← België

Arrest 206750 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 16/07/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.750 Rolnummer: A. 194128/XIV-31431 Zaak: Arrest 206750 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 16/07/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-08-04 Raadplegingen: 203 - laatst gezien 2026-07-02 12:30 Fiche Arrest nr 206.750 van 16 juli 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 206.750 van 16 juli 2010 in de zaak A. 194.128/XIV-31.431. In zake : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken, thans de Staatssecretaris voor Migratie- en asielbeleid, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Antwerpsesteenweg 59B tegen : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat G. DE KERCHOVE D' EXAERDE, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, de Wynantsstraat 23. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken, thans de Staatssecretaris voor Migratie- en asielbeleid, op 30 september 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 30.717 van 27 augustus 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 4907 van 9 oktober 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 10 maart 2010 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 juni 2010; XIV-31.431-1/19 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat E. MATTERNE die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat M. FALLON-KUND die, loco Advocaat G. DE KERCHOVE D' EXAERDE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. XXX, die verklaart van Chinese nationaliteit te zijn, heeft op 12 november 2008 een aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (verder de Vreemdelingenwet) ingediend. 1.2. Op 17 maart 2009 neemt de gemachtigde van de Minister van Migratie- en Asielbeleid een beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis ontvankelijk doch ongegrond werd verklaard. 1.3. Op 29 maart 2009 neemt de gemachtigde van de Minister van Migratie- en Asielbeleid een beslissing houdende bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.4. XXX dient op 8 mei 2009 tegen deze beslissingen een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.5. Bij arrest nr. 30.717 van 27 augustus 2009 heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de beslissingen van de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid van 17 maart en 29 maart 2009 vernietigd. XIV-31.431-2/19 Dit is het bestreden arrest, dat luidt als volgt: “3. Onderzoek van het beroep In een enig middel voert verzoekster de schending aan van de artikelen 58, 59, 60 en 61, §2, 1/ en 2/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: de Vreemdelingenwet), van de omzendbrief van 15 september 1998 betreffende het verblijf van vreemdelingen die in België wensen te komen studeren, van het beginsel van behoorlijk bestuur en het zorgvuldigheidsbeginsel gesteund op het feit dat de verwerende partij een manifeste beoordelingsfout begaan heeft in de motivatie van haar beslissingen. In een eerste onderdeel voert verzoekster aan dat de bestreden beslissing in casu onjuist is en gegrond is op een kennelijke appreciatiefout. Zij meent dat de verwerende partij ten onrechte beweert dat de Faculteit voor Vergelijkende Godsdienstwetenschappen, waar zij sinds september 2008 studeert, niet beantwoordt aan de voorwaarden van de artikelen 58 en 59 van de Vreemdelingenwet en dat zij geen bewijs van voldoende bestaansmiddelen voorgelegd zou hebben. In een eerste subonderdeel stelt zij dat de Faculteit voor Vergelijkende Godsdienstwe- tenschappen (hierna: FVG) geen door de overheid georganiseerde of gesubsidieerde onderwijsinstelling is, doch dat zij is erkend door de overheid. Na het citeren van de artikelen 58 en 59 van de Vreemdelingenwet stelt verzoekster dat de onderwijsinstelling ofwel erkend ofwel georganiseerd ofwel gesubsidieerd moet zijn door de overheid om in het toepassingsgebied van artikel 58 van de Vreemdelingenwet te vallen. Verzoekster wijst erop dat de FVG een bij koninklijk besluit erkende instelling van het derde niveau is zoals blijkt uit het attest van de rector. Zij vervolgt dat er op 23 februari 2003 een raamoverkomst werd afgesloten tussen de FVG en de Vrije Universiteit van Brussel waarbij verschillende samenwerkingsovereenkomsten tot stand werden gebracht, dat zo studenten van de FVG sindsdien de mogelijkheid hebben om aan de VUB een aantal keuzevakken te volgen en hebben de studenten Wijsbegeerte en Moraalwetenschappen van de VUB dezelfde optie aan de FVG. Zij wijst er verder ook op dat de Vlaamse regering op 20 april 2007 de FVG erkend heeft als geregistreerde instelling voor het hoger onderwijs waardoor ze rechtsgeldig bachelor- en masterdiploma’s kan uitreiken. Verzoekster meent dat uit deze elementen duidelijk blijkt dat de FVG wel degelijk een door de overheid erkende onderwijsinstelling is. Verder stelt ze, heeft de heer C. VONCK, rector van de FVG, in een attest van 8 september 2008 en 10 november 2008 bevestigd, conform artikel 59 en bovengenoemde omzendbrief, dat zij ingeschreven is als regelmatige studente in 1BA voor het academiejaar 2008-2009, met volledig dagonderwijs. Verzoekster benadrukt dat aan alle vereisten van artikel 59 van de Vreemdelingenwet is voldaan en dat zij sinds september 2008 effectief aan de FVG studeert, dat uit voorgaande dan ook blijkt dat haar Bewijs van Inschrijving in het Vreemdelingenregister (hierna: BIVR) in toepassing van artikel 58 verlengd had moeten worden. Zij vervolgt dat haar aanvraag tot verlenging van haar BIVR in september 2008, met andere woorden een maand voor het verstrijken van haar verblijfstitel conform artikel 101 van het Koninklijk Besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: KB van 8 oktober 1981) werd ingediend. Ook stelt zij dat het feit dat zij op het moment van de bestreden beslissing niet meer in het bezit was van een regelmatig verblijfsdocument enkel te wijten is aan de traagheid waarmee haar verzoek behandeld werd door de verwerende partij. In een tweede subonderdeel stelt verzoekster dat in tegenstelling tot wat de verwerende partij beweert, zij wel degelijk heeft aangetoond dat zij over voldoende middelen van bestaan beschikt voor het academiejaar 2008-2009. Zij wijst erop dat artikel 60 van de Vreemdelingenwet voorziet dat het bewijs hiervan gebracht kan worden, onder meer door het overleggen van een attest waaruit blijkt dat de vreemdeling geniet van een beurs of een lening of door het voorleggen van een verbintenis tot tenlasteneming. Zij XIV-31.431-3/19 vervolgt dat de voornoemde omzendbrief stelt dat deze opsomming niet limitatief is en dat de buitenlandse student dit bewijs ook met andere middelen kan leveren zoals het overmaken van het bewijs van het bezit van persoonlijke middelen. Zij geeft aan dat ze onder andere een attest van de rector van de FVG heeft neergelegd van 10 november 2008 dat luidt als volgt: “Ondergetekende VONCK Christiaan, in zijn hoedanigheid van rector, bevestigt hiermee dat (…) het bedrag van 6.372,00 voor de verlenging van het BIVR gestort heeft op de daarvoor bestemde KBC (Wilrijk) rekening van de FGV”. Verzoekster meent dat zij aldus het nodige bedrag geconsigneerd heeft op een bankrekening van de FVG die haar elke maand het nodige terugstort op haar eigen bankrekening om haar alledaagse kosten te dekken. In een tweede onderdeel lijkt verzoekster haar kritiek op de eerste bestreden beslissing te uiten. Zij stelt dat uit het voorgaande blijkt dat zij voldoet aan de voorwaarden om een verblijfstitel op grond van artikel 58 van de Vreemdelingenwet te krijgen. Zij wijst erop dat artikel 58 van de Vreemdelingenwet aan de vreemdeling die in België wenst te studeren en die hiervoor de verschillende wettelijke voorwaarden vervult een ‘automatisch’ recht toekent om meer dan drie maanden in het rijk te verblijven, zonder dat de administratie verder over enige beoordelingsmacht beschikt. Zij meent dat zij alle door de wet geviseerde documenten heeft voorgelegd aan de verwerende partij waardoor laatstgenoemde de plicht had haar BIVR te verlengen. Zij meent dat haar verzoek dan ook niet in het kader van het artikel 9bis van de Vreemdelingenwet behandeld kon worden waardoor de eerste bestreden beslissing de in het enig middel aangevoerde bepalingen schendt. In de nota met opmerkingen stelt de verwerende partij dat de bestreden beslissing de beslissing van 17 maart 2009 is tot verwerping van een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet, teneinde toestemming te verkrijgen om de studies verder te zetten in een private onderwijsinstelling die niet voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 58 en 59 van de Vreemdelingenwet. Zij stelt dat de aanvraag ontvankelijk doch ongegrond werd verklaard omdat verzoekster niet heeft aangetoond dat de opleiding die zij wenst te volgen aan de FVG in het verlengde ligt van haar eerder gevolgde opleiding van boekhouden of haar studieplan, dat zij haar studiekeuze motiveerde bij de FVG door te stellen dat zij slaagde voor het toegangsexamen en de mogelijkheid heeft om aldaar een jaar Engels te studeren, en vervolgens een jaar Nederlands, dat buitenlandse studenten nochtans maar één jaar talen mogen volgen ter voorbereiding van hogere studies en dat bovendien de inhoud van de gevolgde cursussen voor verzoekster niet van belang bleek. De verwerende partij stelt vast dat verzoekster in haar verzoekschrift de motivering van de beslissing tot verwerping van een aanvraag om machtiging tot verblijf van 17 maart 2009 niet betwist, dat zij geen argumenten aanbrengt tegen de vaststelling dat haar opleiding die zij wenst te volgen, niet in de lijn ligt van de basisopleiding boekhouden die zij in China gevolgd heeft, dat zij bovendien niet duidelijk maakt waarom zij gemotiveerd is om de cursus te volgen en dat zij ook geen argument inbrengt tegen de stelling in de bestreden beslissing dat buitenlandse studenten maar één jaar talen mogen volgen. Hieruit concludeert de verwerende partij dat de motivering van de eerste bestreden beslissing niet wordt betwist in verzoeksters verzoekschrift en derhalve vaststaat. Aangaande de tweede bestreden beslissing stelt de verwerende partij in haar nota met opmerkingen in hoofdorde dat het beroep van verzoekster onontvankelijk is daar het aangetast is door een gebrek aan belang daar een eventuele nietigverklaring van het bevel niets afdoet aan de illegale verblijfstoestand van verzoekster. Verder stelt de verwerende partij, in ondergeschikte orde, dat het BIVR verstreken is sedert 31 oktober 2008 waardoor zij illegaal op het Belgisch grondgebied verblijft en dat deze reden reeds voldoende is om aan verzoekster een bevel te betekenen. Zij stelt opnieuw vast dat verzoekster dit element niet betwist in haar verzoekschrift zodat het bevel derhalve terecht is ten aanzien van verzoekster. De verwerende partij citeert het artikel 61, §2, 1/ en 2/ van de Vreemdelingenwet en stelt dat verzoekster inderdaad niet meer in het bezit is van een verblijfsmachtiging, dat haar BIVR is verstreken sinds 31 oktober 2008 en dat haar aanvraag om machtiging tot verblijf dateert van XIV-31.431-4/19 12 november 2008, wat wil zeggen enkele weken na het verstrijken van het BIVR. De verwerende partij is dan ook van mening dat verzoekster haar aanvraag tot het verlengen laattijdig heeft ingediend en dat verzoeksters bewering dat haar aanvraag dateert van september 2008 feitelijke grondslag mist. De verwerende partij meent dat in de tweede bestreden beslissing terecht gesteld wordt dat verzoekster gemachtigd moet worden tot een verblijf in toepassing van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet, teneinde toestemming te krijgen om aan de FVG te studeren. Zij wijst erop dat de aanvraag werd afgewezen. De verwerende partij meent dan ook dat de discussie of de FVG al dan niet een erkende onderwijsinstelling is, niet ter zake doet en niet doorslaggevend is in de motivering van het bestreden bevel om het grondgebied te verlaten. Zij vervolgt dat doorslaggevend is het feit dat verzoekster geen verblijfsdocu- menten kan voorleggen. De verwerende partij wijst erop dat het attest dat werd afgeleverd door de FVG bijgevolg niet in aanmerking werd genomen om haar verblijf te verlengen. In de nota met opmerkingen stelt de verwerende partij ook nog dat verzoekster bovendien geen bewijs van voldoende bestaansmiddelen heeft voorgelegd. De verwerende partij stelt dat verzoekster beweert dat zij een bedrag in consignatie heeft gegeven bij de FVG, doch dat het feit is dat bij de aanvraag om machtiging tot verblijf geen bewijs van bestaansmiddelen werden voorgelegd. Na citering van artikel 60 van de Vreemdelingenwet stelt de verwerende partij dat verzoekster geen attest zoals bedoeld in artikel 60, 1/ van de Vreemdelingenwet, noch een verbintenis zoals bedoeld in artikel 60, 2/ van de Vreemdelingenwet heeft voorgelegd bij de aanvraag tot machtiging tot verblijf. De verwerende partij meent dan ook dat het bewijs over voldoende bestaansmiddelen niet werd geleverd. Zij meent dan ook dat de bestreden beslissing wel degelijk afdoende werd gemotiveerd, in feite als in rechte. In haar repliekmemorie stelt verzoekster dat in tegenstelling tot wat de verwerende partij beweert duidelijk uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster wel degelijk tijdig, dit is conform artikel 101 van het KB van 8 oktober 1981 één maand voor het verstrijken van haar verblijfstitel, een aanvraag tot vernieuwing van haar BIVR heeft ingediend. Dat het dossier inderdaad een ‘synthesedocument telefoongesprek’, aangemaakt door de heer W. VH. op 20 oktober 2008 met de gemeente Antwerpen als gesprekspartner bevat waarvan de inhoud als volgt samengevat wordt: ‘Vraag naar situatie betrokkene: ik deelde mee dat betrokkene een nieuwe bijlage 32 moet voorleggen met een aanvraag tot statuutwijziging artikel 9.2 omdat ze een inschrijving voorlegt aan het FVG, met motivatiebrief (…)’. Verzoekster stelt dat haar aanvraag duidelijk gegrond was op artikel 58 van de Vreemdelingenwet wat ook blijkt uit het opschrift ‘aanvraag verlenging BIVR’ op het document dat de gemeente op 12 november 2008 doorstuurde naar de diensten van de verwerende partij. Verzoekster meent dat de verwerende partij een manifeste beoordelingsfout heeft begaan en de in het verzoekschrift aangevoerde middelen schendt door het verzoek niet in het licht van artikel 58 maar in het kader van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet te behandelen. Verzoekster stelt dat zij pas op 8 april 2009 werd ingelicht van het feit dat haar verblijf op grond van artikel 58 niet verlengd kon worden, omdat zogezegd niet voldaan was aan diens voorwaarden en dat ook op grond van artikel 9bis haar aanvraag verworpen werd. Dat zij op dat moment niet meer in het bezit was van een regelmatig verblijfsdo- cument is enkel te wijten aan de traagheid waarmee haar verzoek behandeld werd door de verwerende partij. Verzoekster meent dat het in casu onbetwistbaar is dat zij aan alle voorwaarden van artikel 58 van de Vreemdelingenwet voldoet en dat zij dientengevolge een ‘automatisch’ recht heeft om meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven, zonder dat de administratie verder over enige beoordelingsmacht beschikt. Zij wijst erop dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen niet ontkent dat de FVG een door de overheid erkende onderwijsinstelling is maar zich beperkt te stellen dat dit element niet ter zake is, dat het evident is dat dit wel doorslaggevend is, dat het immers precies omdat de verwerende partij van mening is dat de FVG niet aan de voorwaarden van artikel 58 van de Vreemdelingenwet voldoet, is dat de aanvraag verkeerdelijk, in XIV-31.431-5/19 het licht van artikel 9bis behandeld werd, terwijl het verblijf van verzoekster tijdig en automatisch verlengd had moeten worden. Verder stelt verzoekster nog in haar repliekmemorie dat het argument van de verwerende partij dat zij niet aangetoond zou hebben over voldoende bestaansmiddelen te beschikken formeel wordt tegengesproken door het administratief dossier, dat een kopie bevat van het attest van inschrijving als regelmatig student waarin de rector van de FVG bevestigt dat Ondergetekende VONCK Christiaan, in zijn hoedanigheid van rector, bevestigt hiermee dat (…) het bedrag van 6.372,00 voor de verlenging van het BIVR gestort heeft op de daarvoor bestemde KBC (Wilrijk) rekening van de FGV”. Voor het overige herhaalt en volhardt zij in het middel en de argumenten aangebracht in het inleidend verzoekschrift. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (hierna: de Raad) vermag zich niet in de plaats te stellen van de minister van Migratie- en asielbeleid bij de toetsing van de beoordeling van de aanvraag tot verlenging of vernieuwing van de machtiging tot verblijf als student. De Raad kan bij uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel nagaan of de minister bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of hij die correct heeft beoordeeld en of hij op grond daarvan niet kennelijk onredelijk tot zijn besluit is gekomen. De Raad stelt vast dat verzoekster kan gevolgd worden waar zij stelt dat de verwerende partij de aanvraag verkeerdelijk in het licht van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet heeft behandeld omdat de verwerende partij van mening lijkt te zijn dat de FVG niet aan de voorwaarden van artikel 58 van de Vreemdelingenwet voldoet. Artikel 58 van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: “Wanneer de aanvraag tot het bekomen van de machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven bij een Belgische diplomatieke of consulaire post ingediend wordt door een vreemdeling die in België wenst te studeren in het hoger onderwijs of er een voorbereidend jaar tot hoger onderwijs wenst te volgen, moet die machtiging toegekend worden indien de betrokkene zich niet bevindt in een der in artikel 3, eerste lid, 5/ tot 8/, bedoelde gevallen en indien hij de hiernavolgende documenten overlegt: 1/ een attest afgegeven door een onderwijsinstelling overeenkomstig artikel 59; 2/ het bewijs dat hij voldoende middelen van bestaan bezit; 3/ een geneeskundig getuigschrift waaruit blijkt dat hij niet aangetast is door een der in bijlage bij deze wet opgesomde ziekten of gebreken; 4/ een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene niet veroordeeld is geweest wegens misdaden of wanbedrijven van gemeen recht, wanneer hij ouder is dan eenentwintig jaar. Bij ontstentenis van een getuigschrift als bedoeld onder 3/ en 4/ van het eerste lid, kan de Minister of zijn gemachtigde niettemin, rekening houdende met de omstandigheden, de vreemdeling machtigen in België te verblijven om er te studeren. De machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven kan door de vreemdeling in het Rijk aangevraagd worden overeenkomstig de door de Koning bepaalde modaliteiten in uitvoering van artikel 9, tweede lid.” Artikel 59 van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: “Al de door de overheid georganiseerde, erkende of gesubsidieerde onderwijsinstelling- en zijn bevoegd om het vereiste attest af te geven. Dit attest bevestigt, hetzij dat de vreemdeling als regelmatige leerling of student, die voldoet aan de voorwaarden inzake voorafgaande studiën, ingeschreven is in de onderwijsinstelling die het afgeeft, hetzij dat hij, in voorkomend geval, een aanvraag tot het verlenen van de gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma's en studiegetuig- schriften ingediend heeft, hetzij dat hij, in voorkomend geval, ingeschreven is voor de toelatingsproef. In de twee laatste gevallen moet een nieuw attest binnen vier maanden bevestigen dat de vreemdeling, na het bekomen van de gelijkwaardigheid van diploma of studiegetuig- schrift of na het slagen voor de toelatingsproef, als regelmatige leerling of student ingeschreven is in de onderwijsinstelling die het afgeeft. XIV-31.431-6/19 Het attest moet betrekking hebben op een onderwijs met volledig leerplan; het mag echter ook betrekking hebben op een onderwijs met beperkt uurrooster wanneer de vreemdeling bewijst dat dit onderwijs zijn hoofdbezigheid en de voorbereiding of de aanvulling van een onderwijs met volledig leerplan zal uitmaken.” De Raad stelt vast dat de wet zelf de basisvoorwaarden aangeeft voor een vreemdeling die in België wenst te studeren in het hoger onderwijs of er een voorbereidend jaar tot hoger onderwijs wenst te volgen. Indien voornoemde vreemdeling een machtiging tot verblijf heeft gekregen op grond van zijn status als student, is het ook mogelijk zijn verblijf te verlengen of te vernieuwen om zijn studies verder te zetten, onder bepaalde voorwaarden. De voorwaarden en de procedure tot het verlengen of vernieuwen van de machtiging tot verblijf voor studenten zijn terug te vinden in ‘Hoofdstuk IV - Studenten’ van het KB van 8 oktober 1981 en in de omzendbrief van 15 september 1998 betreffende het verblijf van vreemdelingen die in België wensen te komen studeren. Artikel 101 van het KB van 8 oktober 1981 luidt als volgt: “De vreemde student moet zich bij het gemeentebestuur van zijn verblijfsplaats aanmelden om de vernieuwing van zijn verblijfsvergunning aan te vragen, uiterlijk één maand vóór de vervaldatum. De verbintenis tot tenlasteneming, bedoeld in artikel 60, lid 1, 2/, van de wet, moet in overeenstemming zijn met het model van bijlage 32. Indien de student de vereiste documenten niet overlegt, verzoekt het gemeentebestuur hem, door afgifte van een document overeenkomstig het model van bijlage 29, het nodige te doen vóór het verstrijken van zijn verblijfsvergunning.” In deel IV van de voornoemde omzendbrief vinden we de titel ‘Verlenging en vernieuwing van de verblijfstitel’. Dit deel luidt als volgt: “DEEL IV. - VERLENGING EN VERNIEUWING VAN DE VERBLIJFSTITEL TITEL I. - Principe Conform artikel 101 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 moet de vreemde student die een verlenging van één jaar of een vernieuwing van zijn verblijfstitel wenst, zich aanmelden bij het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats. Hij dient te voldoen aan verschillende voorwaarden opdat het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats overgaat tot de verlenging of de vernieuwing van zijn titel. Indien de student de documenten die vereist zijn voor de verlenging of de vernieuwing van zijn verblijfstitel niet overlegt, verzoekt het gemeentebestuur hem het nodige te doen vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van zijn verblijfstitel, dit door afgifte van een document overeenkomstig het model van bijlage 29 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981. TITEL II. - Voorwaarden voor de verlenging en de vernieuwing van de verblijfstitel HOOFDSTUK 1. - Termijn Overeenkomstig artikel 101 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 dient de vreemde student zich uiterlijk een maand voor het verstrijken van de geldigheidsduur van zijn verblijfstitel bij het gemeentebestuur aan te melden om de verlenging ervan te bekomen, dit ten laatste op 1 oktober. HOOFDSTUK 2. Onderzoek of de basisvoorwaarden die gesteld zijn aan het verblijf als student nog steeds vervuld zijn Een verlenging van de verblijfstitel voor een jaar wordt toegestaan aan de vreemdeling die zijn hoedanigheid van student bevestigt in de zin van de wet van 15 december 1980. Hij kan deze hoedanigheid bewijzen door de volgende documenten over te leggen : A. Bewijs van de hoedanigheid van student De vreemdeling levert dit bewijs door de volgende documenten over te leggen : - een nieuw attest waarin bevestigd wordt dat de betrokkene in de hoedanigheid van regelmatige leerling of student ingeschreven is in een onderwijsinstelling voor het volgende academiejaar; - een attest afgegeven door de onderwijsinstelling waar hij voordien was ingeschreven, waarin bevestigd wordt dat hij zich aangeboden heeft voor de eindexamens of, indien dit niet het geval was, dat hij afwezig was omwille van een geldige reden. XIV-31.431-7/19 B. Bewijs van de middelen van bestaan Indien de vreemdeling van een lening of een beurs geniet, dient hij jaarlijks te bewijzen dat hij over voldoende inkomsten beschikt, dit door de overlegging van een attest waarin bevestigd wordt dat een beurs of lening wordt toegekend voor het nieuwe academiejaar of door de overlegging van om het even welk bewijs van inkomsten. Indien zijn verblijf financieel gedekt werd door een verbintenis tot tenlasteneming overeenkomstig de bijlage 32 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981, dient de betrokkene slechts een nieuwe verbintenis tot tenlasteneming over te leggen indien de oorspronkelijke verbintenis tot tenlasteneming niet de totale duur van de studies dekt of indien de garant afstand gedaan heeft van zijn verbintenis. Indien de vreemdeling legaal een winstgevende activiteit in België uitoefent buiten de schoolvakanties, dient hij te bewijzen dat zijn arbeidskaart of zijn beroepskaart nog steeds geldig is en dat hij nog steeds voldoet aan alle wettelijke voorwaarden die verbonden zijn aan de hoedanigheid van werknemer of zelfstandige. Hij dient opnieuw te bewijzen dat deze activiteit bijkomstig is aan de studies en er geen beletsel voor vormt. De vreemde student mag andere bewijzen overleggen waaruit blijkt dat hij niet ten laste zal vallen van de overheid gedurende zijn verblijf. HOOFDSTUK 3. - Procedure van verlenging en vernieuwing van de verblijfstitel Er wordt door het gemeentebestuur waarbij de aanvraag werd ingediend een verlenging van de verblijfstitel toegestaan indien aan alle hierboven vermelde voorwaarden werd voldaan. Het advies van het bureau « Studenten » van de Dienst Vreemdelingenzaken is vereist in de gevallen opgesomd in titel III van deel IV van deze omzendbrief. In elk geval moeten alle originele documenten die overgelegd werden en geleid hebben tot de verlenging van de verblijfstitel van de vreemdeling, zo snel mogelijk opgestuurd worden naar het bureau « Studenten » van de Dienst Vreemdelingenzaken. Met betrekking tot de verlenging van de verblijfstitel die afgegeven werd aan een student die ingeschreven is in een onderwijsinstelling die noch georganiseerd, noch erkend, noch gesubsidieerd wordt door de overheid wordt de procedure beschreven in Deel VII van onderhavige omzendbrief. TITEL III. - Gevallen waarin het gemeentebestuur de Dienst Vreemdelingenzaken moet raadplegen alvorens de verblijfstitel te verlengen of te vernieuwen. In de hieronder vermelde elf gevallen kan het gemeentebestuur niet automatisch overgaan tot de verlenging of de vernieuwing van de verblijfstitel. Het gemeentebestuur is verplicht hierbij het bureau « Studenten » van de Dienst Vreemdelingenzaken te raadplegen. 1/ In geval van onzekerheid omtrent de administratieve toestand van en de te vervullen formaliteiten door een vreemdeling die ingeschreven is in of die zich zal inschrijven in een onderwijsinstelling die noch georganiseerd, noch erkend, noch gesubsidieerd wordt door de overheid; 2/ Indien de vreemdeling geschrapt is uit de bevolkingsregisters; 3/ Indien de vreemdeling financiële steun geniet van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. In ieder geval kan het gemeentebestuur in geval van twijfel aangaande de financiële situatie van de vreemdeling op eigen initiatief navraag doen bij het O.C.M.W. 4/ Indien de vreemde student niet meer daadwerkelijk samenwoont met de familieleden; 5/ Indien de vreemde student een dubbel statuut heeft (bijvoorbeeld : indien hij een asielaanvraag heeft ingediend tijdens zijn verblijf als student); 6/ Indien de vreemde student op een andere manier dan voorheen het bewijs levert van het bezit van voldoende middelen van bestaan (bijvoorbeeld: indien de vreemde student die aanvankelijk genoot van een beurs, ten laste genomen wordt door een garant of beschikt over eigen financiële middelen of inkomsten uit een beroepsactiviteit); 7/ Indien de vreemde student, die ten laste genomen werd door een eerste garant, een nieuwe verbintenis tot tenlasteneming voorlegt, ondertekend door een andere garant; XIV-31.431-8/19 8/ Indien het bedrag van de beurs of de lening, die toegekend werd aan de vreemde student, kleiner is dan het bedrag bepaald door het koninklijk besluit van 8 juni 1983 (B.S., 3 augustus 1983) tot vaststelling van het minimumbedrag van de middelen van bestaan waarover een vreemdeling die in België wenst te studeren moet beschikken; 9/ Indien er twijfels bestaan over de geldigheid van het attest van inschrijving of over enig ander document dat de hoedanigheid van student bewijst; 10/ Indien de vreemdeling zijn verblijfsvergunning verloren heeft; 11/ Indien de student reeds meer dan zes jaar als student in het Rijk verblijft.” Uit bovenstaande blijkt dat een vreemde student die een verlenging van één jaar of een vernieuwing van zijn verblijfstitel wenst, zich dient aan te melden bij het gemeentebe- stuur van zijn verblijfsplaats uiterlijk één maand voor het verstrijken van de geldig- heidsduur zijn verblijfstitel. Ook blijkt dat deze dient te voldoen aan verschillende voorwaarden voordat het gemeentebestuur overgaat tot de verlenging of de vernieuwing van de titel. In Hoofdstuk 2 van het deel ‘Verlening en vernieuwing van de verblijfstitel’ van de voornoemde omzendbrief stelt men dat dient onderzocht te worden of de basisvoor- waarden gesteld aan het verblijf als student nog steeds vervuld zijn. Daartoe moet men de hoedanigheid van student bevestigen in de zin van de Vreemdelingenwet. Men dient aldus het bewijs over te maken van hoedanigheid van student (attest van inschrijving als regelmatige leerling of student in een onderwijsinstelling voor volgende academie- jaar en attest afgegeven door de onderwijsinstelling waar hij voordien was ingeschre- ven, waarin bevestigd wordt dat hij zich aangeboden heeft voor de eindexamens of, indien dit niet het geval was, dat hij afwezig was omwille van een geldige reden) en het bewijs van middelen van bestaan. In Hoofdstuk 3 van het deel ‘Verlening en vernieuwing van de verblijfstitel’ van de voornoemde omzendbrief vindt men de procedure terug voor verlenging en vernieu- wing van de verblijfstitel. Daar valt te lezen wat volgt: “Er wordt door het gemeentebestuur waarbij de aanvraag werd ingediend een verlenging van de verblijfstitel toegestaan indien aan alle hierboven vermelde voorwaarden werd voldaan. “ Hieruit blijkt dat indien de student zijn verlenging van verblijf tijdig aanvraagt, indien hij geldige bewijzen van hoedanigheid van student voorlegt en indien hij een geldig bewijs van voldoende middelen van bestaan voorlegt, het gemeentebestuur de verlenging toestaat. Hieruit blijkt dat indien dat aan alle voorwaarden voldaan is, het gemeentebestuur de verlenging moet toestaan en aldus dienaangaande geen appreciatiebevoegdheid heeft. Het vorige is waar onder voorhoud van titel III van de deel IV ‘Verlening en vernieuwing van de verblijfstitel’ van de voornoemde omzendbrief, hierin worden de gevallen beschreven waarin het gemeente- bestuur de Dienst Vreemdelingenzaken moet raadplegen alvorens de verblijfstitel te verlengen of te vernieuwen. In de in titel III vermelde elf gevallen kan het gemeentebe- stuur niet automatisch overgaan tot de verlenging of vernieuwing van de verblijfstitel en dient zij de Dienst Vreemdelingenzaken te raadplegen. Aangaande de verlenging van de verblijfstitel die afgegeven werd aan een student die ingeschreven is in een onderwijsinstelling die noch georganiseerd, noch erkend, noch gesubsidieerd wordt door de overheid, wordt voor de procedure verwezen naar deel VII van de onderhavige omzendbrief. In voornoemd deel valt te lezen dat een onderwijsin- stelling die noch georganiseerd, noch erkend, noch gesubsidieerd wordt door de overheid bevoegd is om aan de vreemdeling een inschrijvingsattest af te geven dat het mogelijk maakt om een aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van de artikelen 9 en 13 van de Vreemdelingenwet in te dienen. De voornoemde titel stelt aangaande de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf die in België wordt ingediend, dat deze aanvraag gebeurt op grond van (oud) artikel 9, 3de lid van de Vreemdelingenwet (heden: artikel 9bis van de Vreemdelingenwet). Aldus zijn er bij een aanvraag verlenging of vernieuwing drie opties: - de voorwaarden zijn voldaan en men valt niet onder de uitzonderingsgevallen: het gemeentebestuur staat verlenging of vernieuwing toe XIV-31.431-9/19 - men bevindt zich in één van de elf uitzonderingsgevallen: het gemeentebestuur dient Dienst Vreemdelingenzaken te raadplegen - men is ingeschreven aan een onderwijsinstelling die noch georganiseerd, noch erkend, noch gesubsidieerd wordt door de overheid: een aanvraag gebeurd op grond van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoekster een machtiging tot verblijf kreeg geldig tot 31 oktober 2008, in het kader van een voorbereidend jaar Nederlands. Uit het administratief dossier, meer bepaald uit een synthesedocument telefoongesprek van 20 oktober 2008, blijkt dat verzoekster zich reeds op de gemeente Antwerpen aanmeldde. In het voornoemd document staat enkel wat de heer VH.W. meedeelde aan de gemeente Antwerpen. Uit het stuk blijkt niet wanneer verzoekster zich aanmeldde bij de gemeente Antwerpen en welke documenten zij precies voorlegde. Uit het document blijkt wel dat zij zeker een inschrijving aan de FVG en een motivatiebrief voorlegde. Uit het document kan ook afgeleid worden dat de gemeente Antwerpen voornoemde heer contacteerde met de vraag naar de situatie van betrokkene. Het document vermeldt het antwoord van de heer VH.W. dat stelt dat verzoekster een nieuwe bijlage 32 dient voor te leggen met een aanvraag tot statuutswijziging artikel 9.2 OMDAT ze een inschrijving voorlegt aan de FVG met motivatiebrief. Uit voorgaande blijkt dat de heer VH.W. meende dat een aanvraag op grond van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet diende te gebeuren OMDAT verzoekster een inschrijving voorlegt aan de FVG. In het kader van deze raadgeving, zo blijkt uit het administratief dossier, worden de documenten neergelegd door verzoekster op de stad Ronse doorgestuurd naar de Dienst Vreemdelingenzaken op 12 november 2008. De begeleidende fiche van de Dienst Vreemdelingenzaken gedateerd op 12 november 2008 vermeldt dat het gaat om een aanvraag verlenging BIVR in het kader van een artikel 9bis van de Vreemdelingenwet. De documenten overgelegd door verzoekster zijn de volgende, zoals blijkt uit de stukken van het administratief dossier: - een brief van betrokkene waarin verduidelijkt wordt welke studiekeuze zij maakt en waarom - een attest van inschrijving als regelmatig student(

  1. e)aan de FVG associatie VUB, waarin de volgende belangrijke elementen zijn opgenomen: volledig dagonderwijs, FVG officieel erkend door de Vlaamse Regering op 20 april 2007, bedrag van 6.372,00 voor verlenging van het BIVR gestort op de daarvoor - bestemde KBC rekening van de FGV - deelnamebewijzen van Nederlands als vreemde taal - Chinees paspoort - Visa - BIVR Hieruit blijkt dat al deze voornoemde documenten werden voorgelegd aan het gemeentebestuur. De Raad stelt vast dat gelet op het attest van inschrijving als regelmatig student(
  2. e)waarin vermeld wordt door de rector dat de FVG officieel erkend werd door de Vlaamse Regering op 20 april 2007 en gelet op de stukken die verzoekster bijvoegt bij haar inleidend verzoekschrift dienaangaande, namelijk een uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 27 juni 2007 aangaande het besluit van de Vlaamse Regering tot registratie van de Faculteit voor Vergelijkende Godsdienstwetenschappen als geregistreerde instelling voor hoger onderwijs van 20 april 2007 en een uittreksel uit het hogeronderwijsregister waar de FVG vermeld staat als geregistreerde instelling, blijkt dat de FVG een door de overheid erkende onderwijsinstelling is minstens sinds 20 april 2007. Dit gegeven wordt door de verwerende partij niet betwist. Dienaangaan- de stelt zij enkel dat de vraag naar het al dan niet erkend zijn door de overheid van de FGV niet ter zake doet. Niets is minder waar, nu afhankelijk van het statuut van de FVG, er voor de aanvraag tot verlenging van verzoeksters verblijfstitel één van de hierboven beschreven opties dient gevolgd te worden. Gelet op het voorgaande stelt de Raad vast dat uit de stukken van het administratief dossier en uit de stukken overgelegd door verzoekster ter gelegenheid van haar XIV-31.431-10/19 inleidend verzoekschrift prima facie blijkt dat de FVG een door de overheid erkende onderwijsinstelling is en dat dit niet betwist wordt door de verwerende partij. Aldus dient ook vastgesteld te worden dat de heer VH.W. een foutieve informatie leverde op datum van 20 oktober 2008 aan de gemeente door te stellen dat bij de verlenging van verzoeksters verblijfstitel zij een aanvraag diende in te dienen op grond van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet OMDAT verzoekster een inschrijving voorlegt aan de FVG. Door deze foutieve informatie werden de documenten die verzoekster overmaakte aan de gemeente doorgestuurd naar de Dienst Vreemdelingenzaken. Gezien de FVG een door de overheid erkende onderwijsinstelling uitmaakt, diende de gewone procedure gevolgd te worden voor de gemeente en diende zij, als aan alle voorwaarden werd voldaan door verzoekster, het verblijf te verlengen behalve indien verzoekster zou vallen onder één van de uitzonderingsgevallen. In dat geval diende het gemeentebestuur de Dienst Vreemdelingenzaken te raadplegen. Hieruit kan aldus afgeleid worden dat de verwerping van een aanvraag om machtiging tot verblijf doordat de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet ontvankelijk, doch ongegrond wordt verklaard, niet correct is daar inderdaad de verwerende partij de aanvraag verkeerdelijk in het licht van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet heeft behandeld omdat de verwerende partij van mening lijkt te zijn dat de FVG niet aan de voorwaarden van artikel 58 van de Vreemdelingen- wet voldoet. De motivering van de eerste bestreden beslissing doet aldus niets terzake nu de aanvraag tot verlenging niet diende beoordeeld te worden in het licht van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet en aldus niet in het licht van deel VII van de omzend- brief van 15 september 1998. Bovendien stelt de Raad dat prima facie niet blijkt als zou verzoekster onder één van de uitzonderingsgevallen opgesomd in titel III van de deel IV ‘Verlening en vernieu- wing van de verblijfstitel’ van de voornoemde omzendbrief vallen: 1/: niet van toepassing daar zij ingeschreven was voor het academiejaar 2007-2008 voor een voorbereidend jaar Nederlands aan de Katholieke Universiteit Brussel en zij zich zal inschrijven voor het academiejaar 2008-2009 aan de FVG. Beide voldoen aan de voorwaarden van artikel 58 en 59 van de Vreemdelingenwet. 2/: niet van toepassing 3/: niet van toepassing 4/: niet van toepassing 5/: niet van toepassing 6/: niet van toepassing: immers heeft verzoekster, zoals blijkt uit de stukken van het administratief dossier, en zoals verder zal worden besproken, zowel bij de aanvraag om machtiging tot verblijf als student als bij de aanvraag tot verlenging van de verblijfstitel, en aldus op dezelfde manier, het bezit van voldoende middelen van bestaan bewezen door een bewijs van bezit van persoonlijke middelen van bestaan. 7/: niet van toepassing 8/ niet van toepassing 9/: niet van toepassing: nergens blijkt uit het administratief dossier als zou er op enig moment twijfel zijn gerezen omtrent de geldigheid van het attest van inschrijving of over enig ander document dat de hoedanigheid van student bewijst. 10/: niet van toepassing: immers op het ogenblik dat verzoekster zich aanmeldt op de gemeente voor verlenging van haar verblijfstitel, en dit is - zoals blijkt uit de stukken van het administratief dossier - ten laatste op 20 oktober 2008, is haar verblijfsvergun- ning nog geldig en dit nog tot 31 oktober 2008. 11/: niet van toepassing: uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoekster pas in 2007 haar studies in België aanvatte. Prima facie blijkt dus dat verzoekster niet onder de uitzonderingsgevallen valt, zodat het gemeentebestuur haar de verlenging diende toe te staan indien aan de verschillende voorwaarden voldaan was. Aangaande de termijn waarbij vereist wordt dat de aanvraag om verlenging ingediend wordt uiterlijk één maand voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfstitel, stelt de Raad vast dat uit het administratief dossier niet duidelijk blijkt op XIV-31.431-11/19 welke datum verzoekster zich aangeboden heeft op de gemeente. Zeker is dat zij dat deed ten laatste op 20 oktober 2008 en dus nog voor het verstrijken van de geldigheids- duur van haar verblijfstitel (31 oktober 2008). Verder dient de Raad erop te wijzen dat in de omzendbrief erop gewezen wordt dat indien de student de documenten die vereist zijn voor de verlenging of de vernieuwing van zijn verblijfstitel niet overlegt, het gemeentebestuur hem verzoekt het nodige te doen voor het verstrijken van de geldigheidsduur van zijn verblijfstitel en dit door afgifte van een document overeenk- omstig het model van bijlage 29 van het KB van 8 oktober 1981. Uit het administratief dossier blijkt nergens als zou het gemeentebestuur aan verzoekster een bijlage 29 hebben betekend, zodat er van uit kan gegaan worden dat het gemeentebestuur meende dat verzoekster tijdig de nodige documenten had overgemaakt. Aangaande het bewijs van hoedanigheid van student leverde verzoekster, zoals blijkt uit de stukken van het administratief dossier, een attest af waarin bevestigd wordt dat zij in de hoedanigheid van regelmatig leerling of student ingeschreven is in een onderwijsinstelling voor het volgende academiejaar, in de zin van de Vreemdelingenwet en attesten afgegeven door de onderwijsinstelling waar zij voordien ingeschreven was, namelijk de KUB, waarin bevestigd wordt dat zij zich aangeboden heeft voor de eindexamens. Aangaande het bewijs van middelen van bestaan, stelt de omzendbrief dat de vreemde student andere bewijzen dan de genoemde (beurs of lening, verbintenis tot tenlastene- ming of legale winstgevende activiteit uitoefenen) waaruit blijkt dat hij niet ten laste zal vallen van de overheid gedurende zijn verblijf mag overleggen. Verzoekster legt dienaangaande het attest van inschrijving als regelmatig student(
  3. e)aan de FVG associatie VUB voor, waarin de rector bevestigt dat het bedrag van 6.372,00 voor verlenging van het BIVR gestort werd op de daarvoor bestemde KBC rekening van de FGV. Zoals verder zal besproken worden, blijkt uit de Vreemdelingenwet en uit de omzendbrief van 15 september 1998 dat dit een aanvaardbaar bewijs is. Aangaande het bevel om het grondgebied te verlaten stelt de Raad vast dat ook dit gebaseerd is op foutieve veronderstellingen. Immers wordt gemotiveerd dat verzoekster haar verblijf verlengt na afloop van haar studies en niet meer in het bezit is van een regelmatig verblijfsdocument. De Raad stelt vast dat zij inderdaad niet meer in het bezit is van een regelmatig verblijfsdocument, doch dat de afwezigheid van een regelmatig verblijfsdocument het gevolg is van een aanvraag tot verlenging die verkeerdelijk beoordeeld werd. Gezien de eerste bestreden beslissing vernietigd wordt, is er geen absolute zekerheid over het feit of aan verzoekster al dan niet een verlenging van haar verblijf diende toegestaan te worden (zoals gesteld blijkt prima facie dat het gemeentebestuur de verlenging diende toe te staan). Aldus wordt door de vernietiging van de eerste bestreden beslissing het motief van de tweede bestreden beslissing dat verzoekster niet meer in het bezit is van een regelmatig verblijfsdocument voorbarig. Hetzelfde geldt voor het motief dat stelt dat haar BIVR verstreken is sedert 31 oktober 2008. Ook het motief dat verzoekster voor het academiejaar 2008-2009 een inschrijving voorlegt aan de FVG, hetgeen een instelling voor privaat onderwijs is, dewelke bijgevolg niet beantwoordt aan de voorwaarden van artikelen 58 en 59 van de Vreemdelingenwet omdat deze onderwijsinstelling niet erkend, gesubsidieerd of georganiseerd wordt door de overheid, het motief dat zij bijgevolg gemachtigd dient te worden in toepassing van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet teneinde de toestemming te verkrijgen om aan de FVG te studeren en dat deze machtiging geweigerd werd en het motief dat het inschrijvingsattest bijgevolg niet in aanmerking komt voor een verdere verlenging van haar verblijf als student, incorrect is gelet op de uiteenzetting hierboven weergegeven. Ook het motief dat verzoekster geen bewijs meer aanbrengt dat zij over voldoende bestaansmiddelen beschikt voor het academiejaar 2008-2009, is, gelet op de stukken van het administratief dossier, incorrect. Immers, zoals reeds gesteld, aangaande het bewijs van middelen van bestaan (bij procedure tot verlenging van de verblijfsmachti- ging als student), stelt de omzendbrief dat de vreemde student andere bewijzen dan de XIV-31.431-12/19 genoemde (beurs of lening, verbintenis tot tenlasteneming of legale winstgevende activiteit uitoefenen) waaruit blijkt dat hij niet ten laste zal vallen van de overheid gedurende zijn verblijf mag overleggen. De Raad stelt vast dat ervan uitgegaan kan worden bij het bewijs van voldoende middelen van bestaan bij de aanvraag tot verlenging van de verblijfsmachtiging dat dezelfde regels gelden als voor het bewijs van voldoende middelen van bestaan bij de initiële aanvraag om machtiging tot verblijf als student. Artikel 60 van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: “Het bewijs van voldoende middelen van bestaan wordt geleverd onder meer door het overleggen van een der navolgende documenten: 1/ een attest uitgaande hetzij van een internationale organisatie of van een nationale overheid, hetzij van een Belgische of vreemde rechtspersoon die over voldoende inkomsten beschikt, luidens hetwelk de vreemdeling geniet of eerstdaags zal genieten van een beurs of van een lening die zijn gezondheidszorgen, zijn kosten van verblijf, studie en repatriëring vermag te dekken; 2/ een verbintenis ten opzichte van de Belgische Staat en van de student, uitgaande van een Belgisch of vreemd persoon die over voldoende inkomsten beschikt en zich verbindt de gezondheidszorgen, de kosten van verblijf, studie en repatriëring van de vreemdeling te zijnen laste te nemen voor minstens één academiejaar. Bij het onderzoek van de middelen waarover de vreemdeling beschikt, wordt rekening gehouden met de inkomsten die hij zich kan verschaffen door het wettig uitoefenen van een winstgevende werkzaamheid buiten de tijd die normaal aan de studie moet worden gewijd. Op voorstel van de Ministers van Nationale Opvoeding en van de Minister die de ontwikkelingssamenwerking onder zijn bevoegdheid heeft en na advies van de bij artikel 31 ingestelde Raad bepaald de Koning periodiek het minimum bedrag van de middelen waarover de vreemdeling moet beschikken. De Koning bepaalt de bijzondere voorwaarden waaraan het attest bedoeld in het eerste lid, 1/, en de verbintenis bedoeld in het eerste lid, 2/, moet beantwoorden. De Koning kan bepalen in welke gevallen en onder welke voorwaarden de geldigheid van het attest bedoeld in het eerste lid, 1/, of de verbintenis bedoeld in het eerste lid, 2/, afhankelijk is van de verplichting om een geldsom te storten in de Deposito- en Consignatiekas of om een bankgarantie te geven.” Hieruit blijkt inderdaad, zoals verzoekster terecht opmerkt, dat de lijst van mogelijke bewijzen van voldoende middelen van bestaan niet limitatief is opgesomd in voornoemd artikel van de Vreemdelingenwet. Uit de omzendbrief van 15 september 1998 blijkt ook wat volgt: “Artikel 60 van de wet van 15 december 1980 somt twee documenten op die beschouwd worden als een bewijs van het bezit van voldoende middelen van bestaan, namelijk een attest waaruit blijkt dat een studiebeurs of een lening wordt toegekend en de verbintenis tot tenlasteneming. Deze opsomming is echter niet limitatief. De buitenlandse student kan dit bewijs ook leveren met andere middelen, zoals het overmaken van een bewijs van het bezit van persoonlijke middelen van bestaan of van de wettelijke uitoefening van een winstgevende activiteit.” Hieruit blijkt afdoende dat het bewijs van voldoende middelen ook kan geleverd worden door het overmaken van een bewijs van bezit van persoonlijke middelen van bestaan. Verzoekster legt dienaangaande het attest van inschrijving als regelmatig student(
  4. e)aan de FVG associatie VUB voor, waarin de rector bevestigt dat het bedrag van 6.372,00 voor verlenging van het BIVR gestort werd op de daarvoor bestemde KBC rekening van de FGV. Aldus kan geenszins correct gesteld worden dat, onafhankelijk van de vraag naar de geldigheid of aanvaardbaarheid van voormeld attest, dat er GEEN bewijs van voldoende bestaansmiddelen voor het academiejaar 2008-2009 werd voorgelegd. Verzoekster maakt een schending van de door haar aangevoerde bepalingen aanneme- lijk. XIV-31.431-13/19 Het eerste onderdeel gericht voornamelijk tegen de tweede bestreden beslissing en het tweede onderdeel gericht voornamelijk tegen de eerste bestreden beslissing zijn beide gegrond. Het enig middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Enig artikel De beslissing van de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid van 17 maart 2009 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ontvankelijk, doch ongegrond wordt verklaard en van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid van 26 maart 2009 houdende het bevel om het grondgebied te verlaten (bijlage 33bis), haar beide ter kennis gebracht op 8 april 2009 worden vernietigd.”. 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1. Overwegende dat de verzoekende partij als tweede middel aanvoert: “3.2. Betreffende een tweede middel van verzoeker ; In een tweede middel beroept verzoeker zich op een schending van : - artikel 58 juncto 59 Vreemdelingenwet ; - de rechtsregels die de jurisdictionele motiveringsplicht van de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen als administratief rechtscollege beheersen, te weten: o art. 149 van de gecoördineerde Grondwet ; o art. 39/65, eerste lid, van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; o en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven (zie Cass. 10 november 1997, AR S.97.0050.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971110.4, Arr. Cass. 1997, 1110) ; - het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Artikel 58 Vreemdelingenwet bepaalt : " Wanneer de aanvraag tot het bekomen van de machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven bij een Belgische diplomatieke of consulaire post ingediend wordt door een vreemdeling (die in België wenst te studeren in het hoger onderwijs of er een voorbereidend jaar tot hoger onderwijs wenst te volgen) moet die machtiging toegekend worden indien de betrokkene zich niet bevindt in een der (in artikel 3, eerste lid, 5/ tot 8/), bedoelde gevallen en indien hij de hiernavolgende documenten overlegt : 1/ een attest afgegeven door een onderwijsinstelling overeenkomstig artikel 59; 2/ het bewijs dat hij voldoende middelen van bestaan bezit; 3/ een geneeskundig getuigschrift waaruit blijkt dat hij niet aangetast is door een der in bijlage bij deze wet opgesomde ziekten of gebreken; 4/ een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene niet veroordeeld is geweest wegens misdaden of wanbedrijven van gemeen recht, wanneer hij ouder is dan 21 jaar. Bij ontstentenis van een getuigschrift als bedoeld onder 3/ en 4/ van het eerste lid, kan (de Minister) of zijn gemachtigde niettemin, rekening houdende met de omstandigheden, de vreemdeling machtigen in België te verblijven om er te studeren. (De machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven kan door de vreemdeling in het Rijk aangevraagd worden overeenkomstig de door de Koning bepaalde modaliteiten in XIV-31.431-14/19 uitvoering van artikel 9, tweede lid) ding: 01-06-2007> Terwijl artikel 59 Vreemdelingenwet stipuleert : Art. 59. Al de (door de overheid) georganiseerde, erkende of gesubsidieerde onderwijsinstellingen zijn bevoegd om het vereiste attest af te geven." De rechter in vreemdelingenzaken oordeelde in het bestreden arrest : "Hieruit kan aldus afgeleid worden dat de verwerping van een aanvraag om machtiging tot verblijf doordat de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet ontvankelijk, doch ongegrond wordt verklaard, niet correct is daar inderdaad de verwerende partij de aanvraag verkeerdelijk in het licht van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet heeft behandeld omdat de verwerende partij van mening lijkt te zijn dat de FVG niet aan de voorwaarden van artikel 58 van de Vreemdelingenwet voldoet. De motivering van de eerste bestreden beslissing doet aldus niets ter zake nu de aanvraag tot verlenging niet diende beoordeeld te worden in het licht van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet en aldus niet in het licht van deel VII van de omzendbrief van 15 september 1998" Gezien het feit dat de FVG op het ogenblik van de oorspronkelijk bestreden beslissing geenszins erkend was als hogeronderwijsinstelling, heeft de gemachtigde van de Federale Minister van Migratie- en Asielbeleid de aanvraag geheel terecht behandeld als aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf o.g.v. artikel 9 bis Vreemdelingen- wet. De rechter in vreemdelingenzaken heeft geoordeeld dat de gemachtigde de aanvraag verkeerdelijk heeft behandeld in het licht van artikel 9 bis Vreemdelingenwet , omdat de FVG een door de overheid erkende onderwijsinstelling uitmaakt, en schendt derhalve dan ook artikel 58 en 59 Vreemdelingenwet, aangezien de gemachtigde de oorspronkelijke beslissingen heeft genomen na correcte toepassing van artikel 58 juncto 59 Vreemdelingenwet. Immers uit hogervermelde uiteenzetting blijkt duidelijk dat de FVG geen door de overheid erkende onderwijsinstelling betrof op het ogenblik van de bestreden beslissing. De FVG werd enkel geregistreerd door de Vlaamse Regering. De rechter in vreemdelingenzaken heeft geen rekening gehouden met het feit dat de FVG geen door de overheid erkende instelling uitmaakt in de zin van artikel 59 Vreemdelingenwet , en heeft ook om die reden ten onrechte tot nietigverklaring van de bestreden beslissingen besloten. Niet alleen worden hierdoor voormelde artikelen 58 en 59 Vreemdelingenwet geschonden, doch ook de jurisdictionele motiveringsplicht, gelet op de flagrante onjuiste motivering. De zienswijze van de rechter in vreemdelingenzaken houdt ook een flagrante schending in van de rechten van verdediging. Het tweede middel is gegrond.”; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “III.2. Betreffende het tweede aangevoerde middel door verzoekende partij In een tweede middel beroept verzoeker zich op een vermeende schending van - artikel 58 juncto 59 van de Vreemdelingenwet; - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet, artikel 39/65 eerste lid van de Vreemdelingenwet, van het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht - het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Ter ondersteuning uit verzoeker kritiek op het in casu bestreden arrest door te beweren dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de voornoemde artikelen geschonden XIV-31.431-15/19 heeft door te beschouwen dat verzoeker de aanvraag in het licht van artikel 58 van de Vreemdelingenwet had moeten behandelen. III.2.1. Verwerende partij verwijst naar wat zij onder het punt III.1.1. uiteengezet heeft. Verzoeker voert een nieuw middel aan dat totaal tegenstrijdig is met wat hij voordien voorgehouden heeft. De feitelijke vaststelling in het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoeker niet betwist dat de FVG een door de overheid erkende instelling is kan niet meer in vraag gesteld worden door de Raad van State. De Raad kan enkel over de rechtmatigheid van de hem voorgelegde uitspraak oordelen, doch het komt de Raad niet toe deze beoordeling over te doen aan de hand van nieuwe elementen die voor de eerste keer voorgelegd worden en zo zelf een onderzoek in te stellen naar de juiste toedracht van de zaak. III.2.2. Wat de vermeende schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet, artikel 39/65 eerste lid van de Vreemdelingenwet en van het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht betreft, merkt verwerende partij op dat deze bepalingen verwijzen naar een formele motiveringsplicht. De schending ervan kan enkel aangevoerd worden in geval van gebrek aan motivatie. Het bestreden arrest is op gedetailleerde wijze gemotiveerd en antwoordt aan alle argumenten die door verzoeker aangehaald werden. III.2.3. Wat de vermeende schending van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging betreft wordt geenszins door verzoeker verduidelijkt in welke zin dit beginsel geschonden zou zijn waardoor dit onderdeel van het middel niet ontvankelijk is. De verwerende partij is derhalve de mening toegedaan dat het tweede middel niet kan worden aangenomen.”; 2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord het middel zoals uiteengezet in haar inleidend verzoekschrift herhaalt; 2.4. Overwegende dat de verzoekende partij betoogt dat de gemachtigde van de Minister van Migratie- en Asielbeleid de aanvraag van de verwerende partij terecht heeft behandeld als een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet en dat de rechter in vreemdelingenzaken door te oordelen dat de gemachtigde de aanvraag ten onrechte op basis van voornoemd artikel 9bis heeft beoordeeld, de artikelen 58 en 59 heeft geschonden; dat de rechter in vreemdelingenzaken er immers verkeerdelijk van uit gaat dat de Faculteit voor Vergelijkende Godsdienstwetenschappen (verder FVG) een door de overheid erkende onderwijsinstelling is, terwijl deze volgens de verzoekende partij enkel werd geregistreerd door de Vlaamse regering; dat artikel 58 van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: “Wanneer de aanvraag tot het bekomen van de machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven bij een Belgische diplomatieke of consulaire dienst ingediend wordt door een vreemdeling die in België wenst te studeren in het hoger onderwijs of er een voorbereidend jaar tot hoger onderwijs wenst te volgen, moet die machtiging XIV-31.431-16/19 toegekend worden indien de betrokkene zich niet bevindt in een der in artikel 3, eerste lid , 5/ tot 8/ bedoelde gevallen en indien hij de hiernavolgende documenten overlegt: 1/ een attest afgegeven door een onderwijsinstelling overeenkomstig artikel 59; 2/ ...”; dat artikel 59 van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: “Al de door de overheid georganiseerde, erkende of gesubsidieerde onderwijsinstelling- en zijn bevoegd om het vereiste attest af te geven. ...”; dat de vraag rijst of de FVG een door de overheid erkende onderwijsinstelling is en de aanvraag van de verwerende partij bijgevolg op basis van artikel 58 van de vreemdelingen- wet diende te worden behandeld; dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord ten onrechte stelt dat de Raad van State op deze manier oordeelt over de feitelijke toedracht van de zaak; dat de Raad van State enkel nagaat op basis van welke wettelijke bepalingen een onderwijsinstelling door de overheid wordt erkend en of de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen hierbij tot de juiste conclusie is gekomen; dat de verwerende partij niet kan worden bijgetreden als zij stelt dat de verzoekende partij een nieuw middel aanvoert aangezien zij nooit heeft betwist dat de FGV een erkende onderwijsstelling is; dat de huidige verzoekende partij in het geding voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwerende partij was zodat zij onmogelijk een “nieuw” middel kan aanvoeren; dat tot 31 augustus 2008 de erkenning van een nieuwe instelling in twee stappen verliep; dat artikel 8 van het Decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen luidde als volgt : “Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder geregistreerde instellingen voor hoger onderwijs alle niet ambtshalve geregistreerde instellingen die hoger onderwijs aanbieden in de Vlaamse Gemeenschap en door de Vlaamse regering werden geregistreerd op basis van een dossier omvattende : 1/ de statuten van de instelling; 2/ een voorontwerp van het accreditatiedossier dat de instelling voornemens is in te dienen bij het Accreditatieorgaan met het oog op het verkrijgen van een accreditatie van een bestaande opleiding of om een nieuwe opleiding de toets nieuwe opleiding te laten doorstaan; 3/ een samenwerkingsakkoord met een ambtshalve geregistreerde instelling voor hoger onderwijs of universiteit in de Franse Gemeenschap of met een Nederlandse instelling voor hoger onderwijs of in het geval er in het Nederlandse taalgebied geen gelijkwaar- dige opleiding wordt aangeboden, met een door de overheid in het land van vestiging erkende buitenlandse instelling van hoger onderwijs waaraan de ingeschreven studenten, in geval van stopzetting van de activiteiten, hun opleiding kunnen blijven voltooien. De Vlaamse regering beslist over de registratie binnen de twee maanden na ontvangst van het registratiedossier en brengt het Accreditatieorgaan hiervan op de hoogte. XIV-31.431-17/19 De registratie vervalt als de instelling de beoogde accreditatie niet heeft gekregen binnen het jaar na de beslissing over de registratie of als de instelling de voorgenomen opleiding niet binnen twee jaar na de registratie daadwerkelijk aanbiedt.”; Overwegende dat de eerste stap dus bestond uit de registratie van de instelling, hetgeen vooral een formele procedure was waarbij werd nagegaan of de betrokken instelling aan de organisatorische en financiële voorwaarden voldeed; dat de tweede stap bestond uit de erkenning van de opleidingen; dat dit gebeurt via een zogenaamde Toets Nieuwe Opleiding uitgevoerd door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO.); dat enkel het doorlopen van beide stappen resulteerde in een formele erkenning; Overwegende dat door het Decreet van 4 juli 2008 artikel 8 als volgt wordt vervangen: “§ 1. Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder geregistreerde instellingen voor hoger onderwijs : alle niet ambtshalve geregistreerde instellingen die hoger onderwijs aanbieden in de Vlaamse Gemeenschap en door de Vlaamse Regering werden geregistreerd. § 2. Iedere instelling kan de registratie aanvragen bij de Vlaamse Regering. Een registratie van een instelling voor hoger onderwijs wordt slechts toegekend voor zover aan volgende voorwaarde is voldaan: ten minste één opleiding heeft de toets nieuwe opleidingen door het voorziene Accreditatieorgaan met positief gevolg ondergaan. ....”; Overwegende dat de procedure door de Vlaamse overheid bijgevolg werd omgekeerd; dat een instelling die erkend wil worden eerst de opleidingen dient te laten toetsen door de NVAO en pas nadien de instelling kan laten registreren; Overwegende dat de Vlaamse regering de Faculteit voor vergelijkende godsdienstwetenschappen in Antwerpen registreerde op 20 april 2007; dat het aldus een geregistreerde instelling betreft die viel onder de toepassing van de oude procedure; dat als gevolg van deze beslissing de FVG opleidingen aan de NVAO ter toetsing kon voorleggen; dat aan de registratie zelf geen andere rechten waren verbonden en het dus niet ging om een erkenning; dat de instelling gedurende een termijn van twee jaar geen enkele door de NVAO geaccrediteerde of door NVAO als nieuw erkende opleiding heeft kunnen aanbieden zodat de registratie verviel; dat de FVG trouwens op 20 april 2009 werd geschrapt uit het Hogeronderwijsregister; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bijgevolg ten onrechte heeft gesteld dat de FVG een door de overheid erkende onderwijsinstelling betrof in de zin van de artikelen 58 en 59 van de Vreemdelingenwet; dat de schending van de artikelen 58 en 59 van de Vreemdelingenwet dient te worden aangenomen; dat het tweede middel gegrond is; XIV-31.431-18/19 Overwegende dat overeenkomstig artikel 24, tweede lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State het eerste middel niet meer dient te worden onderzocht, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het arrest nr. 30.717 van 27 augustus 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel 2. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Artikel 3. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel 4. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien juli tweeduizend en tien, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-31.431-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.750 Gerelateerde publicatie(
  5. s)citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971110.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.