id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.672 Rolnummer: A. 196946/XII-6243 Zaak: Arrest 206672 - Overheidsopdrachten - 15/07/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-16 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-07-02 12:13 Fiche Arrest nr 206.672 van 15 juli 2010 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 206.672 van 15 juli 2010 in de zaak A. 196.946/XII-6243 In zake: de NV AG INSURANCE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Eric Gillet en Christophe Dubois kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 178 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID VAN DE PROVINCIALE EN PLAATSELIJKE OVERHEIDSDIENSTEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Willy Van der Gucht kantoor houdend te Gent Voskenslaan 34-36 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen:
- de NV DEXIA INSURANCE BELGIUM
- de NV ETHIAS samen vormend de tijdelijke handelsvennootschap “DIB-Ethias Lokale Contractanten” bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wouter Neven en Jens Debièvre kantoor houdend te 1000 Brussel Havenlaan 86c b113 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 1 juli 2010, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten van 14 juni 2010 die de overheidsopdracht voor het administratief en financieel beheer van een groepsverzekering van de tweede pijler voor de XII-6243-1\15 contractuele personeelsleden van de toegetreden lokale besturen toewijst aan DIB- Ethias Lokale Contractanten”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 juli 2010, om 10.00 uur. Kamervoorzitter Dierk Verbiest heeft verslag uitgebracht. Advocaten Christophe Dubois en Pierre Slegers, die verschijnen voor de verzoekende partij, advocaat Franky De Mil, die loco advocaat Willy Van der Gucht verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Jens Debièvre, die verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verwerende partij schrijft een algemene offerteaanvraag uit voor een overheidsopdracht van diensten voor het administratief en financieel beheer van een groepsverzekering voor de tweede pensioenpijler voor de contractuele personeelsleden van de toegetreden lokale besturen. 3.
- De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen op 2 februari 2010 en in het Publicatieblad van de Europese Unie op 3 februari
- De aankondiging vermeldt dat varianten niet worden geaccepteerd. XII-6243-2\15 3.
- Het op de opdracht toepasselijke bijzonder bestek bevat geen bepaling met betrekking tot varianten. Inzake de gunningscriteria die zullen worden gehanteerd bij de toewijzing van de opdracht bepaalt het bestek het volgende: “De gunning geschiedt aan de inschrijver die de voordeligste regelmatige offerte heeft neergelegd, rekening houdend met de volgende gunningscriteria: Rubriek Weging In punten 1.Gewaarborgd rendement 15 Omvat onder meer: niveau, duur, toekenningwijze, de mate waarin het rendement dat de inrichter moet waarborgen op basis van de wet betreffende de aanvullende pensioenen door de verzekeraar gewaarborgd wordt. 2.Winstdeelname en rendement 15 Omvat onder meer: kosten van financieel beheer, aandeel van het rendement dat toegekend wordt, kost en wijze van aanrekenen van de solvabititeits- marge, toekenningwijze van de winstdeelname, de transparantie van het afgezonderd fonds 3.Duurzaamheid 15 Omvat onder meer: de mate waarbij bij de beleggingen rekening gehouden wordt met sociale, ethische en leefmilieucriteria en de controle op de toepassing van de gehanteerde principes. 4.Beheerskosten 20 Omvat onder meer de instapkost en de beheerskosten buiten de financiële beheerskosten die toegepast worden voor deze offerte
- Kost lijfrente 5 Omvat onder meer gewaarborgde rentevoet en sterftetafel, winstdeelname en winstdeelnametoekenning
- Administratief beheer en communicatie 10 Omvat onder meer: kwaliteit van de minimumstandaarden voor dienstverlening en de gevolgen bij overschrijding, de uitgebreidheid en kost van de info aan de inrichter, verzekerde en begunstigde, de kwaliteit van de online-applicatie, de duidelijkheid van de offerte en van de model- overeenkomst en pensioenfiche
- Gevolgen bij het stopzetten van het 20 verzekeringscontract Omvat onder meer de voorwaarden van behoud van het rendement, de liquidatievergoeding, de aanrekening van meer- en minwaarden en de gebeurlijke impact van de opgebouwde solvabiliteitsmarge bij een gebeurlijke collectieve reserveopdracht, de transparantie ten overstaan van interne waarderingsregels, de gemakkelijkheid van overdracht van reserves. ‘Onder meer’ dient in deze tabel niet limitatief gelezen te worden, maar geeft aan welke elementen er zeker in de beoordeling zullen in aanmerking genomen worden”. XII-6243-3\15 In hoofdstuk II “technische bepalingen” van het bestek wordt nog uitvoerig toegelicht wat van de inschrijvers wordt verwacht op het vlak van de zeven gunningscriteria. 3.
- Vijf inschrijvers dienen een offerte in, namelijk:
- AG Insurance nv,
- Allianz Belgium nv,
- AXA Belgium nv,
- DIB-Ethias Locale Contractanten, tijdelijke handelsvennootschap gevormd door Dexia Verzekeringen België nv en Ethias NV,
- Integrale C.C.A. 3.
- Volgens het verslag van nazicht en de gemotiveerde gunningsbeslissing zijn alle offertes administratief en technisch regelmatig. Uit de gemotiveerde gunningsbeslissing blijkt dat bij de opening van de offertes de vraag werd gesteld of er mogelijkheid is per gunningscriterium de onderlinge weging te kennen. Dienaangaande wordt in de gemotiveerde gunningsbeslissing opgemerkt dat het bestek voorziet in zeven gunningscriteria, waarvan de onderlinge puntenweging is weergegeven. Alvorens over te gaan tot de toetsing van de offertes aan de eerste twee gunningscriteria wordt in de gemotiveerde gunningsbeslissing het volgende opgemerkt: “Voorafgaande opmerking: DIB-Ethias diende vier voorstellen in. Voorstel 1 zal verder worden aangeduid als ‘basisofferte’. De voorstellen 2, 3 en 4 zullen verder worden aangeduid als resp. ‘vrije variant 1’, ‘vrije variant 2’ en ‘vrije variant 3’. Behalve wanneer het bestek hierover anders beschikt, kan de aanbestedende overheid de eventuele vrije varianten in overweging nemen die door de inschrijvers voorgesteld werden. Deze moeten de minimumvoorwaarden vervullen die in het bestek vermeld staan en aan de voor hun indiening gestelde eisen voldoen (artikel 16 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten; gewijzigd bij W 2003-04-08/33, art. 101, 008; Inwerkingtreding : 27- 04-2003). Bijgevolg worden de vrije varianten in overweging genomen en onderworpen aan de hierna gemaakte evaluatie”. XII-6243-4\15 Alvorens over te gaan tot de toetsing van de offertes aan het vijfde gunningscriterium “kost lijfrente” wordt het volgende opgemerkt: “Voorafgaande opmerking: DIB-Ethias stelt 2 opties voor. Optie 1 zal verder worden aangeduid als ‘basisofferte A’. Optie 2 zal verder worden aangeduid als resp. ‘vrije variant B’. Behalve wanneer het bestek hierover anders beschikt, kan de aanbestedende overheid de eventuele vrije varianten in overweging nemen die door de inschrijvers voorgesteld werden. Deze moeten de minimumvoorwaarden vervullen die in het bestek vermeld staan en aan de voor hun indiening gestelde eisen voldoen (artikel 16 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten: gewijzigd bij W 2003-04-08/33, art. 101, 008; Inwerkingtreding : 27- 04-2003). Bijgevolg worden de vrije varianten in overweging genomen en onderworpen aan de hierna gemaakte evaluatie”. Na toetsing van de offertes en de varianten aan de gunningscriteria, geeft de gemotiveerde gunningsbeslissing de volgende algemene scoretabel: DIB Ethias Vrije variant 1 – Vrije variant B 84 BIB Ethias Vrije variant 1 – Basisofferte A 83 DIB Ethias Basisvoorstel- Vrije variant B 83 DIB Ethias Basisvoorstel – Basisofferte A 82 Allianz 80 AXA 77 DIB Ethias Vrije variant 2 – Vrije variant B 77 DIB Ethias Vrije variant 2 – Basisofferte A 76 Integrale 74 DIB Ethias Vrije variant 3 – Vrije variant B 69 DIB Ethias Vrije variant 3 – Basisofferte A 68 AG Insurance [verzoekende partij] 67 Vervolgens wordt besloten dat de vrije variante 1 – vrije variant B van DIB-Ethias Lokale Contracten de hoogste eindquotering heeft behaald en wordt op 14 juni 2010 beslist om de opdracht toe te wijzen aan deze inschrijver. XII-6243-5\15 3.
- Bij aangetekende brief van 16 juni 2010 worden alle inschrijvers in kennis gesteld van de gemotiveerde gunningsbeslissing. IV. Tussenkomst
- Met een op 8 juli 2010 ter post aangetekend verzoekschrift vragen de nv Dexia Insurance Belgium en de nv Ethias, samen vormend de tijdelijke handelsvennootschap “DIB-Ethias Lokale Contractanten”, om in het geding te mogen tussenkomen. Zij blijken voordeel te halen uit de bestreden beslissing en hebben er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Dienvolgens moet hun verzoek worden ingewilligd. V. De schorsingsvoorwaarden
- Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. VI. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde Eerste middel
- Een eerste middel is genomen uit de schending van “artikel 53 van de richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten; van artikel 16 van de wet van 24 december 1993, van artikel 115 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies van openbare werken; uit het transparantiebeginsel, uit de gelijke behandeling van de inschrijvers en uit het ‘patere legem quam ipse fecisti’ beginsel”. XII-6243-6\15 Exceptie
- Verwerende partij en de tussenkomende partijen werpen op dat verzoekende partij geen belang heeft bij het eerste middel. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om nader op deze excepties in te gaan. Een onderzoek van en een uitspraak daarover zou enkel noodzakelijk zijn indien het eerste middel ernstig zou zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. Eerste onderdeel Uiteenzetting
- In een eerste onderdeel voert verzoekende partij aan dat het bestek geen weging bevat van de subcriteria. De beoordelingselementen die in het bestek bij de gunningscriteria werden vermeld dienen volgens haar als subcriteria te worden beschouwd. Dat zij niet werden gewogen in het bestek zou een schending inhouden van artikel 16 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, en van artikel 115 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, richtlijnconform geïnterpreteerd. Verzoekende partij verwijst daartoe naar het arrest C-532/06 van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het arrest nr. 183.809 van de Raad van State. Voorts wijst zij erop dat in het bestek evenmin werd aangegeven “hoe de quotering concreet zou gebeuren”. Beoordeling 9.
- Het geschonden geachte artikel 16 van de wet van 24 december 1993 stelt: “Bij algemene of beperkte offerteaanvraag dient de opdracht toegewezen te worden aan de inschrijver die de voordeligste regelmatige offerte indient rekening houdend met de gunningscriteria die vermeld moeten zijn in het bestek, of eventueel in de aankondiging van de opdracht [...]”. XII-6243-7\15 Het eveneens geschonden geachte artikel 115 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 bepaalt in zijn tweede en derde lid: “Onverminderd [...] vermeldt de aanbestedende overheid in het bestek en eventueel in de aankondiging van de opdracht al de gunningscriteria, zo mogelijk in volgorde van afnemend belang; in dit geval wordt die volgorde in het bestek of in de aankondiging vermeld. Zo niet hebben de gunningscriteria dezelfde waarde. Wat de overheidsopdrachten betreft die de bedragen voor de Europese bekendmaking bereiken, specificeert de aanbestedende overheid de weging van elk gunningscriterium, die eventueel kan worden uitgedrukt binnen een vork met een passend verschil tussen minimum en maximum. Indien een dergelijke weging om aantoonbare redenen niet mogelijk is, worden de criteria vermeld in dalende volgorde van belangrijkheid”. 9.
- Het Hof van Justitie overwoog in het arrest Emm. G. Lianakis e.a. (C-532/06 van 24 januari 2008) in de eerste plaats, onder verwijzing naar de artikelen 3, tweede lid, en 36, tweede lid, van de richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening, en de beginselen van de gelijke behandeling van de marktdeelnemers en van de transparantieverplichting die er uit voortvloeit, dat “alle elementen die door de aanbestedende dienst in aanmerking worden genomen ter bepaling van de economisch voordeligste aanbieding, alsook het relatieve gewicht van deze criteria”, bij de potentiële inschrijvers bekend moeten zijn wanneer deze hun offertes voorbereiden. Vervolgens oordeelde het Hof van Justitie in dit arrest: “artikel 36, lid 2, van richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1997, gelezen tegen de achtergrond van het beginsel van gelijke behandeling van de marktdeelnemers en van de daaruit voortvloeiende transparantieverplichting, verzet zich ertegen dat de aanbestedende dienst in het kader van een aanbestedingsprocedure achteraf wegingscoëfficiënten en subcriteria voor de in het bestek of in de aankondiging van de opdracht vermelde gunningscriteria vaststelt”. In het arrest nv SV Interior Projects, nr. 183.809 van 5 juni 2008, oordeelde de Raad van State dat een beoordelingssysteem, gebruik makend van niet XII-6243-8\15 in het bestek vastgelegde en achteraf vastgestelde criteria en wegingscoëfficiënten, niet verenigbaar is met de artikelen 16 en 115, richtlijnconform geïnterpreteerd. 9.
- In de eerste plaats lijkt de voorliggende zaak niet vergelijkbaar met de zaken die tot de voormelde arresten Lianakis van het Hof van Justitie en SV Interior Projects van de Raad van State hebben geleid, waarin er sprake was van achteraf vastgestelde wegingscoëfficiënten én subcriteria. Ten dezen zijn de zogenaamde subcriteria immers reeds in het bestek vermeld en zijn er geen wegingen aan toegekend. 9.
- Voorts rijst de vraag of de door de verzoekende partij bedoelde elementen subcriteria zijn, meer bepaald volgens het Hof van Justitie, in zijn arrest C-532/06 van 24 januari 2008, inzake Emm. G. Lianakis e.a. : “elementen die door de aanbestedende dienst in aanmerking worden genomen ter bepaling van de economisch voordeligste aanbieding”, waarbij mag worden verondersteld dat het tevens om vooraf bedachte gegevens gaat waarmee de offertes min of meer stelselmatig worden beoordeeld en vergeleken (arrest Raad van State, nr. 200.778 van 11 februari 2010, nv. Eurobussing Vlaanderen). 9.
- Te dezen somt het bestek bij elk gunningscriterium een aantal elementen op die deze gunningscriteria lijken te expliciteren op niet-exhaustieve wijze. Het bestek bepaalt immers uitdrukkelijk dat de woorden “onder meer” in de tabel niet limitatief dienen te worden gelezen, maar enkel aangeven welke elementen bij de beoordeling zeker in aanmerking zullen worden genomen. In de lijn van de voormelde rechtspraak lijkt het in principe niet te mogen worden uitgesloten dat de betrokken elementen als subgunningscriteria moeten worden beschouwd. In die veronderstelling diende het bestek dan aan elk van deze elementen ook een weging te geven. De gunningscriteria zelf zijn echter reeds zeven in getal en in het bestek is aan die criteria alvast een weging toegekend. De zogenaamde subcriteria van hun kant zijn dermate talrijk - meer dan dertig- dat hun afzonderlijke weging in redelijkheid niet meer nuttig zou kunnen lijken, omdat zulks met zich zou meebrengen dat per subcriterium nauwelijk nog puntenspreiding mogelijk zou zijn, wegens een te gering aantal beschikbare punten per subcriterium. Dit bezwaar samen genomen met het niet-limitatief karakter van de betrokken elementen, leiden XII-6243-9\15 tot de prima facie conclusie dat te dezen de bedoelde elementen niet als voorwaardige subcriteria dienden te worden aangemerkt en dienvolgens niet aan verplichte weging in het bestek waren onderworpen. Bovendien lijkt er in de gemotiveerde toewijzingsbeslissing geen sprake van een planmatige toetsing van alle offertes aan elk van deze elementen. Verwerende partij lijkt veeleer per offerte de gunstige en minder gunstige elementen te vermelden die haar ertoe gebracht hebben om de merites van de ingediende offertes te waarderen en de scores voor de gunningscriteria toe te kennen. Verwerende partij lijkt zich op het eerste gezicht dus niet te hebben bediend van subgunningscriteria. 9.
- In het kader van het eerste onderdeel van haar middel merkt verzoekende partij voorts nog summier op dat in het bestek evenmin werd aangegeven hoe de quotering concreet zou gebeuren. Verzoekende partij geeft echter niet aan welke rechtsbepaling de aanbestedende overheid te dezen ertoe verplichtte om voorafgaandelijk aan te geven welke beoordelingsmethode zij zou gebruiken bij de toetsing aan de diverse in het bestek vermelde gunningscriteria. 9.
- Het eerste onderdeel is niet ernstig. Tweede onderdeel Uiteenzetting
- In een tweede onderdeel merkt verzoekende partij op dat, aangezien het relatief gewicht van de diverse subcriteria zelfs na de gunning niet duidelijk is, dit totale willekeur toelaat wat de gunning volkomen arbitrair maakt. Aan de hand van tabellen licht zij toe dat zij niet begrijpt hoe de punten voor het vijfde en zesde gunningscriterium werden toegekend. Beoordeling 11.
- Zoals reeds werd opgemerkt in het kader van de beoordeling van het eerste onderdeel lijkt verwerende partij zich op het eerste gezicht niet bediend te hebben van subcriteria. Voorts noch uit de door verzoekende partij aangehaalde wettelijke en reglementaire bepalingen en beginselen, noch uit de door haar XII-6243-10\15 aangehaalde rechtspraak, een verplichting voor de aanbestedende overheid voort te vloeien om bij de beoordeling van de offertes de weging die per gunningscriterium vooraf werd bepaald, nog verder op te splitsen in het kader van de beoordeling van het gunningscriterium. 11.
- De algemene kritiek die verzoekende partij voorts doet gelden op de beoordeling aan de hand van het vijfde en zesde gunningscriterium is op het eerste gezicht niet ontvankelijk. Deze gunningscriteria hebben immers slechts een weging van respectievelijk 5 en 10 punten, zodat, gelet op het verschil van 17 punten tussen de offerte van verzoekende partij en deze van de gekozen inschrijver, de kritiek van verzoekende partij op het eerste gezicht niet van aard is om de rangschikking te kunnen beïnvloeden in die zin dat haar offerte toch nog als voordeligste zou kunnen verschijnen: zelfs in de hypothese dat verzoekende partij maximaal zou scoren, en de gekozen inschrijver ditmaal geen punten zou behalen, kan verzoekende partij slechts 5 punten winnen en de gekozen inschrijver er 12 verliezen, wat beide concurrenten nog maar op een gelijk resultaat van 72 punten zou brengen. Dat de gekozen inschrijver ditmaal geen punten voor de beide criteria zou behalen, lijkt te onwaarschijnlijk om als een plausibele veronderstelling aan te nemen. 11.
- Het tweede onderdeel wordt niet aanvaard. Derde onderdeel Uiteenzetting
- In een derde onderdeel werpt verzoekende partij op dat verwerende partij voor wat betreft het zesde gunningscriterium de offertes niet vergeleken heeft met alle in het bestek vermelde subcriteria van dit gunningscriterium. Beoordeling
- Zoals reeds vastgesteld bij de beoordeling van het tweede onderdeel heeft verzoekende partij geen belang bij dit onderdeel nu de beoordeling van criterium 6 - slechts tien punten waard - op zichzelf niet van aard lijkt om de XII-6243-11\15 rangschikking te kunnen beïnvloeden in die zin dat haar offerte alsnog als de voordeligste zou kunnen verschijnen. Het derde onderdeel is niet ernstig. Vierde onderdeel Uiteenzetting
- In een vierde onderdeel laakt verzoekende partij nog het feit dat het bestek geen limitatieve lijst van subcriteria bevat, waardoor zij vooraf niet wist aan de hand van welke subcriteria haar offerte met de andere zou worden vergeleken. Beoordeling
- Daargelaten de vraag of de elementen die op niet-exhaustieve wijze in het bestek worden opgesomd daadwerkelijk als subcriteria dienen te worden aangemerkt – op welke vraag reeds eerder werd ingegaan – wordt vastgesteld dat verzoekende partij geen belang lijkt te hebben bij dit onderdeel aangezien zij nergens in haar verzoekschrift aanvoert dat verwerende partij achteraf, bij de beoordeling, nog andere elementen zou hebben gehanteerd benevens de elementen die in het bestek werden opgesomd. Het vierde onderdeel is niet ernstig. Tweede middel Uiteenzetting
- Een tweede middel is genomen uit de schending van “artikel 16 van de wet van 24 december 1993 [...]; artikelen 103 en 115 van het Koninklijk besluit van 8 januari 1996 [...]; de artikelen 2 en 3 van de formele motiveringswet; het beginsel van de gelijkheid van de inschrijvers; de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van patere legem quam ipse fecisti”. XII-6243-12\15 Zij betoogt daartoe dat terwijl de aankondiging van de opdracht het indienen van varianten verbood, de aanbestedende overheid de varianten ingediend door de thv DIB-Ethias toch in aanmerking heeft genomen en de opdracht heeft toegewezen aan laatstgenoemde, voor een door hun ingediende variant. Als de verwerende partij varianten had willen toelaten, had zij volgens verzoekende partij ook de minimumvoorwaarden moeten bepalen, welke volgens verzoekende partij niet terug te vinden zijn in het bestek. Beoordeling 17.
- Zowel verwerende partij als de tussenkomende partijen werpen op dat verzoekende partij geen belang heeft bij dit middel. 17.
- Uit de gemotiveerde gunningsbeslissing blijkt dat vijf inschrijvers een offerte hebben ingediend en dat verzoekende partij de laagste score behaalde van alle inschrijvers. Verzoekende partij draagt aldus de bewijslast om aannemelijk te maken dat haar middel, indien het ernstig zou zijn, - op zichzelf, nu het eerste middel faalt - ertoe zou kunnen leiden dat zij toch nog een nieuwe kans heeft om haar offerte als de meest voordelige te zien verschijnen. 17.
- Het middel lijkt ertoe te kunnen leiden, dat mocht het aanvaard worden, hetzij de gekozen offerte, hetzij de gehele inschrijving van de gekozen inschrijver moet worden geweerd, aangezien deze inschrijving was opgezet met voorstellen die door de verwerende partij in een basisofferte en -volgens de verzoekende partij verboden- varianten werden opgedeeld. Daarentegen lijkt het middel aldus op het eerste gezicht niet te kunnen leiden tot een volledig nieuwe beoordeling waarin alle andere offertes moeten worden betrokken nu tegen deze offertes geen kritiek wordt uitgebracht. In tegenstelling tot wat verzoekende partij lijkt te betogen, kan het middel evenmin voeren tot de eventuele onwettigheid van het bestek: ingeval varianten niet toegelaten zouden zijn geweest, zoals in de aankondiging bij de voorliggende opdracht was bepaald, dienden immers in het bestek evenmin minimumvoorwaarden te worden bepaald. XII-6243-13\15 17.
- Zelfs indien de integrale inschrijving van de gekozen inschrijver als onregelmatig zou moeten worden beschouwd, lijken de hier door verzoekende partij niet aan kritiek onderworpen offertes van Allianz, AXA en Integrale dan nog gerangschikt te blijven vóór de offerte van verzoekende partij. 17.
- Door verzoekende partij wordt aldus niet aangetoond hoe de gevraagde schorsing op grond van dit middel haar dan tot voordeel zou strekken, meer bepaald de door haar verhoopte kans op toewijzing zou bieden. De exceptie wordt bijgevallen: bij gebrek aan belang in hoofde van verzoekende partij is het tweede middel dan ook niet ontvankelijk. VII. Besluit
- Nu beide middelen niet ernstig zijn bevonden is meteen niet voldaan aan de tweede van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die cumulatief moeten zijn vervuld wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. Deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen. BESLISSING
- Het verzoek van de nv Dexia Insurance Belgium en de nv Ethias, samen vormend de tijdelijke handelsvennootschap “DIB-Ethias Lokale Contractanten” tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 175 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 350 euro, elk voor de helft. XII-6243-14\15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 15 juli 2010, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-6243-15\15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.672 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.383 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.