id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.811 Rolnummer: A. 197080/XII-6257 Zaak: Arrest 206811 - Sluitingen van vestigingen - 23/07/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-27 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 12:36 Fiche Arrest nr 206.811 van 23 juli 2010 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Sluitingen van vestigingen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 206.811 van 23 juli 2010 in de zaak A. 197.080/XII-6257. In zake : Valerie VANNESTE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederik Bruloot kantoor houdend te 8000 BRUGGE Leopold II-laan 132 B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : 1. de burgemeester van de stad TORHOUT 2. de stad TORHOUT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sven Boullart en Antoon Lust kantoor houdend te 9000 GENT Kortrijksesteenweg 867 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : Anita COOLMAN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Guido Pyck kantoor houdend te 8370 BLANKENBERGE Koning Albertlaan 40a --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. Bij verzoekschrift, ingediend op 15 juli 2010, vordert Valerie VANNESTE de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van de burgemeester van de stad TORHOUT van 13 juli 2010, op 14 juli 2010 bevestigd door het college van burgemeester en schepenen, waardoor vanaf woensdag 14 juli 2010 om 00.00 uur tot en met vrijdag 13 augustus 2010 24.00 uur de instelling PLACE MAGIQUE, Aartrijkestraat 57 te 8820 TORHOUT, wordt gesloten overeenkomstig artikel 9bis van de Wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (hierna : de drugwet). IX-6257-1/10 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partijen hebben een administratief dossier en een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 juli 2010, om 14 uur. Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaten Frederik Bruloot en Liesbeth Wellens, die verschijnen voor de verzoekende partij, advocaat Sven Boullart, die verschijnt voor de verwerende partijen in eigen naam en loco advocaat Antoon Lust, en advocaat Guido Pyck, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Patricia De Somere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 12 juli 2006 richt de verzoekster samen met Kurt Huberecht en Anita Coolman een feitelijke vereniging op met als doel de gezamelijke uitbating van een horecazaak, “Place Magique” genaamd, in een pand gelegen te 8820 TORHOUT, Aartrijkestraat 57. Kurt Huberecht is de zoon van Anita Coolman. 3.2. Op 25 juni 2010 wordt in voornoemde handelszaak een huiszoeking uitgevoerd, in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek dat verband houdt met het verhandelen en het gebruiken van drugs. Bij bestuurlijk verslag van 25 juni 2010 stelt de lokale politie, met verwijzing naar processen- verbaal, vast dat herhaaldelijk drugs worden verhandeld in de inrichting. IX-6257-2/10 3.3. Op 5 juli 2010 wordt Anita Coolman gehoord en op 9 juli 2010 de verzoekster en Kurt Huberecht, overeenkomstig artikel 9bis, eerste lid van de drugwet, in verband met de voorgenomen tijdelijke sluiting van de horecazaak. 3.4. Op 7 juli 2010 biedt de verzoekster haar ontslag aan als “deelgenoot” van de feitelijke vereniging. Op dezelfde datum zet zij haar activiteit als uitbaatster stop. Voortaan treedt, volgens de verzoekster Anita Coolman op als enige uitbaatster van voormelde horecazaak. 3.5. Op 9 juli 2010 wordt de verzoekster gehoord en zet zij zowel mondeling als schriftelijk aan de eerste verwerende partij uiteen dat zij de horecazaak niet meer zal betreden, dat zij haar bedrijfsactiviteit in de zaak stopzet, en dat zij ontslag neemt uit de feitelijke vereniging. 3.6. Het wordt niet betwist dat de verzoekster en Kurt Huberecht worden vernoemd in het gerechtelijk vooronderzoek dat betrekking heeft op handel, gebruik en het dealen van verdovende middelen. Precies daarom zou voortaan de uitbating van de handelszaak, ten minste voor een bepaalde periode, worden waargenomen door Anita Coolman, die volgens de verzoekster niets zou te maken hebben met de drugtrafiek. 3.7. Op 13 juli 2010 neemt de eerste verwerende partij de beslissing om “de inrichting Place Magique” te sluiten van woensdag 14 juli 2010 om 00.00 uur tot en met vrijdag 18 augustus 2010 (
- om)24.00 uur. De rechtsgrond van de sluiting is artikel 9bis, van voormelde drugwet van 24 februari 1921, ingevoegd bij de wet van 10 juli 2006, houdende diverse bepalingen. 3.8. Dit is het thans bestreden besluit, waartoe het ingestelde beroep is beperkt. IV. De hoedanigheid van de verzoekster en het rechtens vereiste actueel belang 4. De verwerende partijen werpen een exceptie van niet ontvankelijkheid op. IX-6257-3/10 In de huidige stand van het geding maakt de verzoekster aannemelijk dat zij beschikt over de rechtens vereiste hoedanigheid en over het rechtens vereiste actueel belang om het bestreden besluit in het kader van huidige procedure aan te vechten. Het staat op het eerste gezicht immers vast dat zij in het kader van de uitbating van “Place Magique”, belangrijke financiële verplichtingen aanging, die zij zal moeten honoreren en het blijkt op het eerste gezicht dat de onderlinge regeling tussen de deelgenoten van de feitelijke vereniging niet tegenstelbaar is aan de schuldeisers. Bijgevolg kan en mag de verzoekster, op het eerste gezicht, voor haar rechten opkomen in het kader van huidige procedure. 5. De exceptie van de verwerende partijen wordt verworpen. V. Het verzoek tot tussenkomst 6. Met een op 20 juli 2010 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt Anita Coolman om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om dat verzoek in te willigen, wat betreft het administratief kort geding. VI. Onderzoek van de vordering 7. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is. IX-6257-4/10 Ernst van de middelen 1. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 8. Wat de eerste voorwaarde betreft, met name de vereiste van een ernstig middel, voert de verzoekster in een eerste middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. In een eerste onderdeel van dit middel voert de verzoekster aan dat zij enkel het bestaan van het bestreden besluit kent, maar niet de motieven die eraan ten grondslag liggen. Deze motieven werden haar niet meegedeeld, aldus de verzoekster. In een tweede onderdeel wijst de verzoekster op de noodzaak van een afdoende motivering van het bestreden besluit, gerelateerd aan het evenredigheidsbeginsel, voor wat de toepassing van artikel 9bis van de drugswet betreft, mede gelet op de ruime appreciatiebevoegdheid van de eerste verwerende partij en op het ingrijpend karakter van de opgelegde sluitingsmaatregel. Beoordeling 9. Op het eerste gezicht mist het eerste middelonderdeel feitelijke grondslag en is het niet ernstig, nu uit het administratief dossier blijkt dat het bestreden besluit dateert van 13 juli 2010, dat dit besluit aangetekend (poststempel 14 juli 2010) werd verstuurd naar de verzoekster, en dat de lokale politie op 14 juli 2010 de verzoekster “heeft opgezocht” om haar het besluit persoonlijk te overhandigen. De politie heeft evenwel de verzoekster niet aangetroffen. Tevens blijkt uit een emailbericht van 16 juli 2010 van de eerste verwerende partij, dat het bestreden besluit werd verstuurd naar het kantooradres van de raadsman van de verzoekster. IX-6257-5/10 Bijgevolg hebben de verwerende partijen al het mogelijke gedaan om het bestreden besluit tijdig ter kennis te brengen aan de verzoekster en aan haar raadsman, zodat de eventuele niet tijdige kennisname van het bestreden besluit en van zijn motieven te wijten is aan de verzoekster zelf. Wat het tweede middelonderdeel betreft blijkt op het eerste gezicht uit het bestreden besluit dat de eerste verwerende partij rekening heeft gehouden met alle relevante gegevens van de zaak, met inbegrip van de regeling tussen de deelgenoten van de feitelijke vereniging. Dit blijkt uit de volgende overwegingen van het bestreden besluit: “Overwegende dat blijkens diverse verklaringen de instelling gekend stond als een inrichting waar drugs konden worden verkregen; dat, ook al gebeurden de strafbare feiten hoofdzakelijk in de zaak zelf, het een openbare gelegenheid betreft waar heel wat volk over de vloer komt; dat (
- in)de openbare veiligheid en rust door de feiten weldegelijk in het gedrang komt gezien er, blijkens het strafdossier, over een langere periode aanzienbare (aanzienlijke) hoeveelheden drugs werden verhandeld; Overwegende dat het al te eenvoudig is te stellen dat de problematiek ‘als met een mes moet worden afgesneden’ door verwijdering van mevrouw VANNESTE (ontslag) en de heer HUBERECHT (vrijwillig tijdelijk); dat de heer HUBERECHT zelf erkent dat het om een ruime problematiek gaat die hij zelf niet kon beheersen; dat in die zin de voorgestelde sluiting een preventief karakter inhoudt om elke verdere druggebruik en drughandel tegen te gaan in de inrichting; Overwegende dat de initiatieven van de diverse betrokkenen om één en ander in orde te stellen erg laattijdig en onder druk van een sluiting zijn genomen. (bv. dagvaarding door mevrouw COOLMAN van de heer HUBERECHT en mevrouw VANNESTE om een betredingsverbod in de PLACE MAGIQUE te bekomen, ontslag Stefanie LANGBEEN); dat zij de vroegere verschillende signalen die zij hebben opgevangen niet ter harte hebben genomen om de problematiek van het druggebruik en de drugverhandeling aan te pakken; dat de heer HUBERECHT zelf erkent geen vat te hebben gehad op de problemen; dat één en ander wel van aard is om de duur van de voorgenomen maatregel opnieuw in overweging te nemen; Overwegende dat de zaakvoerders hun verantwoordelijkheid als uitbater van een publiek toegankelijke instelling niet hebben opgenomen; Overwegende dat uit de aangeklaagde feiten en de daarmee gepaard gaande politionele tussenkomsten is gebleken dat de exploitatie van de instelling PLACE MAGIQUE, Aartrijkestraat 57, 8820 Torhout, oorzaak is en blijft van regelmatige verstoring van de openbare veiligheid en rust; Overwegende dat de zaakvoerders duidelijk toelaten dat het aanwezige cliënteel in hun zaak cocaïne verkoopt en verbruikt; Overwegende dat zich in die zin een dringende administratieve maatregel opdringt”. Bovendien beperkt het bestreden besluit de beslissing tot een sluiting voor een periode van één maand, wat in voorliggend geval op het eerste IX-6257-6/10 gezicht wijst op een afweging met zin voor maat, rekening houdende met alle betrokken gegevens en belangen, zijnde een vereiste die blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 20 juli 2006. In de afweging van de zaak worden alleszins ook de inspanningen van de uitbaters zelf om het drugsprobleem aan te pakken, in acht genomen. Aangezien de bestreden maatregel alleen een preventief karakter heeft, lijkt hij niet meer belastend te mogen zijn dan redelijkerwijze noodzakelijk voor een doeltreffende toekomstbeveiliging. Dit lijkt in casu het geval te zijn. Voornoemde afweging met zin voor maat wordt op het eerste gezicht in de formele motivering van de sluitingsmaatregel tot uiting gebracht. Te dezen wordt de opgelegde sluitingsperiode op het eerste gezicht hierdoor verantwoord, dat zij moet toelaten de vastgestelde problemen te remediëren. Hiertoe wordt ondermeer op goede gronden door de verwerende partijen verwezen naar de toekomstige exploitatie van de handelszaak die volkomen “drugvrij” dient te zijn, zodat de personen die betrokken zijn bij de exploitatie en die niet beantwoorden aan dit criterium niet langer de handelszaak mogen uitbaten wat, althans op papier, tussen de uitbaters werd overeengekomen en wat vanzelfsprekend een zekere tijd vergt, wat de uitvoering van de overeengekomen regeling betreft. Het eerste middel is niet ernstig. 2. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 10. In een tweede middel voert de verzoekster de schending aan van artikel 9 bis van de Drugwet in samenhang met de beginselen van behoorlijk bestuur (inzonderheid het evenredigheidsbeginsel), alsook machtsafwending en machtsoverschrijding . Dit middel valt uiteen in drie onderdelen. IX-6257-7/10 In een eerste onderdeel voert de verzoekster aan dat de sluitingsbevoegdheid op basis van voornoemde bepaling met de grootste zorg dient te worden aangewend. In een tweede onderdeel wijst de verzoekster op het preventief karakter van de sluitingsbevoegdheid van de eerste verwerende partij. In een derde onderdeel maakt de verzoekster een onderscheid tussen het verstoren van de materiële- en de morele openbare orde. Zij stelt in essentie dat er in wezen geen sprake is van het verstoren van de materiële openbare orde, wat vereist zou zijn om het bestreden besluit te kunnen nemen. Beoordeling Het eerste onderdeel van het tweede middel is niet ernstig. Hiertoe volstaat het te verwijzen naar het antwoord op het tweede onderdeel van het eerste middel. Wat betreft het tweede onderdeel van het tweede middel beantwoordt het bestreden besluit op het eerste gezicht aan het preventief karakter van de sluitingsbevoegdheid, gelet op de inhoud van het bestuurlijk verslag van 25 juni 2010, dat wijst op een aantal ernstige inbreuken op de drugwetgeving, begaan door verschillende personen, gedurende een vrij lange periode, als dader of mede-dader, waartoe de verzoekster behoort, en wat zij op het eerste gezicht ook niet betwist. Het feit dat de verzoekster zich heeft teruggetrokken uit de handelszaak, dateert van na de feiten die hebben plaatsgevonden in de horecazaak “Place Magique” en in de buurt van deze zaak zodat op het eerste gezicht een preventieve maatregel aangewezen is, al was het maar om de toestand te stabiliseren en uit te klaren, en teneinde, zoals gezegd, de regeling die de verschillende uitbaters overeenkwamen, effectief uit te voeren. Het bestuur heeft in deze zaak zorgvuldig gehandeld door het bestreden besluit pas te nemen nadat de huiszoeking in de herberg werd uitgevoerd, en nadat de terzake opgestelde processen-verbaal werden opgevraagd en overgemaakt. IX-6257-8/10 Van machtsafwending of van machtsoverschrijding is op het eerste gezicht geen sprake. Bovendien, werd het evenredelijkheidsbeginsel op het eerste gezicht niet geschonden gelet op de beperkte duur van het bestreden besluit. Het tweede onderdeel van het tweede middel is niet ernstig. Het derde middelonderdeel wordt door de verzoekende partij verder uitgewerkt in een nota. Dit stuk wordt uit de debatten geweerd vermits het niet is voorzien in het procedurereglement. Daargelaten de vraag of het onderscheid tussen de materiële en de morele openbare orde terzake relevant is, kon het bestuur in redelijkheid overgaan tot de sluiting van de herberg gedurende een periode van één maand, gelet op de drugtrafiek die heeft plaatsgevonden in de handelszaak en de invloed van een dergelijke trafiek op de onmiddellijke omgeving van de handelszaak. Op het eerste gezicht gaat een dergelijke trafiek gepaard met een minstens occasionele verstoring van de materiële openbare orde. Het bestreden besluit heeft het trouwens over “een druggebruik in en rond de “PLACE MAGIQUE”. Het risico op verstoring van de materiële openbare orde volstaat evenwel om het bestreden besluit te nemen, hetgeen in casu in redelijkheid niet kan worden betwist. Het tweede middel is niet ernstig. 11. Er is niet voldaan aan één van de cumulatieve voorwaarden van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2. Deze vaststelling volstaat om de vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid te verwerpen. IX-6257-9/10 BESLISSING 1. Het verzoek van Anita COOLMAN tot tussenkomst in het administratief kort geding bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd. 2. De Raad van State verwerpt de vordering. 3. De verzoestker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst in het administratief kort geding bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig juli tweeduizend en tien, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Daniël Moons, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Daniël Moons IX-6257-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.811 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div