id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.652 Rolnummer: A. 195809/IX-6757 Zaak: Arrest 206652 - Tucht (openbaar ambt) - 15/07/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-20 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-02 12:15 Fiche Arrest nr 206.652 van 15 juli 2010 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping heropening debatten Voortzetting gewone procedure Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 206.652 van 15 juli 2010 in de zaak A. 195.809/IX-6757 In zake: Thierry WALTERUS wonend te Herk-de-Stad Donderveldstraat 1 tegen:
- de VLAAMSE VERVOERMAATSCHAPPIJ “DE LIJN” bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Lindemans kantoor houdend te Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen
- de NV AUTOBUSBEDRIJF GUSTAAF MEBIS & Co gevestigd te Hasselt, Kiewitstraat 192 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Vanoppen kantoor houdend te Kermt-Hasselt Diestersteenweg 146 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het verzoekschrift
- Het verzoekschrift, ingediend op 11 maart 2010, strekt tot de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van “[...] een handeling, gedaan door bovenvernoemde ‘verweerder’. Deze handeling dateert van oktober 2006 en is gedaan naar aanleiding van het verslag van de dienstdoende controleur [...]. Aan de hand van dat verslag [...] werd [de verzoeker] levenslang geschorst om nog het beroep van lijnchauffeur uit te oefenen, wat geresulteerd heeft tot ontslag.” II. Verloop van de rechtspleging
- De eerste en de tweede verwerende partij hebben een nota ingediend. IX-6757-1/7 Adjunct-auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring, met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, en over de vordering tot schorsing, met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 juni
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Frank Judo, die loco advocaat Dirk Lindemans verschijnt voor de eerste verwerende partij, is gehoord. Adjunct-auditeur Joke Goris, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker was chauffeur bij de NV Autobusbedrijf Gustaaf Mebis & Co, gevestigd te Hasselt. Het genoemde autobusbedrijf exploiteert onder meer autobusdiensten voor rekening van de Vlaamse Vervoermaatschappij “De Lijn” (hierna: De Lijn). 3.
- Op 1 oktober 2006 stelt een exploitatiecontroleur van De Lijn tijdens een controle vast dat de verzoeker onregelmatigheden heeft begaan bij het innen van ontvangsten van De Lijn. Volgens het verslag van vaststelling heeft de verzoeker de betaling ontvangen van een passagier, zonder daarvoor een vervoerbewijs aan te maken en zonder de dispatching op de hoogte te brengen van het beweerde defect aan het prodatasysteem. IX-6757-2/7 Op 3 oktober 2006 antwoordt de verzoeker op het verslag van de exploitatiecontroleur dat hij de dispatching had opgeroepen om te melden dat het prodatasysteem niet werkte, maar dat hij geen gehoor kreeg. Ondertussen had een klant absoluut willen betalen ook al kon hij geen vervoerbewijs aanmaken. 3.
- Op de laatstgenoemde datum brengt De Lijn de NV Autobusbedrijf Gustaaf Mebis & Co, werkgever van de verzoeker, telefonisch op de hoogte van de onregelmatigheden die in hoofde van de verzoeker werden vastgesteld. 3.
- Met een brief van 5 oktober 2006 aan het genoemde autobusbedrijf bevestigt De Lijn de vastgestelde onregelmatigheden. Zij stelt dat een dergelijke houding het imago van De Lijn schaadt en zij vraagt het autobusbedrijf “met aandrang” om de verzoeker niet langer in te zetten op openbare diensten van De Lijn. Zij baseert zich daarvoor op “de gemaakte afspraken in verband met het wraken van een personeelslid om voor openbare diensten van De Lijn te rijden”. Zij deelt tevens mede dat zij de prodatabadge van de verzoeker onmiddellijk heeft laten blokkeren. 3.
- De NV Autobusbedrijf Gustaaf Mebis & Co neemt aan dat de verzoeker fraude heeft gepleegd en ontslaat hem “op staande voet om dringende reden”. Zij stelt de verzoeker met een aangetekende brief van 6 oktober 2006 in kennis van deze beslissing. 3.
- Op 6 november 2006 heeft een provinciale verzoeningsvergadering plaats tussen De Lijn, de vakbonden en de NV Autobusbedrijf Gustaaf Mebis & Co. De conclusies van deze vergadering worden geformaliseerd in een “overeenkomst” tussen de leden van de vergadering. De Lijn handhaaft daarbij haar beslissing om de verzoeker onmiddellijk elke dienst op het geregeld vervoer van De Lijn te ontzeggen. Het genoemde autobusbedrijf verbindt zich ertoe om het ontslag van de verzoeker om dringende reden om te zetten in een ontslag met betaling van de verschuldigde opzegvergoeding. De ingangsdatum van het ontslag wordt in onderling akkoord vastgesteld. De periode tussen 6 oktober 2006 en de ingangsdatum van het ontslag wordt beschouwd als een periode van conventionele schorsing van de arbeidsovereenkomst tijdens dewelke geen enkel loon of vergoeding verschuldigd is. De partijen zien voorts af van verdere juridische stappen op arbeidsrechtelijk vlak tegenover elkaar. IX-6757-3/7 3.
- Na de oorspronkelijke ontslagbeslissing van de NV Autobusbedrijf Gustaaf Mebis & Co van 6 oktober 2006 zendt de verzoeker verscheidene brieven over hetgeen is gebeurd naar de betrokkenen, onder meer naar de exploitatiecontroleur die de onregelmatigheden heeft vastgesteld. Die brieven en acties die de verzoeker ten aanzien van de betrokkenen onderneemt, brengen De Lijn en de exploitatiecontroleur ertoe op 25 april 2007 bij de onderzoeksrechter te Hasselt tegen de verzoeker een strafklacht neer te leggen met burgerlijke partijstelling wegens belaging, laster en eerroof en valsheid in geschrifte. Volgens de eerste verwerende partij heeft de Raadkamer te Hasselt de verzoeker bij beschikking van 5 maart 2010 buiten vervolging gesteld, maar zijn zowel De Lijn als de exploitatiecontroleur hiertegen in beroep gegaan. De verzoeker heeft vervolgens het voorliggende beroep tot nietigverklaring en de voorliggende vordering tot schorsing bij de Raad van State ingesteld. IV. Voorwerp van het beroep, bevoegdheid van de Raad van State en ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de verwerende partijen
- De eerste verwerende partij werpt op, in de nota die zij in het kader van het administratief kort geding heeft ingediend, dat het werkelijke voorwerp van het beroep het ontslag van de verzoeker betreft dat hem met een aangetekende brief van 6 oktober 2006 door de NV Autobusbedrijf Gustaaf Mebis & Co werd meegedeeld. Deze beslissing is volgens de eerste verwerende partij een louter privaatrechtelijke handeling die werd genomen door de toenmalige werkgever van de verzoeker, het genoemde autobusbedrijf, en die bijgevolg niet bij de Raad van State kan worden bestreden. In ondergeschikte orde, indien zou worden geoordeeld dat de verzoeker niet zijn ontslag betwist, maar wel de “handeling die dateert van oktober 2006”, merkt de eerste verwerende partij op dat onder die handeling dan slechts haar verzoek kan worden verstaan dat zij op 5 oktober 2006 aan de NV Autobusbedrijf Gustaaf Mebis & Co heeft gericht om de verzoeker niet meer in te zetten op openbare diensten van De Lijn, en dat een dergelijk verzoek niet méér is dan een IX-6757-4/7 voorstel dat louter voorbereidend is en geen uitvoerbare kracht heeft en bijgevolg niet aanvechtbaar is voor de Raad van State.
- De tweede verwerende partij werpt op dat het niet duidelijk is welke beslissing de verzoeker wenst aan te vechten. Zij stelt dat zij zelf hoe dan ook geen overheidsorgaan is, zodat zij niet onder de bevoegdheid van de Raad van State valt. Beoordeling
- De verzoeker omschrijft het voorwerp van zijn beroep als volgt: “[...] een handeling, gedaan door bovenvernoemde ‘verweerder’. Deze handeling dateert van oktober 2006 en is gedaan naar aanleiding van het verslag van de dienstdoende controleur, die een loopje met de waarheid heeft genomen. Aan de hand van dat verslag, waarin ik (onterecht blijkt nadien) beticht werd van fraude (voor i 2.50) werd ik levenslang geschorst om nog het beroep van lijnchauffeur uit te oefenen, wat geresulteerd heeft tot ontslag. Deze schorsing wil ik aanvechten [...]” Alhoewel deze omschrijving weinig precies is, kan er toch met zekerheid worden uit afgeleid dat de verzoeker de vernietiging en schorsing beoogt van de beslissing van De Lijn van 5 oktober 2006 krachtens dewelke hij niet meer mag worden ingezet op openbare diensten van De Lijn, en niet van de daaropvolgende beslissing van de NV Autobusbedrijf Gustaaf Mebis & Co van 6 oktober 2006 waarbij hij wordt ontslagen. De verzoeker vermeldt immers dat de bestreden beslissing uitgaat van de “bovenvernoemde ‘verweerder’” en dat is luidens de bewoordingen van verzoekers verzoekschrift alleen “De Lijn”. Voorts stelt de verzoeker dat hij de levenslange schorsing van het beroep van “lijnchauffeur” wil aanvechten. Die schorsing kan slechts vervat zijn in de eerstgenoemde beslissing. Aangezien het beroep niet gericht is tegen de beslissing van de NV Autobusbedrijf Gustaaf Mebis & Co van 6 oktober 2006 waarbij de verzoeker wordt ontslagen, kan de door de eerste verwerende partij opgeworpen exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State niet worden aangenomen.
- De enige bestreden beslissing, krachtens dewelke de verzoeker niet meer mag worden ingezet op openbare diensten van De Lijn, blijkt uit de brief van De Lijn van 5 oktober 2006 aan de NV Autobusbedrijf Gustaaf Mebis & Co, IX-6757-5/7 waarbij met verwijzing naar “gemaakte afspraken in verband met het wraken van een personeelslid om voor openbare diensten van De Lijn te rijden” met aandrang wordt gevraagd de verzoeker niet meer in te zetten op openbare diensten van De Lijn en waarin wordt vermeld dat de prodatabadge van de verzoeker onmiddellijk werd geblokkeerd. De desbetreffende beslissing is een beslissing die grievend is voor de verzoeker, aangezien ze eraan in de weg staat dat hij nog wordt ingezet op openbare diensten van De Lijn. In tegenstelling tot wat de eerste verwerende partij aanvoert, kan niet worden aangenomen dat het slechts zou gaan om een voorstel. De conclusies van de provinciale verzoeningsvergadering van 6 november 2006 laten er geen twijfel over bestaan dat De Lijn op 5 oktober 2006 effectief heeft beslist dat de verzoeker als chauffeur wordt uitgesloten van haar diensten. Deze conclusies vermelden in dat verband: “de VVM handhaaft haar beslissing tot onmiddellijke ontzegging van elke dienst op het geregeld vervoer”. Een dergelijke beslissing kan wel degelijk met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State worden bestreden. Het beroep tot nietigverklaring is dan ook ontvankelijk wat zijn voorwerp betreft. De door de eerste verwerende partij opgeworpen exceptie betreffende de onontvankelijkheid van het beroep wat zijn voorwerp betreft - exceptie die door de auditeur-verslaggever in haar verslag wordt bijgevallen- is derhalve niet gegrond.
- De zaak kan ten gronde dan ook niet in korte debatten worden afgedaan, zoals voorgesteld door de auditeur-verslaggever. Er is grond om de debatten te heropenen en om uitspraak te doen over de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.
- Aangezien de enige bestreden beslissing werd genomen door de eerste verwerende partij en niet kan worden toegeschreven aan de tweede verwerende partij, dient deze laatstgenoemde partij buiten de zaak te worden gesteld. V. Onderzoek van de vordering tot schorsing IX-6757-6/7
- Artikel 4, derde lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat wanneer de eiser noch verschijnt, noch vertegenwoordigd is, de vordering tot toekenning van de schorsing wordt afgewezen. Te dezen was de verzoeker, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet aanwezig ter terechtzitting, noch er vertegenwoordigd, zodat zijn vordering overeenkomstig de voormelde reglementaire bepaling moet worden verworpen. BESLISSING
- De NV Autobusbedrijf Gustaaf Mebis & Co wordt buiten de zaak gesteld.
- De debatten worden heropend.
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verder behandeld volgens de gewone rechtspleging.
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 15 juli 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bert Thys IX-6757-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.652 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.210.032 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.