoekende partij heeft aldus gebruik gemaakt van de procedurele waarborgen zodat van een schending van de rechten van verdediging geen sprake kan zijn. Beoordeling 13. Met betrekking tot het eerste onderdeel van het door de verzoekende partij aangevoerde middel wordt vastgesteld dat de bevoegdheid om uitspraak te doen over het beroep bedoeld in artikel 60, § 3, van het Aslastendecreet bij artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 21 maart 2003 tot bestrijding van de schade aan het wegdek door gewichtsoverschrijding gedelegeerd is aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de openbare werken. Die delegatie van bevoegdheid steunde op het op dat ogenblik -en ook nog op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing- voor het Vlaamse Gewest vigerende artikel 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. 14. In verband met het tweede onderdeel van het middel wordt vastgesteld dat artikel 60, § 3, vierde lid, van het Aslastendecreet, vóór de wijziging bij decreet van 24 juni 2005, als volgt luidde: “De procedure zoals voorzien in § 2, is van overeenkomstige toepassing op de hoorzitting in het kader van het beroep. De Vlaamse regering kan één of meerdere ambtenaren aanwijzen die de overtreder, de werkgever of de raadsman zullen horen. Ze hebben een hogere rang dan de ter uitvoering van artikel 59, § 1, aangewezen ambtenaren.” Sedert de inwerkingtreding van het decreet van 24 juni 2005 op 3 september 2005, luidt artikel 60, § 4, eerste lid, van het Aslastendecreet als volgt: “De Vlaamse regering kan één of meer ambtenaren aanwijzen die de overtreder, de onderneming of de raadsman zullen horen en het beroep zullen uitspreken. Ze hebben een hogere rang dan de wegeninspecteur-controleur.” Volgens deze bepalingen kan het derhalve volstaan dat de verzoekende partij wordt gehoord door een ambtenaar die door de Vlaamse regering IX-5110-7/25 werd aangewezen en dient zij derhalve niet door de bevoegde Vlaamse minister zelf te worden gehoord. Voorts blijkt uit de bestreden beslissing dat het verslag van de hoorzitting en de nota neergelegd door de verzoekende partij aan de minister zijn voorgelegd. Het recht van verdediging is daardoor geëerbiedigd. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. C. Derde middel Standpunt van de partijen 15. De verzoekende partij roept een derde middel in, afgeleid uit de schending van artikel 6.2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), doordat de administratieve geldboete een straf is in de zin van voornoemd artikel, aangezien het doel ervan louter repressief is en de betaling van de administratieve geldboete automatisch de strafvervolging doet vervallen. Zij verwijst naar artikel 59, § 5, van het Aslastendecreet dat bepaalt, dat wanneer het misdrijf is begaan door een aangestelde of een lasthebber, de administratieve geldboete alleen door de werkgever verschuldigd is. Zij stelt, onder verwijzing naar de arresten nr. 127/2000 van 6 december 2000 en nr. 125/2003 van 24 september 2003 van het Grondwettelijk Hof dat de administra- tieve geldboete een strafrechtelijk karakter heeft aangezien het doel ervan louter repressief is, namelijk het beboeten van degenen die het wegdek beschadigen. Dit repressief doel wordt, aldus de verzoekende partij, beklemtoond door twee elementen. Enerzijds worden de tarieven van de geldboete gelijkgeschakeld met de tarieven van artikel 57 van het Aslastendecreet, dat een strafbepaling inhoudt, en niet met de tarieven van artikel 58 van het Aslastendecreet, dat een vorm van schadeloosstelling bepaalt. Anderzijds doet het betalen van de administratieve geldboete overeenkomstig artikel 60, § 4, eerste lid, van het Aslastendecreet de strafvordering automatisch vervallen. De verzoekende partij besluit dat de administratieve geldboete aldus een straf is in de zin van artikel 6 van het EVRM. Omtrent de persoon aan wie een administratieve geldboete wordt opgelegd, schrijft de verzoekende partij dat indien de overtreder een door een IX-5110-8/25 arbeidsovereenkomst gebonden werknemer is, hetgeen te dezen het geval is, er geen betwisting over kan bestaan dat de geldboete volgens het Aslastendecreet uitsluitend kan worden opgelegd aan de werkgever en niet aan de werknemer, die niet in de procedure voorkomt. Vervolgens wijst de verzoekende partij op artikel 6.2 van het EVRM, dat bepaalt dat eenieder die wordt vervolgd voor een strafbaar feit, onschuldig is tot zijn schuld wordt bewezen. Men kan dan ook enkel vervolgd worden voor feiten die men heeft gepleegd. De verzoekende partij verwijst ter zake naar het arrest nr. 125/2003 van 24 september 2003 van het Grondwettelijk Hof waarin wordt overwogen dat het steeds mogelijk moet zijn om voor de rechter na te gaan of iemand enige schuld treft. De verzoekende partij stelt dat deze mogelijk- heid ontnomen wordt door de regeling vastgesteld in artikel 59, § 5, van het Aslasten-decreet, die voorziet in een systeem van kwalitatieve strafrechtelijke aansprakelijkheid waarin aan de werkgever een administratieve geldboete kan worden opgelegd zonder dat diens schuld onderzocht moet worden. De werkgever kan, aldus nog de verzoekende partij, hierdoor niet overgaan tot de recuperatie van de betaalde administratieve geldboete lastens zijn werknemer aangezien de administratieve geldboete in haar hoofde een eigen straf betreft. Bovendien zou de werkgever ook botsen op artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en op het verval van strafvordering. Daar de strijdigheid van artikel 59, § 5, van het Aslastendecreet met artikel 6.2. van het EVRM ook een strijdigheid meebrengt met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, vraagt de verzoekende partij dat aan het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag zou gesteld worden “of art. 59 § 5 van het Decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting art. 10 en 11 G.W., gelezen in samenspraak met art. 6.2 van het EVRM, schendt in de zin dat voornoemde bepaling een straf oplegt zonder dat het bewijs van persoonlijke schuld moet geleverd worden”. 16. De verwerende partij antwoordt, onder verwijzing naar het arrest nr. 127/2000 van 6 december 2000 van het Grondwettelijk Hof, dat het kwalificeren van een administratieve geldboete als een straf in de zin van artikel 6 van het EVRM niet tot gevolg heeft dat die boete naar Belgisch recht een strafrechtelijk karakter zou hebben. Bovendien heeft artikel 59, § 5, van het Aslastendecreet niet IX-5110-9/25 het karakter van een strafrechtelijke veroordeling ten aanzien van de werkgever, te meer daar diens aansprakelijkheid enkel kadert in een administratieve procedure en er dus naar Belgisch recht geen sprake kan zijn van een straf. Aldus meent de verwerende partij dat de verplichting van de werkgever tot betaling van de administratieve geldboete, opgelegd aan zijn werknemer, de burgerlijke aansprake- lijkheid van de werkgever betreft. Volgens de verwerende partij wordt in de bestreden beslissing dan ook terecht overwogen dat uit de bewoordingen van artikel 59, § 5, van het Aslastendecreet niet volgt dat de administratieve geldboete wordt “opgelegd” aan de werkgever. De werkgever wordt daarentegen burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld voor de geldboete opgelegd aan de werknemer, aangestelde of lasthebber. De burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de werkgever voor een administratieve geldboete opgelegd aan de werknemer houdt niet in dat een straf in de zin van artikel 6.2 van het EVRM wordt opgelegd aan de werkgever. Aangezien de werkgever niet vervolgd wordt is de verwijzing naar het persoonlijk karakter van de straf niet relevant. De vaststelling van de overlading wijst er volgens de verwerende partij prima facie op dat de bestuurder verzuimd heeft om zich te vergewissen van het gewicht van zijn voertuig alvorens er zich mee op de openbare weg te begeven, hetgeen minstens een onachtzaamheid kan uitmaken. De administratieve geldboete wegens inbreuk op artikel 56 van het Aslastendecreet wordt derhalve opgelegd aan de bestuurder-overtreder en niet aan de werkgever. De werkgever wordt enkel burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld voor de geldboete, opgelegd aan de werknemer, aangestelde of lasthebber. 17. In haar memorie van wederantwoord betwist de verzoekende partij de stelling van de verwerende partij dat de administratieve geldboete niet aan de werkgever wordt opgelegd. Waar de verwerende partij verwijst naar het arrest nr. 127/2000 van 6 december 2000 van het Grondwettelijk Hof, voert de verzoekende partij aan dat deze verwijzing irrelevant is nu in dit arrest niet de administratieve geldboete wordt behandeld maar wel de bijdrage die in het kader van de procedure voor de strafrechter wordt opgelegd. De verzoekende partij merkt bovendien op dat het Aslastendecreet intussen bij decreet van 24 juni 2005 gewijzigd werd en dat nu wel uitdrukkelijk is bepaald dat de boete aan de overtreder IX-5110-10/25 wordt opgelegd en de onderneming burgerrechtelijk aansprakelijk is. Volgens de verzoekende partij heeft de decreetgever zelf ingezien dat er problemen waren met de vroegere regeling waarbij de overtreder niet in de procedure betrokken werd. De verzoekende partij wijst erop dat de prejudiciële vraag die zij aan het Grondwettelijk Hof gesteld wil zien nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een onderzoek door het Grondwettelijk Hof. Zij blijft dan ook van oordeel dat er reden is om de prejudiciële vraag te stellen. 18. In haar laatste memorie herhaalt de verzoekende partij dat artikel 59, § 5, van het Aslastendecreet geen burgerrechtelijke aansprakelijkheid in het leven roept. Zij verwijst hiervoor naar de bewoordingen van het artikel en naar de parlementaire voorbereiding ervan. Zij wijst ook op het feit dat enkel de werkgever is gehouden tot betaling, terwijl de overtreder zelf niet in de procedure wordt betrokken en hij ook niet gehouden is tot betaling van een administratieve geldboete voor feiten die hij heeft gepleegd. Voorts verwijst de verzoekende partij opnieuw naar de wijzigingen van het Aslastendecreet door het decreet van 24 juni 2005. Aangezien nu wel degelijk sprake is van een burgerrechtelijke aansprakelijkheid, kan er in de oude versie van het decreet geen sprake zijn van een louter burgerrechtelijke gehoudenheid. Ter zake verwijst de verwerende partij ook naar de parlementaire voorbereiding van het decreet van 24 juni 2005 waarin is opgemerkt dat de onderneming burgerrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld, dat dergelijke regeling toegestaan is indien een wetsbepaling daarin uitdrukkelijk voorziet en dat de maatregel tot doel heeft de invordering van de geldboeten te vergemakkelijken. De verzoekende partij meent dat indien het Aslastendecreet ab initio in een burgerrechtelijke aansprakelijkheid had voorzien, dergelijke motivering voor de aanpassing ervan niet noodzakelijk was geweest. Zelfs de aanpassing op zich was niet nodig geweest. De verzoekende partij stelt dat waar de auditeur-verslaggever in zijn verslag de vergelijking maakt met artikel 67 van de Wegverkeerswet, deze vergelijking spaak loopt, nu er in dat geval helemaal geen sprake is van een exclusieve gehoudenheid in hoofde van de werkgever. De verzoekende partij wijst er ook op dat in voormeld artikel wel een uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek is ingebouwd, wat in het oude artikel 59, § 5, van het Aslastendecreet niet het geval was. IX-5110-11/25 Ten slotte besluit de verzoekende partij dat haar prejudiciële vraag, waarmee zij de toetsing van artikel 59, § 5, van het Aslastendecreet aan artikel 6 van het EVRM beoogt, wel degelijk gesteld dient te worden. Beoordeling 19. Vóór de wijziging bij het decreet van 24 juni 2005 luidde artikel 59, § 5, van het Aslastendecreet als volgt: “§ 5. Wanneer het misdrijf bedoeld in artikel 56 begaan is door een aangestelde of een lasthebber is de administratieve geldboete alleen door de werkgever verschuldigd.” In artikel 60, §§ 1 en 2, van het Aslastendecreet, zoals vervangen bij het decreet van 22 december 1999 en van kracht tot aan de wijziging bij het decreet van 24 juni 2005, is voorts sprake van “de overtreder of zijn (
- de)werkgever”. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij voorhoudt, blijkt uit die bepalingen dat het Aslastendecreet wel degelijk een onderscheid maakt tussen de overtreder en zijn werkgever. Als de overtreder voor eigen rekening rijdt, kan aan hemzelf de boete worden opgelegd. Als de overtreder daarentegen een aangestelde of een lasthebber is, kan hem geen boete worden opgelegd, maar kan zijn werkgever wel burgerrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor de betaling van de boete. Die regeling is in dat opzicht vergelijkbaar met artikel 67 van de Wegverkeerswet, dat luidt als volgt: “Zij die overeenkomstig artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek burgerrechtelijk aansprakelijk zijn voor schadevergoeding en kosten zijn insgelijks aansprakelijk voor de geldboete. Met die personen wordt gelijkgesteld de voogd, wat betreft de misdrijven begaan door zijn ongehuwde, bij hem inwonende pupillen.” Volgens de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, waar de Raad van State zich bij aansluit, kan een uitdrukkelijke wetsbepaling in een dergelijke afwijking van het gemeen recht voorzien. In het arrest nr. 70/2000 van 14 juni 2000 overwoog het Hof in verband met artikel 67 van de Wegverkeerswet het volgende: IX-5110-12/25 “B.4. De wetgever was van oordeel dat, ten aanzien van de toenemende problemen van het wegverkeer en het grote aantal verkeersongevallen en ermede rekening houdend dat een stijgend aantal personen voor rekening rijdt van hun werkgever, bijzondere maatregelen dienden te worden genomen. Reeds sedert lang heeft hij aan de burgerlijk aansprakelijke persoon het betalen van geldboetes inzake wegverkeer opgelegd, zoals hij ook eerder heeft gedaan in andere materies, vooral in talrijke bepalingen van het sociaal strafrecht. Terwijl die maatregel tot doel heeft de invordering van geldboetes te vergemakkelijken, heeft hij ook als gevolg de situatie te verzwaren van de werkgever voor wiens rekening de beklaagde werkte op het ogenblik van de inbreuk. Die geldelijke maatregel is van burgerlijke aard. Hij heeft niet het karakter van een strafrechtelijke veroordeling ten aanzien van de tot de betaling gehouden persoon, die niet wordt beschouwd als de dader van de inbreuk, die overigens niet in zijn strafregister wordt vermeld.” De verwijzing van de verzoekende partij naar het decreet van 24 juni 2005 waarmee het Aslastendecreet wordt gewijzigd, in de zin dat sindsdien expliciet naar artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek wordt verwezen, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat het in beide versies van het Aslastendecreet om een burgerrechtelijke aansprakelijkheid gaat. Ook in de prejudiciële vraag die de verzoekende partij met betrekking tot artikel 59, § 5, van het Aslastendecreet aan het Grondwettelijk Hof wil laten stellen, gaat zij er ten onrechte van uit dat de werkgever strafrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de inbreuk die door zijn aangestelde of lasthebber werd begaan. Uit het feit dat de administratieve geldboete als strafrechtelijk in de zin van artikel 6 van het EVRM zou worden gekwalificeerd, volgt evenwel niet dat de verplichting tot betaling van de geldboete door de werkgever eveneens van strafrechtelijke en niet van burgerrechtelijke aard zou zijn. Om de werkgever voor de betaling van de administratieve geldboete aansprakelijk te kunnen stellen, moet niet de schuld van de werkgever, maar wel de schuld van diens aangestelde of lasthebber worden vastgesteld. De bepalingen van het Aslastendecreet sluiten niet uit dat de werkgever de schuld van zijn aangestelde of lasthebber kan betwisten en dat de aangestelde of lasthebber op verzoek van de werkgever door het bestuur wordt gehoord. Aangezien de prejudiciële vraag uitgaat van de onjuiste veronderstelling dat de verplichting tot betaling van de administratieve geldboete door de werkgever afwijkt van het strafrechtelijk principe dat eenieder slechts kan vervolgd worden voor feiten die hij zelf heeft gepleegd, is er geen reden om in te IX-5110-13/25 gaan op het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. Het middel faalt naar recht. D. Vierde middel Standpunt van de partijen 20. De verzoekende partij voert in een vierde middel aan dat de Vlaamse wegeninspecteurs inbreuken inzake wegdekbeschadiging niet rechtsgeldig kunnen vaststellen. Vanwege de koppeling die in artikel 56 van het Aslastendecreet wordt gemaakt tussen de wegdekbeschadiging en het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen (hierna: het Technisch Reglement) houdt dergelijke vaststelling immers noodzakelijkerwijze in dat die inspecteurs ook de naleving van het Technisch Reglement controleren, terwijl daartoe alleen de door de Koning aangewezen ambtenaren bevoegd zijn. In ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof “nopens de vraag of de gemeenschappen ambtenaren wettelijk kunnen aanduiden met het oog op het controleren van federale wetgeving”. 21. De verwerende partij antwoordt dat de gewesten op grond van artikel 6, § 1, X, eerste lid, 1/, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bevoegd zijn om normen aan te nemen ter bescherming van de wegeninfrastructuur, onder meer ter bestrijding van schade aan het wegdek, en om inbreuken op die normen strafbaar te stellen. Vervolgens citeert de verwerende partij het arrest nr. 127/2000 van 6 december 2000 waarin het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld dat de Vlaamse decreetgever voor het uitoefenen van een bevoegdheid die hem uitdrukkelijk is toegewezen, namelijk de zorg voor de wegeninfrastructuur, criteria mag aanwenden die door de federale overheid zijn ingesteld met het oog op de behartiging van een federale aangelegenheid, namelijk de veiligheid van het wegverkeer. IX-5110-14/25 De verwerende partij merkt vervolgens op dat de gewesten overeenkomstig artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bevoegd zijn om ambtenaren aan te wijzen om toezicht uit te oefenenen op de binnen hun bevoegdheid vastgestelde strafbepalingen. Bij artikel 61 van het Aslastendecreet wordt de Vlaamse regering gemachtigd ambtenaren aan te wijzen die toezicht uitoefenen op de naleving van artikel 56 van het Aslastendecreet. Deze ambtenaren zijn bevoegd om inbreuken op artikel 56 van het Aslastendecreet vast te stellen bij proces-verbaal met bewijswaarde tot het tegendeel. De verwerende partij besluit dat de gedane vaststellingen correct en binnen deze bevoegdheid zijn gebeurd en dat de toetsing aan federale criteria hieraan geen afbreuk doet. 22. In haar memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij dat het middel niet gaat over de vraag of de wegeninspecteurs bevoegd zijn om inbreuken op de Vlaamse regelgeving te controleren, maar wel over de vraag of zij bij de uitoefening van hun bevoegdheid de naleving van de federale wetgeving mogen controleren. De verzoekende partij voegt daaraan toe dat de decreetgever met ingang van 3 september 2005 in artikel 56 van het Aslastendecreet de rechtstreekse verwijzingen naar het Technisch Reglement heeft geschrapt, zodat de wegen- inspecteurs niet langer rechtstreeks controle moeten uitoefenen op de federale bepalingen. Volgens de verzoekende partij ondersteunt dit wetgevend ingrijpen haar argumentatie. 23. In haar laatste memorie schrijft de verzoekende partij dat, waar de auditeur-verslaggever in zijn verslag stelt dat de wegeninspecteurs de federale wetgeving niet zouden moeten controleren, daar zij enkel zijn aangesteld om het Aslastendecreet te controleren, de tekst van het te dezen toepasselijke artikel 56, eerste lid, van het Aslastendecreet wel degelijk oplegt om inbreuken op de federale wetgeving te controleren aangezien de wegeninspecteurs anders de inbreuken op het Aslastendecreet niet kunnen controleren. IX-5110-15/25 Voorts meent de verzoekende partij dat haar prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof wel degelijk gesteld moet worden. Zij verduidelijkt dat zij met die vraag artikel 61, eerste lid, juncto artikel 56 van het Aslastendecreet beoogt. Beoordeling 24. Artikel 56, eerste lid, van het Aslastendecreet, zoals vervangen bij het decreet van 19 december 2003 en van kracht tot aan de wijziging bij het decreet van 24 juni 2005, luidt als volgt: “Het is verboden het wegdek te beschadigen door een overschrijding van de maximale toegelaten massa’s of massa’s onder de assen zoals bepaald in de artikelen 18, §§ 1, 2 of 32bis van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.” Artikel 61, eerste lid, van het Aslastendecreet luidt: “Onverminderd de bevoegdheid van andere personen houden de ambtenaren die de Vlaamse regering aanwijst toezicht op de naleving van artikel 56.” Tot aan de wijziging bij het decreet van 24 juni 2005 bepaalde artikel 62, § 2, van hetzelfde decreet wat volgt: “De ambtenaren bedoeld in artikel 61 zijn bovendien bevoegd om inbreuken op artikel 56 vast te stellen bij proces-verbaal met bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel. Binnen veertien dagen na de vaststelling van de inbreuk wordt een afschrift van het proces-verbaal aan de overtreder toegestuurd.” Zoals het Hof van Cassatie in een arrest van 6 december 2005 (nr. P.05.1084N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051206.11.) heeft geoordeeld, waar de Raad van State zich bij aansluit, “(laat) de omstandigheid dat de bevoegde ambtenaren bij de vaststelling van een inbreuk op artikel 56 van het Aslastendecreet noodzakelijk ook een inbreuk op het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, en hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen [...] vaststellen, laat hun bevoegdheid om de inbreuk op artikel 56 van het Aslastendecreet vast te stellen, onverkort [...]”. IX-5110-16/25 De door de Vlaamse regering aangewezen ambtenaren zijn derhalve bevoegd om inbreuken inzake wegdekbeschadiging door overlading vast te stellen. De verzoekende partij vraagt in ondergeschikte orde een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen “nopens de vraag of de gemeenschappen (lees: de gewesten) ambtenaren wettelijk kunnen aanduiden met het oog op het controleren van federale wetgeving”. De prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof gaat er verkeerdelijk van uit dat de door de Vlaamse regering aangewezen ambtenaren belast zouden zijn met de controle op de naleving van de federale wetgeving. Het verbod van wegdekbeschadiging door overlading is immers geen federale wetgeving. Het feit dat in artikel 56 van het Aslastendecreet wordt verwezen naar criteria die door de federale overheid zijn vastgesteld met het oog op de behartiging van een federale aangelegenheid, namelijk de veiligheid van het wegverkeer, doet daaraan geen afbreuk. Het middel faalt naar recht. E. Vijfde middel Standpunt van de partijen 25. In een vijfde middel voert de verzoekende partij aan dat de inbreuk werd vastgesteld met een asdrukweger die moet beschouwd worden als een niet-automatisch weegwerktuig in de zin van artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 houdende een nieuwe regeling betreffende de niet-automatische weegwerktuigen. Voor de bediening van de asdrukweger is immers de tussenkomst van een operator noodzakelijk. De asdrukwegers behoren tot de categorie vermeld onder artikel 1, § 2, a, van voormeld koninklijk besluit en moeten derhalve voldoen aan de artikelen 3, 4, 5, 8, 9, §§ 1 en 3, 11 en 14 van dit besluit en aan de EG-typekeuring. Volgens de verzoekende partij zijn de asdrukwegers die door de Vlaamse overheid gebruikt worden echter niet geschikt voor gerechtelijke doeleinden en kan de bestreden beslissing niet steunen op vaststellingen die met dergelijke asdrukwegers zijn gedaan. IX-5110-17/25 26. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord dat de asdrukwegers die door het Vlaamse Gewest gebruikt worden automatisch werkende weegwerktuigen zijn, zodat het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 niet van toepassing is. Zij merkt op dat de asdrukwegers van het Vlaamse Gewest om de twee jaar op vrijwillige basis onderworpen worden aan een metrologische controle. 27. In haar memorie van wederantwoord repliceert de verzoekende partij dat de verwerende partij niet bewijst dat de aswegers automatische weegwerktuigen zouden zijn. Zij herhaalt dat bij het wegen de tussenkomst van een operator noodzakelijk is. Deze moet de computer van de asweger bedienen en het te wegen voertuig begeleiden over de weegpunten, om ervoor te zorgen dat het voertuig met een constante snelheid rijdt. 28. De auditeur stelt in zijn verslag dat het middel om twee redenen niet tot vernietiging kan leiden. In de eerste plaats preciseert de verzoekende partij niet aan welke voorschriften van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 houdende een nieuwe regeling betreffende de niet-automatische weegwerktuigen niet voldaan zou zijn. Bovendien wordt in het proces-verbaal van 11 januari 2005 vermeld dat de asweger door de metrologische dienst van het Ministerie van Economische Zaken op zijn juistheid getest werd op 29 januari 2003, terwijl de verzoekende partij niet betwist dat deze controle “in feite hetzelfde is” als de ijk en herijk voor niet-automatische weegwerktuigen. 29. In haar laatste memorie bestrijdt de verzoekende partij deze zienswijze. Zij stelt dat nooit werd betwist dat niet is voldaan aan de verplichtingen van voormeld koninklijk besluit. Bovendien werden de betrokken artikelen wel degelijk aangehaald in het verzoekschrift. Voorts merkt de verzoekende partij op dat het haar niet toekomt om aan te tonen dat, waar de aswegers manifest niet voldoen aan het koninklijk besluit van 4 augustus 1992, dit probleem ondervangen zou kunnen worden door het EG-type goedkeuringscertificaat waarover de aswegers wel zouden beschikken. De verzoekende partij wijst erop dat de verwerende partij niet hard maakt dat het EG-goedkeuringscertificaat dezelfde waarborgen zou bieden. Meer nog, er wordt geen enkele valabele uitleg gegeven waarom, indien het EG-goedkeuringscertificaat dan toch evenwaardig is, het toestel niet voldoet aan de bepalingen van het IX-5110-18/25 koninklijk besluit van 4 augustus 1992. De verzoekende partij kan dan ook niet anders dan vaststellen dat de ijk en herijk waaraan het toestel werd onderworpen helemaal “niet hetzelfde is” als de wettelijke voorwaarden waaraan het toestel moet voldoen om voor gerechtelijke doeleinden gebruikt te kunnen worden zoals bepaald in het koninklijk besluit van 4 augustus 1992. Dit laatste is dan ook de kern van het middel: het staat volkomen buiten kijf en het wordt zelfs niet betwist dat de asweger niet voldoet aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992, waarbij enkel in zoverre het toestel hier wel aan beantwoordt, het mag gebruikt worden voor gerechtelijke weging. 30. De verwerende partij benadrukt in haar laatste memorie nogmaals dat de aswegers geen niet-automatische weegwerktuigen zijn, in de zin van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992. Zij wijst erop dat geen enkele tussenkomst van een operator nodig is bij het wegen van voertuigen. Noch het feit dat de bestuurder het voertuig over de asweger moet rijden, noch het feit dat de operator de technische gegevens van het voertuig moet ingeven in de computer om een proces-verbaal op te stellen, doen hieraan afbreuk. De weging wordt immers automatisch uitgevoerd. Het voorhanden zijn van een handleiding, evenals het feit dat de aswegers publiekelijk niet toegankelijk zijn, vormen geen aanwijzingen voor het niet-automatisch karakter. Voorts benadrukt de verwerende partij dat de aswegers op vrijwillige basis om de twee jaar opnieuw onderworpen worden aan een metrologische controle, hetgeen de correctheid van het toestel in voldoende mate garandeert. Beoordeling 31. In de bestreden beslissing staat onder meer het volgende te lezen: “Overwegende dat de aswegers gebruikt door het Vlaamse Gewest, in hun gebruik als dynamische weegbruggen, automatisch werkende weegwerktuigen zijn, en geen niet-automatisch werkende weegwerktuigen zoals appellante meent; dat het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 dan ook niet van toepassing is; Overwegende dat er voor automatisch werkende meetwerktuigen, tot op heden, geen Koninklijk Besluit werd uitgevaardigd waarin voorwaarden vervat zitten waaraan voldaan moet worden; Overwegende dat de aswegers van het Vlaams Gewest om die reden niet onderworpen zijn aan de bepalingen inzake de ijk en de herijk, zoals bepaald IX-5110-19/25 in voornoemd Koninklijk Besluit, doch enkel aan een metrologische controle; dat dit in feite hetzelfde is; Overwegende dat de aswegers, op vrijwillige basis en zoals aangeraden wordt in het verslag van metrologische controle, om de twee jaar opnieuw worden onderworpen aan een metrologische controle; Overwegende dat de aswegers over een CE-type-goedkeuringscertificaat (zie bijlage) beschikken en voldoen aan de vereisten uiteengezet in richtlijn 90/384/EEC voor niet-automatische weegtoestellen”. In het proces-verbaal van 11 januari 2005 wordt bovendien vermeld: “De asweger (...) werd door de metrologische dienst van het Ministerie van Economische Zaken op zijn juistheid getest op 29-01-2003”. De verzoekende partij betwist niet dat, zoals in de aangehaalde overwegingen van de bestreden beslissing wordt gesteld, de bedoelde metrologische controle “in feite dezelfde is” als de ijk en herijk die geldt voor niet-automatische weegwerktuigen. De vraag of de gebruikte asweger een niet-automatisch weegwerktuig is, is bijgevolg niet relevant. Het middel is bijgevolg onontvankelijk, bij gebrek aan belang. F. Zesde middel Standpunt van de partijen 32. In een zesde middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 56 van het Aslastendecreet. Uit een arrest van 2 november 2004 van het Hof van Cassatie leidt de verzoekende partij af “dat het feit dat men overladen was, er niet noodzakelijk op wijst dat men nalatig was, daar waar het Hof stelt dat blijkbaar niet in alle omstandigheden van een bestuurder kan worden verwacht dat hij het gewicht van zijn voertuig naging”. Derhalve moet in concreto worden nagegaan of de bestuurder door het niet controleren van het gewicht nalatig is geweest. In de onderhavige zaak blijkt volgens de verzoekende partij dat de betrokken chauffeur niet wist dat hij overladen was, terwijl hem ook geen middelen ter beschikking stonden om het gewicht van de lading te controleren. De verzoekende partij merkt op dat, zelfs indien de chauffeur naar een weegbrug was gereden, de overlading niet zou zijn IX-5110-20/25 vastgesteld omdat dergelijke weegbruggen enkel het totaal gewicht van het voertuig meten en niet het gewicht onder de assen. Volgens de verzoekende partij is de chauffeur in die omstandigheden niet nalatig geweest en is het moreel element van de inbreuk niet bewezen. 33. De verwerende partij antwoordt dat wanneer de wet geen bijzondere schuldvorm vermeldt, de schuld bestaat uit het feit dat de dader hetzij de inbreuk wetens en willens heeft gepleegd, hetzij onachtzaam handelde, tenzij de wetgever deze schuldvorm uitgesloten heeft. Zij meent dat bij overlading de schuld louter uit onachtzaamheid bestaat en dat het niet relevant is of de overtreder op de hoogte was van de overlading. Het volstaat dat hij het had moeten weten. Volgens de verwerende partij trekt de verzoekende partij verkeerde gevolgtrekkingen uit het arrest van 2 november 2004 van het Hof van Cassatie en heeft het Hof in dit arrest duidelijk te kennen gegeven dat het verzuim om zich te vergewissen van het gewicht van het voertuig de schuldige nalatigheid kan uitmaken. Om het moreel bestanddeel van het misdrijf aan te tonen, moet volgens de verwerende partij het gedrag van de bestuurder niet getoetst worden aan zijn persoonlijke mogelijkheden, maar wel vergeleken worden met dat van een normaal, voorzichtig en redelijk bestuurder geplaatst in dezelfde feitelijke omstandigheden. De verwerende partij verwijst voorts naar de motivering van de bestreden beslissing en besluit dat de verzoekende partij enkel stelt dat het moreel bestanddeel niet bewezen is, maar geen enkel concreet element aangeeft waaruit zou blijken dat de verzoekende partij zorgvuldig heeft gehandeld. 34. In haar memorie van wederantwoord beklemtoont de verzoekende partij dat de bestuurder zich als een normaal voorzichtig bestuurder heeft gedragen. Uit het dossier blijkt immers dat de sleep bijna drie ton onder zijn maximumgewicht geladen was, hetgeen er op wijst dat er wel degelijk een veiligheidsmarge werd in acht genomen. De overlading deed zich enkel voor op twee assen en was voor de chauffeur niet voelbaar. 35. In haar laatste memorie schrijft de verzoekende partij dat uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie, waaronder het in het auditoraatsverslag aangehaalde arrest van 8 oktober 2002, geenszins blijkt dat de wegdekbeschadiging IX-5110-21/25 in de zin van het Aslastendecreet een “reglementair misdrijf” zou zijn. Enkel het arrest van 2 november 2004 van het Hof van Cassatie is volgens haar relevant, dat inhoudt dat een overlading (materieel element van het misdrijf) op de noodzakelijke onachtzaamheid (moreel element van het misdrijf) wijst, doch dat het vermoeden van onachtzaamheid kan worden weerlegd. De mogelijkheid tot weerlegging van het vermoeden is op geen enkele wijze beperkt tot een rechtvaardigings- of schulduitsluitingsgrond. Integendeel kan het tegenbewijs geleverd worden met alle middelen van recht. De verzoekende partij meent dit tegenbewijs te hebben geleverd. Zij stelt voorts dat de Raad van State, nu deze ter zake volle rechtsmacht heeft, kan en moet oordelen over de vraag of uit de concrete omstandigheden van de zaak al dan niet kan worden afgeleid dat de bestuurder van het voertuig nalatig was. Beoordeling 36. Vóór de wijziging door het decreet van 24 juni 2005, luidde artikel 56, eerste lid, van het Aslastendecreet als volgt: “Het is verboden het wegdek te beschadigen door een overschrijding van de maximale toegelaten massa’s of massa’s onder de assen zoals bepaald in de artikelen 18, §§ 1, 2 of 32bis, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.” Uit de parlementaire voorbereiding van die bepaling blijkt dat werd verwezen naar het Technisch Reglement, omdat “uit onderzoek van onder meer het Opzoekingscentrum van de Wegengebouw (...) gebleken (
- is)dat voertuigen die niet voldoen aan deze normen een abnormale slijtage aan het wegdek teweegbrengen”. Het voorgaande heeft het Grondwettelijk Hof doen besluiten tot het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de overschrijding van de federale aslastenbeperkingen en de beschadiging van het wegdek (arrest nr. 127/2000 van 6 december 2000 van het Grondwettelijk Hof). Ook het Hof van Cassatie heeft bij arrest van 21 september 2004 overwogen dat de overschrijding van de maximale toegelaten massa’s of massa’s onder de assen in artikel 56 van het Aslastendecreet strafbaar wordt gesteld omwille IX-5110-22/25 van de beschadiging van het wegdek die ze teweegbrengt. Samen met het Hof wordt dan ook geoordeeld dat het materiële bestanddeel van het misdrijf bewezen is wanneer de overschrijding van de maximale toegelaten massa’s of massa’s onder de assen aangetoond is. 37. In verband met het moreel bestanddeel van een misdrijf heeft het Hof van Cassatie in een arrest van 8 oktober 2002 het volgende overwogen: “Overwegende dat wanneer de wet van de delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt, zoals hier bij verkeersovertredingen, de schuld bestaat uit het feit dat de dader de inbreuk wetens en willens heeft gepleegd, hetzij onachtzaam handelde, tenzij de wetgever deze laatste schuldvorm uitgesloten heeft wat hij niet deed bij verkeersovertredingen; Dat in dit geval de rechter de schuld kan afleiden uit het materiële feit van de overtreding voor zover de overtreder geen grond van rechtvaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aannemelijk maakt.” Het Hof van Cassatie neemt derhalve aan dat wanneer de wet van de delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt, de rechter de schuld kan afleiden uit het materiële feit van de overtreding, voor zover de overtreder geen grond van rechtvaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aannemelijk maakt. In een arrest van 2 november 2004 oordeelde het Hof van Cassatie met betrekking tot de misdrijven bedoeld in de artikelen 18, §§ 1 en 2, en 26 van het Technisch Reglement: “[...] dat die bepalingen inhouden dat eenieder die een voertuig gebruikt, zich ervan moet vergewissen dat het gewicht in beladen toestand ervan niet meer bedraagt dan het hoogst toegelaten gewicht, ook al heeft hij zelf het voertuig niet geladen; dat het verzuim daaraan te voldoen het opzet of de schuldige nalatigheid kan uitmaken vereist opdat het morele bestanddeel van het misdrijf zou bestaan.” De bestreden beslissing bevat, wat het moreel bestanddeel van het misdrijf betreft, de volgende motivering: “4. Moreel element Overwegende dat het misdrijf omschreven in artikel 56 van voornoemd decreet, net als andere misdrijven, bestaat uit een materieel en een moreel element; IX-5110-23/25 Dat het Hof van Cassatie het bestaan van misdrijven zonder moreel element verwerpt (Cass., 12 mei 1987, R.W, 1987-88, 538; Cass., 13 december 1994, R.W, 1994-95, 533); Overwegende dat wanneer de wet van de delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt, zoals in casu het geval, de schuld bestaat uit het feit dat de dader de inbreuk wetens en willens heeft gepleegd, hetzij onachtzaam handelde, tenzij de wetgever deze laatste schuldvorm heeft uitgesloten, wat hij in casu niet deed (Cass., 8 oktober 2002, www.cass.be); Overwegende dat de ondergrens inzake het moreel element dus bestaat uit onachtzaamheid; Overwegende dat niet weten dat het voertuig overladen was dus geen voldoende argument is vermits de inbreuk niet opzettelijk moet zijn gepleegd om toch strafbaar te zijn; Overwegende dat de strafrechterlijk sanctioneerbare onachtzaamheid de onachtzaamheid is die de normale, voorzichtige en redelijke persoon niet zou hebben begaan in dezelfde omstandigheden; Overwegende dat eenieder die een voertuig gebruikt, zich ervan moet vergewissen dat de massa en de massa onder de assen niet meer bedraagt dan de maximaal toegelaten massa, ook al heeft hij zelf het voertuig niet geladen; Dat het verzuim daaraan te voldoen het opzet of de schuldige nalatigheid kan uitmaken vereist opdat het morele element van het misdrijf zou bestaan (Cass., 2 november 2004, www.cass.be); Overwegende dat het koninklijk besluit van 15 maart 1965 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen (hierna: KB Technische Eisen), de maximaal toegelaten massa en asdruk voor voertuigen bepaalt; Dat het met andere woorden een absolute bovengrens betreft die niet mag overschreden worden; Overwegende dat bovendien geen enkele wettelijke bepaling aan de bestuurders van vrachtwagens een verplichting oplegt om hun voertuig te laden tot deze maximumgrens; Overwegende dat van de normale, voorzichtige en redelijke beroepschauffeur bovendien verwacht wordt dat hij, wanneer hij niet in de mogelijkheid verkeer[t] om een controle van de massa onder de assen van zijn voertuig door te voeren, een voldoende veiligheidsmarge in acht houdt opdat de kans op overschrijding van de maximaal toegelaten massa onder de assen zo goed als uitgesloten is; Overwegende dat het voertuig in casu, over de totaliteit van de sleep 41.728 kg woog, daar waar de maximaal toegelaten massa 44 ton bedraagt; Dat in casu sprake is van een voldoende ruime veiligheidsmarge; Overwegende dat bovendien van de normale, voorzichtige en redelijke chauffeur verwacht wordt dat hij aan de hand van een visuele inspectie van de lading kan inschatten dat de lading zodanig geschikt is dat een overlading onder één of meerdere assen waarschijnlijk is; IX-5110-24/25 Dat uit de weegbon (bijlage 1 bij voornoemd proces-verbaal) blijkt dat de verdeling van de lading klaarblijkelijk ongelijk was; Dat immers een aanzienlijke overlading op de trekker werd vastgesteld; Dat de chauffeur dergelijke ongelijkheid in de lading had moeten opmerken; Overwegende dat, in casu blijkt dat de chauffeur zich niet gedragen heeft zoals van een normale, voorzichtige en redelijke beroepschauffeur in dezelfde feitelijke omstandigheden verwacht wordt; Dat het moreel element van het misdrijf bewezen is.” Nu de verzoekende partij geen grond van rechtvaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aannemelijk heeft gemaakt, heeft de verwerende partij wettig geoordeeld dat niet alleen het materieel, maar ook het moreel bestanddeel van het misdrijf bewezen is. Desbetreffend sluit de Raad van State zich aan bij de rechtspraak van het Hof van Cassatie. Het middel faalt naar recht. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 14 juli 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5110-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.619 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051206.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div