← België

Arrest 206621 - Wegenwezen - 14/07/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.621 Rolnummer: A. 181523/IX-5587 Zaak: Arrest 206621 - Wegenwezen - 14/07/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-22 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-07-02 12:10 Fiche Arrest nr 206.621 van 14 juli 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Wegenwezen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 206.621 van 14 juli 2010 in de zaak A. 181.523/IX-5587 In zake : Onder MAUZER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederik Vanden Bogaerde kantoor houdend te Kortemark Torhoutstraat 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 5 maart 2007, strekt tot de nietigverkla- ring van de beslissing van 14 december 2006 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur waarbij aan Onder Mauzer een administratieve geldboete wordt opgelegd van 1.100 euro wegens beschadiging van het wegdek door overlading van een voertuig. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. IX-5587-1/10 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 juni
  3. Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Frederik Vanden Bogaerde, die verschijnt voor de verzoeker, en adjunct van de directeur Koenraad Vanschoren, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Op 30 september 2005 wordt een vrachtwagen met een lading bouwmateriaal die bestuurd wordt door de verzoeker door de wegeninspectie gecontroleerd op de autosnelweg E17 te Laarne. De verzoeker zou hebben gereden in opdracht van de NV Dematra te Deinze. Bij weging wordt een overlading van 18,8 % vastgesteld op de tweede as van de vrachtwagen en een totale overlading van 15,9 %. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 56 van het decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 (hierna afgekort: “Aslastendecreet”). 3.
  6. Op 26 oktober 2005 wordt het proces-verbaal overgemaakt aan de procureur des Konings te Dendermonde met het verzoek om overeenkomstig artikel 59 van het Aslastendecreet binnen een termijn van negentig dagen (eventueel verlengbaar met dertig dagen) mee te delen welk gevolg aan de zaak zou worden gegeven. Op 22 maart 2006 deelt het parket mee dat geen vervolging wordt ingesteld. 3.
  7. Op 1 juni 2006 beslist de wegeninspecteur-controleur aan de verzoeker een administratieve geldboete van 1.100 euro op te leggen en de NV Dematra burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze IX-5587-2/10 administratieve geldboete. Deze beslissing wordt dezelfde dag aan de verzoeker toegestuurd. 3.
  8. Op 7 juni 2006 wordt namens de verzoeker en de NV Dematra verzet aangetekend tegen die beslissing. 3.
  9. Op 8 augustus 2006 worden de verzoeker en de NV Dematra, vertegenwoordigd door hun raadsman, door de wegeninspecteur-controleur gehoord. Zij dienen ook een nota in. 3.
  10. Op 6 september 2006 beslist de wegeninspecteur-controleur aan de verzoeker een administratieve geldboete van 1.100 euro op te leggen. Omdat de verzoeker zelfstandige is, wordt beslist om de NV Dematra als burgerlijk aansprake- lijke partij buiten de zaak te stellen. Die beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoeker ter kennis gebracht. 3.
  11. Met een aangetekende brief van 27 september 2006 tekent de raadsman van de verzoeker beroep aan bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur. Op 9 november 2006 heeft een hoorzitting plaats waarbij namens de verzoeker een verweernota wordt ingediend. 3.
  12. Op 14 december 2006 beslist de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur aan de verzoeker een administratieve geldboete van 1.100 euro op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt bij aangetekende brief van 5 januari 2007 aan de verzoeker toegestuurd. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  13. De verzoeker is van mening, wat de regelmatigheid van de procedure betreft, dat de memorie van antwoord uit de debatten moet worden geweerd, omdat ze ondertekend is door K. Vanschoren, adjunct van de directeur bij het Agentschap Infrastructuur, die niet bevoegd is om het Vlaamse Gewest te vertegenwoordigen. IX-5587-3/10 Hij voegt daaraan toe dat K. Vanschoren evenmin bevoegd is om de verwerende partij ter zitting te vertegenwoordigen. De verzoeker zet in dit verband uiteen dat bij artikel 15, § 1, 2/, van het besluit van de Vlaamse regering van 10 oktober 2003 tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de intern verzelfstandig- de agentschappen van de Vlaamse overheid (hierna: het besluit van de Vlaamse regering van 10 oktober 2003) aan het hoofd van het Agentschap Infrastructuur delegatie wordt verleend om rechtsgedingen te voeren. Artikel 19, § 1, van voornoemd besluit voorziet in de mogelijkheid tot subdelegatie tot op het meest functionele niveau. Artikel 20 van dat besluit legt de verplichting op om dergelijke subdelegatie te publiceren in het Belgisch Staatsblad. Bij besluit van 30 mei 2007 van het hoofd van het Agentschap Infrastructuur wordt aan het afdelingshoofd van de entiteit Planning en Coördinatie van het Agentschap Infrastructuur subdelegatie verleend voor het voeren van rechtsgedingen als verweerder voor de Raad van State betreffende het Aslastendecreet, inzonderheid hoofdstuk XIV. De verzoeker merkt op dat K. Vanschoren geen afdelingshoofd is en zich niet op dat besluit kan beroepen om een memorie van antwoord in te dienen en om de verwerende partij rechtsgeldig ter zitting te vertegenwoordigen. K. Vanschoren lijkt zich evenwel te beroepen op een besluit tot subdelegatie van het afdelingshoofd van de entiteit Planning en Coördinatie van het Agentschap Infrastructuur. Dit besluit is volgens de verzoeker evenwel niet gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en is bovendien manifest in strijd met het besluit van de Vlaamse regering van 10 oktober 2003, dat niet in de mogelijkheid voorziet om een krachtens artikel 19 gedelegeerde bevoegdheid verder te delegeren. Beoordeling
  14. Luidens artikel 82 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna: BWHI) worden de rechtsgedingen van de gemeenschap of het gewest, als eiser of als verweerder, gevoerd namens de regering ten verzoeke van het door de regering aangewezen lid. In uitvoering van die bepaling wordt in artikel 9bis van het besluit van de Vlaamse regering van 27 juli 2004 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering, ingevoegd bij besluit van de Vlaamse regering van 30 juni 2006, bepaald dat in de rechtsgedingen van de Vlaamse Gemeenschap of het IX-5587-4/10 Vlaamse Gewest met betrekking tot een aangelegenheid die tot de uitsluitende bevoegdheid behoort van één Vlaamse minister, die minister optreedt namens de Vlaamse regering. De bevoegde minister kan de bevoegdheid tot het indienen en (of) ondertekenen van procedurestukken delegeren. Artikel 15, § 1, 2/, van het besluit van de Vlaamse regering van 10 oktober 2003 machtigt het hoofd van een intern verzelfstandigd agentschap van de Vlaamse overheid om rechtsgedingen te voeren, als eiser, verweerder of tussenkomende partij, voor de hoven en rechtbanken, de administratieve rechtscolle- ges en het Rekenhof, met uitzondering van de rechtsgedingen voor het Grondwette- lijk Hof. Artikel 19, § 1, van voornoemd besluit bepaalt dat het hoofd van het agentschap een deel van de gedelegeerde aangelegenheden verder kan subdelegeren aan personeelsleden van het intern verzelfstandigd agentschap die onder zijn hiërarchisch gezag staan, tot op het meest functionele niveau. Artikel 20 bepaalt dat de subdelegaties worden vastgelegd in een besluit van het hoofd van het agentschap, dat wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Artikel 18bis van het besluit van 26 juni 2006 van het hoofd van het Agentschap Infrastructuur van het Vlaams ministerie van Mobiliteit en Openbare Werken tot subdelegatie van sommige beslissingsbevoegdheden aan personeelsleden van het agentschap, ingevoegd bij besluit van 30 mei 2007, machtigt het afdelings- hoofd van de entiteit Planning en Coördinatie van het Agentschap Infrastructuur tot het voeren van rechtsgedingen als verweerder voor de Raad van State betreffende het Aslastendecreet, inzonderheid hoofdstuk XIV. Artikel 19 van voornoemd besluit bepaalt dat het afdelingshoofd, na overleg met het hoofd van het agentschap, een deel van de gedelegeerde aangelegenheden verder kan subdelegeren aan personeelsleden van zijn entiteit die onder zijn hiërarchisch gezag staan, tot op het meest functionele niveau. Artikel 20 bepaalt dat de subdelegaties worden vastgelegd in een besluit van het afdelingshoofd. IX-5587-5/10 Artikel 7 van het besluit van 30 mei 2007 van het afdelingshoofd van de entiteit Planning en Coördinatie van het Agentschap Infrastructuur houdende subdelegatie van sommige bevoegdheden aan de ambtenaren van niveau A, B, C, D, machtigt K. Vanschoren tot het voeren van rechtsgedingen als verweerder voor de Raad van State betreffende het Aslastendecreet, inzonderheid hoofdstuk XIV. De memorie van antwoord is ondertekend door K. Vanschoren, adjunct van de directeur, die ter terechtzitting de verwerende partij vertegenwoor- digt. K. Vanschoren is, wat de vertegenwoordiging betreft, daartoe gemachtigd op grond van de voornoemde opeenvolgende delegatiebesluiten van 10 oktober 2003 (het delegatiebesluit van de Vlaamse regering), van 26 juni 2006 (het delegatiebesluit van het hoofd van het Agentschap Infrastructuur) en van 30 mei 2007 (het delegatiebesluit van het afdelingshoofd van de entiteit Planning en Coördinatie). Zowel het besluit van de Vlaamse regering van 10 oktober 2003 als het delegatiebesluit van het hoofd van het Agentschap Infrastructuur van 26 juni 2006 lieten verdere delegaties van de daarvoor in aanmerking komende bevoegdhe- den toe.
  15. Voornoemd delegatiebesluit van het hoofd van het Agentschap Infrastructuur, wat het ingevoegde artikel 18bis betreft, en voornoemd delegatiebe- sluit van het afdelingshoofd van de entiteit Planning en Coördinatie van het Agentschap Infrastructuur zijn evenwel, in tegenstelling tot het besluit van de Vlaamse regering van 10 oktober 2003, nog niet bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op het ogenblik van het indienen van de memorie van antwoord op 1 juni
  16. Bijgevolg is artikel 20 van voornoemd besluit van 10 oktober 2003 geschonden en wordt de memorie van antwoord uit de debatten geweerd. Wat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van K. Vanschoren betreft die ter zitting van 7 juni 2010 optreedt voor de verwerende partij, blijkt dat het besluit van 30 mei 2007 van het afdelingshoofd van de entiteit Planning en Coördinatie van het Agentschap Infrastructuur houdende subdelegatie van sommige bevoegdheden aan de ambtenaren van niveau A, B, C, D, werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 29 oktober
  17. IX-5587-6/10 Artikel 7 van voornoemd besluit is toepasselijk en luidt als volgt: “Koenraad Vanschoren heeft delegatie voor het voeren van rechtsgedingen als verweerder voor de Raad van State betreffende het decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999, inzonderheid hoofdstuk XIV.” (Aslastendecreet) Bijgevolg mocht K. Vanschoren de verwerende partij vertegen- woordigen voor de Raad van State ter terechtzitting van 7 juni
  18. V. Onderzoek van de middelen A. Vierde middel Standpunt van de partijen
  19. In een vierde middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 59, § 3, van het Aslastendecreet. Hij betrekt bij dit middel tevens de schending van artikel 60, § 1, van het Aslastendecreet. Hij stelt in essentie dat geen administratieve geldboete kon worden opgelegd, aangezien de procureur des Konings zijn beslissing om niet te vervolgen pas vijf maanden na de kennisgeving van het proces-verbaal heeft meegedeeld.
  20. De verwerende partij antwoordt dat in artikel 59, § 3, van het Aslastendecreet niet bepaald wordt welke gevolgen er verbonden zijn aan het overschrijden van de termijn van negentig dagen waarbinnen de procureur des Konings geacht wordt de wegeninspecteur-controleur in kennis te stellen van zijn voornemen om de strafvordering in te stellen. Zij is dan ook van mening dat die termijn een termijn van orde is, zodat aan de overschrijding ervan geen gevolgen zijn verbonden. In haar laatste memorie schrijft de verwerende partij dat “Overeenkomstig het (Aslasten)decreet de wegeninspecteur-controleur het proces- verbaal 30 dagen na ontvangst moet overmaken aan de procureur des Konings, die op zijn beurt over een termijn van 90 dagen, eventueel verlengbaar met 30 dagen, beschikt om zijn beslissing kenbaar te maken aan de wegeninspecteur-controleur. IX-5587-7/10 Vanaf dat ogenblik beschikt de wegeninspecteur-controleur over een vervaltermijn van 90 dagen om zijn beslissing kenbaar te maken aan de overtreder.” Beoordeling
  21. Artikel 59, § 3, eerste en tweede lid, van het Aslastendecreet, zoals gewijzigd bij het decreet van 24 juni 2005, luidt als volgt: “§
  22. De wegeninspecteur brengt de wegeninspecteur-controleur op de hoogte van de door hem vastgestelde misdrijven en de in voorkomend geval onmiddellijke inningen bedoeld in §
  23. De wegeninspecteur-controleur deelt de beslissing tot onmiddellijke inning of, bij gebreke hiervan, zijn voornemen om een administratieve geldboete op te leggen binnen dertig dagen na ontvangst van het proces-verbaal mee aan de procureur des Konings. De procureur des Konings deelt zijn voornemen om strafvervolging in te stellen binnen negentig dagen na ontvangst van deze kennisgeving mee aan de wegeninspecteur-controleur. Indien nodig kan deze termijn éénmaal met dertig dagen verlengd worden. Wanneer de procureur des Konings meedeelt te vervolgen, vervalt de mogelijkheid tot het opleggen van een administratieve geldboete. Als de administratieve geldboete onmiddellijk werd geïnd, dan wordt deze terugbe- taald.” Artikel 60, § 1, van het Aslastendecreet, zoals vervangen door het decreet van 24 juni 2005, luidt als volgt: “§
  24. Als de overtreder of in voorkomend geval de onderneming een woonplaats of vaste verblijfplaats in België heeft, de administratieve geldboete niet onmiddellijk werd geïnd, de strafvordering niet vervallen of verjaard is en het opleggen van een administratieve geldboete overeenkomstig het bepaalde in het vorige artikel mogelijk is, geeft de wegeninspecteur-controleur, binnen de negentig dagen na ontvangst van de beslissing van de procureur des Konings, door middel van een aangetekende brief tegen ontvangstbewijs, de overtreder kennis van zijn beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete. Hij stelt in voorkomend geval de onderneming eveneens in kennis van de beslissing tot opleggen van de administratieve geldboete en wijst haar op haar burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor de betaling van de administra- tieve geldboete. Als de wegeninspecteur-controleur zijn beslissing niet tijdig meedeelt aan de overtreder, vervalt de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen. De betekening van de beslissing tot het opleggen van een administratie- ve geldboete doet de strafvordering vervallen.” De termijn bedoeld in artikel 59, § 3, tweede lid, van het Aslastendecreet is voor het bestuur een wachttermijn. Tenzij de procureur des Konings reeds vóór het verstrijken van die termijn heeft laten weten dat hij geen strafvordering zal instellen, mag de bevoegde ambtenaar in die periode geen IX-5587-8/10 administratieve geldboete opleggen. Hij moet gedurende de bedoelde termijn het initiatief aan het parket laten. Deelt de procureur des Konings binnen die termijn mee dat hij een strafvordering zal instellen, dan verliest het bestuur overeenkomstig artikel 59, § 3, derde lid, van het Aslastendecreet de bevoegdheid om een administratieve geldboete op te leggen. Deelt de procureur des Konings binnen de bedoelde termijn mee dat hij geen gebruik zal maken van de mogelijkheid om een strafvordering in te stellen, of laat hij binnen de bedoelde termijn niet van zich horen, dan verkrijgt het bestuur de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen. Inzake deelt de procureur des Konings, negentig dagen na de toezending van het voornemen van de wegeninspecteur-controleur om een administratieve geldboete op te leggen zijn voornemen niet mee om een strafvorde- ring in te stellen. Dit blijkt uit de chronologie van de volgende gegevens. Op 26 oktober 2005 deelt de wegeninspecteur-controleur zijn voornemen mee aan de procureur des Konings om een administratieve geldboete op te leggen binnen dertig dagen na ontvangst van het proces-verbaal. Op 24 januari 2006, zijnde de negentigste dag na 26 oktober 2005, heeft de procureur des Konings zijn voornemen niet meegedeeld aan de wegeninspecteur-controleur om een strafvordering in te stellen. Vanaf 24 januari 2006 dient de wegeninspecteur-controleur binnen de negentig dagen na ontvangst van de beslissing van de procureur des Konings de overtreder kennis te geven van zijn beslissing tot het opleggen van de administratieve geldboete. De termijn nam een aanvang op 24 januari 2006 en verstreek op 24 april
  25. De omstandigheid dat de procureur des Konings pas op 22 maart 2006 liet weten dat hij geen strafvordering zou instellen doet daaraan geen afbreuk. Op 1 juni 2006 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoeker een administratieve geldboete van 1.100 euro op te leggen. Op voornoem- de datum kon de wegeninspecteur-controleur evenwel geen administratieve IX-5587-9/10 geldboete meer opleggen, gelet op de vervaltermijn van negentig dagen bepaald door artikel 60, § 1, van het Aslastendecreet. De termijn van negentig dagen verstreek immers op 24 april
  26. Het vierde middel is gegrond. BESLISSING
  27. De Raad van State vernietigt de beslissing van 14 december 2006 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur waarbij aan Onder Mauzer een administratieve geldboete wordt opgelegd van 1.100 euro wegens beschadiging van het wegdek door overlading van een voertuig.
  28. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 14 juli 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5587-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.621 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.