← België

Arrest 206645 - Overheidsopdrachten - 15/07/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.645 Rolnummer: A. 131330/XII-3728 Zaak: Arrest 206645 - Overheidsopdrachten - 15/07/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-20 Raadplegingen: 148 - laatst gezien 2026-07-02 12:13 Fiche Arrest nr 206.645 van 15 juli 2010 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 206.645 van 15 juli 2010 in de zaak A. 131.330/XII-3728 In zake: de NV LABONORM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Van Heuven kantoor houdend te Kortrijk President Kennedypark 6/24 bij wie woonplaats wordt gekozen en tevens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat David D’Hooghe kantoor houdend te Brussel Loksumstraat 25 tegen: de PROVINCIE OOST-VLAANDEREN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 28 februari 2003, strekt tot de nietigverklaring van: “- De beslissing dd. 19 december 2002, waarbij de overheidsopdracht uitgaande van de provincie Oost-Vlaanderen, met als besteknr. BB 2002-0052 wordt toegewezen aan de nv Potteau Labo; - Dezelfde beslissing dd. 19 december 2002, waarbij de offerte van verzoekster voor de overheidsopdracht uitgaande van de provincie Oost-Vlaanderen, met als besteknr. BB 2002-0052 als onontvankelijk wordt geweigerd. - Dezelfde beslissing dd. 19 december 2002, waarbij de overheidsopdracht uitgaande van de provincie Oost-Vlaanderen, met als besteknummer BB2002- 0052 niet wordt toegewezen aan de nv Labonorm”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 152.173 van 2 december 2005 van de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak worden de debatten heropend. Eerste auditeur Jos Stevens heeft een aanvullend verslag opgesteld. XII-3728-1\13 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 maart
  3. Kamervoorzitter Dierk Verbiest heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sofie Logie, die loco advocaat Dirk Van Heuven verschijnt voor de verzoekende partij, en jurist Erik Torrekens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jos Stevens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verwerende partij schrijft een openbare aanbesteding uit voor het uitrusten van laboratoria van het Provinciaal Centrum voor Milieuonderzoek te Gent. 3.
  6. De opdracht wordt aangekondigd in het Bulletin der Aanbestedingen van 27 september
  7. De aankondiging vermeldt onder punt “III.2.1.
  8. Technische bekwaamheid, verlangde bewijsstukken” dat een “ISO 9002- certificaat” en “erkenning: categorie X, klasse 3” wordt vereist. 3.
  9. Het bestek vereist in de synopsis onder “
  10. Inlichtingen over de eigen toestand van de aannemer” een “attest ISO 9002” en “erkenning: klasse 3, categorie X”. Met betrekking tot de kwalitatieve selectie wordt bepaald dat “de aannemer dient te beschikken [over] een ISO 9002-certificaat in het domein van de werken beschreven in onderhavig bestek”. XII-3728-2\13 3.
  11. De inschrijvingen worden geopend op 7 november
  12. Er blijken twee offertes te zijn ingediend: deze van de verzoekende partij voor 472.478,77 euro, btw inbegrepen, en deze van de nv Potteau Labo voor 536.256,11 euro, btw inbegrepen. 3.
  13. Op 27 november 2002 wordt een gunningsverslag opgemaakt (“proces-verbaal van nazicht openbare aanbesteding”). Er wordt vastgesteld dat “de laagste inschrijver Labonorm niet voldoet aan de selectiecriteria” - omdat het bijgevoegde ISO-9002 attest niet toebehoort aan deze inschrijver, maar wel aan de onderaannemer S+B Rotterdam bv - zodat wordt voorgesteld de opdracht toe te wijzen aan de nv Potteau Labo, die blijkens het verslag over een “evenwaardig” ISO-9001 attest beschikt. 3.
  14. Op 16 december 2002 richt de verzoekende partij een schrijven aan de verwerende partij. Zij heeft -volgens het verzoekschrift, hierin niet tegengesproken door de verwerende partij, “via informele weg”- vernomen dat “het voorstel [zou] worden geformuleerd om onze inschrijving niet te weerhouden, al is deze veel goedkoper dan deze van de andere kandidaat, omdat Labonorm over geen ISO 9002 certificaat zou beschikken”. De verzoekende partij betwist vervolgens de wettigheid van het vereisen van dit certificaat en voegt daartoe bij haar schrijven een advies in die zin van haar raadsman. 3.
  15. Op 19 december 2002 neemt de verwerende partij de bestreden beslissing om de opdracht toe te wijzen aan de nv Potteau Labo, onder meer ook overwegende “dat uit het proces-verbaal van nazicht openbare aanbesteding, opgemaakt door de ontwerper op 27 november 2002, blijkt dat de firma Labonorm een ISO-9002 attest heeft bijgevoegd dat toebehoort aan een andere firma en dat bijgevolg deze offerte niet voldoet aan het selectiecriterium, gesteld in het aanbestedingsdossier”. 3.
  16. Met een brief van 19 december 2002 deelt de verwerende partij aan de verzoekende partij mee dat “de bestendige deputatie in zitting van heden beslist heeft de uitvoering van de laboratoriumuitrusting in het Provinciaal Centrum voor Milieuonderzoek [...] niet aan uw firma te gunnen, aangezien uw offerte werd verworpen wegens onregelmatig”. XII-3728-3\13 IV. Onderzoek van de middelen
  17. De verzoekende partij voert drie middelen aan tegen de bestreden beslissingen. A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  18. De verzoekende partij steunt het eerste middel op de schending van “het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel; [...] het algemeen rechtsbeginsel van de formele en materiële motiveringsplicht; [...] de artikelen 2 en 3 van de uitdrukkelijke motiveringswet van 29 juli 1991; [...] het vertrouwensbeginsel”. Zij betoogt hiertoe dat, hoewel het bestek een ISO-9002 attest “vereist”, zulks niet “op straffe van nietigheid” is. De verzoekende partij wijst er vervolgens op dat een opdrachtgevende overheid enkel verplicht is om een inschrijving als “onontvankelijk te weren wegens een ontbrekend stuk” indien “dit ontbrekend stuk is voorgeschreven op straffe van nietigheid of als substantiële vormvereiste te beschouwen is”. Noch in de bestreden beslissing, noch in het gunningsverslag wordt uiteengezet en verantwoord waarom het ISO-9002 attest van de onderaannemer S+B Rotterdam bv - die de zuurkasten voor de laboratoria zou leveren - niet zou volstaan en waarom de inschrijving van de verzoekende partij diende te worden geweerd. Bovendien beschikt de nv Potteau Labo evenmin over een ISO-9002 attest, doch enkel over een ISO-9001 attest, waarvan niet is bewezen dat dit is gelijk te stellen met een ISO-9002 attest. Voorts wijst de verzoekende partij er in dit verband nog op dat de verwerende partij “het feit dat niemand - ook niet Labo Potteau - over een erkenning ‘X, klasse 3’ beschikte” heeft gesanctioneerd. Zij besluit dat de verwerende partij “door verzoekster blind uit te sluiten”, “zonder motivering”, “de in het eerste middel omschreven wetsbepalingen en rechtsbeginselen [heeft] miskend”. XII-3728-4\13
  19. De verzoekende partij voegt daar in haar memorie van wederantwoord aan toe dat, indien de opdracht aan haar zou zijn toegewezen, zij er contractueel toe zou zijn verplicht om te leveren wat zij in haar offerte had aangeboden - namelijk zuurkasten van de onderaannemer S+B Rotterdam bv - en dat de verwerende partij aldus de garantie had dat de zuurkasten afkomstig zouden zijn van deze onderaannemer, die een ISO-9002 attest heeft.
  20. In haar laatste memorie werpt de verzoekende partij op dat het bestek niet vereist dat de inschrijver zelf dient te beschikken over een ISO-9002 attest en dat de verwerende partij “op geen enkele wijze motiveert waarom verzoekende partij, ingevolge het toevoegen van een ISO-9002 attest van een onderaannemer, niet zou voldoen aan de selectiecriteria”, dit terwijl in de rechtspraak “algemeen aanvaard wordt” dat een inschrijver voor het bewijs van zijn technische bekwaamheid zich mag beroepen op de referenties van een derde. Zij verwijst hierbij naar de rechtspraak van het Hof van Justitie. De verwerende partij mocht dan ook niet, zonder bijzondere redengeving, de inschrijving van de verzoekende partij afwijzen op grond van het ontbreken van een ISO-9002 attest. Zij betoogt voorts nog dat, zelfs indien men zou aanvaarden dat het door de nv Potteau Labo voorgelegde ISO-9001 attest gelijkwaardig is aan een ISO-9002 attest, de verwerende partij alsnog de inschrijving van deze kandidaat “onontvankelijk” diende te verklaren, nu in het bestek “enkel sprake is van het attest ISO 9002”. Beoordeling 8.
  21. In de eerste plaats voert de verzoekende partij aan dat het bestek het betrokken ISO-attest niet “op straffe van nietigheid” vereist en dat de verwerende partij bijgevolg niet verplicht was om de inschrijving “als onontvankelijk te weren”. Zoals blijkt uit de aankondiging van de opdracht en het bestek wordt het kwestieuze ISO-9002 attest te dezen gevraagd als één van de inlichtingen “betreffende de eigen situatie van de aannemer [...] die nodig zijn voor de beoordeling van de minimaal vereiste economische, financiële en technische capaciteit”, dus als een minimumeis bij de selectie van de inschrijvers. Het feit dat het betrokken ISO-attest niet “op straffe van nietigheid” wordt voorgeschreven is XII-3728-5\13 dan ook niet relevant als grief betreffende de niet-selectie van de verzoekende partij. Niet de offerte van de verzoekende partij is als onregelmatig geweerd, maar zijzelf is als inschrijver niet geselecteerd. 8.
  22. In de tweede plaats voert de verzoekende partij aan dat haar onderaannemer - S+B Rotterdam bv, de leverancier van de in haar offerte voorgestelde zuurkasten - wel over het vereiste ISO-9002 attest beschikt en dat zij, volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie terzake, op “referenties van een derde” een beroep mag doen om haar technische bekwaamheid te bewijzen. De verzoekende partij miskent met deze grief de eigenheid van de door de verwerende partij gevraagde ISO-9002 certificatie. Zoals de verwerende partij terecht in haar laatste memorie opwerpt valt deze certificatie “niet louter te herleiden tot een specifiek onderdeel van de uit te voeren werken”, doch heeft zij betrekking op de volledige onderneming van de inschrijver en “garandeert dat de aannemer aan bepaalde normen inzake kwaliteitsbewaking voldoet”, zodat de noodzaak om over de gevraagde certificering te beschikken niet mag worden herleid tot de plaatsing van de zuurkasten, die slechts één onderdeel vormen van de gevraagde uitrusting. Het gegeven dat één van de onderaannemers van de verzoekende partij wel over het vereiste ISO-attest beschikt kan aan deze vaststelling dan ook geen afbreuk doen. 8.
  23. Ten derde stelt de verzoekende partij dat de gekozen aannemer, de nv Potteau Labo, evenmin over het gevraagde ISO-9002 attest beschikt, nu deze enkel een ISO-9001 attest voorlegt. Het bestek vereist bovendien uitdrukkelijk een ISO-9002 certificering. Zoals blijkt uit de door de verwerende partij bij het administratief dossier neergelegde documenten van de “International Organisation for Standardisation”, welke organisatie instaat voor de betrokken ISO-normen, zijn de normen ISO-9001 en ISO-9002 identiek wat betreft de geboden kwaliteitswaarborgen, zij het dat waar de ISO-9001 norm van toepassing is op ondernemingen die zich inlaten met ontwerp, ontwikkeling, vervaardiging, installatie en nazorg, de ISO-9002 norm ondernemingen dekt die geen ontwerp en ontwikkeling als activiteiten hebben. Er mag uit deze documenten worden besloten dat ISO-9001 een meer omvattende normering is die onder meer de kwaliteitsvereisten van de ISO-9002 norm bevat. XII-3728-6\13 Het feit dat het bestek enkel verwijst naar het op grond van de norm ISO-9002 verleende attest belet bijgevolg niet dat de verwerende partij ook rekening mocht houden met de kandidatuur van de nv Potteau Labo, die een ISO-9001 attest heeft voorgelegd en aldus niet enkel blijkt te voldoen aan de ISO- 9002 norm, maar daarenboven ook aan kwaliteitsnormen inzake onderzoek en ontwikkeling. 8.
  24. Ten vierde verwijt de verzoekende partij de verwerende partij dat zij de “erkenningsvereiste in categorie X, klasse 3 [heeft] laten varen” en het feit dat geen enkele kandidaat over deze erkenning beschikte niet heeft gesanctioneerd. Zoals de verwerende partij opwerpt in haar memorie van antwoord en daarin niet wordt tegengesproken door de verzoekende partij is de erkenning in categorie X een op het ogenblik van het aanvaarden van het bestek niet meer vigerende erkenning, die was ingesteld door het koninklijk besluit van 31 januari 1978 tot vaststelling van de toepassingsmaatregelen van de besluitwet van 3 februari 1947 houdende regeling van de erkenning der aannemers, doch die werd afgeschaft bij koninklijk besluit van 9 augustus 1982 en die niet werd hernomen in het thans van toepassing zijnde koninklijk besluit van 26 september 1991 tot vaststelling van bepaalde toepassingsmaatregelen van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken. Hoewel het aanvankelijk vereisen van een reeds sinds 1982 afgeschafte erkenning voorkomt als weinig zorgvuldig, heeft de verwerende partij, zoals blijkt uit het gunningsverslag, bij de selectie van de aannemers alsnog toepassing gemaakt van het voornoemde actuele koninklijk besluit van 26 september 1991, heeft zij de opdracht ondergebracht in de huidige ondercategorieën D5 en D16 en heeft zij nagegaan of de kandidaten over een erkenning in één van deze ondercategorieën beschikken. Zulks blijkt te dezen het geval te zijn, nu de verzoekende partij beschikt over een voorlopige erkenning in de klasse 5, ondercategorie D5 en de nv Potteau Labo onder meer is erkend als aannemer in de klasse 6, ondercategoriëen D5 en D
  25. De verzoekende partij verduidelijkt niet op welke wijze zij door deze handelswijze zou zijn geschaad. Aldus faalt ook deze vierde grief. 8.
  26. Het eerste middel is in zijn geheel niet gegrond. XII-3728-7\13 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  27. In het tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van “het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, in het bijzonder art. 19” en van “de omzendbrief van 10 februari 1998 ‘Overheidsopdrachten’, kwalitatieve selectie van de aannemers, leveranciers en dienstverleners”. Zij betoogt daartoe in de eerste plaats dat artikel 19 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, een exhaustieve opsomming bevat van de “waarborgen” die de aanbestedende overheid mag vragen aan een inschrijver om zijn technische bekwaamheid aan te tonen. Uit dit artikel blijkt dat het de aanbestedende overheid geenszins is toegestaan om een ISO-certificering te vragen om de technische bekwaamheid te bewijzen. Het exhaustief karakter van de opsomming in artikel 19 wordt daarnaast bevestigd door de omzendbrief van 10 februari 1998 betreffende kwalitatieve selectie. Een ISO-attest kan volgens de verzoekende partij overigens niet als “beroepskwalificatie” in de zin van artikel 19, 1/ van het voornoemde koninklijk besluit worden beschouwd, omdat dit laatste begrip verwijst “naar diploma's of getuigschriften uitgereikt door daartoe gemachtigde scholen en/of opleidingscentra aan natuurlijke personen”. Door middel van deze diploma's of getuigschriften “moet de aanbestedende overheid zich een beeld kunnen vormen of de aannemer [...] zodanig is opgeleid dat hij over voldoende technische capaciteiten beschikt om de opdracht uit te kunnen voeren” en een ISO-9002 attest “kan nooit een garantie bieden dat een aannemer dermate geschoold is dat hij een technische bekwaamheid kan garanderen” vermits de ISO-9002 norm niets te maken heeft met de technische bekwaamheid van de aannemer, doch enkel betrekking heeft “op de kwaliteit van de interne organisatiestructuur van een bedrijf en op de kwaliteit van het management” en een ISO-9002 attest dus aan elke organisatie, ongeacht voor welke activiteit of product, kan worden toegekend. XII-3728-8\13 De verzoekende partij besluit: “de ‘vereiste’ van het provinciebestuur tot voorlegging van een ISO 9002-certificering is dus manifest in strijd met het voormelde art. 19 van het K.B. van 8 januari 1996”. In ondergeschikte orde stelt de verzoekende partij nog dat, zelfs indien de verwerende partij “rechtsgeldig een ISO-certificering kon eisen”, zij dit in elk geval niet “op straffe van onontvankelijkheid van de inschrijving” mocht doen, en zij lijkt te betogen dat “alternatieve bewijzen” hadden moeten zijn toegestaan.
  28. In haar memorie van wederantwoord en in haar laatste memorie herneemt de verzoekende partij het inleidend verzoekschrift. Zij benadrukt daarbij dat het natuurlijke personen zijn aan wie diploma’s of getuigschriften worden uitgereikt en de term “beroepskwalificatie” naar dergelijke diploma’s of getuigschriften verwijst, en zij acht zich in die interpretatie gesteund doordat in voormeld artikel 19 de termen “onderneming” en “aanneming” door elkaar worden gebruikt. Beoordeling 11.
  29. Het geschonden geachte artikel 19 van het voornoemde koninklijk besluit van 8 januari 1996, luidde ten tijde van het nemen van de bestreden beslissingen als volgt: “Onverminderd de bepalingen betreffende de erkenning van aannemers van werken, kan de technische bekwaamheid van de aannemer aangetoond worden door één of meer van de volgende referenties: 1° door studie- en beroepskwalificaties van de aannemer en/of van het ondernemingskader en, in het bijzonder, van de verantwoordelijke(n) voor de leiding van de werken; 2° door de lijst van de werken uitgevoerd tijdens de laatste vijf jaar, en gestaafd door getuigschriften van goede uitvoering voor de belangrijkste werken. Deze getuigschriften bevatten het bedrag, het tijdstip en de plaats van uitvoering van de werken en geven duidelijk weer of deze uitgevoerd werden volgens de regels van de kunst en of ze op regelmatige wijze tot een goed einde werden gebracht. In voorkomend geval zullen deze getuigschriften door de bevoegde overheid rechtstreeks aan de aanbestedende overheid toegezonden worden; 3° door een verklaring die de werktuigen, het materieel en de technische uitrusting vermeldt waarover de aannemer zal beschikken voor de uitvoering van het werk; 4° door een verklaring die de gemiddelde jaarlijkse personeelsbezetting van de onderneming en de omvang van het kader weergeeft tijdens de laatste drie jaren; XII-3728-9\13 5° door een verklaring waarin de technici of de technische diensten vermeld worden die, al dan niet deel uitmakend van de onderneming, ter beschikking zullen staan van de aannemer voor de uitvoering van het werk. De aanbestedende overheid geeft in de aankondiging van opdracht of in de uitnodiging tot het indienen van een offerte aan, welke van deze referenties zij verlangt”. 11.
  30. De verzoekende partij stelt dat een ISO-9002 attest niet onder het begrip “beroepskwalificaties” zoals opgenomen in artikel 19, 1/, kan vallen. Deze zienswijze wordt niet bijgevallen. Artikel 19, eerste lid, 1/, maakt immers gewag van beroepskwalificaties van zowel “de aannemer” als “het ondernemingskader” als van “de verantwoordelijke(n) voor de leiding van de werken”. Er wordt niet ingezien om welke reden de beroepskwalificatie enkel van natuurlijke personen zou mogen worden gevraagd op grond van de betrokken bepaling. In zoverre de verzoekende partij voorts de schending inroept van de omzendbrief van 10 februari 1998 van de eerste minister - “Overheidsopdrachten - Kwalitatieve selectie van aannemers, leveranciers en dienstverleners”, wordt vastgesteld dat verzoekende partij niet betoogt en evenmin blijkt dat deze omzendbrief het bindend karakter zou vertonen waardoor hij dienstig als vernietigingsgrond kan worden aangevoerd. Wat de stelling van de verzoekende partij betreft dat een ISO- attest “nooit een garantie [kan] bieden dat een aannemer dermate geschoold is dat hij een technische bekwaamheid kan garanderen” en aan elke organisatie, ongeacht voor welke activiteit of product, kan worden toegekend, kan de argumentatie van de verwerende partij worden bijgevallen waar deze stelt dat “een ISO-certificaat [...] een kwalitatief eindproduct garandeert door middel van het opleggen van eisen aan de volledige organisatie, van het volledige ondernemingskader tot en met de verantwoordelijke voor de leiding van de werken” en een kwalitatief eindproduct technische bekwaamheid van de aannemer en diens personeel impliceert. 11.
  31. Wat het in ondergeschikte orde aangebrachte betoog betreft, ingeval het al geen herhaling is van het eerste middel, in het bijzonder van de aldaar aangebrachte eerste grief, die hiervoor onder het randnummer 8.
  32. reeds werd verworpen, moet worden vastgesteld dat de verzoekende partij geen dergelijk alternatief bewijs aanbiedt. De loutere verwijzing naar haar onderaannemer volstaat XII-3728-10\13 te dezen niet: het bestek vereist het ISO-certificaat in hoofde van de inschrijvende aannemer. 11.
  33. Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  34. De verzoekende partij voert in het derde middel de schending aan van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het gelijkheidsbeginsel en het beginsel dat elke beslissing op juiste en pertinente motieven moet berusten”. 12.
  35. In een eerste onderdeel wordt betoogd dat de “ISO-‘vereiste’” het gelijkheidsbeginsel schendt omdat “omzeggens geen enkel bedrijf actief in de sector van het uitrusten van laboratoria over deze certificering beschikt”. Dit blijkt volgens haar uit het feit dat “slechts één enkele kandidaat effectief heeft ingeschreven met een ISO-certificaat”. Zij stelt nog dat het bestek “minstens” “op maat van één aannemer is geschreven, hetgeen evident ook verboden is”. 12.
  36. In een tweede onderdeel verwijt de verzoekende partij de verwerende partij dat “het bestek nergens verantwoordt waarom een ISO-9002 certificering vereist is” en dat de verwerende partij “in de bestreden beslissing [...] niet [is] ingegaan op de brief van verzoekster dd. 16 december 2002 waarin werd geargumenteerd dat het opvragen van een ISO-9002 certificaat onwettig is”.
  37. In de memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij hier, wat het eerste onderdeel betreft, aan toe dat “er een de facto monopolie werd gecreëerd voor de firma Potteau Labo”. Inzake het tweede onderdeel werpt zij op dat de verwerende partij “in concreto [moet] kunnen aantonen waarom de ISO-certificering voor deze opdracht vereist is”. Beoordeling
  38. Met de verwerende partij moet worden vastgesteld dat uit het administratief dossier blijkt dat het bestek werd aangekocht door acht XII-3728-11\13 ondernemingen, waarvan er drie over een ISO-9002, dan wel een ISO-9001 attest beschikten: de Potteau-Labo, S+B (die opteerde om in onderaanneming voor de verzoekende partij op te treden) en Kötterman Belgium die uiteindelijk niet inschreef. De stelling dat er een de facto monopolie werd gecreëerd in hoofde van de nv Potteau Labo dient dan ook te worden verworpen, alsook de daarop gesteunde schending van het gelijkheidsbeginsel.
  39. Wat het tweede onderdeel betreft verduidelijkt de verzoekende partij niet om welke reden het gelijkheidsbeginsel of de verplichting tot materiële motivering zou moeten leiden tot een uitdrukkelijke motivering, in het bestek, betreffende de noodzakelijkheid van een ISO 9002-certificaat, hetgeen in elk geval niet vereist is door enige wettelijke of reglementaire bepaling. Bij de grief dat de verwerende partij in de bestreden beslissing niet uitdrukkelijk is ingegaan op het schrijven van de verzoekende partij van 16 december 2002 heeft de verzoekende geen belang, aangezien hiervoor het betrokken wettigheidsbezwaar niet is aangenomen.
  40. Beide onderdelen van het derde middel zijn niet gegrond. BESLISSING
  41. De Raad van State verwerpt het beroep.
  42. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. XII-3728-12\13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 15 juli 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert Van Haegendoren, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-3728-13\13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.645 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.114.596 ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.651 ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.173 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.