← België

Arrest 206842 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/07/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.842 Rolnummer: A. 193488/XIV-31273 Zaak: Arrest 206842 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/07/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-08-17 Raadplegingen: 215 - laatst gezien 2026-07-02 12:44 Fiche Arrest nr 206.842 van 27 juli 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 206.842 van 27 juli 2010 in de zaak A. 193.488/XIV-31.

  1. In zake : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Migratie- en asielbeleid, thans de Staatssecretaris voor het Migratie- en asielbeleid, gevestigd te 1000 BRUSSEL, World Trade Center II, Antwerpsesteenweg 59 B tegen : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. HENDRICKX, kantoor houdende te 1160 BRUSSEL, Vorstlaan 144/33 ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Migratie- en asielbeleid, thans de Staatssecretaris voor het Migratie- en asielbeleid, op 24 juli 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 28.946 van 22 juni 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 4820 van 30 juli 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 5 februari 2010 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 april 2010; XIV-31.273-1/18 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat A. HENDRICKX verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, die verklaart van Iraakse nationaliteit te zijn, ontvangt op 30 juli 2008 een beslissing tot weigering tot in overwegingname van een asielaanvraag met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar aanleiding van zijn tweede asielaanvraag. 1.
  4. Hij dient op 31 oktober 2008 een aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen in. 1.
  5. Op 25 februari 2009 neemt de gemachtigde van de Minister van Migratie- en asielbeleid een beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk wordt verklaard. 1.
  6. XXX dient op 29 april 2009 tegen deze beslissingen een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
  7. Bij arrest nr. 28.946 van 22 juni 2009 heeft de Raad voor Vreemdelin- genbetwistingen de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Migratie- en asielbeleid van 25 februari 2009 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvan- kelijk wordt verklaard vernietigd. De vordering tot schorsing wordt zonder voorwerp verklaard. XIV-31.273-2/18 1.
  8. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring gericht tegen de beslissing van 30 juli 2008 tot weigering tot in overwegingname worden verworpen. 1.
  9. Dit is het bestreden arrest. Het arrest berust op de volgende overwegin- gen: “(...)
  10. Nuttige feiten ter beoordeling van de zaak 1.
  11. Verzoeker diende op 3 september 2007 een asielverzoek in, waarbij hij verklaarde op dezelfde dag het Rijk te zijn binnengekomen. 1.
  12. Op 21 maart 2008 nam de adjunct-Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen de beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus. Verzoeker diende tegen deze beslissing een beroep in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
  13. Bij arrest nummer 12 740 van 19 juni 2008 verwierp de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen het tegen de beslissing van 21 maart 2008 ingestelde beroep. 1.
  14. Verzoeker diende op 9 juli 2008 een tweede asielverzoek in. 1.
  15. Op 30 juli 2008 nam de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid de beslissing tot weigering tot in overwegingname van een asielaanvraag met bevel om het grondgebied te verlaten. Deze beslissing, die verzoeker op dezelfde dag ter kennis werd gebracht, is de eerste bestreden beslissing. 1.
  16. Verzoeker diende, bij aangetekende brief van 31 oktober 2008, een aanvaag in om, in toepassing van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: de Vreemdelingenwet), tot een verblijf te worden gemachtigd. 1.
  17. Op 25 februari 2009 nam de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid de beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk werd verklaard. Deze beslissing, die verzoeker op 30 maart 2009 ter kennis werd gebracht, is gemotiveerd als volgt: “(…) in toepassing van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingesteld door artikel 5 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980, deel ik u mee dat dit verzoek onontvankelijk is in toepassing van genoemd artikel 9ter, § 3, en in toepassing van artikel 7, § 1en 2 van het Koninklijk Besluit van 17.05.2007 (B.S. 31.05.2007). Reden: De aanvraag ging niet vergezeld van volgende documenten en inlichtingen: Een medisch getuigschrift aangaande de ziekte bedoeld in artikel 9ter, § 1, van de wet en enig andere dienstige informatie of enig ander dienstig stuk met betrekking tot de ziekte (K.B. van 17.05.2007 artikel 7, § 1, tweede en derde lid), m.n. : Dat de verzoeker weliswaar bij de aanvraag een medisch getuigschrift heeft voorgelegd, maar geen medisch getuigschrift aangaande de medische aandoening zoals bedoeld in artikel 9ter, § 1, van de vreemdelingenwet. Artikel 9ter, § 1, lid 2 stelt dat het risico bij een eventuele terugkeer wordt beoordeeld door de ambtenaar-geneesheer, het is echter niet aan de ambtenaar-geneesheer dat risico vast te stellen. Waar middels het medisch getuigschrift niets wordt vastgesteld, kan dit ook door de ambtenaargeneesheer niet worden beoordeeld. Het is aan de verzoeker alle nuttige inlichtingen aangaande de ingeroepen medische aandoening over te maken. Bij afwezigheid hiervan kunnen onze diensten geen beoordeling maken van het beweerde risico. Dat bij afwezigheid van het medisch getuigschrift en andere dienstige informatie of enig ander dienstig stuk met betrekking tot de ziekte, de aanvraag onontvankelijk wordt verklaard (artikel 7, § 2, K.B. 17.05.2007).Artikel 7, § 1, (2 en 3 ) van het Koninklijk Besluit van 17 mei 2007 XIV-31.273-3/18 verduidelijkt dat de aanvraag moet vergezeld gaan van “een medisch getuigschrift aangaande de ziekte bedoeld in artikel 9ter, § 1, van de wet” en van “enig andere dienstige informatie of enig ander dienstig stuk” met betrekking tot deze ziekte. Hetzelfde Artikel 7, § 2, zegt dat de gemachtigde van de minister de aanvraag onontvankelijk verklaart “indien de in § 1 vermelde documenten en inlichtingen niet of slechts gedeeltelijk bij de inleidende aanvraag werden gevoegd”. Deze drie inlichtingen zijn niet alleen nuttig, maar onontbeerlijk voor een correcte beoordeling van de aanvraag in de zin der wet en dat de afwezigheid van een ervan in de inleidende aanvraag bijgevolg neerkomt op slechts gedeeltelijke mededeling van alle medische dienstige informatie, leidend tot onontvankelijkheid in toepassing van Art 7, § 2, van het KB van 17.05.
  18. Uit het beschikbare medische attest kan niet afgeleid worden wat de precieze medicamenteuze behandeling is. Uit het attest blijkt ook dat de behandeling zes weken zou duren, doch er werden geen aanvullende medische gegevens ter beschikking gesteld waaruit zou blijken dat een behandeling effectief werd opgestart, of dat er een bijkomende noodzaak tot investigatie en/of een specifieke noodzakelijke (actuele en/of voorziene) medische behandeling en/of medische opvolging zou nodig blijken. Bijgevolg is de aanvraag onontvankelijk. Bijgevolg dient betrokkene gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten, (bevestigd op 29.10.2008) en ter kennis gebracht op 30.08.2007, en dient hij dringend het grondgebied van de Schengen- Lidstaten te verlaten. (…)” Dit is de tweede bestreden beslissing.
  19. Over de rechtspleging De procedures voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn vooralsnog kosteloos, zodat geen standpunt dient ingenomen te worden inzake de kosten van het geding.
  20. Over de ontvankelijkheid van het beroep 3.
  21. Overeenkomstig artikel 39/57, eerste lid, van de Vreemdelingenwet moet een beroep tot nietigverklaring worden ingesteld met een verzoekschrift binnen de dertig dagen na kennisgeving van de beslissing waartegen het beroep gericht is. Aangezien de eerste bestreden beslissing verzoeker op 30 juli 2008 ter kennis werd gebracht, is het tegen deze beslissing op 29 april 2009 ingestelde beroep laattijdig. Het beroep tot schorsing van de tenuitvoerlegging en nietigverklaring is onontvankelijk ratione temporis in zoverre het gericht is tegen de eerste bestreden beslissing. 3.
  22. Verweerder betwist de ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de tweede bestreden beslissing. Uit hetgeen hierna volgt zal blijken dat de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring samen dienen te worden behandeld, aangezien de vordering tot nietigverklaring slechts korte debatten vereist. In die omstandigheden is het niet nodig om de opgeworpen exceptie te onderzoeken.
  23. Onderzoek van het beroep gericht tegen de tweede bestreden beslissing 4.
  24. In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Hij betoogt dat de tweede bestreden beslissing niet is gemotiveerd, terwijl deze verplichting niet enkel voortvloeit uit voormelde wetsbepaling, maar ook uit artikel 149 van de Grondwet en de rechtspraak van het Hof van Cassatie. Er dient evenwel te worden gesteld dat de motieven van de bestreden beslissing op eenvoudige wijze in die beslissing kunnen gelezen worden zodat verzoeker er kennis van heeft kunnen nemen en heeft kunnen nagaan of het zin heeft de bestreden beslissing aan te vechten met de beroepsmogelijkheden waarover hij in rechte beschikt. Daarmee is aan de voornaamste doelstelling van de formele motiveringsplicht voldaan (RvS 31 oktober 2006, nr. 164 298; RvS 5 februari 2007, nr. 167 477). Verzoeker kan ook niet dienstig verwijzen naar artikel 149 van de Grondwet en de rechtspraak van het Hof van Cassatie met betrekking tot de motivering van rechterlijke beslissingen, aangezien de bestreden beslissing een administratieve beslissing is. XIV-31.273-4/18 4.
  25. In de mate dat verzoeker in een tweede middel aanvoert dat de motivering onjuist is, voert hij een schending aan van de materiële motiveringsplicht die dient onderzocht te worden in het kader van de toepassing van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet en artikel 7 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 tot vaststelling van de uitvoerings- modaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: het koninklijk besluit van 17 mei 2007). De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet bevoegd zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid. De Raad is bij de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd om na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van de aanvraag om machtiging tot verblijf is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet onredelijk tot haar besluit is gekomen (RvS 7 december 2001, nr. 101 624). Verzoeker betoogt dat in de tweede bestreden beslissing ten onrechte voorgehouden wordt dat zijn aanvraag om machtiging tot verblijf niet vergezeld ging van een medisch getuigschrift aangaande zijn medische aandoening. Hij stelt dat hij een gedetailleerd medisch attest heeft voorgelegd waarin een arts toelicht dat hij ingevolge een hongerstaking die vijftig dagen duurde opgevolgd wordt, dat een behandeling van zes weken nodig is en dat het af te wachten valt of hij naar zijn land van herkomst zal kunnen reizen. Hij besluit dat de aanvaag om machtiging tot verblijf derhalve niet onontvankelijk kon worden verklaard omdat er bij zijn aanvraag geen informatie aangaande zijn ziekte zou gevoegd geweest zijn. Tevens benadrukt hij dat hij heden nog steeds in behandeling is. Verweerder werpt op dat de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid dient na te gaan of de bij de aanvraag voorgelegde stukken voldoende zijn om de ambtenaar-geneesheer toe te laten een inhoudelijk onderzoek te voeren en hij de aanvraag onontvankelijk dient te verklaren indien hij vaststelt dat dit niet het geval is. Verweerder benadrukt dat de gezamenlijke lezing van artikel 9ter, § 1, van de Vreemdelingenwet en artikel 7 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 noopt tot de vaststelling dat uit het door de vreemdeling voorgelegde medisch stuk moet blijken dat de ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of voor een onmenselijke of vernederende behandeling en er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft. Artikel 9ter, § 1, van de Vreemdelingenwet, in toepassing waarvan de bestreden beslissing genomen werd en zoals dit bestond op het ogenblik dat de bestreden beslissing genomen werd, luidt als volgt: “§
  26. De in België verblijvende vreemdeling die beschikt over een identiteitsdocument en die op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft, kan een machtiging tot verblijf in het Rijk aanvragen bij de minister of zijn gemachtigde. De vreemdeling dient alle nuttige inlichtingen aangaande zijn ziekte over te maken. De appreciatie van het bovenvermeld risico en van de mogelijkheden van behandeling in het land van oorsprong of het land waar hij verblijft, gebeurt door een ambtenaar- geneesheer die daaromtrent een advies verschaft. Hij kan zonodig de vreemdeling onderzoeken en een bijkomend advies inwinnen van deskundigen. De voorwaarde dat de vreemdeling beschikt over een identiteitsdocument is niet van toepassing op: – de asielzoeker wiens asielaanvraag niet het voorwerp van een definitieve beslissing heeft uitgemaakt of die een overeenkomstig artikel 20 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, toelaatbaar verklaard administratief cassatieberoep heeft ingediend en dit tot op het ogenblik waarop een verwerpingsarrest inzake het toegelaten beroep is uitgesproken; XIV-31.273-5/18 – de vreemdeling die zijn onmogelijkheid om het vereiste identiteitsdocument te verwerven in België, op geldige wijze aantoont.” Artikel 7, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 bepaalt voorts: “§
  27. De aanvraag van de machtiging tot verblijf, bedoeld in artikel 9ter, § 1, van de wet, moet ingediend worden door middel van een aangetekend schrijven gericht aan de gemachtigde van de minister. De aanvraag gaat vergezeld van de volgende documenten en inlichtingen : 1 hetzij een afschrift van zijn nationaal paspoort of van zijn identiteitskaart, hetzij de motivering die toelaat betrokkene vrij te stellen van deze voorwaarde op grond van artikel 9ter, § 1, derde lid, van de wet; 2 een medisch getuigschrift aangaande zijn ziekte bedoeld in artikel 9ter, § 1, van de wet; 3 enige andere dienstige informatie of enig ander dienstig stuk met betrekking tot zijn ziekte waarover hij beschikt op het moment van de indiening van zijn aanvraag; 4 het adres van zijn feitelijke verblijfplaats in België. §
  28. Onverminderd artikel 9ter, § 3, van de wet, verklaart de gemachtigde van de minister de aanvraag onontvankelijk indien de in § 1 vermelde documenten en inlichtingen niet of slechts gedeeltelijk bij de inleidende aanvraag werden gevoegd, of indien deze aanvraag niet werd ingediend door middel van een aangetekend schrijven. (…)” De Raad stelt vast dat uit het door verweerder neergelegde administratief dossier blijkt dat verzoeker bij zijn aanvraag om op medische gronden tot een verblijf gemachtigd te worden een “gedetailleerd medisch attest” voegde. In dit attest stelt een arts dat verzoeker vijftig dagen in hongerstaking was en op 18 oktober 2008 bij spoedopname gehospitaliseerd werd. Tevens wordt in het medisch getuigschrift vermeld dat moet worden afgewacht of verzoeker nog een normaal leven kan leiden, dat er eventueel labo-onderzoek kan worden uitgevoerd, dat de regelmatige opvolging door een arts of specialist noodzakelijk is en dat de verwachte duur van de behandeling zes weken betreft. Ook stelt de arts dat de verbetering van de toestand van de patiënt, de mogelijkheid tot reizen naar het land van herkomst en het gezondheidsrisico in geval van terugkeer moet worden afgewacht, dat geen uitspraak omtrent het vermoedelijke verloop van de medische situatie van verzoeker kan gedaan worden, doch dat de prognose bij een goede behandeling mogelijk gunstig is. De gemachtigde van de minister van Migratieen asielbeleid kan derhalve niet voorhouden dat de nodige medische inlichtingen niet bij de aanvraag om machtiging tot verblijf werden gevoegd. De Raad wijst er voorts op dat de appreciatie van de aangevoerde medische problema- tiek, inclusief de beoordeling van de mogelijkheid of de noodzaak van een behandeling en de inschatting van de duur van de behandeling, overeenkomstig artikel 9ter, § 1, tweede lid, van de Vreemdelingenwet, alleen toekomt, aan een geneesheer. Enkel deze geneesheer kan de medische attesten inhoudelijk beoordelen en - indien de medische situatie van de aanvrager onvoldoende duidelijk blijkt uit de overgemaakte medische attesten - een aanvullend onderzoek (laten) doorvoeren (Parl.St. Kamer 2005-2006, nr. 2478/001, 35). In casu werd de bestreden beslissing echter genomen zonder dat het advies van de geneesheer werd ingewonnen. De gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid kan bovendien niet in de plaats van de bevoegde geneesheer oordelen of een voorgelegd medisch attest, dat een aantal basisinlichtingen omvat, deze geneesheer al dan niet toelaat een advies uit te brengen conform artikel 9ter, tweede lid, van de Vreemdelingenwet. De gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid heeft verkeerdelijk gesteld dat de aanvraag om machtiging tot verblijf van verzoeker niet vergezeld ging van een medisch getuigschrift aangaande de ziekte bedoeld in artikel 9ter, § 1, van de Vreemdelingenwet, heeft de voorgelegde medische bewijsstukken inhoudelijk beoordeeld in de plaats van een bevoegd geneesheer en heeft op kennelijk onredelijke wijze geoordeeld dat de aanvraag om machtiging tot verblijf om medische redenen onontvankelijk is. Het tweede middel is gegrond. XIV-31.273-6/18
  29. Korte debatten De vordering gericht tegen de eerste bestreden beslissing is onontvankelijk en verzoeker heeft een gegrond middel aangevoerd dat leidt tot de nietigverklaring van de tweede bestreden beslissing. Er is grond om toepassing te maken van artikel 36 van het koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Artikel 1 De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en het beroep tot nietigverklaring gericht tegen de beslissing van de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid van 30 juli 2008 tot weigering tot in overwegingname van een asielaanvraag worden verworpen Artikel 2 De beslissing van de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid van 25 februari 2009 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk werd verklaard wordt vernietigd. Artikel 3 De vordering tot schorsing van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid van 25 februari 2009 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk werd verklaard is zonder voorwerp. (...).”.
  30. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  31. Overwegende dat de verzoekende partij als eerste middel aanvoert: “3.
  32. Eerste middel Verzoeker beroept zich in een eerste middel op een schending van: - art. 9ter van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, - art. 7 §§ 1 en 2 van het Koninklijk besluit van 17 mei 2007 tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Doordat in het bestreden arrest het volgende wordt geoordeeld: - Het arrest zet onder de hoofding "
  33. Onderzoek van het beroep" vooreerst uiteen wat de grieven van huidig verweerder zijn. - Vervolgens citeert de rechter in vreemdelingenzaken de inhoud van onder meer de bepalingen van art. 9ter van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, evenals van art. 7 §§1 en 2 van het K.B. dd. 17.05.2007 voormeld. - Het oordeel van de rechter in vreemdelingenzaken luidt verder als volgt: "De Raad stelt vast dat uit het door verweerder neergelegde administratief dossier blijkt dat verzoeker bij zijn aanvraag om op medische gronden tot een verblijf gemachtigd te worden een gedetailleerd medisch attest voegde. In dit attest stelt een arts dat verzoeker vijftig dagen in hongerstaking was en op 18 oktober 2008 bij spoedopname gehospitaliseerd werd, Tevens wordt in het medisch getuigschrift vermeld dat moet worden afgewacht of verzoeker nog een normaal leven kan leiden, dat er eventueel labo-onderzoek kan worden uitgevoerd, dat de regelmatige opvolging door een arts of specialist noodzakelijk is en dat de verwachte duur van de behandeling zes weken betreft. Ook stelt de arts dat de verbetering van de toestand van de patiënt, de mogelijkheid tot reizen XIV-31.273-7/18 naar het land van herkomst en het gezondheidsrisico in geval van terugkeer moet worden afgewacht, dat geen uitspraak omtrent het vermoedelijke verloop van de medische situatie van verzoeker kan gedaan worden, doch dat de prognose bij een goede behandeling mogelijk gunstig is. De gemachtigde van de minister van Migratie en asielbeleid kan derhalve niet voorhouden dat de nodige medische inlichtingen niet bij de aanvraag om machtiging tot verblijf werden gevoegd. De Raad wijst er voorts op dat de appreciatie van de aangevoerde medische problematiek, inclusief de beoordeling van de mogelijkheid of de noodzaak van een behandeling en de inschatting van de duur van de behandeling, overeenkom- stig artikel 9ter, § 1, tweede lid, van de Vreemdelingenwet, alleen toekomt, aan een geneesheer. Enkel deze geneesheer kan de medische attesten inhoudelijk beoordelen en - indien de medische situatie van de aanvrager onvoldoende duidelijk blijkt uit de overgemaakte medische attesten - een aanvullend onderzoek (laten) doorvoeren (Parl. St. Kamer 2005-2006, nr. 2478/001, 35). In casu werd de bestreden beslissing echter genomen zonder dat het advies van de geneesheer werd ingewonnen. De gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid kan bovendien niet in de plaats van de bevoegde geneesheer oordelen of een voorgelegd medisch attest, dat een aantal basisinlichtingen omvat, deze geneesheer al dan niet toelaat een advies uit te brengen conform artikel 9ter, tweede lid, van de Vreemdelingenwet. De gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid heeft verkeerdelijk gesteld dat de aanvraag om machtiging tot verblijf van verzoeker niet vergezeld ging van een medisch getuigschrift aangaande de ziekte bedoeld in artikel 9ter, § 1, van de Vreemde- lingenwet, heeft de voorgelegde medische bewijsstukken inhoudelijk beoordeeld in de plaats van een bevoegd geneesheer en heeft op kennelijk onredelijke wijze geoordeeld dat de aanvraag om machtiging tot verblijf om medische redenen onontvankelijk is. Het tweede middel is gegrond. " De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst aldus naar de inhoud van de wettelijke en reglementaire bepalingen die ter zake van toepassing zijn, en naar de inhoud van het medisch getuigschrift en bijgaand medisch verslag dat huidig verweerder bij zijn aanvraag o.g.v. art. 9ter heeft overgemaakt, en besluit op basis hiervan: "De gemachtigde van de Minister van Migratie- en asielbeleid heeft verkeerdelijk gesteld dat de aanvraag om machtiging tot verblijf van verzoeker niet vergezeld ging van een medisch getuigschrift aangaande de ziekte bedoeld in artikel machtiging tot voorlopig verblijf o.g.v. artikel 9 ter Vreemdelingenwet, §1, van de Vreemdelingenwet, heeft de voorgelegde medische bewijsstukken beoordeeld in de plaats van een bevoegd geneesheer en heeft op kennelijk onredelijke wijze geoordeeld dat de aanvraag om machtiging tot verblijf om medische redenen onontvankelijk is." In casu dient evenwel te worden vastgesteld dat uit de initieel bestreden administratieve beslissing duidelijk blijkt dat deze genomen werd op grond van volgend determinerend motief: "De aanvraag ging niet vergezeld van volgende inlichtingen: in de aanvraag is er geen sprake van een specifieke medische behandeling die gegeven wordt." De rechter in vreemdelingenzaken gaat hierop niet in doch uit de diverse passages van het arrest, zoals onder meer: - "De Raad wijst er voorts op dat de appreciatie van de aangevoerde medische problematiek inclusief de beoordeling van de mogelijkheid of de noodzaak van eer behandeling en de inschatting van de duur van de behandeling, overeenkom- stig artikel 9ter, § 1, tweede lid, van de Vreemdelingenwet, alleen toekomt, aan een geneesheer. Enkel deze geneesheer kan de medische attesten inhoudelijk beoordelen en - indien de medische situatie van de aanvrager onvoldoende duidelijk blijkt uit de overgemaakte medische attesten - een aanvullend onderzoek (laten) doorvoeren (PariSt. Kamer 2005-2006, nr. 2478/001, 35). In casu werd de bestreden beslissing echter genomen zonder dat het advies van de XIV-31.273-8/18 geneesheer werd ingewonnen. De gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid kan bovendien niet in de plaats van de bevoegde geneesheer oordelen of een voorgelegd medisch attest, dat een aantal basisinlichtingen omvat, deze geneesheer al dan niet toelaat een advies uit te brengen conform artikel 9ter, tweede lid, van de Vreemdelingenwet. De gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid heeft verkeerdelijk gesteld dat de aanvraag om machtiging tot verblijf van verzoeker niet vergezeld ging van een medisch getuigschrift aangaande de ziekte bedoeld in artikel 9ter, § 1, van de Vreemde- lingenwet, heeft de voorgelegde medische bewijsstukken inhoudelijk beoordeeld in de plaats van een bevoegd geneesheer en heeft op kennelijk onredelijke wijze geoordeeld dat de aanvraag om machtiging tot verblijf om medische redenen onontvankelijk is." blijkt dat de rechter in vreemdelingenzaken kennelijk de mening is toegedaan dat in de bestreden beslissing de inhoud van het medisch getuigschrift wordt beoordeeld, terwijl de beoordeling van zulke inhoud niet toekomt aan de gemachtigde, doch wel aan de ambtenaar-geneesheer. Verzoeker betwist geenszins dat de beoordeling en de appreciatie van de inhoud van het medische getuigschrift aan de ambtenaar-geneesheer toekomt. Verzoeker merkt evenwel op dat de gemachtigde op geen enkel ogenblik een inhoudelijke beoordeling van het medisch getuigschrift heeft gemaakt. Hoger werd reeds verwezen naar het duidelijke determinerende motief van de initieel bestreden administratieve beslissing, met name dat de aanvraag niet ontvankelijk is conform art. 7 §2 van het K.B. dd. 17.05.2007 gezien de in §1 van dit artikel vermelde documenten en inlichtingen slechts gedeeltelijk werden gevoegd, meer bepaald is er geen sprake van een specifieke medische behandeling. Dit motief is in rechte onderbouwd, doch de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat hier op geen enkel ogenblik nader op in. Het determinerende motief van de bestreden beslissing vindt nochtans duidelijk steun in de wet en in het K.B., terwijl de rechter in vreemdelingenzaken een verkeerde toepassing heeft gemaakt van deze wettelijke en reglementaire bepalingen, zoals hierna ook zal blijken. Artikel 9ter van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 stipuleert dat: "§
  34. De in België verblijvende vreemdeling die beschikt over een identiteitsdo- cument en die op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft, kan een machtiging tot verblijf in het Rijk aanvragen bij de minister of zijn gemachtig- de." (vetschrift en onderlijning toegevoegd) Artikel 7 van het K.B. van 17.05.2007 voormeld bepaalt vervolgens: "§
  35. De aanvraag van de machtiging tot verblijf bedoeld in artikel 9ter, §1, van de wet, moet ingediend worden door middel van een aangetekend schrijven gericht aan de gemachtigde van de minister. De aanvraag gaat vergezeld van de volgende documenten en inlichtingen : 1 hetzij een afschrift van zijn nationaal paspoort of van zijn identiteitskaart, hetzij de motivering die toelaat betrokkene vrij te stellen van deze voorwaarde op grond van artikel 9ter, § 1, derde lid, van de wet; 2 een medisch getuigschrift aangaande zijn ziekte bedoeld in artikel 9ter, 1, van de wet. 3 enige andere dienstige informatie of enig ander dienstig stuk met betrekking tot zijn ziekte waarover hij beschikt op het moment van de indiening van zijn aanvraag; §
  36. Onverminderd artikel 9ter, § 3, van de wet, verklaart de gemachtigde van de minister de aanvraag onontvankelijk indien de in § 1 vermelde documenten en inlichtingen niet of slechts gedeeltelijk bij de inleidende aanvraag werden XIV-31.273-9/18 gevoegd, of indien deze aanvraag niet werd ingediend door middel van een aangetekend schrijven." De vreemdeling dient aldus een medisch stuk voor te brengen aangaande zijn ziekte 'bedoeld in artikel 9ter § 1'. Gezien de concrete inhoud van art. 9ter § 1, noopt de gezamenlijke lezing van art. 9ter §1 van de Wet voormeld en art. 7 §1 van het K.B. voormeld tot de vaststelling dat uit het voorgelegde medisch stuk moet blijken dat: - de ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit; OF - de ziekte een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling; EN - er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft. Indien deze stukken niet of slechts gedeeltelijk voorliggen, wordt de aanvraag onontvankelijk verklaard. De door de vreemdeling voorgelegde stukken dienen immers van aard te zijn aan de ambtenaar-geneesheer toe te laten een medisch onderzoek ten gronde te voeren en een appreciatie te doen van de ziekte van de betrokkene, van de ernst van deze ziekte en van de behandelingsmogelijkheden in het land van herkomst. De gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid dient derhalve vooreerst na te gaan of de bij de aanvraag voorgelegde stukken voldoende zijn om aan de ambtenaar-geneesheer toe te laten een inhoudelijk onderzoek te voeren, en verklaart de aanvraag onontvankelijk indien hij vaststelt dat dit niet het geval is. De ‘ziekte bedoeld in art. 9ter §1 van de Wet' is niet alleen de ziekte die een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling, maar is tevens de ziekte waarvoor geen adequate behandeling is in het land van herkomst of het land waar de vreemdeling verblijft. Zowel de wet als het K.B. zijn ter zake zeer duidelijk en laten geen appreciatiemarge. Indien aldus op geen enkele wijze wordt vermeld welke behandeling de betrokkene dient te volgen, is de ambtenaar-geneesheer in de onmogelijkheid om desbetreffend enig onderzoek te voeren, meerbepaald is deze alsdan niet in staat te beoordelen of er inderdaad voor de betrokkene een 'reëel risico' bestaat in de zin van de wet. Welnu, de vaststelling of dergelijke essentiële informatie al dan niet wordt vermeld in het medisch getuigschrift, maakt uiteraard geen deel uit van de appreciatie van het 'reëel risico' door de ambtenaar-geneesheer, maar wél van het onderzoek of alle nuttige inlichtingen `aangaande de ziekte bedoeld in artikel 9ter §1' voorliggen. Vanzelfsprekend hoeft men geen arts te zijn om vast te stellen dat de noodzakelijke informatie over de ziekte en de behandeling in het medisch getuigschrift ontbeert. Zulks maakt vanzelfsprekend niet de beoordeling van de inhoud van het medisch getuigschrift uit. Indien men de stelling van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou doortrekken, zou dit impliceren dat de gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid over geen enkele mogelijkheid zou beschikken om vast te stellen of de betrokkene een medisch getuigschrift heeft voorgebracht aangaande zijn ziekte 'bedoeld in artikel 9ter § 1'. Immers zou de gemachtigde alsdan niet kunnen / mogen lezen of er in het medisch getuigschrift wel alle noodzakelijke informatie vermeld wordt die de ambtenaar-geneesheer nodig heeft. Zodoende zou de gemachtigde nagenoeg geen enkele aanvraag onontvankelijk kunnen verklaren, dit van zodra een medisch getuigschrift - ook al staat er niets in - wordt voorgelegd. Dit is duidelijk niet de bedoeling van de wetgever geweest en strookt ook niet met de interpretatie en de toepassing die verzoeker sedert het in voege treden van artikel 9ter van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen heeft gemaakt van het ontvankelijk- XIV-31.273-10/18 heidsvereiste van een aanvraag o.g.v. artikel 9ter voormeld, in deze interpretatie en toepassing ook gevolgd door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Ook dat impliceert immers de toepassing van het rechtszekerheidsbeginsel dat de Dienst Vreemdelingenzaken niet plots een andere toepassing zou geven aan de bepalingen van de artikelen 9ter en 7 §§1 en 2 voormeld. Uit het medische getuigschrift dat door verweerder werd voorgelegd, blijkt nopens het onderdeel van de behandeling van betrokkene dat: - er eventueel een labo-onderzoek dient te worden uitgevoerd ; - dat de regelmatige opvolging door een arts of specialist noodzakelijk is; - de verwachte duur van de behandeling zes weken betreft ;. Uit deze stukken blijkt derhalve geenszins op duidelijke wijze welke behandeling betrokkene dient te volgen, zodat de ambtenaar-geneesheer dan ook onmogelijk kan vaststellen of deze behandeling voorhanden is in het land van oorsprong. Besluitend dient dan ook te worden vastgesteld dat de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen in het bestreden arrest met miskenning van de nochtans expliciete inhoud van de wettelijke en reglementaire bepalingen terzake heeft geoordeeld dat het gegeven dat geen enkele medische behandeling wordt vermeld niet van aard is om een aanvraag om machtiging tot verblijf o.g.v. art. 9ter van de Wet dd. 15.12.1980 onontvankelijk te verklaren. De verwijzing naar de voorbereidende werkzaamheden in het bestreden arrest is in casu niet dienstig, gezien de paragrafen waar de rechter in vreemdelingenzaken in het bestreden arrest naar verwijst betrekking hebben op het medisch onderzoek dat ten gronde wordt gevoerd door de ambtenaar-geneesheer en op de appreciatie van de inhoud van het medisch getuigschrift, aspecten die allen de gegrondheid van de aanvraag betreffen, terwijl dit in casu niet aan de orde is. Verzoeker wenst er volledigheidshalve tevens op te wijzen dat hij geenszins voorhoudt dat een medische behandeling aan de gang moet zijn op het ogenblik van het indienen van de aanvraag o.g.v. art. 9ter opdat deze aanvraag ontvankelijk zou kunnen zijn. Enkel, het weze herhaald, dient melding gemaakt te worden van een behandeling teneinde aan de ambtenaar- geneesheer toe te laten te onderzoeken of deze behandeling voorhanden is in het land van oorsprong. Aldus miskende de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de duidelijke inhoud van de artikelen 9ter van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en 7 §§ 1 en 2 van het K.B. dd. 17.05.2007 door te oordelen dat de aanvraag ontvankelijk dient te worden verklaard, ook al laat het voorgelegde medisch getuigschrift aan de ambtenaar-geneesheer niet toe na te gaan of er voor de betrokkene een behandeling voorhanden is. Het eerste middel is gegrond.”; 2.1.
  37. Overwegende dat de verwerende partij als volgt antwoordt: “Voor wat betreft het eerste middel dat verzoekende partij inroept, zijnde een schending van artikel 9ter van de Wet van 15.12.1980 en artikel 7 §§ 1 en 2 van het KB van 17 mei 2007 Verweerder volhardt in zijn ingeroepen middelen, zoals bevestigd door de RvV. In de bestreden beslissing van de DVZ werd verkeerdelijk vermeld dat de aanvraag tot machtiging van verblijf niet vergezeld ging van een medisch getuigschrift. De DVZ verweerde zich door te stellen dat in de bestreden beslissing niet gesteld wordt dat geen enkel medisch stuk werd neergelegd, maar dat de bestreden beslissing niet werd vergezeld van documenten waaruit blijkt dat: - de ziekte een risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit OF XIV-31.273-11/18 - de ziekte een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling EN - er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of waar hij verblijft. Zoals tevens werd vastgesteld door de RvV voegde verweerder bij zijn aanvraag tot machting van verblijf op basis van artikel 9ter een vaststellingsattest toe. In dit attest stelt een arts dat de heer XXX vijftig dagen in hongerstaking was en op 18 oktober 2008 bij spoedopname gehospitaliseerd werd. Daarbij wordt in het medisch attest vermeld dat moet afgewacht worden of de heer XXX nog een normaal leven kan leden, dat er eventuelee een labo-onderzoek moet worden uitgevoerd, dat een regelmatige opvolging door een arts of specialist noodzakelijk is en dat de verwachte duur van de behandeling 6 weken bedraagt. De arts stelt tevens dat de verbetering van de toestand van de patiënt, de mogelijkheid tot reizen naar het land van herkomst moet afgewacht worden. Hieruit blijkt dus met andere woorden dat verweerder op heden niet kan reizen. De vraag of een behandeling in het thuisland beschikbaar is, is dan ook irrelevant, daar hij niet in zijn thuisland geraakt - omwille van zijn gezondheidstoestand. De arts stelt verder in het getuigschrift dat nog geen uitspraak kan gedaan worde omtrent het verloop van de medische situatie van betrokkene. De gemachtigde van de minister kan dus niet voorhouden dat de nodige medische inlichtingen niet bij de aanvraag werden gevoegd. Daarbij berust de appreciatie van de aangevoerde medische problematiek, inclusief de mogelijkheid of de noodzakelijk van een behandeling bij een ambtenaar-geneesheer. De bestreden beslissing werd genomen zonder dat het advies van de ambtenaar-geneesheer werd ingewonnen. Zoals gesteld in het arrest van de RvV heeft de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid de voorgelegde bewijsstukken incorrect beoordeeld en heeft zodoende op kennelijk onredelijke wijze geoordeeld dat de aanvraag om machtiging tot verblijf om medische redenen onontvankelijk is.”; 2.1.
  38. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord het middel zoals uiteengezet in haar inleidend verzoekschrift herhaalt; 2.1.
  39. Overwegende dat artikel 9ter, § 1 van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: “§ 1 De in België verblijvende vreemdeling die beschikt over een identiteitsdocu- ment en die op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft, kan een machtiging tot verblijf in het Rijk aanvragen bij de minister of zijn gemachtigde. De vreemdeling dient alle nuttige inlichtingen aangaande zijn ziekte over te maken. De beoordeling van het bovenvermeld risico en van de mogelijkheden van behandeling in het land van oorsprong of het land waar hij verblijft, gebeurt door een ambte- naar-geneesheer [of een geneesheer aangeduid door de minister of zijn gemachtigde] die daaromtrent een advies verschaft. Hij kan zonodig de vreemdeling onderzoeken en een bijkomend advies inwinnen van deskundigen. De voorwaarde dat de vreemdeling beschikt over een identiteitsdocument is niet van toepassing op: - de asielzoeker wiens asielaanvraag niet definitief werd afgewezen of die tegen deze beslissing een overeenkomstig artikel 20 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, toelaatbaar cassatieberoep heeft ingediend en dit tot op het ogenblik waarop een verwerpingsarrest inzake het toegelaten beroep is uitgesproken; XIV-31.273-12/18 - de vreemdeling die zijn onmogelijkheid om het vereiste identiteitsdocument te verwerven in België, op geldige wijze aantoont”; dat artikel 7, § 1 en § 2 van het koninklijk besluit tot vaststelling van de uitvoeringsmodali- teiten van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: “§ 1 De aanvraag van de machtiging tot verblijf, bedoeld in artikel 9ter, § 1, van de wet, moet ingediend worden door middel van een aangetekend schrijven gericht aan de gemachtigde van de minister. De aanvraag gaat vergezeld van de volgende documenten en inlichtingen: 1 hetzij een afschrift van zijn nationaal paspoort of van zijn identiteitskaart, hetzij de motivering die toelaat betrokkene vrij te stellen van deze voorwaarde op grond van artikel 9ter, § 1, derde lid, van de wet; 2 een medisch getuigschrift aangaande zijn ziekte bedoeld in artikel 9ter, § 1, van de wet; 3 enige andere dienstige informatie of enig ander dienstig stuk met betrekking tot zijn ziekte waarover hij beschikt op het moment van de indiening van zijn aanvraag; 4 het adres van zijn feitelijke verblijfplaats in België. § 2 Onverminderd artikel 9ter, § 3, van de wet, verklaart de gemachtigde van de minister de aanvraag onontvankelijk indien de in § 1 vermelde documenten en inlichtingen niet of slechts gedeeltelijk bij de inleidende aanvraag werden gevoegd, of indien deze aanvraag niet werd ingediend door middel van een aangetekend schrijven. In het tegenovergestelde geval geeft de gemachtigde van de minister de instructie aan de gemeente om de betrokkene in te schrijven in het vreemdelingenregister, en hem in het bezit te stellen van een attest van immatriculatie model A. Dit attest wordt ingehouden indien de betrokkene zonder geldige reden geen gevolg geeft aan een uitnodiging van de behandelende ambtenaar-geneesheer of deskundige”; Overwegende dat de verzoekende partij de aanvraag om machtiging tot verblijf niet-ontvankelijk verklaart overeenkomstig artikel 7 § 1, van het koninklijk besluit van 17 mei 2007, indien bij de aanvraag van de vreemdeling geen “medisch getuigschrift aangaande zijn ziekte bedoeld in artikel 9ter, §1, van de wet”, is gevoegd; dat de vraag rijst wat onder medisch getuigschrift omtrent de ziekte bedoeld in artikel 9ter, § 1, dient te worden verstaan, en meer in het bijzonder of dit attest reeds de medische behandeling dient te vermelden; dat artikel 9ter § 1, eerste lid, van de Vreemdelingenwet melding maakt van een in België verblijvende vreemdeling die op zodanige wijze lijdt aan “een ziekte dat deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of zijn fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft”; dat hieruit blijkt dat het moet gaan om een ziekte die een reëel risico inhoudt voor het leven of de fysieke integriteit van de aanvrager of een ziekte die een reëel risico inhoudt voor een onmenselijke of vernederende behandeling én dat er geen adequate behandeling is in het land van herkomst of het land waar hij verblijft; dat artikel 9ter § 1, tweede lid, van de Vreemdelingenwet stelt dat de vreemdeling alle nuttige inlichtingen omtrent zijn ziekte dient over te maken; dat deze bepaling enkel spreekt over “alle nuttige inlichtingen aangaande zijn ziekte”, maar dat zij XIV-31.273-13/18 niet preciseert over welke inlichtingen het gaat; dat artikel 7, § 1, 2 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 evenmin voorwaarden oplegt waaraan het medische getuigschrift dient te voldoen; dat bijgevolg noch uit de wet, noch uit het koninklijk besluit van 17 mei 2007 volgt dat uit het door de aanvrager neergelegde medische getuigschrift moet blijken welke behandeling wordt gevolgd of moet worden gevolgd; dat de verzoekende partij derhalve ten onrechte meent dat haar stelling dat het medisch getuigschrift reeds dient te vermelden welke behandeling de betrokkene volgt of dient te volgen, steun vindt in zowel de wet als het koninklijk besluit; dat in de memorie van toelichting betreffende het wetsontwerp tot wijziging van de Vreemdelingenwet, waarbij artikel 9ter wordt ingevoegd, wordt uiteengezet dat “het onderzoek van de vraag of er een gepaste en voldoende toegankelijke behandeling bestaat in het land van oorsprong of verblijf (...) geval per geval (gebeurt), rekening houdend met de individuele situatie van de aanvrager, en wordt geëvalueerd binnen de limieten van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens” en dat “de appreciatie van de bovenvermelde elementen wordt overgelaten aan een ambtenaar-geneesheer die een advies verstrekt aan de ambtenaar die de beslissingsbe- voegdheid heeft over de verblijfsaanvraag”; dat het bijgevolg de ambtenaar-geneesheer is die, naast de ernst van de ziekte, zal onderzoeken of er een adequate behandeling voor deze ziekte bestaat in het land van oorsprong of verblijf, desnoods na advies te hebben ingewonnen bij deskundigen; dat hij in dit kader zelf zal nagaan welke de gepaste behandeling is; dat het geenszins noodzakelijk is dat deze informatie reeds is vermeld in het medische getuigschrift; dat, indien de behandeling reeds zou moeten worden aangegeven in het medische attest, de ambtenaar-geneesheer zou zijn gebonden door de door de behandelende arts van de vreemdeling aangegeven behandeling, hetgeen onverenigbaar is met zijn ruime appreciatiebevoegdheid; dat, aangezien de ambtenaar-geneesheer niet gebonden kan worden geacht door deze behandeling, het evenmin noodzakelijk is dat deze behandeling, hoewel het nuttige informatie kan zijn, reeds wordt vermeld; dat een bepaalde medische toestand bovendien in de loop van de behandeling van de aanvraag kan evolueren en dat zeker niet alleen de toestand en de eventuele behandeling of behandelingsplan op het ogenblik van de aanvraag in beschouwing moeten worden genomen; dat uit artikel 9ter, § 1, tweede lid van de Vreemdelingenwet blijkt dat de beoordeling van de mogelijkheid of de noodzaak van een medische behandeling alleen toekomt aan de ambtenaar-geneesheer; dat het ontbreken van informatie omtrent de medische behandeling bijgevolg geen aanleiding kan geven tot het niet-ontvankelijk verklaren van de aanvraag overeenkomstig artikel 7,§ 2 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  40. Overwegende dat de verzoekende partij als tweede middel aanvoert: “3.
  41. Tweede middel XIV-31.273-14/18 Verzoeker beroept zich in een tweede middel op een schending van - de rechtsregels die de jurisdictionele motiveringsplicht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege beheersen, te weten: o art. 149 van de gecoordineerde Grondwet ; o art. 39/65, eerste lid, van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; o en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven (zie Cass. 10 november 1997, AR S.97.0050.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971110.4, Arr. Cass. 1997, 1110) ; - het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Doordat in het bestreden arrest als volgt wordt geoordeeld onder de hoofding "
  42. Onderzoek van het beroep" : - "In een enig middel voert verzoeker de schending aan van (...) In een tweede onderdeel van het enig middel voert verzoeker specifiek de schending aan van (...) Verzoeker kan gevolgd worden waar hij stelt dat de motivering als zou het verzoek niet ontvankelijk zijn, foutief is." Vervolgens geeft de rechter in vreemdelingenzaken de inhoud van de relevante wettelijke en reglementaire bepalingen weer en zet zij uiteen waarom de aanvraag naar haar oordeel ontvankelijk is, dit met verwijzing naar de voorbereidende werkzaamheden van de wet, om vervolgens te besluiten dat de aanvraag 'aan de ontvankelijkheidsvoor- waarden voldeed' en te oordelen dat het middel van huidig verweerder (oorspronkelijk verzoeker) gegrond is. Over de opmerkingen en repliek van de oorspronkelijk verwerende partij (huidig verzoeker) in de nota met opmerkingen dd. 13 mei 2009 wordt met geen woord gerept. Op geen enkel ogenblik blijkt dat de rechter in vreemdelingenzaken het door verzoeker in zijn nota met opmerkingen gevoerde betoog heeft onderzocht, laat staan beoordeeld. In het arrest komt geen enkel motief naar voor dienaangaande. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dient als administratief rechtscollege echter te voldoen aan de motiveringsvereisten van art. 149 van de Grondwet, alsook van art. 39/65, eerste lid, van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven. (Cass. 9 oktober 1959, Arr. Verbr. 1960, concl. en Pas. 1960, I, 170 concl.) Als administratief rechtscollege heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een jurisdictionele motiveringsplicht, hetgeen inhoudt dat elk ontwikkeld middel afzonderlijk en pertinent dient te worden onderzocht en beantwoord. Als administratief rechtscollege dient de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te voldoen aan de strenge motiveringsvereisten van art. 149 van de Grondwet. (Cass. 9 oktober 1959, Arr. Verbr. 1960, concl. en Pas. 1960, I, 170 concl.; ALEN, A., Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Antwerpen, Kluwer, 1999, nr. 286 C: "De motiveringsplicht wordt beschouwd als een algemeen rechtsbeginsel, dat moet worden nageleefd door elke rechter, niet alleen door de gewone hoven en rechtbanken, maar ook door de administratieve en andere rechtscolleges, zelfs wanneer de wetten er niet uitdrukkelijk een verplichting daartoe heeft opgelegd".) De motivering van vonnissen is een wezenlijke waarborg tegen willekeur en geldt als bewijs dat de rechter de hem voorgelegde middelen zorgvuldig heeft onderzocht en zijn uitspraak beredeneerd heeft (Cass., 12 mei 1932, Pas. 1932, I, 166). De verplichting tot motiveren is een vormvereiste. Aan deze verplichting wordt evenwel niet voldaan, indien zij het Hof van Cassatie niet toelaat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen (Cass., 19 oktober 2000). Uit de motieven van het aangevochten arrest blijkt allerminst of de rechter in vreemdelingenzaken al dan niet het verweer van verzoeker, zoals uiteengezet in de nota XIV-31.273-15/18 met opmerkingen van 13 mei 2009, in overweging heeft genomen, laat staan beoordeeld. De rechter in vreemdelingenzaken antwoordt niet eens op dit verweer, zelfs niet summier. Art. 780 Ger. W. schrijft voor dat een vonnis op straffe van nietigheid het antwoord op de conclusie of middelen van de partij bevat. Gezien art. 149 Grondwet, minstens het daaruit afgeleide algemeen beginsel van motivering, ook geldt voor administratieve rechtscolleges, dient een administratief rechtscollege een equivalente waarborg te bieden. Cfr. overigens specifiek art. 57/22 Wet van 15 december
  43. De motivering van een administratief rechtscollege kan dus door Uw Raad als cassatierechter, aan perfect dezelfde voorwaarden onderworpen worden, als vonnissen en arresten van de burgerlijke rechtbanken en hoven. (R.v.S. XIV-20.981-3/6) Inzake de inhoud van de jurisdictionele motiveringsverplichting, kan er verwezen worden naar ALEN, A., op cit. 286a: "de motiveringsplicht beschermt de partijen tegen mogelijke willekeur, omdat de Rechter erdoor wordt verplicht om op een duidelijke en ondubbelzinnige manier de gronden te vermelden waarop zijn beslissing steunt en om de eisen en verweermiddelen van de partijen te beantwoorden." (Cfr. HERBOTS, J., "Cassatie wegens motiveringsgebreken", T.P.R. 1971, 1-26.) Aldaar geeft HERBOTS de vier betekenissen van de motiveringsplicht met als derde betekenis : "De Rechter moet een bevredigend antwoord geven aan de door partijen in hun conclusies opgeworpen middelen". Art. 149 Grondwet en het daarin vervatte algemeen beginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht, leunt uiteraard sterk aan bij de rechten van verdediging. Administratieve jurisdicties moeten de in de debatten naar voor gebrachte argumentatie ontmoeten. (VANDE LANOTTE, J. en CEREXHE, E., De motiveringsplicht van bestuurshandelingen, Brugge, Die Keure, 1992, 11-12). De motiveringsverplichting van de rechter dient een garantie te vormen dat de door de verdediging uiteengezette middelen effectief met zorg zijn aangehoord en onderzocht. Verzoeker kan uit de motivering van het bestreden arrest evenwel niet afleiden of de rechter in vreemdelingenzaken de uiteenzetting dienaangaande van de oorspronkelijk verwerende partij mee in overweging heeft genomen bij haar beoordeling. De rechter in vreemdelingenzaken antwoordt alleszins niet op de uiteenzetting van de oorspron- kelijk verwerende partij. De rechter in vreemdelingenzaken gaat voorbij aan de uiteenzetting van verzoeker in de nota met opmerkingen, en laat deze volledig buiten beschouwing. Het gebrek aan vermelding op afdoende en gedegen wijze van de motieven op grond waarvan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tot het aangevochten arrest is gekomen, in acht genomen het verweer van de (toenmalige) verwerende partij, maakt het voor de verzoekende partij in cassatie onmogelijk om een deugdelijk verweer te voeren op het arrest en maakt het voor de Raad van State, als Cassatierechter, eveneens onmogelijk om zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, vaststelling die op zich al volstaat om administratieve tot cassatie te besluiten. (R.v.St. nr. 66.369, 22.05.1997) Er werd niet op duidelijke en ondubbelzinnige manier vermeld noch blijkt het impliciet uit de bewoordingen van het bestreden arrest dat de rechter in vreemdelingenzaken het verweer van de oorspronkelijk verwerende partij, huidig verzoeker, in overweging heeft genomen, heeft onderzocht en tot slot heeft beoordeeld. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen schendt dan ook de rechtsregels die zijn motiveringsplicht als administratief rechtscollege beheersen, te weten art. 149 gecoördineerde Grondwet, art. 39/65, eerste lid, Vreemdelingenwet en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven. De schending van de jurisdictionele motiveringsplicht brengt tevens, zoals hoger uiteengezet, een schending met zich mee van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. XIV-31.273-16/18 Het tweede middel is gegrond.”; 2.2.
  44. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederant- woord het middel herhaalt; 2.2.
  45. Overwegende dat de verzoekende partij zich beperkt tot de algemene bewering dat haar betoog, uiteengezet in haar nota met opmerkingen, niet is onderzocht, laat staan beoordeeld, zonder in concreto aan te geven welke argumenten niet zijn onderzocht; dat zij verder een aantal algemene theoretische beschouwingen omtrent de jurisdictionele motiveringsplicht geeft; dat de verzoekende partij aldus evenwel geen schending van de aangehaalde bepalingen of beginselen aannemelijk maakt; dat het tweede middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  46. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  47. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-31.273-17/18 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenen- twintig juli tweeduizend en tien, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. A. BEIRLAEN. XIV-31.273-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.842 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971110.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.